
Van spreeuwenzwermen tot haringscholen, van wolvenroedels tot processierupsprocessies: dieren die zich in groepen verplaatsen zijn verre van zeldzaam. Elke soort heeft daarbij zo z’n eigen strategie om botsingen te vermijden. De Egyptische klapneusvleermuis doet het met behulp van echolocatie. En dat is indrukwekkender dan het klinkt, schrijven Duitse en Israëlische biologen deze week in PNAS, omdat de dieren zich bevinden in een lawaaierige situatie die de onderzoekers omschrijven als ‘cocktailpartynachtmerrie’.
De Egyptische klapneusvleermuis (Rhinopoma microphyllum) leeft in Noord-Afrika en het Midden-Oosten en behoort zoals zijn naam al weggeeft tot de familie van de klapneusvleermuizen, gekenmerkt door hun dunne, onbehaarde ‘muizenstaart’ en klepvormige neusgaten. Zo’n afwijkende neus is onder vleermuizen overigens niet héél gek: er bestaan ook hoefijzerneuzen, bladneusvleermuizen en varkensneusvleermuizen.
Elke avond vliegen de Egyptische klapneuzen met soms wel tweeduizend dieren tegelijk hun grotten uit om in het nachtelijk duister te jagen op insecten. Dat doen ze net als andere vleermuizen op basis van echolocatie: ze zenden hoogfrequente, voor mensen onhoorbare geluiden uit en kunnen op basis van de weerkaatsing bepalen waar hun prooi zich bevindt. Ook voor andere plaatsbepalingen komt echolocatie van pas, bijvoorbeeld om niet tegen een rotswand of een medevleermuis aan te botsen.
Een nachtmerrieachtige borrel
Maar wat als tweeduizend vleermuizen tegelijk langs weerkaatsende rotswanden hun grot uitvliegen? Al die echolocatiesignalen tegelijkertijd zouden voor een kakofonie van geluiden moeten zorgen, waardoor de vleermuizen hun eigen echo’s niet meer zouden kunnen verstaan, met een hoop botsingen als gevolg. De lawaaierige setting, waarbij achtergrondrumoer de informatie verhult die je écht wilt horen, vergelijken de biologen met een nachtmerrieachtige borrel.
Onderzoeken focusten zich tot nu toe vooral op labexperimenten met vleermuizen, in veel lagere aantallen. Voor een betrouwbaarder beeld hingen de biologen voor het huidige artikel daarom een microfoon op bij de uitgang van een grot én voorzagen ze enkele vleermuizen van mini-microfoontjes. De gegevens voerden ze in een computermodel in, zodat ze konden simuleren hoe de vleermuizen zich verspreidden tot ze zich enkele kilometers buiten de grot bevonden.
Uit de resultaten bleek dat de vleermuizen zelfs in zulke grote aantallen nauwelijks gehinderd worden door het lawaai. In de buurt van de grot, wanneer ze dus nog heel dicht opeengepakt vliegen, zenden de vleermuizen extra veel echolocatiesignalen uit, die bovendien hoger, korter en zwakker zijn. Dat klinkt tegenstrijdig – gaat een zwak signaal niet juist nog sneller verloren in het achtergrondlawaai? – maar zorgt er over het algemeen juist voor dat de juiste echo’s bij de juiste buren terechtkomen en verder voor weinig overlast zorgen. Bovendien spreiden de vleermuizen zich al snel zodanig uit door de lucht dat het rumoer gauw afneemt en de kans op een botsing nihil is. Wel blijven ze over meerdere kilometers nog als groep vliegen, maar dan dus in een ‘lossere’ zwerm.
