De aangekondigde bezuiniging van 21 miljoen euro voor Stichting Vluchtelingenwerk gaat voorlopig niet door. Dat heeft de rechtbank in Amsterdam vrijdag bepaald in een kort geding dat de stichting had aangespannen tegen de staat. Volgens de rechter voldoet het besluit dat minister Marjolein Faber (Asiel, PVV) had willen doorvoeren „niet aan de wettelijke vereisten” en heeft de minister de organisatie „geen redelijke termijn” gegeven om aan een afbouwplan te werken.
Van het Rijk kreeg Stichting Vluchtelingenwerk de laatste jaren een vast bedrag van zo’n 13 miljoen euro subsidie met daarbovenop een extra bedrag omdat altijd meer asielzoekers worden geholpen dan begroot. Die variabele toekenning is onder meer gebaseerd op het aantal ‘bedden’ en loopt in de tientallen miljoenen. In 2024 was het totaalbedrag 34 miljoen euro en gezien de stijging van het aantal asielzoekers zou het voor dit jaar nog hoger uitkomen. Maar eind vorig jaar besloot minister Faber juist om per 2025 niet meer dan het vast afgesproken bedrag van 13 miljoen euro te betalen – en alleen op projectbasis mogelijk meer.
1.500 betaalde medewerkers
Met alleen die toekenning zou Vluchtelingenwerk naar eigen zeggen flink moeten bezuinigen. De organisatie met 1.500 betaalde medewerkers en 9.000 vrijwilligers beschikt in alle asielzoekerscentra over een eigen loket en begeleidt asielzoekers in hun procedure bij de IND. Maar voor het toegekende bedrag zou ze die wettelijke overheidstaak niet goed kunnen uitvoeren, ook zal ze medewerkers moeten ontslaan.
Stichting Vluchtelingenwerk heeft tegen het besluit bezwaar ingediend en een uitspraak daarover zal naar verwachting eind april volgen. Tot die tijd, zo heeft de voorzieningenrechter nu bepaald, zal minister de subsidierelatie „ongewijzigd moeten voortzetten”. Ook omdat volgens de rechter nog niet duidelijk is „welke taken zij [Vluchtelingenwerk] uiteindelijk zal moeten (blijven) uitvoeren” en de stichting in de gelegenheid moet zijn gesteld om „maatregelen te treffen”.
Lees ook
Bij minister Faber lijkt luisteren naar kritiek een teken van zwakte
„Het staat het kabinet vrij om politieke keuzes te maken”, zei Jan van Zijl, voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting Vluchtelingenwerk donderdag in de rechtszaal. Hij is het er „volstrekt mee oneens”, omdat de aangekondigde bezuiniging de asielketen uiteindelijk meer geld zal kosten – aanvraagprocedures bij de IND worden langer, meent hij. „Maar als de minister het wil, doe het dan zorgvuldig. Met behoorlijk bestuur.”
Er is ‘druk op de zorg’ en er zijn onvoldoende ‘handen aan het bed’. Dat terwijl er te midden van de grote personeelstekorten, vanwege de vergrijzing, juist steeds meer mensen zijn die zorg nodig hebben. De verwachting is dat het tekort zal toenemen, met name in ziekenhuizen en verpleeghuizen.
Sinds 1 januari is daar een complicatie bijgekomen. Omdat de Belastingdienst dit jaar actiever handhaaft op schijnzelfstandigheid – werkzaamheden die eigenlijk in loondienst verricht zouden moeten worden – stoppen veel zorginstellingen de samenwerking met zorgpersoneel dat zich als zzp’er laat inhuren, vaak ook als het om échte zelfstandigen gaat. Ze willen het risico op naheffingen simpelweg niet lopen.
Dat zorgt voor problemen op de werkvloer en hoofdbrekens in de bestuurskamers, want veel werkgevers in de zorg zijn sterk afhankelijk geworden van zelfstandigen. De zorg-zzp’ers vullen gaten in roosters door bij te springen als er collega’s uitvallen. Ze zijn deel van de ‘flexibele schil’ waar veel organisaties hun personeelsbeleid op hebben ingericht. Fijn voor de zorginstelling, en voor de zelfstandigen, want die kunnen hun eigen tijd indelen. Ze zijn gewend geraakt aan een hoog nettobedrag op hun rekening, omdat werkgevers voor zelfstandigen geen sociale premies hoeven af te dragen.
