Waarom blijft Donald Trump onverminderd populair bij zijn achterban? Waarom is het niet ondenkbaar dat deze 78-jarige narcist – ondanks alle schandalen, aanklachten en veroordelingen, ondanks alle niet mis te verstane waarschuwingen van voormalige medewerkers en vertrouwelingen – volgende week opnieuw tot president van de Verenigde Staten verkozen gaat worden?
In de bioscoop zag ik onlangs The Apprentice, die gaat over de opkomst van de vastgoedman Trump in het New York van de jaren zeventig en tachtig. Zo’n beetje alle mensen in die film, afgezien van Trumps vrouw Ivana, gedragen zich moreel verwerpelijk – en genieten daar met volle teugen van. Van zijn leermeester, de cynische advocaat Roy Cohn, leert de jonge Trump dat de wereld enkel uit winnaars en verliezers bestaat, dat je altijd de aanval moet kiezen, nooit je verlies moet toegeven. Het wordt Trumps persoonlijke evangelie. Aanvankelijk steekt een onzekere Trump nog bleekjes af bij de volleerde schoft Cohn, aan het eind van film laat hij hem in opportunisme ver achter zich.
Je ziet hoe de jonge Trump zijn alcoholistische broer verraadt, zijn vrouw na een echtelijke twist dwingt tot seks en zijn eigen vader, voor wie hij nooit goed genoeg is geweest, financieel probeert te naaien. Ook de doodzieke Roy Cohn, een homoseksuele homohater die in 1986 aan aids sterft, laat hij vallen als een baksteen. Leerling overtreft leermeester.
Trump is zonder twijfel een monster, maar hij is ook – en daar beginnen de problemen – een fenomeen. In The Apprentice wordt zijn onstuitbare opkomst als icoon van kapitalistisch Amerika gecontrasteerd met de achtergrond van een verloederd en bankroet New York. Daardoor begrijp je beter hoe Trump zo groot kon worden: tegenover de grauwheid van een stad die bezwijkt onder collectieve lasten en krachteloze politici plaatst deze vastgoedman onverdroten zijn hotels en glanzende torens, een glanzend visioen van luxe en bling bling. Het is grotendeels illusie, het verkopen van imago. Daar is veel blufpoker voor nodig, liegen met een stalen gezicht. Maar voor blufpoker moet je ook talent hebben.
Magneet voor aandacht
In recensies op de filmsite Rotten Tomatoes, waar The Apprentice een hoge waardering krijgt, las ik dat het personage Trump (gespeeld door Sebastian Stan) weliswaar menselijke trekjes krijgt, maar wees gerust, zijn slechtheid wordt nergens vergoelijkt. Je hoeft geen sympathie voor hem te voelen. Dat is ongetwijfeld geruststellend bedoeld. Je kijkt gefascineerd naar een monster van een man, maar je zou wel gek zijn als je op hem ging stemmen.
Toch?
Ik ben er niet zeker van. Ongeacht de goede bedoelingen van de makers voedt ook deze film toch weer de fascinatie met het fenomeen Trump. Zelfs in zijn verdorvenheid is hij een magneet voor aandacht.
Over Kamala Harris, dacht ik terwijl ik The Apprentice zag, zou je nooit zo’n film kunnen maken. Dat is veelzeggend. Bij haar stel ik me hoogstens een documentaire voor, over haar achtergrond en werk als openbaar aanklager. Waarschijnlijk zou die eerder interessant dan fascinerend zijn.
Wat is opwindender dan al je gevoelens van miskenning in te ruilen voor onbeschaamd machtsvertoon?
Toen Trump in 2020 de verkiezingen van Joe Biden verloor, dacht voormalig president Barack Obama de Amerikanen gerust te stellen door te wijzen op de bedaagdheid van Biden, die de rust en redelijkheid zou terugbrengen. De komende jaren zouden Amerikanen, stelde hij, niet dagelijks lastig worden gevallen met de uitzinnigheden van Trump, de krankjorume uitspraken, de schandalige besluiten, heel de constante stroom persoonlijke beledigingen.
Oplichter
Dat was typisch vanuit het politieke establishment geredeneerd. Als iemand consequent Trump verkeerd heeft ingeschat, is het Obama geweest.
Het begon al met zijn vrolijk denigrerende grappen over Trump tijdens het White House Correspondents’ Dinner in 2011, waar Trump bij aanwezig was. Die publieke vernedering heeft Trump, zo wordt beweerd, ertoe gebracht zich verkiesbaar te stellen voor het presidentschap. In 2016 grapte Obama tijdens een toespraak over een Trump die steaks verkocht en zelfs wijn. Stel je voor! Obama: „How good can that wine be?”
Dat olijke snobisme was opnieuw een misrekening, omdat het de aard van Trumps aantrekkingskracht op een grote massa mensen miskende. Het imago van Donald Trump, zoals ook The Apprentice laat zien, is altijd chic voor mensen zonder goede smaak geweest, luxe voor mensen die van huis uit geen luxe gewend zijn.
