Wetenschappelijke kennis kan alleen ‘streng’ objectief zijn als ook de perspectieven van vrouwen en andere onderdrukte groepen worden erkend en serieus genomen. Hun standpunten zijn cruciaal voor inzicht in de wetenschappelijke en sociale werkelijkheid.
Dat was de overtuiging van de invloedrijke Amerikaanse feministische en postkoloniale filosoof Sandra G. Harding, die begin maart op 89-jarige leeftijd in de VS overleed.
Begin jaren tachtig werd Harding een belangrijke stem in het opkomende vakgebied ‘feministische epistemologie’ (kennisleer). Dat onderzoekt hoe kennis, gender, kleur en sociale context samenhangen, een geëngageerde vorm van onderzoek met zowel empirische als normatieve inzet, gericht op emancipatie.
In The Science Question in Feminism (1986) onderscheidde Harding drie benaderingen van feministische kennisleer: empirisch, ‘standpunt theoretisch’ en postmodern. De eerste wil bestaande wetenschap verbeteren door patriarchale vooroordelen te bestrijden, de tweede benadrukt het ‘standpunt’ van vrouwen en andere gemarginaliseerde groepen, de derde wijst het idee van objectieve wetenschappelijke waarheid af.
Dat zijn ook nu nog herkenbare posities in feministische filosofie en sociale wetenschap, al zijn inmiddels vele varianten en vertakkingen gegroeid. Ook in haar eigen werk combineerde Harding diverse epistemologische benaderingen.
Hegel en Marx
Rode draad bleef Hardings overtuiging dat ook wetenschappelijke kennis niet tijdloos is maar ‘sociaal gesitueerd’, het product van een sociale gemeenschap. Dat speelt al in het begin van onderzoek, de context of discovery: wie betaalt het, welke vragen worden gesteld? Harding wees het idee van objectiviteit niet af, maar ‘sterke objectiviteit’ ontstaat pas als ook kennisposities worden opgenomen uit de ‘levende ervaring’ van vrouwen, niet-witte minderheden en gekoloniseerde volken.
Zij hebben volgens Harding vaak scherper inzicht in de sociale werkelijkheid dan dominante groepen, een idee dat schatplichtig is aan het denken van Hegel over de dialectische relatie tussen ‘meester en knecht’ of (bij Marx) tussen sociale klassen. De ‘knecht’ ontwikkelt een ‘dubbel bewustzijn’ omdat hij zichzelf en zijn meester ziet als subject, terwijl die hem reduceert tot een object.
Sandra Harding werd in 1935 geboren in San Francisco, in een gezin dat gebukt ging onder de economische crisis van de jaren dertig. Tijdens haar studie aan Rutgers University voorzag ze in haar levensonderhoud als serveerster en telefoniste. Na haar huwelijk, met een filosoof die ze aan de universiteit had ontmoet en met wie ze twee dochters kreeg, gaf ze wiskundeles en werkte ze als eindredacteur van teksten.
Begin jaren zeventig hervatte ze haar studie, in1973 promoveerde ze op de kennisleer van de Amerikaanse filosoof Quine. In die jaren werd Harding gegrepen door de vrouwenbeweging. Aan de University of Delaware, waar ze in 1986 tot hoogleraar werd benoemd, zette ze een programma op voor vrouwenstudies. In de jaren negentig vertrok ze naar de University of California in Los Angeles, waar ze hoogleraar gender en educatie werd en leiding gaf aan het Centrum voor Vrouwenstudies.
Ook buiten de universiteit zette Harding zich in voor feministische en post-koloniale wetenschap. Ze zat vanaf de jaren tachtig in de redactie van het vooraanstaande feministische tijdschrift Hypatia, later in die van Signs (2000-2005), adviseerde de VN en gaf wereldwijd lezingen. In 1987 verbleef ze in Nederland als gastdocent aan de Universiteit van Amsterdam. Tot haar bekendste werk horen The Scientific Question in Feminism (1986) en Whose Science? Whose Knowledge? (1991).
Weerklank en kritiek
Haar ideeën over wetenschap en ‘standpunt-theorie’ vonden breed weerklank, maar riepen tegelijk kritiek en zelfs afkeer op. In de Amerikaanse science wars van de jaren negentig over het waardevrije karakter van wetenschap, werd ze door critici als Richard Dawkins gehekeld als een verspreider van ‘slechte wetenschap’. Als bewijsstuk diende met name haar ‘lachwekkende’ typering van Newtons mechanica als een „verkrachtingshandleiding”, op grond van gewelddadige metaforen over moeder natuur die moet worden gedwongen haar geheimen prijs te geven. In feite stelde Harding in die passage in The Science Question in Feminism de provocerende maar niet bij voorbaat onzinnige vraag waarom ‘machine’-metaforen in de 17de-eeuwse natuurwetenschap door historici worden gezien als redelijk en terzake, maar die andere niet.