Mijn werk lijkt soms op fabrieksarbeid: het moet allemaal vlug-vlug-vlug. Ik geef graag zorg op maat maar dat lukt niet altijd
Met zzp’ers stoppen blijkt nog niet zo simpel. Diverse zorginstellingen die eerst nog per 1 januari wilden stoppen met de inhuur, blijven voorlopig toch met zzp’ers werken – maar dan wel met de mededeling dat het over een paar maanden écht afgelopen moet zijn. Andere instellingen huren personeel in via bemiddelingsconstructies, wat hen vaak meer geld kost. Met grote vrees kijken zorginstellingen uit naar komende zomer, als veel zorgmedewerkers op vakantie gaan. Zal het dan lukken om zonder zzp’ers de roosters rond te krijgen?
Grote zorgen
De beroepsorganisatie van verpleegkundigen en verzorgenden NU’91 constateerde eerder deze week dat onder zorgmedewerkers grote zorgen leven over de nieuwe situatie. Meer dan de helft van de ondervraagden geeft aan dat de kwaliteit van de zorg door het wegvallen van zzp’ers negatief wordt beïnvloed en constateerde een hogere werkdruk voor vaste medewerkers. De beroepsorganisatie stelt dat verzorgenden en verpleegkundigen de prijs betalen van „een ondoordachte aanpak”.
Uit cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt dat het aantal zzp’ers in de zorg sinds december afneemt, wat een trendbreuk is na jaren van toenemende flexibilisering. In december 2024 verloor de zorgsector 1.700 zelfstandigen, in januari van dit jaar bijna 2.000 . Het is nog niet bekend waar zij zijn terechtgekomen: in dienst, bij een bemiddelingsbureau of in een andere sector. Grote zorgkoepels geven aan dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken, dus sprak NRC vier (ex-)zorg-zzp’ers over de impact van de nieuwe situatie op hun professionele leven.
Kraamverzorger Karin de Graaf: „Ik kan als zzp’er zelf bepalen wanneer ik werk.” Foto Bram Petraeus
Karin de Graaf (57, kraamverzorger)
„Ik ben al sinds mijn negentiende kraamverzorgende en sinds 2017 doe ik dat als zzp’er. Dat was voor mij een uitkomst, want ik heb gezondheidsklachten en kan als zzp’er zelf bepalen wanneer ik werk. Ik werk in een bevalcentrum in het ziekenhuis, maar ook voor een verloskundigenpraktijk. Daarnaast heb ik een eigen netwerk rond bevallingen en ik help bij de eerste opstart thuis. Ik vind de bevallingen in het bevalcentrum het mooist: de dynamiek en de adrenaline van meerdere bevallingen tegelijk. Elke bevalling kijk ik waar ik het beste kan ondersteunen, zodat de baring goed verloopt voor alle betrokkenen.
„De regelmaat en afgebakende diensten van het bevalcentrum zijn voor mij ideaal, ik doe daar vijf à zes diensten per maand. Als je thuis naar een bevalling gaat, dan weet je nooit wanneer je klaar bent. Eind vorig jaar hoorde ik van het bevalcentrum dat ik tot maart als zzp’er kon werken. In het bevalcentrum is er een vast team kraamverzorgenden met daarnaast vier zzp’ers. Wij zzp’ers zijn goed inzetbaar als er een dienst vrij komt door ziekte van een collega.
„Er is ons een nulurencontract aangeboden, maar ik heb in januari laten weten dat maart mij te snel is. Als ik in dienst zou gaan, verdien ik veel minder. Ik heb gelukkig een partner met een goed inkomen, maar voor wat ik nu bij het bevalcentrum verdien zou ik straks meer dan twee keer zoveel diensten moeten draaien. Dus ik zal dan meer ander werk moeten doen buiten het bevalcentrum om hetzelfde inkomen te behouden als nu. Ik moet echt goed nadenken over hoe ik het ga invullen.”