Tot aan de verkiezingen volgende week is in het Forum Groningen nog de ‘installatie’ te zien die de bekende Amerikaanse fotograaf Andres Serrano maakte met de titel The Game: All Things Trump. Serrano verzamelde meer dan duizend objecten die Trump gerelateerd waren, sleutelhangers, hotel- en casinosouvenirs, gesigneerde foto’s, het Trump-bordspel en, inderdaad, de Trump-wijn. Maar anders dan Obama wil Serrano laten zien hoe aanwezig Trump de afgelopen decennia in de Amerikaanse cultuur is geweest, hoezeer zijn persoonlijke ego-cultus de aspiraties spiegelde van gewone mensen die omhoog wilden, die wilden ruiken aan een leven van luxe maar zich dat niet echt konden veroorloven.
Overzichtsbeeld van de tentoonstelling ‘America & Trump’ van Andres Serrano in Forum Groningen. Foto Sake Elzinga/FORUM
Gezien vanuit de klasse die zich dat wel kon veroorloven is Trump nooit iets anders geweest dan een oplichter, een conman. Iedereen weet ook dat dat klopt, hij is een oplichter, maar dat is het punt niet. Zijn aanhang geniet daar juist van, zoals Italianen jarenlang genoten van Berlusconi. Daarom heeft hem ontmaskeren ook geen zin.
Zijn fritesbakken voor de camera’s bij een McDonald’s-filiaal onlangs werd in kritische media meteen afgeserveerd als een holle publiciteitsstunt, want: het filiaal was speciaal voor de gelegenheid gesloten, de klanten waren zorgvuldig geselecteerde groupies. Fake! Maar in de tijdlijn van mijn telefoon ging het over niks anders. Als performance was het voor zijn fans uitermate geslaagd. Net als zijn uitspraak over hoe illegale migranten huisdieren zouden opeten. Leugen en waarheid zijn voor hen allang geen reële categorieën meer.
Smalend op Trump neerkijken, zoals Obama steeds zo opzichtig heeft gedaan, is voor hen olie op het vuur – ook als hij gelijk heeft, juist omdat hij gelijk heeft. Niets triggert mensen zozeer als wanneer je ze het gevoel geeft dat ze net niet goed genoeg zijn, er net niet bijhoren, net niet weten hoe het hoort.
Miskenning
De Franse denker René Girard (1923-2015), die in deze gepolariseerde tijden opnieuw populair is, spreekt van mimetische begeerte. Mensen doen vanuit zichzelf niets, ze imiteren anderen. Je kijkt tegen iemand op omdat hij iets heeft of kan wat jij ook wilt hebben of kunnen. Die doe je na, je wilt zoals hem worden. Maar als wat je nastreeft buiten je bereik blijft, als je beseft dat je er nooit echt bij zult horen, ga je het object van je bewondering haten.
Denk aan de afgewezen minnaar.
Niets maakt zo woedend als je afgewezen voelen door degene wiens erkenning je zocht. In een tijd waarin individuele zelfontplooiing als het dragende ideaal wordt beschouwd, voelt een ieder zich ook eerder door een ander gedwarsboomd. Daarom wordt het gevoel van miskenning, van je gekrenkt voelen, afgewezen worden, ook heel snel persoonlijk. Daarom ook zullen radicale politici ook altijd personen als doelwit kiezen, de boel eindeloos opjutten tegen bepaalde mensen, meestal vrouwen, die tot het symbool van jouw gevoel van miskenning worden. Dat is, even tussendoor, de functie van de tweets van Geert Wilders. En daarom ook zal hij er nooit mee ophouden.
Foto Julia Demaree Nikhinson / AP
Je kunt zeggen dat Trump dat gevoel van miskenning, het je niet gezien en erkend voelen, politiek massaal heeft weten te mobiliseren.
Obama had het daarom opnieuw bij het verkeerde eind; de rust is sinds 2020 allesbehalve teruggekeerd. Trump heeft in die jaren het hele Republikeinse establishment op de knieën gekregen.
Zelfs een zichtbaar aan mentaal verval onderhevige Trump, die steeds wilder om zich heen slaat, die keer op keer ontmaskerd wordt als heulend met vijandige machten en ronduit staatsgevaarlijk is, blijft ruwweg de helft van het Amerikaanse electoraat gijzelen.
De Republikeinen die van hem afhankelijk zijn doen zichzelf keer op keer geweld aan, omdat ze nu eenmaal een pact met de duivel hebben gesloten. Zo’n acht jaar geleden was ik erbij toen de toenmalige presidentskandidaat Marco Rubio een diner in New Hampshire bezocht om stemmen te winnen. Hij was toen een wat gladde, maar niet onsympathieke man, hij ging vrijuit met de ontbijtende aanwezigen in debat. Als ik hem nu de laatste uitzinnigheden van Trump zie goedpraten bij Fox News, en ik zie hoe hij de Republikeinen die wel durven waarschuwen voor een tweede termijn van Trump met een stalen gezicht voor de bus gooit, herken ik hem nauwelijks.
Immigratiearmageddon
Brave politieke beschouwers zoeken naar rationele verklaringen voor de aanhoudende populariteit van Trump en komen dan meestal snel uit bij de economie – onder Trump zou het economisch beter gegaan zijn, en kijk eens naar de inflatie. Er is een tendens, op rechts maar zeker ook op links, om je uit te putten in excuses voor de Trump-stemmer, omdat het geen pas heeft om de gewone man dom of kwaadaardig te noemen. De doorsnee Trump-stemmer zou op Trump stemmen ondanks Trump. Men ziet hem als vluchtheuvel enkel en alleen omdat de traditionele politiek het er zo vreselijk bij heeft laten zitten. Die redenering kom je overigens overal tegen wanneer het succes van radicaal-rechtse politici in het Westen verklaard moet worden. Ooit was er misschien grond voor, inmiddels is het een slap excuus. Iedereen die langer dan twee seconden nadenkt, beseft dat Trump zich niet bekommert om de gewone man. Niet voor niks is hij groot geworden met casino’s, dé plek waar gewone mensen de illusie hebben dat ze rijk kunnen worden, terwijl hun zakken leeg geklopt worden.