In de hitte van de culture wars won spot over haar werk het vaker van inhoudelijke tegenspraak. Harding stond mede model voor de ‘Sokal hoax’ (1996), een parodie op postmoderne filosofie die uit Europa naar de VS was overgewaaid en waarin volgens fysicus Alan Sokal jargon het won van analytische helderheid.
Meer inhoudelijke critici vreesden dat ‘standpunt-epistemologie’ afglijdt naar relativisme, ondanks haar notie van ‘sterke objectiviteit’. Andere kritiek luidde dat in haar werk een verborgen universalisme zat, de aanname dat alle leden van onderdrukte groepen hetzelfde perspectief hebben, een verwijt dat ze bestreed met een beroep op verschillende soorten diversiteit, ook binnen groepen.
Hardings werk heeft uitlopers gekregen in sociologie van de wetenschap en in aandacht voor inheemse perspectieven als serieus te nemen vormen van kennis en niet als fascinerende folklore. Het raakt ook aan een recente notie als ‘epistemologische rechtvaardigheid’, ontwikkeld door filosoof Miranda Fricker. Tegelijk is kritiek op ‘standpunt-theorie’ een vast ingrediënt gebleven in intellectuele en politieke culture wars, die met het aantreden van Donald Trump als president van de Verenigde Staten een nieuwe fase zijn ingegaan.
In een interview op YouTube zei Harding er acht jaar geleden dit over: „Het is opvallend dat standpunt-theorie nog steeds extreem controversieel is. Toch weet het zich nu al veertig jaar te handhaven. Het laat zien dat er iets in zit dat de moeite waard is om over na te denken.” Dat zal zo blijven, zegt ze, want: „Telkens als een nieuwe groep het podium van de geschiedenis opstapt, zeggen ze: hé, vanuit ons perspectief zien de dingen er heel anders uit.”
Een lezer die voor een Amerikaanse multinational werkt en zich afvraagt of hij ontslag moet nemen en niet beter voor een Europees familiebedrijf kan gaan werken. Een andere lezer die 25 jaar geleden nog permanent met zijn gezin naar de VS wilde verhuizen, maar er nu zelfs niet naartoe wil reizen en zo min mogelijk producten van Amerikaanse merken probeert te kopen.
Bijna 120 lezers reageerden in de afgelopen twee weken op een oproep bij een verhaal dat ik had geschreven over de dilemma’s waar je op kunt stuiten als je overweegt om een Buy European-leven te leiden en Amerikaanse producten en diensten te mijden. Een gedachte die kan opkomen bij Nederlandse consumenten die de vijandigheid van de regering-Trump met tarieven en schimpscheuten te veel wordt. Zoals in Canada een Buy Canadian-beweging is opgekomen. We vroegen lezers om ons te laten weten of ze hun aankoopgedrag al aangepast hadden of overwogen om minder Amerikaanse producten en diensten aan te schaffen. En op welke dilemma’s ze daarbij zelf stuiten.
Onder de reagerende lezers was slechts een klein aantal sceptisch. „Wat kun je als eenling doen?” Anderen zijn voorzichtig. „Raak je niet ook Amerikanen die niet op Trump hebben gestemd”, schreven zij.
„We moeten wel bedenken dat de regering-Trump door een kleine meerderheid van de Amerikanen is gekozen. Als we massaal besluiten geen Amerikaanse producten meer te kopen, kunnen we ook de Amerikanen benadelen die voor de Democraten hebben gekozen”, schrijft Ton Braam, die wel aangeeft kritisch naar zijn aankoopgedrag te zijn gaan kijken.
Maar opvallend veel van de reagerende lezers bleken de afgelopen weken en soms zelfs al langer bezig hun eigen consumptiegedrag tegen het licht te houden. „Zolang Trump en zijn nare, enge vriendjes aan de macht zijn, wil ik niks meer met Amerika te maken hebben”, schrijft Nevin Atici. „Dat gaat mij waarschijnlijk ook zelf geld kosten, maar principes zijn belangrijker.”
Er wordt over gepraat binnen families en met vrienden. „Het is verbazingwekkend hoe snel een eensgezindheid tussen mij en veel vrienden en bekenden is ontstaan om geen Amerikaanse goederen meer te kopen”, laat Ton Heine weten. „Dat varieert van geen Tesla tot niet meer naar McDonald’s of weg van WhatsApp. Maar voor sommige zaken is nog geen goed alternatief te vinden.”