Verpleegkundige Fara Eleonora: „De nieuwe benadering van zzp’ers zorgt voor veel onrust.”Foto Bram Petraeus
Fara Eleonora (46, verpleegkundige in de nacht)
„Ik ben inmiddels vier jaar zzp’er. Toen ik in loondienst werkte, wat ik 25 jaar heb gedaan, miste ik flexibiliteit. Na wat jaren op een afdeling merkte ik dat ik mijn motivatie kwijtraakte en wilde ik weer wat anders. Een vriendin kwam met het idee om voor mezelf te beginnen. Ik wilde mijn werk in loondienst aanvankelijk combineren met werk als zelfstandige, maar toen ik dat aangaf werd ik meteen naar een andere afdeling overgeplaatst. Waar ik minder ging verdienen. Ik was not amused en heb mijn ontslag ingediend. Toen ben ik fulltime als zzp’er begonnen.
„Ik ben alleenstaande moeder en als zzp’er kan ik ervoor kiezen om in het weekend, in de vakantie en op feestdagen thuis te zijn bij mijn kinderen. Toen ik nog in loondienst werkte als coördinator, nam ik mijn werk mee naar huis. In plaats van beschikbaar te zijn voor mijn kinderen, zat ik verslagen te maken en overleggen voor te bereiden.
„De nieuwe benadering van zzp’ers zorgt voor veel onrust. Veel van mijn vaste opdrachtgevers zijn gestopt met de inhuur van zzp’ers. Ik krijg wekelijks drie tot vier nachtdiensten van instellingen die nog wel zelfstandigen durven in te huren, maar het wordt steeds schaarser. Daarom ben ik wel proactief andere opdrachtgevers aan het zoeken. Ik pak alles wat ik pakken kan. Ik let niet op de centen, als ik maar werk heb. Stress heb ik nog niet. Wat er ook gebeurt: ik ga niet in loondienst. Ik weet namelijk niet of ik dan mijn pensioen wel red.”
„Ik heb dertig jaar in verschillende ziekenhuizen en een privékliniek als verpleegkundige gewerkt, waarvan vijftien jaar als zzp’er. Mijn man en ik kregen vier kinderen in zes jaar tijd. Na de derde ben ik als zelfstandige begonnen, geïnspireerd door buren die dat ook deden. Het was mij niet te doen om het geld, maar om de flexibiliteit. Ik heb altijd vrijwel alle diensten gedraaid, want ik denk niet dat het collegiaal is om als zzp’er geen weekenddiensten te draaien. Alleen ’s zondags werkte ik bij voorkeur niet. Dan ben ik het liefst actief in de kerk.
„Als zorgmedewerker miste ik waardering. Ik vind het bijvoorbeeld heel cru dat een docent meer verdient dan een verpleegkundige. Niet dat een docent geen belangrijk werk doet – integendeel. Maar een verpleegkundige heeft zulke onregelmatige werktijden. Het is echt zwaar. De afgelopen jaren werkte ik avonddiensten op de spoedeisende hulp en die waren zo intensief dat ik er steevast een dag van moest bijkomen.
„Het hele gedoe omtrent schijnzelfstandigheid is voor mij de laatste druppel geweest om de zorg te verlaten. Ik voldeed gewoon aan de voorwaarden om als zelfstandige te werken, maar merkte dat mijn opdrachtgevers bang waren. Als dat niet het geval was geweest, had ik best nog een paar jaar in de zorg willen blijven. Deze ontwikkelingen zijn niet goed voor de sector. Je gaat tekorten krijgen en de uitzendbureaus gaan daarvan profiteren. Ik weet nog niet wat ik nu ga doen. Eerst een sabbatical van een half jaar.”
Reynold Pinas (65, psychogeriatrische en somatische zorg)
„Eigenlijk wilde ik vroeger medisch laborant worden, maar dat kon in Suriname niet. Daarom ben ik in Paramaribo in de zorg begonnen. Het was geen bewuste carrièrekeuze.
„Ik heb jarenlang fulltime voor een woningcorporatie gewerkt, en zorg er een beetje bij gedaan. Om ouderen palliatieve zorg te kunnen verlenen heb ik me 25 jaar geleden ingeschreven bij een bemiddelingsbureau. Daar was een inschrijving bij de Kamer van Koophandel voor nodig. In 2011 heb ik besloten om te stoppen bij de woningcorporatie en – aanvankelijk ter overbrugging, was het idee – fulltime in de zorg te gaan werken. Maar ik ben er toch in blijven hangen. Het vak geeft me een goed gevoel, de meeste mensen zijn dankbaar voor de tijd en aandacht die je ze geeft. De wereld kan ik niet veranderen, maar mensen helpen geeft wel voldoening.
