Helaas, Mick Jagger zal deze zomer niet over een Amsterdams podium stuiteren. De Rolling Stones hebben hun voorgenomen Europese zomertoer afgeblazen. Aan de spankracht van de 81-jarige zanger zal het niet liggen. Die oogt nog kwieker dan bij zijn eerste Nederlandse show in 1964.
Dat de Britse rockzanger en andere tachtigers nog steeds optreden, is een blijvende bron van verbijstering en bewondering. Rock was ooit muziek voor de jeugd. De bands waren jong, ze zongen over meisjes en tienerproblemen. Zodra de hits uitbleven en de volgende rage zich aandiende, hadden ze het fatsoen om uit elkaar te gaan. The Beatles dachten ooit dat het publiek na een jaar of twee wel op ze uitgekeken zouden zijn. En The Who vertolkte de gevoelens van hun generatie met: „Hoop dat ik sterf voordat ik oud word”.
In Hope I Get Old Before I Die onderzoekt BBC-popjournalist David Hepworth hoe dat veranderde. Tegenwoordig toeren stokoude rockers met succes tot ze erbij neervallen. Jongeren luisteren niet alleen meer naar de nieuwste bands, maar ontdekken ook steeds opnieuw de klassieken. Voor rocksterren zijn de basisvoorwaarden ‘jong’ en ‘rebels’ allang niet meer van toepassing. Elton John zong op een koninklijke begrafenis, David Bowie kwam in een museum terecht, Bob Dylan kreeg de Nobelprijs, en is ook dit jaar weer op zijn Never Ending Tour.
Britpop
Volgens Hepworth was rockmuziek tot in de jaren tachtig nog in de ban van de permanente vernieuwing. The Beatles waren vergeten en oudere artiesten werden uitgejouwd door de nieuwe generatie. Dat veranderde in de jaren negentig met Britpop en bands als Oasis die de rockgeschiedenis juist omarmden en benadrukten hoe ze op de schouders van reuzen stonden. Het maakte de weg vrij voor oudere rockers als The Stones, Paul McCartney en Dylan om gewoon te blijven doorwerken. Ook bands die ooit met ruzie uiteen waren gespat, zetten zich over hun weerzin heen en kwamen weer samen. Met een eindeloze comeback-tour konden ze alsnog het geld te verdienen wat hen in de hoogtijdagen was ontfutseld.
De eenvoudigste verklaring hiervoor is dat de fans van die oude rockers eindeloos bleven doorleven. Hun groeiende inkomens gaven ze graag uit aan albums en concertkaartjes van hun jeugdidolen. Andere verklaringen die het boek noemt: de opkomst van retrospectief-boxen. Bruce Springsteen, Bob Dylan en The Beatles kwamen in de jaren negentig met prijzige cd-boxen waarmee ze een nieuw publiek aanboorden. Verder noemt Hepworth de opkomst van het online muziek luisteren, van Napster tot Spotify, waardoor lang niet leverbare oude muziek weer beschikbaar kwam voor een nieuw publiek, in een laagdrempelige omgeving.
Omdat het sterftecijfer in de rock in de eerste decennia aan de hoge kant was, door bovenmatig drugs- en drankgebruik, hebben degenen die het overleefden een speciale aantrekkingskracht. Het doorsnee interview met de oude rocker volgt volgens het boek hetzelfde AA-stramien: de verbleekte ster blikt terug op zijn glorietijd, geeft toe dat hij daarna te veel heeft gebruikt en daarmee zijn carrière, huwelijk en lever heeft verwoest. Maar nu is hij gestopt, betuigt hij zijn oprechte spijt, en is helemaal klaar voor een derde leven. Zoals Hepworth het samenvat: „I flew high, I fucked up, I’m back. Kunnen jullie me vergeven?” De fans vergeven hen graag, want ze smullen van survivor-verhalen. Bovendien herinneren de oude sterren hun aan hun eigen vlegeljaren.
Het raadsel van classic rock
Dit verder smakelijke boek met een intrigerend onderwerp heeft een paar gebreken: Hepworth laat buiten beschouwing dat de oude rockers weliswaar eindeloos rondtoeren, maar dat ze zelden relevante nieuwe muziek maken. Verder is het boek te sterk op het Verenigd Koninkrijk gericht en laat Hepworth andere popgenres dan rock buiten beschouwing. Ook dwaalt hij vaak af van het onderwerp, omdat hij bijvoorbeeld ook nog iets kwijt wil over Nick Lowe, Tony Blair, Glen Campbell en Wilko Johnson.
Oké, die laatste twee zijn toch wel relevant omdat die verhalen gaan over de allerlaatste kans op een comeback. Wilko Johnsons verhaal lijkt op dat van de Nederlandse artiest Thé Lau. Nadat de vergeten Britse zanger van Dr. Feelgood bekend maakte dat hij kanker had, steeg zijn populariteit enorm, en kon hij langzaam stervend op afscheidstournee. Countryzanger Glen Campwell overkwam hetzelfde toen hij Alzheimer kreeg, met als bijzonderheid dat hij op het eind van zijn tournee echt niet meer wist waar hij was en wat hij kwam doen.
Een ander zijpad dat Hepworth kiest is dat van de bands die met ruzie uit elkaar zijn gegaan en toch weer samenkomen. Waarna de ruzies gewoon worden hervat. Maar dit keer zetten ze zich eroverheen omdat het geld veel goed maakt en ze inmiddels weten hoe erg het leven zónder band is. De fans zien hun bands graag als dierbare vriendengroepen. Net zoals ze die zelf vroeger hadden, of hadden willen hebben. Op die romantische wens drijft volgens Hepworth het hele reünie-circuit. De fans wil graag geloven dat de oude vrienden weer samenkomen om het nog één gezellig keer te hebben. For the good times.
Een nadeel van deze theorie: het gaat uit van de oude fans die er zelf bij waren. Maar het raadsel van de classic rock is juist dat er ook veel jonge fans naar luisteren, die de oude rock nu voor het eerst horen. Dit boeiender maar lastiger te doorgronden raadsel laat het boek een beetje liggen.
Lees ook
Tachtig is het nieuwe achttien, schreeuwen de Rolling Stones van alle daken
