Column | Cybercriminaliteit

De podotherapeut die ik jaren geleden had bezocht, was ik al bijna vergeten toen ik onlangs een opmerkelijke brief van hem kreeg.

„Beste cliënt”, begon hij netjes, „wij informeren u graag over een situatie die mogelijk invloed heeft op uw persoonsgegevens. Afgelopen week heeft een beveiligingsincident plaatsgevonden waarbij toegang is geweest tot een van onze systemen.”

Meteen kreeg ik een draaierig gevoel in mijn maag, misschien ook doordat het een nog vrij nuchtere maag was. Het werd er niet beter op toen de podotherapeut mij probeerde gerust te stellen: „Uw medische gegevens zijn veilig en staan in een aparte omgeving. Het incident betreft alleen bestanden die wij gebruiken voor declaraties bij zorgverzekeraars. Dit zijn gegevens zoals naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, geboortedatum en BSN.”

Het was alsof een behandelende arts mij toevoegde: „Uw toestand is goed, maar voor de zekerheid kunt u toch beter alvast een begrafenisondernemer in de arm nemen.”

Want welke cybercrimineel zou níet uiterst tevreden zijn over de diefstal van mijn naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, geboortedatum én, toe maar, burgerservicenummer?

Bovendien was het geen kraak bij zomaar een eenmansbedrijfje, maar bij een groot podotherapeutisch bedrijf, Hermanns geheten, met 250 vestigingen door heel Nederland. De gelijknamige directeur adviseerde ons in zijn brief voortaan „alert te zijn op verdachte e-mails” en niet zomaar op links te klikken.

Hartelijk dank daarvoor, maar ik blijf met de vraag achter hoe het mogelijk is dat een beveiligd systeem zo gemakkelijk kraakbaar is. Wat belooft dat? Het antwoord op die vraag heb ik misschien al gekregen, want enkele weken na de brief van Hermanns ontving ik het volgende dreigende sms-berichtje van ‘de Belastingdienst’: „Uw openstaande schuld is ondanks nadere herinneringen nog niet voldaan. De gerechtsdeurwaarder zal overgaan tot conservatoir beslag op uw inboedel. Om dit te voorkomen moet u via de bijgevoegde link het bedrag van 463,30 euro betalen.”

Tegen dat conservatoire beslag heb ik niet eens zoveel bezwaren: komt er tenminste eindelijk een gedwongen einde aan de almaar uitdijende troep van spullen en spulletjes die ik om mij heen verzamel, niet omdat ik van ze houd maar ‘omdat je ze ooit nog een keer nodig kunt hebben en de Blokker niet meer naast de deur is’. Meer moeite heb ik met het feit dat mijn telefoonnummer in handen is gekomen van een of andere cybercrimineel die mij nu, gnuivend van plezier en ongetwijfeld snuivend van de coke, met enkele handlangers probeert op te lichten namens ‘de Belastingdienst’.

Enkele dagen later zocht mijn 17-jarige kleinzoon mij op om mij in het kader van zijn geschiedenislessen te interviewen over allerlei historische ontwikkelingen die ik in mijn eigen lange leven heb meegemaakt. Het ging van de Cubacrisis in 1962 tot aan de opmars van de computer. Had ik me erg bedreigd gevoeld tijdens die Cubacisis? „Zeker, jongen”, zei ik terwijl ik de opa vertelt-toon probeerde te vermijden, „maar om je de waarheid te zeggen: bij die computer voel ik me soms minstens zo onveilig.”

Hij keek me aan alsof hij water zag branden, het water van zijn verlangen waarop hij al zijn favoriete computers elke dag naar hartelust laat deinen.