„Maar soms heb ik spijt van mijn keuze voor de zorg. Het goede gevoel dat ik eerst had wordt verstoord door de recente ontwikkelingen. Er wordt steeds meer gekort op personeel, waardoor de kwaliteit omlaag gaat. Mijn werk lijkt soms op fabrieksarbeid: mensen uit bed halen, eten geven, het moet allemaal vlug-vlug-vlug. Ik geef graag zorg op maat maar dat lukt niet altijd.”
Lees ook
De problemen met zzp’ers in de zorg zijn een symptoom van een systeemprobleem
Natuurlijk voelen veel van de kandidaten het drukkende gewicht van de oorlogsdreiging. De bezoekers van de voorlichting voor het Infanterie Bewaken Beveiligen Korps Nationale Reserve zijn zich bewust van de piepende en krakende verhoudingen op het wereldtoneel. Ze noemen de oorlog in Oekraïne, de dreiging van Poetin en de nieuwe Amerikaanse president. „We hebben tachtig jaar lang gedacht dat de Verenigde Staten de kastanjes wel voor ons uit het vuur zouden halen, maar met Trump weet je het gewoon niet meer”, zegt een van de bezoekers.
Het is nodig, dat is wat het is, zegt André Kers (35), die de voorlichting bezoekt. „Wat in Oekraïne gebeurt, raakt me. We hebben drie jaar de tijd gehad om er wat aan te doen. Er wordt over gepraat ja, in de politiek, maar er gebeurt nauwelijks iets.” En op zijn handen zitten wil hij niet meer. „Me aanmelden als reservist, dat kan ik in elk geval doen.” Is dat spannend? „Ja, als er oorlog komt, dan moet je, dat is spannend. Maar als je daar niet mee om kan gaan, moet je je niet aanmelden.”
Op de Johannes Postkazerne in Havelte hebben zich ruim veertig kandidaten verzameld, variërend van jong tot oud, om te luisteren naar de voorlichting bij ‘10 Infanteriebataljon Bewaken Beveiligen Korps Nationale Reserve’. Er zitten vijf vrouwen in de zaal, van wie één zelf interesse heeft, de rest is mee als geïnteresseerde partner of familielid.
Ik heb bij de landmacht gezeten, het kriebelt weer
„Reservist worden is een serieuze zaak, zegt sergeant Liza (32), die twaalf jaar geleden als student reservist werd. „Goede afspraken met het thuisfront zijn essentieel. Het vraagt inzet en kost tijd, maar je draagt bij aan iets belangrijks. Tegelijkertijd levert het veel op: kameraadschap, unieke ervaringen en kansen om jezelf te ontwikkelen. We zeggen altijd: reservist worden is vrijwillig, maar niet vrijblijvend.”
Als parttime-militairen vormen reservisten de flexibele schil van defensie. Ze hebben een nulurencontract, dat klinkt misschien vrijblijvend, maar er wordt verwacht dat ze minimaal driehonderd uur per jaar beschikbaar zijn. Dat omvat geplande opleiding en training, gemiddeld twee doordeweekse avonden per maand en één of twee zaterdag, aangevuld met extra meerdaagse oefeningen van donderdag tot en met zaterdag. En dan zijn er nog de geplande steunverleningen en ad hoc oproepen bij calamiteiten.
Voor het zover is moet een kandidaat eerst de voorlichting volgen, zich aanmelden, een sollicitatie doorlopen met psychologische en fysieke testen. Als ze die procedure, inclusief veiligheidsonderzoek, succesvol zijn doorgekomen worden ze aangesteld. Ze mogen zich laten opmeten voor een uniform, uitrusting en schoenen (twee paar). Daarna volgt een twee weken durende opleiding op de kazerne, waarin ze alleen in het weekend naar huis gaan. Net als beroepsmilitairen moeten ze de militaire eed of belofte afleggen.
Reservisten praten met mogelijke aspirant-leden op de Johannes Postkazerne.Foto Kees van de Veen
Koningsbrugge
De voorlichting wordt gegeven door sergeant Rob (55), stafonderofficier werving en voorlichting. Van de militairen worden alleen hun voornamen gebruikt, op verzoek van defensie, in verband met de veiligheid. De voorlichting, verklapt Rob vlak voor de kandidaten arriveren, geeft hij achterstevoren. „Ik praat erover alsof het al zo is, alsof ze al reservist zijn. Dus ik begin bij het werk, onze taken. Daarna ga ik teruglopen: wat houdt het in, wat heb je nodig, hoe werkt de sollicitatie? En dan eindig ik bij het begin: of je ervoor kiest om je in te schrijven.”
