Serie ‘Devil May Cry’ is een lust voor het oog

De discussie over geweld in videogames blijft fascinerend voor een gamedeskundige. Het idee alleen al dat je geweld in de werkelijkheid – echt geweld, bruut en snel en lelijk – kan vergelijken met het soms ronduit sierlijke ballet in een spel? Simplistisch. Zeker als we het hebben over de invloedrijke cultgames van Devil May Cry, waarin geweld meer weg heeft van ijsdansen op stampende metalmuziek. De fraaie, dodelijke bewegingen van de dansers worden op scorebordjes beoordeeld.

Zelfs in de gamewereld is Devil May Cry (DMC) uniek, een samenkomen van potsierlijke fantasy-pulp, meeslepend familiedrama en stijlvolle gevechten. Hoe vertaal je dat in godsnaam tot een animatieserie? Producent Adi Shankar, de maker van de goed besproken game-animatieserie Castlevania, brak zijn hoofd er officieel zeven jaar over. Onofficieel zal het langer zijn: Shankar is zo’n superfan van de spellen dat hij zich naar eigen zeggen tot in de dertig „kleedde als DMC-personages”, in zwart leer en rood.

Met animatieserie Devil May Cry voor Netflix brengt hij veel jeugdbaggage mee: het is een hommage aan de games die hem vormden, maar ook aan het tijdperk waarin die games geboren werden. De tijd van 11 september, de Irak-oorlog, surveillance – en de tijd van nu-metalbands als Limp Bizkit, Evanescence en Papa Roach, die hun muziek leenden aan de serie. Voor millennials – zeker die DMC ooit zelf speelden – is de serie een feest van herkenning.

In de Netflixserie jaagt een geheim leger in opdracht van de Amerikaanse vicepresident op demonen. Daarbij is alles geoorloofd. Wanneer een demon met konijnenkop een museum overvalt en ervandoor gaat met een geheimzinnig amulet, gaan alle alarmbellen rinkelen. Elitesoldaat Mary Arkham (geen onbekende voor fans, al zal haar verhaalboog hier vermoedelijk controverse oproepen) moet met haar team op jacht naar de andere helft van het amulet, om te voorkomen dat de barrière tussen hel en aarde geopend wordt.


Voor de liefhebber die een en ander bekend in de oren klinkt: deze serie is geen trouwe vertolking van de games, maar een soort remix van prequel-game Devil May Cry 3 specifiek en de rest van de games in het algemeen. En ja, dat betekent ook dat we gameheld Dante hier in zijn jonge jaren zien, als puberale, flamboyante freelance demonenjager met rode jas en witte haren. Dante is de eigenaar van de andere helft van het amulet, maar hij heeft geen flauw idee dat het sieraad iets meer is dan een herinnering aan zijn overleden moeder en broer. Hij wordt een speelbal die stuitert tussen grotere machten.

Beeld Netflix

Elegante danser

In eerste instantie ontvouwt de serie zich als jaren-90 actie-thriller. Zowel Shankars ervaring met Castlevania als animatiestudio Studio Mirs ervaring met The Legend of Korra uit zich in spectaculair vloeiende actiescènes (op wat knullige 3D-animatiestukjes na), waarin zeker Dante als een elegante danser door de actie heen glijdt. Een lust voor het oog. Ondertussen steken en bijten Dante en Mary elkaar met soms scherpe, soms opzettelijk sullige grappen. De klassieke dynamiek tussen deze twee tegenpolen – de competente, starre Mary en de nonchalante, slordige Dante – werkt misschien nog wel lekkerder dan in het bronmateriaal.

Totdat de echte bedoelingen van Shankar duidelijk worden. Onder de flitsende buitenkant is Devil May Cry een serie over hoe trauma kan leiden tot radicalisering, en dat weer tot de ontmenselijking van hele bevolkingsgroepen. Over hoe zelfs ‘de helden’ in die val kunnen trappen, en hoe moeilijk het is om een beweging tot stilstand te brengen als het eenmaal opgefokt genoeg is tegen de Vijand. Het sierlijke ballet van Dante wordt verzwolgen door het lelijke geweld van twee geradicaliseerde groepen – uiteraard op de gitaarriffs van anti-oorlogssong ‘American Idiot’ van Green Day.