Ze zijn hier vaak te vinden, langs de talloze voetbalvelden in Rotterdam-Zuid. Meestal zijn het mannen voorbij de middelbare leeftijd, die zo onopvallend mogelijk langs de lijn staan. Ze observeren, maken notities. Hoe beweegt een jongen? Verdedigt hij mee? Hoe reageert hij bij een wissel? Profclubs vinden hun werk belangrijk. Want zij, de jeugdscouts, zijn de eerste ogen en oren bij de poort naar het betaald voetbal. Zij bepalen: wie zijn in potentie geschikt?
Kenneth Butter doet dit werk al jaren. Hij is jeugdscout voor Ajax in de regio Rijnmond, het domein van rivaal Feyenoord. Halverwege een koude zaterdagochtend in februari staat Butter al bij zijn tweede wedstrijd van de dag. „Ik kijk altijd naar de drive van die jongens”, zegt hij langs het veld bij de onder-15 van Spartaan’20, een amateurclub waar veel huidige profs in de jeugd speelden. „Blijven ze gaan als een kleine pitbull, of staan ze madeliefjes te plukken?”
De stap naar Ajax is voor jong Rotterdams talent ingewikkeld vanwege de grote afstand. Butter adviseert ze vaak eerst bij Sparta of Excelsior te gaan voetballen. Toch wil Ajax in kaart hebben welke jongens in deze regio eruit springen. En dat begint jong. Eerder op de ochtend bekeek Butter een zesjarige speler bij een kleine club even verderop. Als hij zo’n ventje ziet, moet hij soms lachen. Om het pure spelplezier, de jeugdigheid. Om vervolgens een rapport over zo’n jochie te schrijven, vindt hij niet altijd eenvoudig.
Hij deed het in dit geval wel. De jongen is snel, fel, behendig, niet bang en hij heeft scorend vermogen, leest Butter voor uit zijn notities. En: drive. Wat dat zegt over zijn kansen op de lange termijn, is voor Butter lastig in te schatten. De ontwikkeling gaat op die prille leeftijd op en neer, erkent hij. „Maar ja, dat is een beetje de gekte in het voetbal.” De concurrenten van Ajax scouten ook al op jonge leeftijd. Niemand wil de beste talenten mislopen.
In deze onderzoeksserie van NRC en Trouw bleek waar dat toe kan leiden. Jeugdspelers ervaren niet alleen druk en stress door de afvalrace naar de top, hun identiteit is gebouwd rond een mogelijke voetbalcarrière. Ze beginnen meestal rond hun tiende in een profopleiding, soms nog jonger. Zij die afvallen, zo’n 90 procent, voelen naast teleurstelling vaak opluchting omdat ze hun ‘normale’ leven kunnen oppakken, bleek in gesprekken. Vaak zijn ze het plezier in het voetbal kwijtgeraakt.
Spelers jong scouten en ontwikkelen door veel te trainen, is al decennia de gangbare opleidingsmethode. Maar is het de beste manier? En kan het anders?

Foto’s Bram Petraeus
Contraproductief
Als clubs slim zijn, kiezen ze voor een fundamenteel andere aanpak. Dat is althans een van de conclusies van Arne Güllich, een Duitse sportwetenschapper. Hij doet al jaren onderzoek naar talentontwikkeling van jonge sporters en de effectiviteit van jeugdopleidingen. Profclubs werken nu in zekere zin contraproductief, blijkt uit zijn studies. „Hoe eerder je begint, hoe kleiner je kans op succes als prof.”
Güllich, verbonden aan de Technische Universiteit van Rijnland-Palts, baseert zijn uitspraken op grootschalige data-analyses. Hiervoor combineerde hij de resultaten van alle vergelijkbare wetenschappelijke onderzoeken, waardoor hij beschikte over de gegevens van tienduizenden talenten. Het ging om sporters van over de hele wereld, die actief waren in verschillende disciplines, verdeeld over één of soms meerdere decennia. In alle gevallen waren de bevindingen in grote lijnen gelijk.