Waarom bent u hier, vraagt sergeant Rob aan de zaal voordat hij begint. „Ik heb bij de landmacht gezeten, het kriebelt weer”, zegt een van de kandidaten. „En ik heb Kamp van Koningsbrugge gekeken.” Er klinkt gelach. Niet iedereen zit hier vanwege gevoelde dreiging. Er zitten, blijkt uit de rondgang, meer mannen die eerder in het leger hebben gediend en die het missen.
In de zaal zitten vijf vrouwen, van wie één zelf interesse heeft, de rest is mee als geïnteresseerde partner of familielid
Zo ook Jarno Dingerink (51). Hij zat „heel lang geleden” dankzij de dienstplicht in het leger, in de jaren negentig. Vanwege een reorganisatie eindigde die carrière en ging hij terug naar school. Werken bij de bank vindt hij „ook heel leuk”, maar de interesse voor het leger is nooit verdwenen. „Het teamverband, het hollen en stilstaan, dat spreekt me aan.” De vraag is voor hem niet zozeer waarom wél reservist worden, maar: waarom niet?
„Mijn vriendin vindt het wel spannend, we hebben twee kinderen”, zegt hij. „En ook vrienden reageren verbaasd. Die zeggen dan: ‘Huh? Ga je dan naar Oekraïne?!’” Ze leggen gelijk die link, zegt hij. „Maar dan zeg ik: nee joh, tranquilo, zo’n vaart loopt het niet. Het gaat over de veiligheid hier, bewaken en beveiligen in Nederland.”
Wat hij ook mooi vond aan de dienstplicht, dat de militairen een gemêleerd gezelschap vormen, ziet hij vanavond ook. „Jong, oud, alles zit door elkaar. En ik ben echt positief verrast, want ik dacht: er zullen wel tien man en een paardenkop komen, maar dat is helemaal niet waar. Hoewel je niet weet wie er blijven hangen.”
Voorlichtingsavond van het Korps Nationale Reserve in Havelte.Foto Kees van de Veen
Defensie heeft eind vorig jaar opnieuw uitgesproken dat ze aantal reservisten drastisch wil uitbreiden. De nu achtduizend reservisten, verdeeld over de Koninklijke Luchtmacht, de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Marine en de Koninklijke Marechaussee, moeten er zo snel mogelijk twintigduizend worden.
Dat zou nog lastig kunnen worden. Hoewel steeds meer oorlogsdreiging wordt ervaren en de helft van de Nederlanders een Europees leger zou willen, is de bereidheid daar zelf aan deel te nemen laag: slechts 18 procent van de 1.944 ondervraagden is bereid zelf te dienen. Dat bleek woensdag uit een onderzoek van Ipsos.
Lees ook
Kruispunt in de geschiedenis van het Westen: Europese leiders staan voor een duizelingwekkende taak
Materieel
Maar in Havelte zit een groep die het wel overweegt – in elk geval parttime. Op het scherm laat de sergeant, tussen de powerpointslides door, een wervend filmpje zien waarin wordt uitgelegd wat een reservist doet. „Dit gaat over hoe je jezelf wil zien”, zegt de voice-over. „Klaar voor elke strijd.” „Flexibel, trots en toegewijd.” „Dit is geen soldaatje spelen, maar je inzetten voor je land.”
Door de inval in Oekraïne besefte ik dat onze democratie kwetsbaar is
Als onderdeel van de voorlichting mogen de kandidaten natuurlijk ook materieel bekijken, aanraken én dragen. Bart (bijna achttien) heeft het kogel- en steekwerend vest aangetrokken en om zijn schouders een grote rugzak gehangen, waar ook een helm aan bungelt. Zijn moeder maakt een foto. Hij volgt de opleiding Beveiliging en moet nog een jaar, daarna wil hij doorstromen naar de politie of de marechaussee. Maar pas raakte hij aan de praat met iemand die dient in het leger en die zei dat je dat „ook parttime” kan doen.