Gezinsproject
Verschillende families hebben er een gezinsproject van gemaakt, schrijven zij. Zoals de familie Loos: „Wij vragen aan Le Chat (het Franse alternatief voor ChatGPT) of een product van een Amerikaans merk is of een Amerikaanse eigenaar heeft. Soms is het antwoord ook voor AI lastig te vinden en dan doen we zelf speurwerk”, vertelt Ellen Loos. „Het is leuk om met de kinderen alternatieven te zoeken en ontdekken. Het leeft ook bij hen en ze zijn bereid aanpassingen te doen.”
Zolang Trump en zijn nare, enge vriendjes aan de macht zijn, wil ik niks meer met Amerika te maken hebben
Al is dat voor sommige producten lastig. Ze noemt Pringles en Ben & Jerry’s als voorbeelden. „Zelf zie ik hierin ook voordelen: we eten duidelijk minder van het alternatief”, schrijft ze. „Bij andere producten werken alternatieven juist kostenbesparend, omdat bijvoorbeeld het huismerk net zo lekker bleek te zijn.”
Ellen Loos berekende dat voorheen 25 procent van de merken die ze kochten Amerikaanse eigenaren hadden. „Amerikaanse producten die we al hebben zoals een Tesla en de iPhone zullen we niet omruilen. Het geld is al naar de Amerikanen gegaan. Maar we proberen nu te voorkomen dat we nog meer geld aan Amerikaanse producten uitgeven”, schrijft ze. „Dat geeft ons rust en vermindert de angst: wat er ook gaat komen, wij hebben ons best gedaan.”
In mijn eigen zoektocht beschreef ik het dilemma hoe om te gaan met Amerikaanse merken waarvan de producten in fabrieken in Europa worden geproduceerd. Koop je die wel of niet? Herkenbaar vraagstuk voor veel lezers, zo blijkt. Maar ze kiezen veelal voor de makkelijkste oplossing: als de eigenaar Amerikaans is, het product niet meer kopen. „Het is een geforceerd dilemma”, vindt Hans Degier. „Het gaat erom of de winst die op een product wordt gemaakt naar de VS verdwijnt.”
We proberen te voorkomen dat we nog meer geld aan Amerikaanse producten uitgeven
Ook Vincent Beerens betoogt dat je Amerikaanse bedrijven het best kunt treffen door simpelweg hun merken te laten staan, ongeacht waar ze worden gefabriceerd. „Ze verdienen hun geld vooral in de kop en de staart: met de aansturing en de productontwikkeling in de kop, en de verkoop in de staart. Vanwege lagere lonen, het ontwijken van heffingen en lagere distributiekosten is de productie, het lijf, naar andere landen verplaatst.”
Boycot ook China
Ook over het dilemma of ‘Koop Europees’ vooral het niet-kopen van Amerikaanse producten is of ook het uitsluiten van producten uit andere landen, wordt door een deel van de lezers nagedacht.
Guido van Wonderen stelt dat hij de focus op alleen de VS en Trump „nogal eenzijdig” vindt. Waarom niet ook producten uit China boycotten? Vanwege „de systematische onderdrukking, martelingen en opsluitingen in strafkampen van Oeigoeren, de vernietiging van de Tibetaanse cultuur en de chronische oorlogsdreigingstress voor de Taiwanezen door de Chinese veroveringsdrang.”
Suzanne Vloet vindt Europees kopen belangrijk om niet afhankelijk te worden van China en de VS. „Wij betalen daar graag meer voor. Vaak vertellen we dit ook bij het afrekenen: ‘we kopen het omdat het uit Europa komt’ (of juist niet als het niet uit Europa komt). Zodat ook winkeliers hier bewuster van worden.”
Zij wijst er ook op dat „het grootste probleem is om er achter te komen welke producten uit Europa komen”. Nel van der Sar geeft net als anderen aan dat ze het zeer zou waarderen als „Nederlandse supermarkten iets doen net als ketens in Canada en Denemarken”, die met een vlaggetje of een sterretje aangeven dat een product uit Canada of Europa komt. En Moniek van Lierop, die aangeeft al jaren producten uit China te vermijden, stelt dat bij de online aankoop van producten het helemaal moeilijk is om de herkomst te bepalen. „Je komt er pas achter als je het product vasthoudt en op het etiket kan kijken. Een verplichte melding bij online productspecificaties zou enorm behulpzaam zijn.”
Big Tech
Een grote groep reagerende lezers herkent dat het lastig is om los te komen van Amerikaanse clouds, software, apps en streamingdiensten. Tom Davidse vindt dat hier juist wel de nadruk op moet liggen. „Er zijn geen dollars of euro’s mee gemoeid, omdat we veel diensten ‘gratis’ gebruiken. Maar we staan wel onze data af, die de big techbedrijven vervolgens gebruiken om geld te verdienen en meer macht te vergaren. In het bijzonder voor het ontwikkelen van AI”, schrijft hij. „Het is belangrijk dat Europa hier een eigen ecosysteem ontwikkelt dat functioneert volgens onze waarden.”
