Kamerlid Laura Bromet: ‘Had iemand mij gezegd: op een avond komen boeren jouw erf volstorten met zooi, dan had ik het nooit gedaan’

Het huis van Laura Bromet ligt in een Noord-Hollandse polder, aan een smalle weg waar bijna niemand komt. Vanuit haar woonkamer kijkt ze uit op grasland en een sloot. Er zwemmen twee kuifeenden. Het dorp Ilpendam, waar ze opgroeide en waar haar ouders nog wonen, kan ze in de verte zien liggen. Laatst liep ze hier op een stil, donker weggetje, vertelde ze vorige week in een Kamerdebat, en ze bedacht: wat als hier nu wolven waren? „Dat maakte me best wel angstig.”

Wolven zijn er niet in het poldergebied waar ze woont. Er zijn wel mensen, met tractors. En „die grote machines” maken haar soms ook bang, zegt ze aan haar keukentafel. Het begon een jaar of vier jaar geleden. ’s Nachts reed er een voertuig langs haar huis, de bestuurder begon hard te toeteren. Daarna gebeurde het weer, en nog een keer. Bijna elke week werd ze er wakker van. En het gebeurt nog steeds. „Misschien zit er wel een haas op de weg, dat kan ook.”

Elke week?

„Elke week. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat het om te pesten is.”

Wie zou zoiets doen?

„Verderop woont een buurman, een boer. Die heeft mij vaak uitgenodigd om mij te overtuigen van alles wat hij vond van de landbouw. Ik ben nog met de Vogelbescherming en de Agrarische Natuurvereniging bij hem geweest. Ik zei tegen hem: we denken er gewoon niet hetzelfde over. Sindsdien word ik vaak wakker van getoeter. Dan rijdt er weer zo’n autootje of tractor langs.”

Hoe weet u dat hij het is?

„Dat was wel geinig. Tijdens de Kerstdagen zat ik eens op de bank naar buiten te kijken. Toen zag ik een tractor met allemaal lichtjes langsrijden, toeterend. Het was dezelfde tractor die altijd toeterend langsrijdt. Even later zag ik in de buurtapp reacties als: oh, wat mooi, die tractor met allemaal lichtjes! Toen gingen ze allemaal heel trots zeggen wie het was. Het was dus diezelfde boer. Ik heb hem geappt: wil je ophouden met het getoeter als je langs mijn huis rijdt? Mijn kinderen hebben er last van. Ik zag dat hij het meteen gelezen had, maar hij reageerde pas na uren. Hij zei: ja, je hebt eigenlijk wel gelijk ook. Toen is het een tijdje gestopt.”

Maar het is toch weer begonnen?

„Ja, misschien doen anderen het ook wel. Er zit hier een loonbedrijf verderop waar allemaal van die jongens uit het dorp werken. Die praten allemaal met elkaar. Dus als eentje zegt: ik toeter altijd ’s nachts als ik langsrijd, dan denken anderen misschien: oh leuk, dat ga ik ook eens doen.”

Wordt u er wakker van, heeft uw gezin er last van?

„Ja, maar ze zijn hier heel koelbloedig, niemand in huis maakt zich er druk over.”

U zelf ook niet?

„In mijn auto liggen wel een petje en een zonnebril. In de tijd dat er wegblokkades waren met trekkers en brandende hooibalen was het handig om niet herkend te worden. En ze zijn een keer op ons erf geweest. Tweeënhalf jaar geleden was dat, net voor de zomervakantie. Ik stond in de tuin en zag twee enorme trekkers aankomen, met karren. Ze reden achteruit ons erf op en stortten het helemaal vol met kuilgras, mest en plastic. Mijn dochter stond te schreeuwen: ‘Mama, mama.’ Ik dacht: wat moet ik doen? De politie bellen? Maar ik dacht ook: filmen, om bewijsmateriaal te hebben. Maar ik was zo zenuwachtig, ik drukte op het verkeerde knopje en heb niks gefilmd.”

Heeft zoiets invloed op u als politicus?

„Als iemand mij van tevoren had gezegd: op een avond komen boeren jouw erf volstorten met zooi, had ik het echt nooit gedaan.”