Dat is „een supervette bijbaan”, zegt hij. „Natuurlijk is het spannend, en als ik om me heen kijk, denk ik ook wel: ik ben best jong. Maar ik heb wel een zekere volwassenheid, geloof ik.” Over de vraag of de actualiteit voor hem een rol speelt, moet hij even nadenken. „Dat schrikt me eerder af, dan dat het me aantrekt. Ik wil vechten voor mijn land, maar ik vind het wel heel spannend.” Sowieso moet hij nog uitvogelen hoe alles te combineren is met zijn studie. „En mijn moeder is niet heel erg fan, ze vindt het heel spannend.”
Op de voorlichtingsavond mogen deelnemers materieel bekijken én aantrekken.Foto Kees van de Veen
Het is ook spannend, maar voor basisschoolleraar Sjoerd (45), die niet met zijn achternaam in de krant wil, is de wereld dat sowieso op dit moment. „Door de inval in Oekraïne besefte ik dat onze democratie kwetsbaar is.” Hij vertelt dat hij geschiedenis heeft gestudeerd, dat hij weet dat emancipatie – zoals bijvoorbeeld vrouwenrechten – verdwijnt „onder figuren als Poetin”. Sjoerd is meer doordrongen geraakt van de waarde van „een vrije samenleving”. En dat die „niet vanzelfsprekend” is.
Hij geeft natuurles en ja, dat is heel anders dan dienen als militair. Als jongetje heeft het leger hem wel een tijdje getrokken, maar hij is toch „andere wegen gaan belopen”. Sjoerd heeft vrienden die zelfs anti-militaristisch waren. „In theorie is het leuk om anti te zijn, maar sinds Oekraïne is dat écht alleen nog maar theorie, we leven in een andere realiteit.” Si vis pacem, para bellum, zegt hij. „Als je vrede wil, bereid je dan voor op oorlog.”
Lees ook
Verenigd Koninkrijk verhoogt defensie-uitgaven: ‘grootste stijging sinds einde Koude Oorlog’
Keuze
Op het scherm verschijnt in kapitalen: ja of nee is een keuze. „Is het ’m niet? Even goede vrienden”, zegt sergeant Rob. „Is het ’m wel: geweldig, meld je aan, druk op die sollicitatieknop.”
Hoeveel van de kandidaten dat daadwerkelijk gaan doen, is afwachten. „Gemiddeld solliciteert ongeveer de helft van de bezoekers na de voorlichting”, zegt sergeant Liza na afloop. Het is niet zo dat de gevoelde dreiging het aantal aanmeldingen enorm opstuwt, zegt ze. „Maar het zijn wel andere kandidaten. Er speelt veel. De mensen die zich nu aanmelden, doen dat weloverwogen en zijn zeer gemotiveerd.”
Operaties moesten worden uitgesteld doordat intensivecare-afdelingen overvol waren. Teststraten hadden lange wachttijden en gebrek aan testmateriaal. Personeel van ziekenhuizen, verpleeghuizen en thuiszorginstanties had veel te weinig beschermingsmiddelen, zoals mondneusmaskers. Er waren onvoldoende mensen voor bron- en contactonderzoek.
Nederland werd in 2020 overvallen door de Covid-19-pandemie. Een crisis van die omvang had zich in de westerse wereld niet meer voorgedaan sinds de Tweede Wereldoorlog, en infectieziektebestrijding had politiek vaak weinig prioriteit gekregen. De betrokken partijen – zoals het ministerie van VWS, het RIVM en de GGD’s – hielden alleen rekening met kleine uitbraken, concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) in een evaluatie van de coronacrisis.
Hoe is dat nu, vijf jaar later? Is Nederland nu wel klaar voor een pandemie?
De GGD’s in elk geval niet. Ruim 120 nieuw aangenomen verpleegkundigen, artsen en andere medewerkers, zoals data-analisten, dreigen alweer te worden ontslagen. Het aantrekken van ruim 75 coördinatoren gaat voorlopig niet door. En de aanbesteding voor een ict-systeem voor gegevensuitwisseling tussen GGD’s onderling en met het RIVM is stilgelegd.
De reden: het kabinet besloot 300 miljoen te bezuinigen op het plan Pandemische Paraatheid – in 2022 juist gepresenteerd als voorbereiding op een nieuwe pandemie.