Er is een tendens, op rechts maar zeker ook op links, om je uit te putten in excuses voor de Trump-stemmer
Na de eerste, onverwachte overwinning van Trump zwaaide men driftig met de memoir Hillbilly Elegy van J.D. Vance als verklaring waarom men helemaal onder aan de maatschappelijke ladder gevallen was voor de verraderlijke charme van snake oil salesman Trump. De auteur, zelf opgegroeid in schrijnende armoede, waarschuwde eerst nog dat Trump het foute antwoord was op echt maatschappelijk leed, zelfs dat Trump het in zich had om „America’s Hitler” te worden. Nu heeft hij zich slaafs aan Trump onderworpen en is zijn gedoodverfde vice-president.
Juist in de bekering van J.D. Vance, opportunistisch als die is, vind je wellicht een verklaring voor Trumps aantrekkingskracht. Wellicht geloofde Vance aanvankelijk echt in een meer sociale betrokkenheid van de politiek voor mensen die over het hoofd gezien worden, inmiddels is dat voor hem, net als voor Trump zelf, een excuus om het heersende ressentiment aan te wakkeren. Trump dwarsboomde op afstand steun voor een door Democraten én Republikeinen voorgesteld beleid voor een strengere grensbeveiliging, simpelweg omdat hij de notie van een immigratiearmageddon nodig heeft in zijn retorische ondergangsvisioenen.
Veel mensen stemmen niet op Trump ondanks zijn wanstaltige gedrag, ondanks zijn dreigen met chaos en geweld, maar juist omdat ze er met volle teugen van genieten. Het is naïef – of hypocriet – om te denken dat dat niet zo is. Trump is de ultieme wraakfantasie. Zijn politiek is zuiver antipolitiek. De dictatoriale afrekening met het politieke establishment die hij zijn kiezers voorschotelt, is domweg voor een groot deel van het electoraat woest aantrekkelijk.
Wat is er verleidelijker dan de belofte dat je voortaan de lakens kunt uitdelen zonder door scrupules gehinderd te worden? Wat is er opwindender dan al je gevoelens van miskenning in te ruilen voor onbeschaamd machtsvertoon? Ook Trumps infantiele geldingsdrang, zijn obsessie met getallen, met de grootste zijn, met domineren en vernederen, is voor veel mensen (mannen?) herkenbaar. Vraag het Andrew Tate maar. Het gaat allang niet meer om een afrekening met een elite die de boel heeft laten verslonzen, het is de belofte van een totale nieuwe, autocratische orde, waarin de cynische geloofsartikelen van Roy Cohn de rechtsorde zullen vervangen.
‘Lovefest’
Tijdens de bijeenkomst in een volgepakt Madison Square Garden ging het er afgelopen week retorisch heftiger aan toe, stelden Amerikaanse commentatoren onthutst vast, dan op een gemiddelde nazi-bijeenkomst in de jaren dertig. Een onleuke komiek maakte onverbloemd racistische grappen. Trump fulmineerde tegen de enemy within waarmee hard moet worden afgerekend. Een zakenman noemde Kamala Harris de antichrist. Ze werd ook een hoer genoemd. Het was een groot feest van haat en agressie.
Zelf noemde Trump het achteraf een „lovefest”.
Zijn opponenten, waaronder ook veel voormalige medestanders, stellen hem nu onverbloemd voor als fascistoïde en als een gevaar voor de democratie. Terecht, Trump is een gevaar voor democratie en rechtsstaat. Maar voor een groot deel van zijn aanhang is dat inmiddels juist een aanbeveling.
Dat is wat Trump de afgelopen jaren voor elkaar heeft gekregen. Zelfs als Kamala Harris volgende week wint, wat allerminst zeker is, zal het een dubbeltje op zijn kant zijn.
Foto Jose Luis Gonzalez/Reuters
Lees ook
Wat verklaart de opkomst van het trumpisme? Deze boeken geven een antwoord
In Provo, een stad gelegen tussen de witte bergtoppen van Utah, staat een wonderkliniek. Zo noemen sommige patiënten het zandbruine gebouw met Griekse pilaren. Hun ‘patient stories’ hangen ingelijst aan de muren.
Stephanie, na negen jaar vermoeidheid en duizeligheid: „Ik geniet weer van het leven.”
Carlien, die in een coma heeft gelegen: „Mijn lijden is in leven omgezet.”
Mariska, die jarenlang constant hoofdpijn had: „Ik kan weer dansen met mijn kinderen.”
De kliniek, Cognitive FX (CFX), is naar eigen zeggen het meest „effectieve” behandelcentrum ter wereld voor klachten die ontstaan zijn na een hersenschudding of hersenletsel. Patiënten betalen 13.000 dollar (een week) of 24.700 dollar (twee weken) om een ‘toonaangevende’ behandeling te ondergaan. Hoe gaat het er in de kliniek in Utah aan toe?
