Waarom kwispelen honden zoveel?

Het is het ultieme blijehondenbeeld: het extatische gekwispel als je thuiskomt, of als je de voerbak vult. Maar soms kwispelt je hond ook in andere situaties. Als hij iets graag wil, bijvoorbeeld. Of als hij zich onzeker of bedreigd voelt. Hoe zit dat?

Een ‘waarom’-vraag is altijd tricky: doel je op de oorzaak (‘waardoor’) of op het doel (‘waartoe’)? Bij diergedrag zijn er zelfs víér mogelijke invalshoeken, schreef bioloog en latere Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen in 1963. Hoe werkt het gedrag, mechanistisch gezien? Hoe ontwikkelt het zich gedurende een leven? Waartoe dient het? En hoe is het geëvolueerd?

Er zijn veel dieren die kwispelen, bijvoorbeeld drinkende lammetjes, etende herten, geïrriteerde paarden en tevreden varkens. Kwispelkampioen zijn de hondachtigen. Vos, wolf en coyote: ze doen het allemaal. Maar de hoofdprijs gaat naar de hond.

Italiaanse biologen zetten in 2024 in Biology Letters bestaand kwispelonderzoek op een rijtje, volgens de systematiek van Tinbergen. Ten eerste het mechanisme. Het zijn vooral de kleine hersenen die het kwispelen aansturen. Die reguleren de motoriek, maar ook angst- en plezierreacties. Maar er gebeurt ook iets in de grote hersenen. Honden kwispelen namelijk asymmetrisch. Vaak is er een lichte afwijking naar rechts, aangestuurd vanuit de linkerhersenhelft. Dat gebeurt in reactie op iets positiefs. Ze kwispelen juist ietsje naar links in een onzekere of negatieve situatie, aangestuurd door de rechterhersenhelft. Hoe dat precies zit is niet bekend, maar duidelijk is wel dat honden die verschillende kwispels haarfijn kunnen onderscheiden, bij elkaar én bij robothonden. Ze vertonen bijvoorbeeld meer stress bij het zien van links- dan bij rechtskwispelaars.

Hondenpuppy’s beginnen met kwispelen als ze vier à vijf weken oud zijn, allereerst in reactie op iets fijns. Pas later wordt het genuanceerder. Wolvenpups daarentegen kwispelen bijna nooit. En volwassen honden kwispelen geleidelijk meer rechts dan links naarmate ze een persoon beter leren kennen.

Over de functie van het kwispelen zijn de conclusies niet eenduidig. Het gedrag dient in elk geval als sociaal signaal, naar honden of naar mensen. Een lage kwispel staat voor geruststelling, of goede bedoelingen. Als het hele achterlijf meebeweegt, duidt de lage kwispel op een lage status of volledige onderwerping. En een hoge kwispel duidt op opwinding, maar die kan zowel positief als negatief zijn. Voor ons blijft het vaak gissen.

Ten slotte de evolutie van het vele kwispelen. Vanaf circa 35.000 jaar geleden zijn mensen wolven gaan domesticeren. Dat heeft geleid tot de hondenkenmerken die we zo waarderen, zoals hun vriendelijkheid, werklust en ‘slimheid’. In tegenstelling tot wolven kunnen honden bijvoorbeeld een wijzende mensenvinger volgen. Het leidde ook tot uiterlijke kenmerken, zoals hangende oren, vlekken en een boller voorhoofd.

Waarschijnlijk is het vele kwispelen, net als de hangoren, ontstaan als bijeffect van de domesticatie, aldus de Italianen. Mensen hebben er niet bewust op geselecteerd, maar die eigenschappen blijken genetisch gelinkt aan gewenste gedragskenmerken (het ‘domesticatie-effect’). Ook de tamme zilvervossen uit het beroemde Russische domesticatie-experiment kwispelden veel, hoewel ze alleen waren geselecteerd op vriendelijkheid.

Maar, zo besluit het artikel in Biology Letters, misschien speelt daar wel iets doorheen. Het kwispelen appelleert aan onze menselijke voorkeur voor ritme en cyclische bewegingen. Die vinden we geruststellend. Misschien hebben we honden wel altijd onbewust als vriendelijker beoordeeld naarmate ze meer kwispelden, en woog dat mee in de fokselectie.

Dus wellicht luidt het antwoord op onze beginvraag óók wel: omdat mensen dat fijn vinden.