Waar mogelijk dragen lezers ook alternatieven aan. Zoals het Zwitserse Proton dat onder andere cloud-, email- en VPN-diensten aanbiedt. Remco Muusz somt op wat hij allemaal al heeft omgezet. Zoals van Apple Music naar Spotify of Komoot gebruiken bij het fietsen of rennen in plaats van Strava. Zijn half jaar geleden aangeschafte iPhone 16 overweegt hij in te ruilen voor een Fairphone. „Ik heb geen exacte berekening gemaakt, maar schat in dat ik met deze wijzigingen maandelijks ten minste 50 euro minder besteed aan Amerikaanse (online)diensten.”
Dries BesselsGeen Route 66 meer gaat me heel erg aan het hart’
Jarenlang leidde Dries Bessels motortochten over Route 66, de legendarische highway dwars door de VS heen van Chicago naar Californië. Langs de route heeft de gepensioneerde ict-er tal van vrienden gemaakt. Maar dit jaar gaat hij niet, heeft hij besloten. De doorslag: het nieuws dat een Duitse toerist aan de Amerikaanse grens was opgepakt en daarna zestien dagen vast had gezeten. „Ik heb geen zin om dat risico te lopen. Op sociale media houd ik me niet stil met wat ik van Trump vind. Ik moet er niet aan denken dat ze mij vastzetten.”
In 2008 stelde zijn vrouw voor om samen op hun motoren de Route 66 een keer te rijden. Bessels was verkocht. Een jaar later vroeg een reisorganisatie of hij jaarlijks een reis wilde leiden, zij betaalden zijn reiskosten. Sindsdien heeft hij de route bijna elk jaar minimaal één keer gereden, soms twee keer per jaar.
Via via kwam hij terecht in een Amerikaanse adviesgroep, met twee vertegenwoordigers van alle staten waar Route 66 doorheen leidt en de voorzitter van de National Park Service. „Maar die is nu uit haar baan gezet.” Bessels zit daar om een geluid te laten horen namens reizigers uit Europa. Met hen had hij drie keer per jaar contact via Zoom en jaarlijks ontmoette hij ze één keer live, meestal in Albuquerque in New Mexico. Die bijeenkomst heeft hij nu afgezegd. „Dat gaat me heel erg aan het hart.”
Ook wilde Bessels dit jaar een bijzondere parade bezoeken die op een stuk van honderdzestig kilometer van Route 66 wordt gereden met bijzondere voertuigen. Jarenlang hadden zijn vrouw en hij het voornemen deze parade te bezoeken, voor de verkiezing van Trump hadden ze besloten in 2025 te zullen gaan. „Eerst zei mijn vrouw dat ze er geen zin in had. Toen bedacht ik me dat ik ook helemaal niet meer wilde.”
Zo kan hij ook niet meer de talloze vrienden bezoeken die hij heeft gemaakt langs de fameuze route. Ook uit de periode dat hij nog werkte voor een softwarebedrijf heeft hij contacten overgehouden, een poos kwam hij elke maand in New York voor trainingen. Onder zijn vrienden zijn zowel aanhangers als tegenstanders van Trump. Met iedereen houdt hij contact, Bessels wil begrijpen wat ze vinden.
„Het is echt ongelofelijk wat er in de VS gebeurt. Ik houd intensief contact met sommigen om wie ik me echt zorgen maak. Vooral met de mensen die afhankelijk zijn van sociale zekerheid. Ik had één keer per maand contact met ze, maar nu elke week. Ook al kan ik van deze afstand niets voor ze doen.”
Nadat hij in 2017 al de eerste Nederlandstalige reisgids over Route 66 had geschreven, droeg Bessels dit jaar met een hoofdstuk bij aan een boek over de weg die in zoveel Amerikaanse boeken, films en songteksten voorkomt. Bessels schrijft in dat boek, dat hij later dit jaar met vijf Amerikaanse auteurs publiceert, over de fascinatie van Europeanen voor de legendarische route. „Ik heb mijn hoofdstuk vorig jaar al ingeleverd en het is naar de drukker. Maar ik had het anders opgeschreven met wat ik nu weet.”
Zijn Harley houdt hij. Die heeft hij al 25 jaar en is afbetaald. Bessels heeft zijn koopgedrag verder ook niet aangepast. „Als eenling kun je weinig bereiken, anders dan het sussen van je eigen gemoed. Daar is ook niks verkeerds aan. Maar het heeft volgens mij alleen effect als iedereen in Europa geen Amerikaanse dingen meer koopt.”