Klappen en stampen
„Rood-groen-oh nee…”
Terwijl Ninja Bakermans (40) een lijst woorden moet voorlezen – blauw in geel lettertype, rood in groen lettertype, enzovoort – moet hij op het ritme van een metronoom met zijn voeten stampen en in zijn handen klappen.
„Blauw-paars-rood… Waar was ik? Ah shit…”
„Kom op”, zegt de behandelaar. „Doorgaan.”
„Bruin-zwart-rood-blauw…” Even het ritme kwijt. Doorgaan. De metronoom, 54 beats per minuut: tik-tik-tik. Linkervoet, rechtervoet, klap. „Geel-rood-bruin. Oranje.”
„Goed zo!”
Ninja wil gaan zitten, op adem komen, maar hij is nog niet klaar.
„Laatste rijtje, nog één keer. En andersom nu.”
Volgende oefening. Nieuw hok, nieuwe therapeut.
„Hoe voel je je vandaag Ninja?”
„Best oké.”
„Klinkt niet heel overtuigend.”
Gelach.
Dan een half uur ‘Dynavision’: terwijl Ninja op een groot zwart bord snel oplichtende lampjes moet aanklikken, stelt de behandelaar vragen.
„Hoe vind je het hotel?”
„Wat heb je gisteren gegeten?”
„Heb je het zelf gekookt?”
En door. Ninja ademt zwaar. Even rusten, dat mag. Tien minuutjes in de donkere relaxkamer. Koptelefoon op met brainwaves: zoom-zoom-zoom. En daar komt de volgende behandelaar alweer aanlopen.
Het is woensdag 22 januari, dag drie van Ninja’s behandeling van twee weken, en zo gaat het elke dag. Om 8 uur beginnen patiënten met cardio om de hersenen klaar te stomen, dan drie uur therapie, lunchen, nog eens twee tot vier uur therapie en weer het busje in naar het hotel.
Prepare, activate, recover. Er zijn tieners en ouderen, rijke Amerikanen die de behandeling voor de tweede keer doen, en mensen die crowdfunding op gang moesten brengen om het te kunnen betalen. Op het eerste gezicht zien ze er kerngezond uit. Maar, blijkt tussen de trainingen door, stuk voor stuk zijn ze op zoek naar een verloren versie van zichzelf. Zonder klachten.
Een Texaan is uitgegleden met hardlopen: „Drie jaar hoofdpijn en duizeligheid.”
Een patiënt uit Wisconsin heeft vijf maanden geleden een auto-ongeluk gehad. Klachten? „The whole bingo card, maar vooral moeite met praten.”
Een vrouw uit Nebraska heeft van jongs af aan al hoofdpijn, „Opgegroeid op een boerderij, ik heb elf hersenschuddingen gehad”.
Een Deen heeft zijn hoofd gestoten toen hij opstond uit een stoel: „Vier jaar bijna niet geslapen, hoofdpijn, ik kan zeven uur per week werken, máx.”
Van over heel de wereld zijn de patiënten naar Provo gevlogen. Wie de behandeling volgt, mag een speldje prikken op de wereldkaart die in de lunchruimte hangt. Eén land is zo volgeprikt, dat het nauwelijks meer zichtbaar is: Nederland. Na Amerikanen vliegen Nederlanders het vaakst naar Utah om de behandeling te ondergaan. Er staan klompen met de Friese vlag op het bureau van de radioloog en neptulpen naast de computer van het hoofd marketing.
Dat steeds meer Nederlanders de tocht naar Utah maken, is opvallend. De afgelopen jaren nam ook de kritiek van Nederlandse experts op de behandeling toe. Hersenwetenschappers en artsen die hun patiënten naar de kliniek zagen gaan, wijzen erop dat de behandeling niet bewezen effectief is, zoals de kliniek claimt, en dat het wetenschappelijke fundament onder de behandeling rammelt.
Toch heeft de kliniek al bijna zevenhonderd Nederlandse patiënten gehad. Sinds een aantal jaar bestaat 10 procent van de patiënten uit Nederlanders.
Arnold Schwarzenegger
Met zijn linkerhand, de hand die hij nog altijd met moeite kan bewegen, haalt Ninja Bakermans aan de keukentafel van zijn nieuwbouwwoning in Eindhoven zijn telefoon tevoorschijn. Het is twee maanden voordat hij naar Utah zal gaan. Ninja laat een filmpje zien: vier mannen om een rood aangelopen spierbonk heen. „Dat ben ik.” De spierbonk gaat door z’n knieën en – oef, oef, oef – tilt 320 kilo aan gewichten van de grond. „Lékker jongen!”, klinkt het.
Tot het uiterste gaan, alles eruit halen wat erin zit, dat maakt powerliften zo mooi. Ninja doet het sinds zijn veertiende. Op de muur achter hem hangt een ingelijste poster van bodybuilder Arnold Schwarzenegger. ‘Never ever think small, THINK BIG, ignore the NAYSAYERS.’
Op zijn hoogtepunt trainde Ninja twee keer per dag, naast zijn baan als verkoper bij een technologiebedrijf, waarvoor hij veel moest reizen, en een druk gezinsleven met twee jonge kinderen.
In de zomer van 2023 kwam er ruw een einde aan Ninja’s weg naar groter en sterker. Binnen een week kreeg hij een hartaanval en een herseninfarct, met ernstige hersenschade als gevolg. Vier weken lag hij in het ziekenhuis, de linkerzijde van zijn lijf verlamd. Zijn eerste uitdaging was om weer rechtop te kunnen zitten in bed. „Dat duurde een week.”