Laura Bromet (55) gaat in de Tweede Kamer namens GroenLinks-PvdA over landbouw, natuur en stikstof. Ze is de dochter van filmmaker Frans Bromet, bekend geworden door zijn tv-series als Buren, over burenruzies, en Het Israël van Heertje en Bromet, samen met cabaretier Raoul Heertje. Hij filmde ook Laura Bromet, voor de documentaire Alles van waarde, toen ze in 2009 ging solliciteren bij GroenLinks, als beleidsmedewerker. In haar huis in Ilpendam doet ze zijn nasale, zeurende en wat trage stemgeluid na, dat op tv bij veel mensen een ontwapenend effect lijkt te hebben. „Jij gaat solliciteren hè? Wat zit er in dat kóffertje?”

Ze lacht hard. „Allebei mijn ouders waren mee. En ik dacht de hele tijd: er zitten vast ook mensen van GroenLinks in deze trein. Verschrikkelijk.”

Laura Bromet kreeg de baan. „Er waren”, zegt ze, „wel Kamerleden die het bijzonder vonden dat ik in die tijd gefilmd werd.”

Die vonden dat zíj gefilmd moesten worden, niet hun medewerker?

„Ik denk dat ze het maar niks vonden, nee. Ik dacht over mezelf toen ook: ik ben niemand, ik ben een medewerker, ik wílde helemaal niet in de belangstelling staan.”

Waarom niet?

„Ik denk door het minderwaardigheidscomplex dat ik had. Ik keek de hele tijd door de ogen van die Kamerleden naar mezelf, en ik dacht dat ik in die film door de mand zou vallen als dom.”

Er kwam een première van Alles van waarde, in de grote zaal van Tuschinski in Amsterdam. „Dat vond ik echt zo tof, dat het daar was. Ik had al mijn collega’s uitgenodigd, de medewerkers, en ook de hele Tweede Kamerfractie. Maar er is niet één Kamerlid gekomen.”

Omdat ze jaloers waren?

„Ik weet het niet, ik vond het alleen maar heel erg jammer. Mijn collega’s, de andere medewerkers, waren er wel.”

Laura Bromet noemt zichzelf een laatbloeier. Ze werd pas Tweede Kamerlid toen ze 48 was. Ze had twaalf jaar in het productiebedrijf van haar vader gewerkt, en was „de secretaresse van de secretaresses” geweest bij een bank. „Ik weet nog dat ik in die tijd bij de huisarts kwam, van mijn leeftijd, en dat ik dacht: dat is iemand. En ik ben echt helemaal niks. Ik heb een leuke man, vier kinderen, een mooi huis. Ik heb alleen geen carrière en dat is dan jammer, je kan niet alles hebben in het leven. Maar nu ben ik ook iets.”

Wat bent u nu?

„Politicus, Kamerlid, volksvertegenwoordiger.”

Gaat het om die status?

„De status, ja.” Ze denkt na. „Niet dat iemand tegen me opkijkt, ofzo. Het is wel zo: als moeder van vier kinderen heb je alleen die vier kinderen en die vinden het vanzelfsprekend dat je hun moeder bent.”

Word je pas belangrijk als je in de ogen van ánderen belangrijk bent?

„Misschien is het mijn minderwaardigheidscomplex, want ik vind mezelf géén goeie moeder. Terwijl ik dat toch wel ben, denk ik. Maar het gevoel dat het nooit goed genoeg is, dat zit in mijn karakter, en ik zie dat terug bij mijn kinderen. Het is dus niet zozeer status, ik wil gezíén worden.”

En mensen kijken tegen Kamerleden op.

„Ik geef een stem aan mensen, in de politiek kun je heel veel voor mensen doen, nuttig zijn. En dat, gecombineerd met dat ik er goed in ben en erkend word, is heel fijn.”

Toen uzelf medewerker was, leken de GroenLinks-Kamerleden zichzelf belangrijker te voelen dan de medewerkers. Is die statusgevoeligheid er nog steeds in uw fractie?

„Als je aan een Kamerlid vraagt of er hiërarchie is, zal die zeggen van niet. Dat heb ik geleerd in de banen die ik hiervoor heb gehad: dat denk je alléén, dat het er niet is, als je zelf aan de top zit. Ik realiseer me ook altijd: het gaat niet om mij, het gaat om de functie die ik bekleed. Ik heb me voorgenomen om in de recessen te vergeten dat ik Kamerlid ben. Soms neem ik de hele zomer vrij en dan kijk ik stiekem ook: hoe ziet je leven eruit als je geen Kamerlid bent? Als je een nobody bent?”

Ben je een nobody als je geen Kamerlid bent?