Joke ten haaft ‘Je moet gewoon een knop omzetten’
Vorige zomer was Joke ten Haaft nog in New Orleans voor het eerst in Amerika op vakantie. „De VS stonden eigenlijk helemaal niet op mijn lijstje. Maar ik heb twintig jaar in Frankrijk gewoond en Franse vrienden wilden graag met ons naar New Orleans. Die stad zegt me ook veel meer dan andere Amerikaanse steden. Als we echter weer een verre reis maken, gaan we nu zeker naar andere bestemmingen zoals Japan of Canada.”
Al ver voor Trump voelde Ten Haaft zich ongemakkelijk bij de afhankelijkheid van Amerikaanse bedrijven, vooral voor software en internetactiviteiten. De website van haar eigen vertaalbedrijf had ze al ondergebracht op de servers van de Franse webhost Gandi. Haar e-mail hevelde ze over naar het Zwitserse Proton, net als wat ze op iCloud had staan. „Maar voor je e-mail moet je de tijd nemen voordat je het oude adres van een Amerikaanse partij kunt opzeggen, vooral om je veel van je accounts met dat e-mailadres op websites moet aanpassen.”
Trump heeft haar overstappen in een versnelling gebracht, zegt ze. „Het is zo flagrant wat er gebeurt. Dat roept bij mij ook de vraag op wat er met mijn gegevens gebeurt.” Is het overstappen lastig geweest? „Nee hoor, gewoon de knop omzetten, want als je niet begint, gebeurt het nooit.”
Maar voor haar vertaalwerk blijft ze afhankelijk van software die alleen op Microsoft werkt. Haar MacBook, iPhone en iPad van Apple gaat ze niet direct vervangen, maar als ze aan vernieuwing toe zijn, kiest ze in ieder geval voor een niet-Amerikaans merk.
Van de streamingdiensten heeft ze met haar achttienjarige zoon besloten om in ieder geval HBO Max (een favoriet van haar) en Amazon Prime (favoriet van hem) op te zeggen, maar op Disney+ („waar hij series kijkt van 600 afleveringen en nu bij aflevering 220 of zo is”) en Netflix („daar kan ik voor mijzelf nog geen goed Europees alternatief voor vinden”) beraden ze zich nog.
Om in de supermarkt Amerikaanse merken en producten te laten liggen, vindt Ten Haaft makkelijk. „Het maakt mij niet uit of ze uit een fabriek in Europa of de VS komen. Mij gaat het erom of de geldstromen naar een hoofdkantoor in de VS gaan. Waarom zou je het ingewikkeld maken?”
Ze gebruikt de BuyEuropean-app en volgt de discussies in de speciale Reddit-groepen („Reddit is dan helaas weer Amerikaans”) over welke producten Amerikaans zijn en welke niet.
Haar 32-jarige zoon is mogelijk nog fanatieker dan zijzelf, vertelt Ten Haaft. Maar haar achttienjarige zoon, die thuiswoont, kan het niet echt boeien. „Zijn leven speelt zich voor een deel af op YouTube en Instagram, dat laat hij echt niet los. Maar dat ik de fles tomatenketchup van Heinz heb vervangen door Remia, heeft hij zonder morren geaccepteerd.”
Ze denkt dat hij meer is zoals veel mensen in haar jarendertigwijk vlak buiten het centrum van Gouda. „Veel mensen zijn hier niet mee bezig, ze hebben wel andere dingen aan hun hoofd, dichter bij huis. Er komt voor onze wijk een parkeervergunning. Kijk, daar praat iedereen over.”
Ed Aubri‘We willen ons onderscheiden als écht Europees product’
Binnenkort denkt Ed Aubri dat zijn bedrijf ERA Prefab Systems op al zijn producten een sticker met ‘Made in Europe’ kan zetten. Na de zomer moet die garantie ook op de website verschijnen. „Maar pas als we zeker weten dat we het helemaal waarmaken”.
Zijn bedrijf maakt prefab installatieschachten en installatiewanden voor grotere gebouwen. Straks zijn ook alle gebruikte materialen en gereedschappen van Europese makelij. „Met alles wat er speelt rond Trump, wilen we ons profileren als een écht Europees product”, zegt Aubri.
Aubri onderzocht de afgelopen jaren nog of er kansen waren voor de producten van zijn bedrijf in de VS. Hij stak er verschillende malen de oceaan voor over. Na een bezoek in de afgelopen weken aan Arizona hakte hij een knoop door. „We zijn er achter gekomen dat het in de VS niet fijn zakendoen is. Het gaat alleen maar om ik-ik-ik. Ze willen alleen maar onze kennis hebben, als het kan gratis. En op mijn laatste trip voelde ik dat er echt iets is veranderd. Het voelt niet meer prettig om daar als Europeaan rond te lopen. En Amerikanen, ook Trump-aanhangers, zijn minder spontaan geworden. Ze stellen investeringen uit.”