Daarna volgden acht weken in een revalidatiekliniek, en nog maanden elke dag therapieën en trainingen. Hij zag ergotherapeuten, neurologen, trainers. Na zes maanden kon hij weer – voorzichtig – lopen en een boterham smeren. Toen was hij uitbehandeld. „Have a nice life!”
Na een paar uur inspanning moet Ninja nu nog altijd een uur op bed liggen. Dan is hij „neuromoe”. Het advies van zijn artsen: rust houden, de grenzen van je lichaam aanvoelen. Maar met dat begrensde bestaan wilde Ninja, hij wijst even naar de Schwarzenegger-poster, geen genoegen nemen.
Begin vorig jaar zag hij een berichtje op LinkedIn. Er waren, zo schreef een BMX’er met hersenschade, zoveel opties buiten de „reguliere zorg”. Ninja sloeg aan het googelen. Via LinkedIn kwam hij in contact met ene Eva Krook die hem een ‘wonderbaarlijke’ behandeling in de VS aanraadde, waar al honderden Nederlanders waren geweest. Ja, er was ook kritiek van experts, hoorde hij. Maar met zoveel positieve verhalen moesten ze daar toch wel iets goed doen?
Hij stuurde een mailtje naar de kliniek en een week later voerde hij via Zoom een gratis intakegesprek met Alina Fong, een neuropsycholoog, die uitlegde wat hun behandeling uniek maakt. Zij is de eigenaar van de kliniek, samen met cognitief wetenschapper Mark Allen. Fong voorzag „een grote stap” in zijn herstel.
De theorie
Prikkels, daar kunnen de patiënten niet goed tegen. Toch is de behandeling er juist op gericht zoveel mogelijk gebieden van de hersenen tegelijk te stimuleren, legt Alina Fong uit in haar kantoortje in een hoek van de kliniek. De theorie van de kliniek is dat de klachten voortkomen uit een beschadigde verbinding tussen bloedvaten en cellen in delen van de hersenen; de zogeheten neurovasculaire koppeling. „Hierdoor krijgen sommige delen te weinig of juist te veel energie, met hoofdpijn, duizeligheid of andere klachten tot gevolg”, zegt Fong. Multitask-oefeningen zouden, samen met cardiotrainingen en periodes van rust, het brein forceren meerdere hersengebieden tegelijk te gebruiken, waardoor de doorbloeding weer wordt hersteld.
Met een hersenscan en een algoritme waarmee het brein van de patiënt vergeleken wordt met gezonde breinen, zegt de kliniek precies te kunnen zien waar het misgaat. Op basis van de resultaten wordt de behandeling afgestemd op iedere patiënt. Aan het eind van de behandeling wordt de scan herhaald om de vooruitgang vast te stellen.
En met succes, toch? Vraag het medewerkers of patiënten in de kliniek en ze beginnen over „the Dutch study”. Eind 2023 publiceerden de universitaire ziekenhuizen van Groningen en Amsterdam een onderzoek naar de behandeling van CFX. Hieruit bleek dat 77 procent van de 64 deelnemende Nederlandse patiënten een half jaar na de behandeling een „betekenisvolle” afname in klachten ervoer.
Ze zijn op zoek naar een verloren versie van zichzelf
Dat percentage prijkt sindsdien met grote blauwe cijfers op de website van de kliniek. Veel patiënten zien in het onderzoek bewijs dat zij niet voor niets duizenden euro’s betaald hebben voor de behandeling en ook volgens de eigenaren van de kliniek laat het percentage zien dat hun behandeling bewezen effectief is.
Maar met de ‘Dutch study’ is de effectiviteit nog niet bewezen, had Marsh Königs, neurowetenschapper in het Amsterdam UMC en hoofd van het onderzoek, tijdens de online presentatie van het onderzoek al gewaarschuwd.
Deze boodschap herhaalt hij aan de telefoon. „De resultaten zijn interessant en verdienen meer onderzoek. Maar effectief is de behandeling pas als die resultaten het placebo-effect overstijgen, en dat is nooit onderzocht.” Het is problematisch dat de kliniek iets anders claimt, zegt Königs. „Het kan niet anders dan dat de directeuren weten dat de huidige staat van het onderzoek naar hun behandeling niet voldoende is om te stellen dat die bewezen effectief is.”
De kliniek stelt dat hun behandeling gebaseerd is op „tientallen jaren” aan onderzoek en verwijst naar studies die de relatie laten zien tussen hersenschuddingen en doorbloedingsproblemen die zichtbaar zijn op hersenscans.
Volgens de Nederlandse studie is de theorie achter de behandeling omstreden. „Ik denk dat er wel honderden studies zijn die relaties aantonen tussen de gevolgen van hersenschade en waardes die te meten zijn in hersenscans”, zegt Königs. „Maar het is nog de vraag welke relaties ook direct oorzakelijk zijn voor de gevolgen van hersenschade, dat tonen die studies nog niet aan. Onlangs werd in een gezaghebbend wetenschappelijk tijdschrift nog geconcludeerd dat we als wetenschap simpelweg nog niet goed begrijpen wat dit soort klachten verklaart. Dat het zeker is dat een verstoring in de neurovasculaire koppeling langdurige klachten na hersenschade veroorzaakt, zoals de kliniek stelt, is niet in lijn met de huidige stand van de wetenschap”, zegt Königs. Het lijkt vooral een manier om de behandeling te presenteren.”