„Dat klinkt wat denigrerend, zo bedoel ik het absoluut niet. Ik bedoel alleen dat je dan weer alles zelf moet doen. Als Kamerlid heb je altijd knipmessende mensen om je heen. De deuren van het restaurant voor Kamerleden zwaaien vanzelf voor je open. Ik mag eerste klas reizen. Dat is voor het eerst in mijn leven, en ik vind het heerlijk. Ik verdien meer dan ik ooit gedaan heb. Ik heb veel geldzorgen gehad in mijn leven, maar nu niet.”

Laura Bromet is lid van de Tweede Kamer, namens GroenLinks-PvdA.
Foto Lars van den Brink

Begin dit jaar stond in De Telegraaf een interview met Laura Bromet en boerin Alien Zijtveld van de actiegroep Agractie. Ze pleitten samen voor een ander rekenmodel voor de stikstofuitstoot. Bromet zal niet, zoals D66’er Tjeerd de Groot in 2019, zeggen dat de veestapel gehalveerd moet worden. Van haar hoor je dat „de veestapel te groot is” om de kwaliteit van het water te verbeteren of om de stikstofdoelen te halen, en dat „halvering” een „uitkomst” kan zijn.

In de Tweede Kamercommissie die over landbouw gaat, trekt Bromet veel op met Thom van Campen van de VVD, die ze „mijn maatje” noemt. En ook met CDA’er Eline Vedder en Pieter Grinwis van de ChristenUnie. Volgens haar dringt bij steeds meer partijen het besef door dat in de landbouw „de milieugrenzen” bereikt zijn, door de rechtszaken die er zijn geweest. „En dat er dus echt van alles moet veranderen. Er zijn veel boeren van wie ik nu hoor: jij hebt gelijk.”

Bromet raakt in debatten wel verwikkeld in felle discussies, soms ruzies, met BBB-leider Caroline van der Plas. En misschien komt het vooral door de toon waarop ze vragen stelt, licht zeurend zoals haar vader dat doet, waardoor ze staatssecretaris Jean Rummenie en minister van Landbouw Femke Wiersma (beiden van BBB) zichtbaar irriteert. Rummenie reageert al vanaf het begin afstandelijk en soms uit de hoogte op Bromets inbreng in debatten. Wiersma bleef haar best doen om beleefd en vriendelijk te antwoorden. Tot Bromet twee weken geleden in een debat zei dat ze deze keer „geen vragen had” voor de minister. „Die geeft toch nooit antwoord.” Ze negeerde Wiersma en kwam met vragen aan de Kamerleden van de coalitie: hoelang gingen die deze minister nog steunen?

Het raakte Wiersma zichtbaar. Ze zei dat er „een karikatuur” van haar werd gemaakt, en klonk geëmotioneerd toen ze dat zei. Ze voelde zich persoonlijk geraakt, zei ze, en moest „incasseren”, terwijl zij zelf „respectvol” bleef.

Ziet u wat u bij hen losmaakt door die manier van vragen stellen?

„Ik krijg wel mails tijdens debatten, dat ik onbeschoft ben, maar dat ben ik volgens mij niet. Ik vind het wel grappig, maar misschien is het gemeen?”

Ik krijg wel mails, dat ik onbeschoft ben, maar dat ben ik volgens mij niet

Het lijkt op de manier van vragen stellen van uw vader?

„Oh echt? In de tijd dat ik voor mijn vader werkte, belden wij de mensen die hij had geïnterviewd altijd nog even op, en die waren altijd heel tevreden. Ze voelden zich in hun waarde gelaten. En Femke Wiersma… Ik denk totaal niet dat die zich in haar waarde gelaten voelt. In debatten denk ik heel vaak: andersom zou ik ontploft zijn, maar dan blijft zij gewoon vriendelijk. Behalve in dat laatste debat, dat trok ze niet meer.”

Hoe kijkt u daarop terug?

„Ja kijk… in het kennismakingsgesprek met haar en Rummenie heb ik meteen gezegd: ik denk niet dat wij veel voor elkaar kunnen betekenen. Inhoudelijk liggen GroenLinks-PvdA en BBB op dit onderwerp zó ver uit elkaar, en dan dat kabinet met de PVV. Dus ik doe daar ook verder mijn best niet voor. Al vind ik wel dat je als politicus verbinding moet zoeken, je moet compromissen sluiten om problemen op te lossen.”

Maar dus niet met BBB?

„Ik denk dat dat echt heel moeilijk is bij de landbouw. Hoe kan ik samenwerken met iemand die alléén vanuit het boerenbelang denkt? Dan valt er gewoon niet te onderhandelen. In mijn kennismaking met Rummenie heb ik gezegd dat de samenwerking van BBB met racisten in dit kabinet voor ons een grens over was. Hij zei: ík ben geen racist. Ik zei: maar jij maakt het wel mogelijk dat ze meeregeren. Hij vond dat heel erg, maar ik vond dat het gezegd moest worden.”