Ruim vier jaar geleden ontstond binnen het bedrijf het idee om volledig over te stappen naar Europese leveranciers en afscheid te nemen van Amerikaanse partijen. „Dat bleek goed haalbaar. Alles dat we nodig hebben, is in Europa te vinden. Al stuiten we binnen Europa op interne handelsbarrières. Soms kopen we liever in een buurland vanwege betere prijzen, maar worden we verplicht om het in Nederland af te nemen tegen hogere kosten. En als we het dan toch elders in Europa halen, krijgen we opmerkingen of klachten.”
Ook op ict-gebied bleek overschakelen naar Europese aanbieders te kunnen. „Als je daaraan begint, zie je allemaal beren op de weg die er helemaal niet blijken te zijn.” De ontwerpsoftware komt nu van een Nederlands softwarebedrijf uit Houten. „We zijn daarmee ook nog eens een derde goedkoper uit”.
Van een Microsoft-server schakelde ERA Prefab Systems over naar een Linux-server. Alle gegevens staan nu op eigen servers en niet meer in Amerikaanse clouds. Nadat Aubri eerst een jaar zelf probeerde of hij zonder Facebook kon leven – en dat kon hij – stopte het bedrijf ook met uitingen op Instagram en Facebook. „We willen ons niet meer verbinden aan wat Metatopman Mark Zuckerberg doet. We zijn op sociale media alleen nog actief op LinkedIn, omdat daar de meeste zakelijke connecties zitten.”
Ook in zijn eigen leven probeert Aubri Amerikaanse producten te vermijden. „Coca-Cola komt al een tijdje ons huis niet meer in. Producten van een Amerikaanse multinational als Heinz laten we ook liggen. We letten in de supermarkt veel bewuster op etiketten: waar komen producten vandaan?”
En dan is er nog zijn oude liefde voor Harley-Davidson. „Het gevoel om op die motor te rijden, blijft mooi”, vertelt Aubri. „Maar ik heb onlangs toch bewust gekozen voor een Japanse motor. Uit overtuiging.” Zijn voorkeur voor Harley uit zich nog vooral in gadgets en kleding. „Die worden tegenwoordig vooral in China gemaakt.”
„Op een gegeven moment dacht ik: waar bén ik nu eigenlijk? In Albanië, dat wist ik, maar ik was tegelijkertijd gedesoriënteerd. Het had net zo goed Tsjechië kunnen zijn, of Roemenië, of Wallonië. Zelfs ergens in de periferie van een Nederlandse stad. Als je naar heel gewone plekken gaat, ver buiten de stadscentra en de toeristische highlights, dan is er zoveel herkenbaarheid. En waar je ook bent, overal is menselijkheid te vinden, liefde en intimiteit. En, als je het wilt zien, poëzie.”
Fotograaf Chris Keulen (Heerlen, 1959) reisde tussen 2018 en 2024 af en aan door veertien landen, vaak in de Balkan en het oosten van Europa, maar ook in Griekenland, Portugal, België, Duitsland. Hij ging met de auto, de bus, het vliegtuig, en eenmaal ergens aangekomen ging hij vooral eindeloos lopen. Zonder vooropgezet plan foto’s maken, gewoon kijken wat hij tegenkwam: „Onbeduidende plekken kunnen heel verrassend zijn.”
In zijn nieuwe boek Silent Song zien we de foto’s die deze reizen hem opleverden. Verstilde beelden van straten waar de verf al lang geleden van de muren afbladderde, bewoners die in hun ochtendjas een praatje maken in een plantsoen, een treinstation gezien door een besmeurde ruit. Twee mannen zitten zwijgend op een bankje, een bedrijfsloods oogt met zijn verschillende kleurvlakken als een abstract schilderij. Alledaagse situaties en plekken die het nieuws niet halen. Maar die toch, zegt Keulen, „een groot deel van Europa en van onze levens weergeven”. De foto’s hebben geen bijschriften, je weet als kijker dus niet waar ze zijn gemaakt, of wanneer. Keulen: „Door een tekst wordt je blik gestuurd. Dat wilde ik vermijden. Kíjk vooral, dat deed ik ook.”
Foto Chris KeulenFoto Chris KeulenFoto Chris Keulen
Onzekere tijden
Chris Keulen studeerde fotografie en Nederlandse taal- en letterkunde. Naast zijn vrije werk fotografeert hij voor NRC. Hij maakte een aantal boeken met zijn werk en ontving meerdere prijzen. In 2017 won Keulen de Zilveren Camera met Kwetsbare liefde, een indringende reportage over Kim die thuis voor zijn dementerende vrouw Alda zorgt.
