Weten watervogels straks nog wel hoe ze wakken moeten openhouden?

Dankzij een straffe oostenwind lag hier en daar flink wat ijs, eind februari. Dat riep bij een lezer de vraag op: „Zouden watervogels het vermogen verliezen om wakken in het ijs te onderhouden? Bij mijn weten zag je vroeger in sloten en vijvers altijd groepen eenden, zwanen en meeuwen gezamenlijk een wak openhouden. Afgelopen dagen zag ik juist veel vogels óp het ijs zitten, zonder wakken in de buurt. Zouden eenden en collega’s echt beseffen dat ze het water kunnen openhouden door te zwemmen? Geven ze die kennis door aan latere generaties? En verliezen ze dan die kennis nu er minder vaak ijs ligt?”

Je ziet het vooral op kleinere wateren: als de sloot of plas echt dicht ligt, hebben watervogels pech. Ze zitten óp het ijs, zolang als het gaat, of trekken meteen al weg. Grotere watervlakten vriezen minder snel dicht. Maar houden vogels die zelf actief open?

Studies die specifiek hierover gaan, blijken niet te vinden. Maar hoe zou je zoiets ook onderzoeken..? Er zijn wel anekdotische verhalen. Op een outdoorforum schrijft iemand uit Minnesota (VS), die uitkijkt op een plas met Canadese ganzen: „Er lijkt een soort ‘teaminspanning’ te zijn om open waterkanalen in het ijs te creëren. De ganzen volgen steeds dezelfde route om hun kanalen open te houden. Dit doen ze waarschijnlijk om toegang tot voedsel behouden, maar het gebeurt duidelijk met opzet. Erg vermakelijk en bijzonder om te zien!”

Een complexe mix

Is hier echt sprake van opzet? Heeft een vogel een doel in zijn hoofd, en handelt hij daar bewust naar, of reageert hij puur op de omstandigheden? En is dat dan aangeleerd, of vastgelegd in de genen? Al een eeuw geleden deden gedragsbiologen als Niko Tinbergen en Konrad Lorenz experimenten om dit te ontrafelen. Wat je ziet, concludeerden zij, is een complexe mix van instinctief en aangeleerd gedrag. Maar ook dat laatste heeft genetische elementen. Veel dieren hebben bijvoorbeeld vaste, gevoelige perioden waarin ze, als vanzelf, bepaalde dingen leren. Bijvoorbeeld wie hun ouders zijn. En hoe je moet vliegen, lopen of jagen. Zelfs een eend moet leren zwemmen.

Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie in Groningen, ontdekt de laatste jaren in vogellevens een steeds grotere rol voor ‘leren’. Trekgedrag, zo zag hij bijvoorbeeld, is een leerproces dat vorm krijgt gedurende een individueel vogelleven, op basis van genen én ervaringen. „Jouw vraag is dus te dichotoom”, reageert Piersma nu op het vogelwakkenvraagstuk. Oftewel: te zwart-wit. Het is niet óf-óf. Het liefst zou hij het gebruik van slechts twee termen (‘instinctief’ en ‘aangeleerd’) vermijden, want nature en nurture vloeien in elkaar over: al meteen na de bevruchting zijn er allerlei externe invloeden die bepalen hoe een ei zich ontwikkelt. Dat gaat het hele vogelleven door.

„De eenden en koeten klonteren samen op plekken die nog niet dichtgevroren zijn en houden de boel zo ook open, natuurlijk”, vat hij samen. „Maar jee, is dat aangeboren? Wat is er aangeboren aan het eend- of meerkoet-zijn? Net als jij en ik zijn het dieren in een fase van hun persoonlijke ontwikkeling. Ze vertonen leergedrag, samen met het soort gedrag dat adaptief is voor bepaalde soorten – bijvoorbeeld klonteren op goede plekken, en het opzijzetten van haantjesgedrag. Ik denk dat ze het daarom ook na vele warme winters weer heel snel zouden leren, dat wak-waken.”