Waarom gaan we eigenlijk met vakantie?

Ik heb een hypothese, stelt Olaf Tempelman aan het begin van zijn nieuwe boek De kunst van het missen: „Moderne mensen gaan vaak op reis in een reactie op een gemis dat ze ervaren – ze hopen iets te vinden waarvan ze verstoken zijn, of denken dat ze ervan verstoken zijn.”

Vervolgens brengt hij aan de hand van reisverhalen in kaart wat dat gemis zou kunnen zijn. Het is geen standaard reisboek maar een filosofische verkenning van de moderne onrust. We zijn bang iets te missen (‘fomo’), willen alle hoogtepunten zien en laten ons ook nog eens rusteloos maken door Instagram-vakantiefoto’s van anderen. Maar Tempelman probeert de lezer, de reiziger, er juist van te overtuigen dat we door dat voortdurende streven juist het wezenlijke missen.

Tempelman introduceert verschillende soorten reizigers; er is de „bucketlistreiziger”, die van hoogtepunt naar hoogtepunt hopt, ervaringen verzamelt en afvinkt, maar vergeet om zich heen te kijken of met andere reizigers te praten. Er is de „verlichtingsreiziger”, die in een klooster in Bhutan of een retraite in Bali hoopt te vinden wat de westerse wereld hem onthoudt. Tempelman reisde eens met zo’n groep mee maar stapte halverwege uit de groep om te ervaren wat hem werkelijke verlichting bracht – dichter bij de plaatselijke bevolking zijn. En er is de „liefdesreiziger”, die afreist naar verre oorden op zoek naar passie en contact dat hij of zij, volgens Tempelmans leer, mist in de ratrace van het bestaan alhier. Hoe vaak komt die mens echter bedrogen uit omdat het romantisch ideaal van witte stranden met liefdevolle mensen in de praktijk toch weer tegenvalt.

Een bijzondere categorie is de „nostalgische reiziger”. Wat zouden die reizigers missen? Ja, het verleden, maar is het niet te prijzen dat ze het verleden herwaarderen? Bijvoorbeeld de francofielen die nog eens over de RN7 naar het zuiden van Frankrijk rijden om een glimp op te vangen van de benzinestationnetjes van weleer en de vervaagde reclameletters op muren? (Langzaam door Frankrijk van Peter Jacobs en Erwin De Decker is overigens hét ultieme boek voor deze reizigers – nostalgie ten top.)

Het authentieke leven

Maar Tempelman bedoelt iets anders. Als voorbeeld beschrijft hij de steden Singapore, Abu Dhabi en Boekarest (waar hij begin deze eeuw woonde als correspondent Oost-Europa voor de Volkskrant). Deze steden verbouwden het centrum ten koste van hun oude wijken en het authentieke leven wat er was. In plaats daarvan verschenen megalomane gebouwen „zonder ziel” die grootsheid moeten uitstralen en toeristen moeten trekken. Het gigantische Huis van het Volk moest voor Boekarest worden wat de Eiffeltoren is voor Parijs, het Marina Bay Sands voor Singapore en de Sjeik Zayed-moskee voor Abu Dhabi. Je zou, schrijft Tempelman dan, kunnen beweren dat de nostalgische mens contrasteert met een bepaald soort moderne mens die „even gemakkelijk afstand neemt van het oude als hij het nieuwe omarmt”.

Prince Charles

Als de reiziger de hoogtepunten bewust of onbewust links laat liggen, komen vanzelf de „eigen paradijzen” naar boven. Een immer weer leuk verhaal is dat van toenmalig Prince Charles. Van een Roemeense vrouw kreeg hij ooit een foto van een „magnifiek oud dorp in een magnifiek oud landschap”. Ze vroeg aandacht voor het door bewoners verlaten dorpje Viscri, gelegen in de heuvels van Transsylvanië. De prins beloofde dat hij haar dorp zou bezoeken. Maar hij deed meer: hij kwam, kocht er een huis, bleef er jaarlijks komen en richtte een stichting op voor het behoud van traditionele architectuur en andere tradities in Roemenië. Niet omdat het de meest spectaculaire bestemming ter wereld was, maar omdat het hem raakte. Het sluit aan bij Tempelmans filosofie: wie het toeval de ruimte geeft, vindt vaak meer dan degene die krampachtig zoekt. Al komt hier ook een paradox om de hoek kijken, want wie het authentieke zoekt, verstoort het tegelijkertijd. De bewoners van Viscri, ooit blij met alle aandacht, klagen nu over de bussen vol toeristen die hun rust verstoren – een ironische wending, aangezien juist de aandacht van Charles het dorp van de vergetelheid redde.

Een groep reizigers die ik in Tempelmans boek mis, zou je de ‘herontdekkingsreizigers’ kunnen noemen. Zij zoeken niet zozeer naar nostalgie, verlichting of romantiek, maar naar kennis omtrent hun eigen verleden. Laat het nu juist Tempelman zijn die tien jaar geleden een voortreffelijke reportage schreef over hoe hij met zijn moeder en zijn zussen naar Java ging waar zijn moeder in 1942 was geboren en als kind in een kamp had gezeten. Daarin schreef hij: „Je kunt beter spijt hebben van iets wat je hebt gedaan dan wat je hebt verzuimd.” Het was een bijzondere reis; thuis kon de moeder door omstandigheden nooit goed praten over het verleden maar tijdens de reis vertelde ze over „haar Indië”. Hoe mooi had ‘het gemis van iets’ voor zowel de moeder als de kinderen – die stilletjes hoopten dat de moeder door de reis meer zou vertellen over haar verleden – in dit boek gepast?

Tempelmans stijl is licht melancholisch, met de ironie van Ilja Leonard Pfeijffer en de bedachtzaamheid van Cees Nooteboom. Hij fileert vooral onze obsessie met bucketlists, met spirituele reisdoelen en met het idee dat geluk maakbaar is. Het boek is absoluut geen aanklacht tegen reizen, maar brengt de achterliggende existentiële redenen om te reizen in beeld. Steeds met een pleidooi voor het ontdekken van het onbekende, het onverwachte. Wat dat betreft begon voor veel mensen de kunst van het reizen inderdaad met de interrailkaart waarmee jongeren onbevangen reizen naar alle steden van Europa: hoogtepunt of niet.


Lees ook

Vakantie is slecht voor je. Je komt er altijd slechter uit dan je erin ging

Illlustratie Tomas Schats