Ook hoogleraar neuropsychologie Caroline van Heugten, van de Universiteit Maastricht, ziet weinig bewijs voor de theorie van de kliniek. „Bij een hersenschudding gebeurt er echt wel wat in het hoofd, maar uit onderzoek blijkt dat er geen verband is tussen hersenschade en hoe lang klachten aanhouden. Vaak is er op hersenscans helemaal geen schade te zien.”
‘Geweldig!’
Positiviteit staat voorop. Dat merk je al als je in het pendelbusje stapt dat patiënten van het hotel naar de kliniek vervoert. „Life changing stuff”, zal chauffeur Mark tegen je zeggen. Bij binnenkomst wordt iedere patiënt vriendelijk begroet door de talloze behandelaars die zich als werkbijen door het gangenstelsel van de kliniek bewegen.
„Hey, hoe gaat het?”
„Best oké.”
„Geweldig!”
Loop langs de receptie en je leest op een bordje dat je brein „amazing” is. Als je doorloopt, over het grijze tapijt, zie je overal patiëntenverhalen Iedereen wordt vriendelijk verzocht hun ervaringen via QR-codes aan de muur te delen op Google Reviews of Facebook – zelfs bij het handenwassen na een toiletbezoek. „Om anderen te helpen.”
Centrale plek in de kliniek is de patiëntenlounge, een grijze kamer met gedimde lichten en tafeltjes waar de patiënten hun voorverpakte lunches kunnen opeten en Fong tussen de bedrijven door neerstrijkt om vragen te beantwoorden. De dokters hebben overal een antwoord op. In de kastjes staan snacks – beef jerky en knijpfruit – en op de tafels liggen legpuzzels die niemand oplost. Op een prikbord polaroidfoto’s en tips van ‘CFX-alumni’.
Illustratie XF&M
Het is woensdagmiddag, en Ninja heeft het moeilijk. Hij ademt zwaar, ook tijdens de oefeningen zonder lichamelijke inspanning. Hij kijkt glazig uit zijn ogen terwijl hij de volgende therapeut probeert te vinden. Slaat soms linksaf als hij rechtsaf moet. En waar is die pen om aantekeningen te maken nou weer gebleven?
Hij slaakt een diepe zucht. Dit is het moment dat hij normaal gesproken rustiger aan moet doen. „Anders is het system shutting down.” Ogen, balans, lopen – alles stopt ermee. Een paar dagen terug gebeurde dat nog, toen hij uit Nederland vertrok. Eerst Schiphol, al die mensen, toen vliegen, turbulentie erbij. Eenmaal geland moest vriend Diederick, die ter ondersteuning is meegereisd, hem naar de dichtstbijzijnde stoel begeleiden. „Kotsen jongen…”
Maar nu moet Ninja door, naar de volgende oefening.
Vastgelopen patiënten
„Leer leven met je klachten”, dat zinnetje, of een variant erop, hebben alle patiënten in de kliniek weleens gehoord. Van een psycholoog, arts of ergotherapeut. Een moeilijk te accepteren boodschap, want aanleiding voor de klachten was voor de patiënten vaak een simpel ongeluk.
De meeste patiënten in de kliniek hebben een hersenschudding gehad. In Nederland worden jaarlijks zo’n 80.000 mensen met een hersenschudding geregistreerd. Zij kunnen last krijgen van hoofdpijn, duizeligheid of visuele problemen. Normaal gesproken trekken deze klachten na enkele dagen of weken weg, maar bij zo’n 10 tot 30 procent van de mensen houden die langer dan drie maanden aan.
Die groep loopt vaak vast in de Nederlandse hersenzorg, ziet neurowetenschapper Marsh Königs. „Ze moeten twee weken rust houden, zegt de huisarts vaak tegen hen. En als dat niet werkt nog twee weken. Als het niet over gaat kan een neuroloog in sommige gevallen een hersenscan maken, maar daarop is vaak niks te zien. En dan houdt de reguliere zorg in veel gevallen op.”
De afgelopen jaren is er meer erkenning gekomen voor het feit dat mensen na een hersenschudding nog lang klachten kunnen houden, ziet Königs. „Als je op de scan niks ziet, dan is er niks, was lang de gedachte van neurologen. Daar zijn veel mensen die wel degelijk heftige klachten ervoeren tegenaan gelopen. Zij moeten op een of andere manier opgevangen worden.”
CFX behandelt vooral de vastlopers met een hersenschudding, maar de afgelopen jaren ook mensen met ernstig hersenletsel als gevolg van bijvoorbeeld een herseninfarct of hersenbloeding.
De patiënten in de kliniek vertellen dat ze doktoren en therapeuten hebben gezien, oproepen op sociale media hebben geplaatst, bij alternatieve zorgverleners als chiropractors en osteopaten zijn geweest, maar niemand kon hen van hun klachten afhelpen. Waarom waren die niet weg na een paar weken rust, zoals artsen voorspelden? Waarom denkt iedereen telkens dat ze weer de oude zijn als ze een keer een koffietje komen doen op werk? En waarom is er geen officiële naam voor hun ‘ziekte’?
In de kliniek krijgen ze erkenning voor hun leed, en niet alleen van alle behandelaars, therapeuten en doktoren die zich over de patiënten ontfermen.