Ruim de helft van die bezuiniging komt terecht bij de GGD’s en het RIVM. Voorzitter André Rouvoet van GGD GHOR Nederland noemt die bezuiniging „ondenkbaar” en „onbestaanbaar”. Hij zegt: „Als dit doorgaat, moeten we stoppen met alles wat we aan het doen zijn. Dan kunnen we de volgende pandemie niet aan en zijn we terug op het niveau van voor corona.” Dan verdwijnen niet alleen medewerkers, maar stopt bijvoorbeeld ook de vaccinatiecampagne-software (CoronIT).
Ook het RIVM voelt de kabinetsbezuinigingen. Zowel bij het RIVM zelf als bij het daaronder vallende Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding (LFI) zijn de afgelopen tijd ruim honderd extra mensen aangetrokken. Hun toekomst is nu onzeker. Het LFI moet ervoor zorgen dat de test- en vaccinatiecapaciteit en het bron- en contactonderzoek sneller kunnen worden opgeschaald.
Deltawerken breek je ook niete af omdat het al een tijdje niet meer heeft gestormd
Daarnaast werkt het RIVM aan ict-systemen voor data-uitwisseling met bijvoorbeeld GGD’s, (dieren)laboratoria en universiteiten. „De meeste lessons learned hebben we wel op een rijtje, we zijn er nu volop mee aan de slag”, zegt Corien Swaan, coördinator pandemische paraatheid bij het RIVM. „Het is enorm frustrerend als er dan vanuit de politiek wordt gezegd: ‘nou, doe toch maar niet, zet er maar een streep doorheen’. Doodzonde. De investeringen die we tot nu toe deden, worden zo ook teniet gedaan.”
Zo nooit meer
Na de Covid-19-pandemie kwamen alle evaluaties en rapporten tot dezelfde conclusie: Nederland was niet voorbereid geweest op een langdurige, landelijke gezondheidscrisis. Toen de pandemie zich aandiende, onderschatten kabinet en de medische adviseurs de ernst daarvan. Het kabinet concentreerde zich vervolgens vooral op virusbestrijding en het voldoende beschikbaar hebben van intensivecarebedden. Het hield onvoldoende rekening met de maatschappelijke gevolgen van het beleid, stelde de OVV. Met verhalen over ellende in verpleeghuizen, mentale problemen van jongeren, leerachterstanden en vereenzaming werd nauwelijks iets gedaan. Het effect van belangrijke coronamaatregelen als de mondkapjesplicht, scholensluiting en avondklok werd „niet of nauwelijks gemonitord”. Het RIVM onderschatte „de omvang en complexiteit van het vaccinatieprogramma”.
Zo nooit meer, oordeelde het kabinet-Rutte IV. En dus werd afgesproken dat jaarlijks 300 miljoen zou worden uitgetrokken voor pandemische paraatheid. Niet alleen meer mensen erbij, maar bijvoorbeeld ook de oprichting van de LFI, geld voor onderzoek naar het beter modelleren van uitbraken, uitbreiding van het aantal IC-bedden en het beter en sneller kunnen voorzien in medische hulpmiddelen en vaccins.
Oud-minister Kuipers (Zorg, D66) schreef bij de presentatie van het plan in 2022 in een brief aan de Tweede Kamer: „We leven samen met ziekteverwekkers in een complexe omgeving. Die omgeving en ziekteverwekkers veranderen continu en dat maakt ons kwetsbaar.” Volgens Kuipers en deskundigen is het niet de vraag óf, maar wánneer een volgende pandemie optreedt. Het gevaar van zoönosen, infectieziekten die van dier op mens overspringen, is immers onverminderd groot.
Verstopte bezuiniging
Maar tot verbazing van betrokkenen werd het geld voor pandemische paraatheid in de financiële bijlage van het Hoofdlijnenakkoord wegbezuinigd: 50 miljoen dit jaar, oplopend tot 300 miljoen structureel vanaf 2029. De bezuiniging was verstopt onder het kopje ‘Verlagen intensivering publieke gezondheid’.
Aanvankelijk kon niemand André Rouvoet vertellen waar precies op zou worden bezuinigd, ook de ambtenaren van VWS niet, vertelt hij. „Het bedrag herkenden we, maar we dachten: ‘Dat kan toch niet waar zijn?’” Toch wel, al werd dat Rouvoet pas weken later duidelijk, tijdens het afscheid van de oud-bewindslieden: „Een ontzettende klap. Wij zitten met de brokken.” Hij vergelijkt het pandemische paraatheid-plan graag met de Deltawerken: „Die ga je ook niet halverwege de bouw afbreken omdat het al een tijdje niet meer heeft gestormd.”