Keulen: „Ik had heel intensief gewerkt aan mijn serie over Kim en Alda, die zich vooral in en rond hun boerderij afspeelde. Ik voelde een grote drang om weer naar buiten te gaan, on the road. Normaal gesproken ging ik altijd thematisch te werk; er was een onderwerp, een rode draad. Maar ik begon me bekneld te voelen door die aanpak. We leven in zeer complexe en zorgwekkende tijden; klimaat, oorlog, de politiek die steeds meer naar rechts opschuift. Dat interesseert me, maar ik dacht: als ik dat als thema neem, dan is mijn blik alweer heel specifiek ergens op gericht. En dat wilde ik niet.”
In die onzekere tijden voelde hij zich, zegt Keulen, zelf ook onzeker. Dan kan je naar houvast gaan zoeken, Keulen besloot het tegenovergestelde te doen: „Ik had behoefte om structuur los te laten, om organisch en intuïtief te werk te gaan. En te kijken wat dat opleverde.”
Er waren een paar richtlijnen. Hij wilde, binnen Europa, plekken bezoeken waar hij niet eerder was geweest. Hij vermeed de nieuwsonderwerpen en toeristische plekken. „Als ik op reis ging bereidde ik me altijd goed voor. Ik las me in, bekeek documentaires. Nu besloot ik alleen maar literatuur te lezen. In Oekraïne las ik Tijd van de grote verwachtingen van Konstantin Paustovski, in Albanië de reportages die Joseph Roth in 1927 over het land maakte. Veel meer dan informatie verzamelen wilde ik in een bepaalde sfeer komen.”
Foto Chris KeulenFoto Chris Keulen
Plankgas
Keulen: „Als je voor een krant op pad gaat moet je een situatie gelijk interpreteren. Je moet er betekenis aan geven, duiding. Maar als je je open wilt stellen, dan is het juist goed om die interpretatie uit te stellen. Ik ging fotograferen en deed niets met die foto’s. Als ik thuiskwam, liet ik ze liggen. Soms maanden, soms zelfs jaren. Anders zou ik waarschijnlijk tóch gaan zoeken naar een rode draad. Het resultaat is dat Silent Song zo een fragmentarisch geheel werd. Het is geen lineair of coherent verhaal. Precies zoals ik de onrustige wereld van nu ervaar.
„De foto’s leidden me via zijpaden naar het hedendaagse Europa”, schrijft Keulen in zijn nawoord van Silent Song. „Ik keek ernaar en probeerde het te verbeelden, terwijl de geschiedenis plankgas gaf.”
Foto Chris KeulenFoto Chris KeulenFoto Chris Keulen
Iets meer dan een jaar geleden sloeg de gemeente Den Haag alarm: in elke wijk van de stad was de vaccinatiegraad tot onder de kritische grens van 90 procent gezakt. Er waren al langer wijken waar het animo voor vaccinaties laag was – in de Schilderswijk en Transvaal zakte de vaccinatiegraad voor de bof, mazelen en rode hond onder de 50 procent. Maar nu ging het overal mis. Ook in het Zeeheldenkwartier, waar mensen met een relatief hoog opleidingsniveau en inkomen wonen.
In de zomer van 2024 stelde ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vast dat de vaccinatiegraad in Den Haag voor het vierde jaar op rij gedaald was. Er was toen een mazelenuitbraak, en nu opnieuw. Het RIVM meldde deze week dat Nederland nu, voor zover bekend, 158 gevallen van mazelen telt.
Wethouder Hilbert Bredemeijer (CDA, Onderwijs, Jeugd, Sport en Dienstverlening) noemt het een „levensgevaarlijke situatie”. Hij ergerde zich aan de manier waarop het ministerie nadruk legde op de landelijke percentages die in 2024 weliswaar laag lagen, maar onder jonge kinderen niet zo sterk daalden. „Terwijl we in de grote steden allang door het ijs zijn gezakt. Het gaat hier niet ‘aardig’, het gaat ronduit slecht.” Ook in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht zijn de vaccinatiegraden laag.
Buurthuizen
In het afgelopen halfjaar besloot de gemeente Den Haag daarom een heel pakket plannen om de vaccinatiegraad op te krikken, tegelijkertijd uit te voeren. Zo is er een proef waarbij vrouwen een maternale kinkhoestprik (een vaccinatie die 22 weken zwangere vrouwen krijgen, en die de vrouw én de baby tegen kinkhoest beschermt) direct bij hun verloskundigenpraktijk konden krijgen en niet meer zelf een afspraak hoefden te maken.
Er werden daarnaast prikken gezet op een middelbare school en informatieavonden over vaccineren georganiseerd. Er werd een onderzoeksgroep opgezet die vaccinatiegedrag bestudeert, en in het stadhuis stond een AI-gestuurd hologram om vragen over vaccinaties te beantwoorden.
Door de stad werden posters verspreid waarop boodschappen stonden als: ‘Juist baby’s zijn het kwetsbaarst voor ziekte’. Wie over straat liep, voelde overal dat Den Haag een probleem met vaccineren heeft. Een bewuste keus. „Ik vond dat we continu aanwezig moesten zijn in het straatbeeld”, zegt Bredemeijer.
