Het seksisme zit in de grensgebieden

De wetenschap is een prachtig vak. Des te verdrietiger vind ik het dat de wetenschapscultuur te wensen overlaat, wat maar weer eens blijkt uit het interview met voormalig promovenda aan de TU Delft Rachel Los ( 22/3), die de moed had haar ervaringen te bundelen in een revolutionair ‘anti-dankwoord’ in haar proefschrift.

Een „constante stroom van ontmoediging, seksistische opmerkingen en ondermijning”, zo zou je het waden door het man made moeras van de wetenschap inderdaad wel kunnen noemen. Ik was nog nauwelijks aangesteld als promovendus op de wiskunde afdeling van de Universiteit Leiden, of de seksistische mails van de gepensioneerde professor met wie ik samenwerkte stroomden binnen. Toch is het in mijn optiek niet noodzakelijkerwijs de expliciet seksistische drek die het academische moeras zompig houdt. Seksisme zit in de voegen van de wetenschapsmuren, daar waar het wellicht minder opvalt, bijvoorbeeld in de veronderstelde hiërarchie tussen de wetenschappelijke vakgebieden.


Lees ook

Geen dank voor de mensen die Rachel Los lieten voelen ‘dat ik niet in de wetenschap thuishoor’

Rachel Los: „Theoretische natuurkunde is een dramatisch homogene bende van witte mannen.”

Los was nanobioloog op een natuurkunde afdeling en net als zij had ik, met epidemiologie en statistiek, een andere studieachtergrond dan de meeste collega’s. Ik programmeerde veel, terwijl collega’s krabbelden op krijtborden. Op ‘toegepast’ onderzoek zoals dat van mij werd ronduit neergekeken. Een promovendus voelde zich bijvoorbeeld vrij mij in de pauze de les te lezen over mijn eigen vakgebied. Bij presentaties door promovendi uit andere vakgebieden zaten mijn collega’s zuchtend of oog-rollend in de zaal. Tijdens werkoverleg disten senior collega’s ‘smakelijke’ anekdotes op over de statistische stupiditeiten van artsen of epidemiologen. Hoe ik ook probeerde dit aan te kaarten, net als Los stuitte ik uitsluitend op ongeloof.

Naderhand kreeg ik bij een sollicitatie in de wetenschap een vraag die mijn kijk deed kantelen. Een man die zelf veel programmeerde vroeg of ik de twee software packages die op mijn naam staan wel zelf geschreven had. Het begon mij te dagen dat de ondermijning die ik ervoer meer te maken had met mijn vrouw-zijn, dan met mijn opleidingsachtergrond. Wat bleek: wetenschappers hanteren ‘complexiteit’ als een opportuun begrip.

Reuze ingewikkeld

Vroeger was programmeren een vrouwenberoep. De eerste Nederlandse computer werd door zes vrouwen geprogrammeerd. Een immens karwei, toentertijd beschouwd als iets receptmatigs zoals koken. Zodra meer mannen begonnen te programmeren, veranderde dat en stond het ineens te boek als reuze ingewikkeld. ‘Complexiteitsmachisme’ doopte hoogleraar informatica Felienne Hermans dit fenomeen onlangs in de Volkskrant.

Het is treurig dat een wetenschapper denkt te kunnen vragen wat je onder je shirt aan hebt, zoals Los overkwam op een congres. Maar zorgwekkender vind ik de vele wetenschappers, ook vrouwen, die nog altijd weigeren ervaringen – van Los, van mij, of andere collega’s die tot een minderheid behoren – serieus te nemen. In de slag om het vrouwelijk intellect staan zij aan exact dezelfde kant als Andrew Tate, en dat getuigt niet van academische spierballen, integendeel. Het duidt op onbegrip over waar het in de wetenschap in essentie om draait.

Echte wetenschap begint met verwondering. Wetenschappers, stel je open voor elkaars ervaringen, ook als je die niet deelt. En kraak je brein eens écht op een inclusievere wetenschapscultuur.

Vera Arntzen promoveerde in 2024 op modelleren van infectieziekten