Wat Güllich ontdekte staat haaks op de methode die veel profclubs nog hanteren. Zij zijn overtuigd van langdurige ontwikkeling: jong binnenhalen, veel trainen, beter worden. Jongens die na een seizoen afvallen, worden vervangen door nieuwe talenten. Daar zit de crux, volgens Güllich. Dat doorlopende selectieproces is zo intensief dat na vijf jaar gemiddeld nog maar 10 procent van de oorspronkelijk groep minderjarige spelers over is.
Terwijl: hoe goed een jongen op zijn tiende voetbalt, zegt weinig over zijn perspectief op lange termijn. In de studies naar voetballers deelde Güllich spelers op in vier categorieën, van wereldtop (spelers actief als international in hun leeftijdsgroep) tot lokaal (het vijfde niveau van een land of lager). Zo kon hij volgen hoe de jongste supertalenten zich ontwikkelden, maar ook op welk niveau de volwassen wereldsterren in hun jeugd actief waren.
Op die manier zag de wetenschapper dat de absolute topspelers gemiddeld 2,7 jaar later werden gescout dan de subtop: spelers die wel in de hoogste competitie spelen, maar niet uitkomen voor hun land. Gemiddeld begonnen die topspelers tussen hun veertiende en zestiende in een profopleiding en maakten zij duizend trainingsuren minder dan de rest. Pas in de laatste fase van hun opleiding, meestal in de onder-19, maakten zij een „explosieve groei” door.
Het gevaar is, kortom, dat clubs in de zoektocht naar de ‘nieuwe Messi’ die toekomstige wereldster op zijn elfde of twaalfde uit de opleiding zetten.
Een verklaring dat latere wereldtoppers vaak pas op hogere leeftijd opvallen als groot talent, is dat ze in hun jeugd meerdere sporten beoefenden, zegt Güllich. Zonder een directe ‘hyperfocus’ op voetbal, is de kans groter dat een talent zelf de sport vindt waarin hij het beste is. Door verschillende sporten te doen, wordt een kind bovendien lichamelijk en cognitief „gevarieerder”.
Tijjani Reijnders is daarvan een voorbeeld: naast voetbal deed hij ook aan tennis, zwemmen, judo en gymnastiek. Hij brak pas op zijn 24ste door bij AZ en is nu bij AC Milan een van de beste middenvelders in Italië. De kans op een blessure is ook kleiner als je meerdere sporten doet, zegt Güllich: je herhaalt dan niet overmatig dezelfde specifieke bewegingen.
Waarom blijven clubs dan toch op een identieke manier opleiden? „Jeugdopleidingen weten dat het ergens niet helemaal werkt”, zegt Güllich. Hij werd naar eigen zeggen door zeven Bundesligaclubs om advies gevraagd „omdat zij het gevoel hadden dat er iets mis ging”.

Meer tijd voor vriendjes
Dat gevoel hadden ze vijf jaar geleden ook bij ADO Den Haag. Toen Albert van der Dussen in maart 2020 begon als hoofd jeugdopleiding „hebben we alles wat er lag van tafel geveegd”, zegt hij in zijn kantoor op het trainingscomplex in het Zuiderpark. Zo schrapte ADO de twee jongste leeftijdsgroepen.
De opleiding begint nu bij de onder-11. Tot die tijd horen kinderen „met hun vriendjes te spelen”, vindt Van der Dussen. In plaats daarvan heeft ADO nu een pre-academy, waarin de jongste talentjes hoogstens één keer per week meetrainen. De rest van de tijd spelen ze bij hun amateurclub. Als ze dan alsnog de stap maken, kennen ze de club al en „zijn ze mentaal wat beter voorbereid”.
Het stoplichtmodel om de voortgang van jeugdspelers te beoordelen – bij te vaak ‘rood’ moet iemand weg – heeft Van der Dussen „eruit gerost”. Dit om te voorkomen dat kinderen te snel „een stempel” krijgen. Jeugdspelers mogen tot de onder-13 gegarandeerd blijven, zodat ze tijd hebben te wennen. En ze krijgen een vaste hoeveelheid speeltijd, zodat ze de kans hebben zich te ontwikkelen. Plezier en progressie zijn tot hun vijftiende belangrijker dan resultaten.