Het aantal maternale kinkhoestvaccinaties steeg in de hele stad met 14 procent: van 2.993 gezette prikken in 2023 naar 3.412 in 2024. Er was geen sprake van sterk veranderde geboortecijfers. Het cijfer is zeker beïnvloed door het ingrijpen van de gemeente, denkt de wethouder. Bij de proef, bij vijf verloskundigenpraktijken in de wijken waar de vaccinatiegraad het laagst ligt, werden in een paar maanden tijd 107 prikken gezet, een kwart van de stijging.
Ook inentingen tegen bof, mazelen en rode hond (BMR1) en difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP) werden vaker gezet: 4 procent en 9 procent meer. Of die toename te herleiden is tot de programma’s van het afgelopen jaar durft wethouder Bredemeijer niet te zeggen voordat het verder is onderzocht.
Het gaat hier niet ‘aardig’, het gaat ronduit slecht
De GGD Haaglanden spreekt van „positieve signalen” en een „eerste indicatie” dat de Haagse plannen effect hebben. Wel zorgwekkend: het aantal kinderen dat later, als ze al op school zitten, een herhaalprik haalt, daalt nog altijd.
Jeanne-Marie Hament, programmamanager van het Rijksvaccinatieprogramma bij het RIVM, vindt het een „opvallende uitkomst”. „Als je al jaren een dalende participatie hebt, en het tij weet te keren is dat wel knap.” Al benadrukt ze dat een stijging van het aantal vaccinaties zich niet direct vertaalt in een hogere vaccinatiegraad. Het RIVM komt in de zomer opnieuw met cijfers.
Ook andere grote steden hebben door de sterk gedaalde vaccinatiegraad een meer wijkgerichte aanpak ingevoerd. In Rotterdam worden bijvoorbeeld voorlichtingen op kinderdagverblijven georganiseerd. En in Amsterdam – waar het in de wijken met de laagste vaccinatiegraden nu mogelijk is zonder afspraak een prik te halen – werd eerder dit jaar ook een lichte stijging in vaccinatiepercentages gezien.
Concreet
De proef in de vijf verloskundigenpraktijken liet het grootste verschil zien, stelt wethouder Bredemeijer. Daar kwamen concrete veranderingen uit, mensen werden ter plaatse gevaccineerd. Vrouwen krijgen volgens het Rijksvaccinatieprogramma een kinkhoestvaccin als ze 22 weken zwanger zijn. „Dat gaat best passief: ze krijgen van hun verloskundige een flyer mee waarmee de overheid hen probeert te overtuigen. Dan moeten ze thuis een afspraak maken voor een ander moment, op een andere plek. Bizar dat we het zo doen, we maken het ingewikkeld. Dus dachten we: we kunnen het ook aanbieden als ze toch bij de verloskundige zitten, die ze ook nog eens vertrouwen.”
In de Schilderswijk werkt een verloskundige die uit dezelfde regio komt als veel arbeidsmigranten uit de wijk. „Vrouwen met dezelfde achtergrond vertrouwen haar makkelijker dan zo’n flyer van het RIVM.”
Wat zorgwekkend blijft: het aantal kinderen dat later, als ze op school zitten, een herhaalprik haalt, daalt nog altijd
Ook op middelbare school De Einder in Transvaal bood de gemeente vaccinaties aan: in één middag werden meer dan vijftig leerlingen geprikt. Ouders waren vooraf ingelicht en er was een inloopavond georganiseerd waar mensen vragen konden stellen. „We moeten op school zijn als we meer willen vaccineren,” zegt Bredemeijer. „Daar zijn bij een uitbraak ook de grootste gevolgen.”
Maar in een brief aan de raad over de vaccinatie-initiatieven staat dat „niet alle scholen” aan zoiets als een prikmiddag willen meewerken. Het onderwerp ligt gevoelig. „En er zijn al zo veel onderwerpen die gevoelig liggen: discriminatie, antisemitisme. Scholen hebben het er moeilijk mee”, zegt de wethouder. „We hebben laten gebeuren dat we op het gebied van vaccinatie uit elkaar zijn gedreven na corona. We moeten terug. Het is een grote verantwoordelijkheid om aan scholen te geven, maar daar helpen we ze mee.”
Alleen de postercampagne in de straten van Den Haag heeft weinig opgeleverd, schrijft de gemeente in een evaluatie: 90 procent van de mensen die zo’n poster zagen, veranderde niet van gedachte over het vaccineren van kinderen. „Het is duidelijk dat zoiets onpersoonlijks niet werkt”, zegt Bredemeijer. Voor hem een bevestiging van de andere uitkomsten van het gemeenteproject: alleen een persoonlijk gesprek helpt echt.