Vindt u de PVV’ers in de Tweede Kamer racisten?

„Nou nee, dat weet ik niet. Daar denk ik niet elke dag over na. Er zijn PVV’ers met wie ik leuke gesprekken heb. Met Dion Graus heb ik het nooit over moslims. Daar begint hij zelf ook nooit over. Met [minister van Infrastructuur] Barry Madlener gaat het over de waterschapswet, en dan vertelt hij mij ook over de ijsvogel in zijn tuin.”

In de documentaire Alles van Waarde noemt haar vader Frans Bromet zichzelf „een boze burger”. Hij is woedend op Haagse politici, op „al die managers” en „graaiers”. Hij voelt zich machteloos. Laura Bromet noemt zichzelf in de film „een optimist”. Ze denkt dan, in 2012, dat ze de wereld wél kan verbeteren.

Toen u in debat met minister Wiersma „geen vragen” voor haar had, moest u toen aan de boosheid van uw vader denken?

„Mijn vader is zwartgallig, hoor. Na het debat las ik een stukje uit het Friesch Dagblad voor over het debat. Hij had niet gekeken, mijn moeder wel. En hij zei: maar Laura, hoe dan? Dat kán toch niet, dat deze mensen dit land moeten besturen? Terwijl ik nog denk: we moeten hier doorheen. Misschien zit er ook nog wel een aardige PVV’er tussen.”

In het debat leek het of u nu wel de boosheid van uw vader heeft.

„Dat zou wel logisch zijn. Hij is de helft van mij. Ik heb er nooit zo over nagedacht. Maar jullie kennen mijn moeder niet, zij is een positieve. Die kant heb ik ook. Maar ik herken veel van hem in mij. De angst die mijn vader altijd heeft, dat komt door de oorlog, die heb ik ook.”

Uw vader heeft een Joodse achtergrond.

„Ja, mijn opa was Joods, maar hij was getrouwd met een niet-Joodse vrouw. En de mensen met een gemengd huwelijk werden in de eerste jaren van de oorlog nog gespaard. Ik heb van mijn oma gehoord dat ze expres snel aan kinderen zijn begonnen. Mijn vader is in 1944 geboren, omdat ze hoopten dat ze zo nog langer gespaard werden. Maar de enige broer van mijn opa is vergast. De vader van mijn opa is vergast. En alle oudooms en oudtantes zijn ook allemaal vermoord. Wij krijgen de laatste jaren steeds uitnodigingen voor onthullingen van struikelstenen voor vermoorde familieleden. Wij hebben er nooit veel over gepraat. Mijn vader is geen prater. Wat ik erover weet, weet ik uit interviews met hem. En ik zeg dit niet tegen hem, dus hij leest het ook in de krant. Wij hebben het alleen over praktische zaken. Maar de angst die hij heeft, dit zit ook in mij.”

Hoe uit zich dat?

„Ik was in mijn jeugd al bang voor kernwapens. Ik kan me nog wel herinneren dat ik niet kon slapen omdat ik bang was dat er een kernbom zou vallen. En dat ik naar beneden ging en dat ik tegen mijn moeder zei: ik ben zo bang voor de bom. Altijd die angst dat er rampen gebeuren.”

Had u zelf de link met de oorlog gelegd?

„Nee. Dat gebeurde pas bij de onthulling van een struikelsteen. Mijn jongere broer hield toen een toespraak over transgenerationele trauma’s, hoe oorlogstrauma’s generaties heel lang kunnen doorwerken in een familie. Ik had er nog nooit van gehoord. En ik wil zelf ook echt niet het woord trauma gebruiken, ik ben een gelukkig en gezegend en bevoorrecht mens. Maar ik dacht wel: ja, dat is het.”

Dat betekent dat u het ook weer kan doorgeven aan uw vier kinderen?

„Toen Rusland Oekraïne was binnengevallen, kwam mijn dochter van 19 bij me, ze zei: mama, ik ben zo bang voor de oorlog. En toen dacht ik: jeetje, wat moet je dan zeggen? Dus ik zei: je moet genieten van elke dag die je in vrede en veiligheid leeft, het kan zo voorbij zijn. Maar het was een echo van het kleine meisje dat ik was. Net zo angstig voor oorlog.”