Terwijl de geur van kip-kerrie woensdagavond de hotelkamer vult, bladert Ninja door zijn aantekeningenboekje. Hij is op een kwart van zijn behandeling en voelt zich „fantastisch”. Hij deed balansoefeningen met Andy. Geheugentraining met Michelle en Natalie. Multitasken met Ian en Taylie. „Zoveel indrukken!”, zegt Ninja. „En zonder tussendoor te slapen hè.”
Vanmiddag, na de behandeling, hebben ze nog boodschappen gedaan, vertelt vriend Diederick. De supermarkt waar Ninja dit weekend „totaal overprikkeld” de deur uitliep. „Echt bizar”, zegt Ninja. „Maar ik moet niet té enthousiast worden.”
Angst voor klachten
„Dat mensen zo lang klachten houden na een hersenschudding, lijkt in sommige gevallen het gevolg te zijn van iets wat op een angststoornis lijkt. Angst dat klachten weer ontstaan, terwijl daar vaak geen reden voor is”, zegt hoogleraar Neuropsychologie Caroline van Heugten.
Mensen raken ‘gewend’ aan hun klachten en blijven vastzitten in dit patroon. Van Heugten: „Stel: iemand gaat naast een spoor wonen en heeft last van het geraas van voorbereidende treinen. De meeste mensen horen de trein op een gegeven moment niet meer. Andere raken juist geobsedeerd en krijgen er alleen maar meer last van. Bij een hersenschudding en de klachten die hierbij komen kijken lijkt dit soms ook het geval.”
Dit kan voor „vermijdingsgedrag” zorgen, zegt Van Heugten. „Stel dat je in de eerste dagen na je hersenschudding gevoelig bent voor licht, dan kan je een zonnebril opzetten. Maar als je constant licht vermijdt, word je daar ook gevoeliger voor.”
Maar wat verklaart dan de positieve resultaten van de kliniek? Vraag het Nederlandse experts en de woorden ‘erkenning’ en ‘placebo’ vallen snel. „Het placebo-effect speelt zeker een grote rol”, zegt klinisch neuropsycholoog en hoogleraar Joke Spikman van het Universitair Medisch Centrum Groningen. „Mensen betalen veel geld, ze moeten helemaal naar Amerika, worden daar in een indrukwekkend apparaat gelegd, behandelaren zijn heel de dag met ze bezig en erkennen hun problemen. Dat zijn hele krachtige ingrediënten als je daar gevoelig voor bent.”
Amerikaanse influencers krijgen een gratis scan in ruil voor promotie
De oefeningen kunnen patiënten ook opnieuw vertrouwen in zichzelf geven, zeggen Nederlandse experts. Spikman: „Juist mensen die zijn vastgelopen en ervan overtuigd zijn dat ze niks meer kunnen door hun klachten, kunnen gebaat zijn bij twee weken lang oefeningen. Zij beseffen daardoor dat ze veel meer kunnen dan ze denken.”
Een vorm van exposure therapie, daar lijkt het op, zegt Spikman. „Je stelt iemand bloot aan iets waar ze bang voor zijn, prikkels, waardoor mensen langzaam beseffen dat ze misschien niks hoeven te vrezen.”
Ook neuropsycholoog Van Heugten denkt dat de blootstelling aan prikkels en intense oefeningen positieve effecten kan hebben. Zij doet onderzoek naar intensieve exposure therapie bij mensen die aan een hersenschudding lange tijd klachten overhielden. De eerste resultaten lijken veelbelovend. Vier onderzochte patiënten zeiden dat ze „hun leven terug hadden” na de behandeling. „Hierna zijn nog zestien patiënten succesvol behandeld. Inmiddels zijn er twee revalidatiecentra die proefdraaien met deze vorm van exposure therapie bij mensen met aanhoudende klachten”, zegt Van Heugten.
Niet iedereen staat open voor de „psychologische verklaring”, merkt Van Heugten als ze haar theorie uitlegt aan patiënten. Sommige mensen denken dan dat de boodschap is dat ze zich de klachten inbeelden, of dat die hun eigen schuld zijn. „De boodschap van Utah, het is hersenletsel, is wat dat betreft een stuk prettiger.”
Hotel inbegrepen
Aan de noordzijde van het gebouw houdt Stacy Harker, de marketingdirecteur van de kliniek, kantoor. Ze kijkt uit op Mount Timpanogos, een berg met een witte top die op grijze dagen in de wolken verdwijnt. Hier denkt Harker de marketingstrategie uit. „Het is hard werken”, zegt ze. Op het whiteboard achter haar staat een lange todolijst: filmpjes die opgenomen moeten worden voor YouTube. TikTok, Reddit, podcasts. Dokter Fongs ‘Instagram persona’ verdient ook aandacht.
In dit kantoor doet Harker ook, samen met Alina Fong, gratis Zoom-consultaties. Dan legt Fong snel uit wat hun kliniek „uniek” maakt en beoordeelt ze na een kwartier of ze een patiënt zouden willen ontvangen. Meestal zegt ze: „I would take you.” In hoog tempo en met veel jargon vertelt Harker daarna over het verloop van de behandeling. Tot slot wijst ze Amerikaanse patiënten erop dat het hotel inbegrepen is in de prijs, als ze binnen een week een behandeling kopen.