Je moet je nu voorbereiden op een crisis waarvan je geen idee hebt hoe die eruit komt te zien
Chantal Rovers, hoogleraar Uitbraken van infectieziekten aan het Nijmeegse Radboudumc, zegt dat „er een heleboel mooie plannen zijn gemaakt die nu mogelijk de ijskast ingaan, en het is de vraag of ze daar weer uitkomen.” Ze noemt het „echt doodzonde” als de bezuinigingen niet worden teruggedraaid. „Tijdens corona waren Nederlanders het lang niet over alles eens, maar een betere pandemische paraatheid komt iedereen ten goede. Dan heb je ook minder snel maatregelen nodig.” Ze noemt het „een plan waar niemand het mee oneens kan zijn”.
De OVV, die drie dikke rapporten over de aanpak van de coronacrisis schreef, concludeerde december vorig jaar dat „het gevolg is dat Nederland nu én in de komende jaren niet adequaat is voorbereid op een landelijke, langdurige crisis met grote maatschappelijke impact”.
Weerbaarheid
Maar volgens minister Fleur Agema (Zorg, PVV) is dat onnodige paniekzaaierij. In Kamerdebatten en media-optredens verwijst ze telkens naar het ‘weerbaarheidsbeleid’ dat het kabinet medio 2025 wil presenteren, maar waarover ze inhoudelijk nog niets wil zeggen. Meerdere ministeries werken daarin samen om Nederland weerbaarder te maken tegen onder meer pandemieën, terreurdreiging, natuurrampen en oorlogen. Pandemische paraatheid moet daar deel van gaan uitmaken. „Er zal bijna 1 op 1 overlap zijn”, beloofde Agema op radio 1 in het programma Dit is de dag. „We bezuinigen het niet weg. Dat is een verkeerd beeld.”
Kamerlid Judith Tielen van coalitiegenoot VVD kijkt uit naar waar Agema mee komt, zegt ze. Ze noemt het wegbezuinigde Pandemische Paraatheid-plan „ongericht en niet heel erg concreet. Het is ook een ingewikkelde vraag: wanneer ben je pandemisch paraat?” Ze vindt vooral belangrijk dat de data-uitwisseling en informatie-systemen op orde zijn, „zodat je zicht en grip hebt op wat er gebeurt. Die basis heb je bij elk soort crisis nodig”. Dat geldt volgens haar minder voor de extra aangenomen mensen: „Dat is minder belangrijk als je kijkt naar wat we nodig hebben de komende jaren. We krijgen niet weer covid, het wordt iets anders. Je moet je nu voorbereiden op een crisis waarvan je geen idee hebt hoe die eruit komt te zien.”
Oppositiepartijen zijn er niet gerust op. „Ik ben altijd voorstander van samenwerken, maar dat weerbaarheidsplan is er nog helemaal niet. En dus is er nu sprake van stilstand”, zegt Kamerlid Wieke Paulusma (D66). Ze noemt het „een ondoordachte bezuiniging. Dit kabinet is doof voor alle experts”. Haar GroenLinks-PvdA-collega Julian Bushoff concludeert dat „we blijkbaar weer heel snel vergeten zijn dat corona geweest is. Maar dat gaat alleen maar goed zolang er niks aan de hand is. Onverantwoordelijk.”
Kabinetsval
André Rouvoet zegt ervan overtuigd te zijn dat Agema de bezuinigingen alsnog wil terugdraaien. Dat geld moet dan bij de Voorjaarsnota worden gereserveerd. Maar juist bij die Voorjaarsnota – de herziening van de begroting over 2025 en een eerste voorzet voor de begroting van 2026 – liggen al veel financiële claims: zowel tegenvallers (zoals de vermogensbelasting) als noodzakelijke extra uitgaven (aanvullende maatregelen voor klimaat, extra geld voor jeugdzorg, het terugdraaien van de voorgenomen btw-verhoging op media, cultuur, sport en boeken).
Rouvoet is er al met al niet gerust op. „In het huidige labiele politieke klimaat kan alles gebeuren. Als het kabinet valt, staat deze bezuiniging gewoon in de boeken.”
Lees ook
Hans Brug (RIVM) is bezorgd over bezuinigingen: ‘De doelen voor preventie halen we niet’