Zorgen voor de kinderen en het huishouden was niet mijn moeders ambitie

‘Ze woonden in Amsterdam en ergens aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werden ze een stel. Ze zijn dat, ondanks hun tegenstellingen, hun hele leven gebleven. Mijn vader zat op de Hogere Zeevaartschool. Mijn moeder werd opgeleid tot secretaresse.

In 1943 werden hun beider vaders vastgezet door de Duitsers. Geld en eten waren ineens een probleem. Omdat mijn moeder helemaal niets van tulpenbollen moest hebben, nam mijn vader een baantje in een van de Amsterdamse gaarkeukens. Zo kon hij voor haar elke dag een kommetje eten meenemen. De Hongerwinter heeft mijn moeder dan ook geheel tulpenbollen-loos overleefd. Die oorlog heeft hen wel gevormd en heeft volgens mij ook bijgedragen aan hun relatief vroege dood. Tieners, onzekerheid, dood en honger zijn een slechte combinatie.

Ze trouwden in 1948 en pa ging naar zee. Begin jaren 50 kwam hij aan wal, en werden mijn zussen geboren. Ikzelf kom uit de jaren 60 en was, zoals dat heet, onbedoeld. Ik heb er nooit iets van gemerkt. Ons gezin was intussen van Amsterdam naar Brabant verhuisd, waar pa een drukke baan kreeg als bedrijfsleider van een fabriek. Mijn moeder werd geacht voor de drie kinderen en het huishouden te zorgen. Dat was niet haar ambitie en leidde tot grote spanningen en ruzies. Mijn zussen hebben daar onder geleden.

In 1967 kreeg pa, midden in die huwelijkse turbulentie, een flink hartinfarct. In die tijd was het dan klaar: baan kwijt en leven als een kasplantje. Bijzonder genoeg heeft dit hen weer bij elkaar gebracht. Mijn vader begon zijn eigen bedrijf en mijn moeder kwam bij hem werken. De kracht die hen aan het begin zo verbond, was terug. Toen mijn vader overleed, heeft mijn moeder het leven opnieuw proberen vorm te geven. Ze liet een huis naar eigen ontwerp bouwen en verhuisde. Toen ze daar eenmaal woonde, was ze op. Ze overleed amper twee jaar na mijn vader.”