Bij Sparta denken ze daar net zo over. Op een congres over talentontwikkeling, afgelopen najaar, vraagt Nathan Rutjes welke rol winnen speelt in de onderbouw, die hij bij de Rotterdamse club coördineert. „Eigenlijk helemaal niet, mensen”, antwoordt hij zelf. Anders dan bij ADO werkt Sparta nog wel met de onder-9, maar staan in de jongste elftallen ook „spelplezier” en „autonomie” van jeugdspelers centraal.
Rutjes stapte met de jongste jeugdelftallen uit de competitie voor profclubs. Dat betekent dus geen lange autoritten meer naar Heerenveen, maar voortaan wedstrijden tegen amateurteams in de regio. Zo blijft er meer tijd over voor vriendjes en voor hun vorming als mens buiten de lijnen. Bij Sparta zijn spelers tot en met de onder-12 ook zeker van hun plek.
De reflex van de voetbalwereld is vaak: grote doelen stellen, steeds ambitieuzer zijn. Rutjes pakt het liever kleiner aan. De onder-9, die hij zelf coacht, stond een keer met 11-0 achter tegen Feyenoord. Het doel was één keer scoren. Want dat was nog geen ploeg gelukt, hield hij zijn spelers voor. „Wij maakten de 11-1, en los dat we gingen!”

Mentale scan
Op zijn computer bladert Van der Dussen door een document. Hij noemt het een „thermometer” die aangeeft hoe het mentaal met een team gaat, in dit geval van ADO onder-13. Twee keer per jaar voert de club deze scan uit in de opleiding. Op basis van meer dan tweehonderd vragen hoopt ADO zo een beter beeld te krijgen van de „menselijke kant” van hun spelers, zowel op de club als in hun thuissituatie.
De metingen worden begeleid door Tim Choy, een sportpsycholoog van buiten de club. Hij voerde drie seizoenen geleden voor de KNVB een vergelijkbaar onderzoek uit bij twintig profclubs – 1.855 jongens van 12 tot 21 jaar deden mee. Daaruit bleek dat bijna een kwart van de jeugdvoetballers bovengemiddeld last heeft van stress. ADO is de enige club die de scan nog altijd gebruikt.
Bij het herinrichten van de jeugdopleiding koos de club ervoor om van het mentaal welzijn van spelers „de belangrijkste pijler” te maken, zegt topsportbegeleider en sportpsycholoog Thomas van der Pijl. Vanuit de gedachte dat talent zich het best ontwikkelt als die zich „vrij voelt”. Om dat te benadrukken heeft Van der Dussen de sportpsycholoog benoemd tot voorzitter van het specialistenoverleg, en niet een techniek- of veldtrainer.
De halfjaarlijkse scan is daar een belangrijk onderdeel in. De uitkomsten zijn anoniem, alleen Van der Pijl en zijn collega-psycholoog kunnen de resultaten in detail inzien. Als op teamniveau problemen naar boven komen is dat een reden om de coach uit te nodigen voor een gesprek. Het leidde er onder meer toe dat Van der Dussen twee trainers van hun jeugdteams af haalde, omdat uit de resultaten bleek dat het een ‘mismatch’ was.
Voor spelers die het niet redden bij ADO is een ‘nazorgprogramma’ opgezet, iets wat Sparta volgens Rutjes niet heeft. Dat betekent dat de club spelers die uitstromen begeleidt naar een nieuwe club en eventueel een nieuwe school. In het eerste jaar erna houden ze contact om te „toetsen” hoe het gaat, zegt Van der Dussen. „Het verbaasde me dat spelers die hier negen jaar zaten na een gesprek van een halfuur buiten stonden. Dan hoor je ineens weer bij de grijze muizen. Die impact is groot, dus hebben we er beleid op gemaakt.”
Van die aanpak profiteren niet alleen de spelers, ziet hij, maar óók de club: talenten en hun ouders kiezen nu specifiek voor ADO vanwege die vernieuwde opleidingsvisie, zegt Van der Dussen. Waar in het verleden regionale voetballertjes vaak liever naar de talentendagen van Sparta en FC Dordrecht gingen, werden die dagen bij ADO recentelijk bezocht door duizend kinderen.

