Column | Fabers zonnekoninklijk motto ‘ik ben beleid’ was geen verspreking

Enige wrange dankbaarheid jegens minister Faber van Asiel en Migratie (PVV) en nominaal premier Schoof is gepast. Met haar weigering om vijf vaderlanders een lintje te geven omwille van hun vrijwilligerswerk voor asielzoekers en zijn aanvankelijke onwil om in de Tweede Kamer rekenschap af te leggen over onenigheid binnen de regering, ontpoppen Faber en Schoof zich als polderleerlingen van het trumpisme. Met hun gedrag openbaren Faber en Schoof de kern van de regering-Wilders: minachting voor de vertegenwoordiging van het volk namens wie het populisme juist zegt te willen spreken en dedain voor de koning die landgenoten eert.

De dubbelhartigheid van Faber om eerst de verdeeldheid te onthullen en vervolgens te veinzen dat ze „100 procent achter de minister-president” staat, komt niet voort uit „amateurisme”, zoals enkele Kamerleden dinsdag nog bagatelliseerden. Haar houding is een uiting van onversneden antiparlementarisme. Dat Schoof daarna op woensdag een paar uurtjes weigerde zich in het parlement te verantwoorden, leek slechts stoere machtspolitiek op brugklasniveau maar tendeert wel degelijk ook in die richting.

Met hun openlijke of heimelijke antiparlementarisme appelleren ze aan het populistisch idee dat er slechts één volk is dat via de leider met één stem spreekt. Ze hebben een broertje dood aan het grondwettelijk uitgangspunt dat de Tweede Kamer in 150-voud juist de meerstemmigheid van de burgerij vertolkt.

Dat Faber het talent mist om haar laatdunkendheid jegens de Kamer een beetje intelligent te verwoorden, zegt iets over het intellectuele peil van de PVV. Zoals het egocentrisme van Schoof om te denken dat wegduiken een vorm van „situationeel leiderschap” is, zijn bestuurlijke onkunde illustreert en de vraag oproept of hij zich wel adequaat laat adviseren door zijn raadsheren op het ooit hoogwaardige ministerie van Algemene Zaken.

Maar dat zijn op de keper beschouwd slechts bijzaken. Hoofdzaak is hun publieke dedain voor de constitutioneel verankerde verscheidenheid van Nederland.

Fabers zonnekoninklijke motto „ik ben het beleid” was geen verspreking maar inderdaad beleid. Door een advies van het Kapittel voor de Civiele Orden – gevormd door een gelouterde bestuurder, generaal, jurist en historicus – niet te accorderen, gaf ze het ‘signaal’ af dat er onderscheid is tussen echte en onechte Nederlanders. Nog even en zij, die zich desondanks inzetten voor buitenlanders, mogen landverraders of volksvijanden worden genoemd. Daarbij blijft het niet. Schoof heeft haar de ruimte gegeven om zo de constitutionele orde te schenden.

De lintjesaffaire mag onbeduidend lijken, dat is ze niet. Ondermijning van de democratische rechtsstaat begint altijd met het ondergraven van het pluriforme parlement. Het begint ermee dat de legitimiteit van de volksvertegenwoordiging belachelijk wordt gemaakt of zelfs betwist, zoals Wilders deed toen hij in 2015 sprak over „nepparlement”. Steeds is het strategische doel om het parlement af te schilderen als een praathuis dat het volk niet representeert. De volgende stap kan zijn dat de orde in de het parlement wordt verstoord, eerst sporadisch en vervolgens soms zelfs systematisch.

Het eind van het liedje is dat parlementariërs rollend door de bankjes gaan en burgers hun respect voor de volksvertegenwoordiging verliezen. En dan is het hek van de dam. Parlementaire democratie staat of valt met een elementaire basis van vertrouwen, zoals autoritair bestuur juist gedijt bij wantrouwen. Faber is daarop uit. Schoof heeft haar die ruimte geboden.

Ook het parlementair democratische Nederland kan zodoende onbestuurbaar worden. Een ogenschijnlijk onbenullige kwestie heeft dat gevaar deze week aan het licht gebracht.

Hubert Smeets is journalist en historicus. Hij schrijft om de week op deze plaats een column.