Een kwart van de geïnteresseerden wordt tijdens de consultaties afgewezen, schat Harker. Mensen die drugs gebruiken of suïcidaal of te depressief zijn, behandelt de kliniek niet. Ze omschrijft haar werk, net als Fong, als een „labor of love”, een missie om zo veel mogelijk patiënten te helpen. En soms, zegt Fong tijdens de lunch, voelt het zelfs alsof ze op een bepaalde manier „een helpende hand” van boven krijgen.
Jeff Gaufin is een verdieping hoger achter drie beeldschermen met facturen en mailtjes in de weer. Voorheen werkte Gaufin in het vastgoed. In de kliniek noemen ze hem de money guy. „We groeien”, zegt Gaufin. Sinds een paar jaar behandelt de kliniek niet acht, maar vijftien patiënten per week. In een goed jaar maken ze tussen de 1 en 2 miljoen dollar winst, op een omzet van 7 tot 10 miljoen.
Die groei kwam niet vanzelf. Een verdieping lager knikt Stacy Harker naar het whiteboard. Er hangt een rijtje post-its met namen van Amerikaanse influencers die in ruil voor een positief praatje een gratis scan krijgen. „De meeste komen naar ons toe, maar wij benaderen ook mensen.” Vooralsnog geen Nederlanders, zegt Harker. „Maar daar staan we zeker voor open.”
‘Alumni’, zoals de kliniek oud-patiënten noemt, maken kosteloos reclame. Een fotoboek van een alumni-bijeenkomst in Utrecht met Alina Fong ligt in de wachtkamer. Er zijn Nederlandse Facebook-groepen voor mensen die in CFX geïnteresseerd zijn.
De Nederlandse belangstelling begon met Eva Krook. Zij werkte in de marketing en kreeg in 2017 een hersenschudding. Als een van de eerste Nederlanders maakte ze in 2018 de tocht naar de kliniek in Utah. „Een wonderbaarlijke behandeling”, schreef ze na afloop op LinkedIn. „De beste beslissing die ik ooit nam (…) Ik heb mezelf weer terug. Nu jij nog.”
Het bericht ging viral en binnen de kortste keren stond Krooks leven „totaal” in het teken van de kliniek, vertelt ze aan de telefoon. Ze kreeg „een missionarisrol”, zegt ze. Haar inbox stroomde vol. Al gauw ontstond er een „kerngroepje” van alumni dat „factsheets” begon te maken, tips gaf voor crowdfundacties en meehielp met het organiseren van informatieavonden met Alina Fong.
Deze „ambassadeurs”, zoals Fong dit groepje noemt, betekenen veel voor haar, zegt ze in haar kantoor. „Ik bedoel: hoe kun je geen vrienden worden met deze mensen?” Met Krook gaat ze regelmatig op vakantie, onder andere naar Fongs pied-à-terre in Parijs. „Onze kinderen kunnen het goed met elkaar vinden.”
De kliniek betaalt de ambassadeurs niet, zegt Fong. Af en toe, als ze in Nederland is voor een informatieavond, geeft ze iemand geld voor benzine, sommige mensen kunnen nog steeds niet werken. „Ik heb geprobeerd om meer te betalen, want ik wil niet dat ze denken dat ik gebruik van hen maak”, zegt Fong. Maar dat accepteren de ambassadeurs niet. „Het verspreiden van hun verhaal zorgt ervoor dat al het lijden waar zij doorheen zijn gegaan iets waard wordt.”
Euforisch
„Man, wat een avond!” Het is het einde van de eerste behandelweek en Ninja en Diederick zitten in hun huurauto, onderweg naar Last Call, een typisch Amerikaanse zuipschuur. De stemming is euforisch. De jeugdvrienden hebben na een week teleurstellende fast food éíndelijk een goed stuk vlees gegeten bij een Amerikaanse diner: bourbon steak.
Ninja voelt zich „kiplekker”. Al de hele avond doet hij met getuite lippen en hakkelige armbewegingen het ‘Trump-dansje’ na dat hij telkens voorbij ziet komen op Facebook. Hij draagt een trui met de vlag van Utah. De radio kan gewoon aan, Billy Idol en Red Hot Chili Peppers komen voorbij. De felle lichten van de auto’s die langsrijden schijnen in Ninja’s ogen en hij hoeft niet eens zijn zonnebril op te zetten.
Ninja zegt tegen Diederick dat hij een sjaaltje wil kopen in het stadion waar ze morgen met 20.000 andere supporters basketbal gaan kijken. „Je gaat wel los met je geld hè”, zegt Diederick. „Man”, zegt Ninja. „Ik heb twee jaar niks gedaan! Mag ik effe.”
Even is het stil en kijken de twee jeugdvrienden voor zich uit, de nacht in. Voor even is alles weer zoals het was.
Illustratie XF&M
Het is mogelijk dat exposure therapie niet bij iedereen werkt, denkt neuropsycholoog Joke Spikman. Bij sommige patiënten kun je alleen goede resultaten boeken áls er een vorm van misleiding plaatsvindt, denkt Spikman. „Het hocus pocus-element is vaak een belangrijk ingrediënt voor mensen om zich beter te voelen.”
Dat zorgt voor een „dubbel gevoel”, zegt Spikman. „Bij sommige patiënten denk ik, ga maar naar CFX, want waarschijnlijk heb je er wel wat aan.” Maar het blijft moeilijk, benadrukt zij. „Voor sommige patiënten, die ernstige hersenschade hebben na bijvoorbeeld een herseninfarct, is deze behandeling misschien veel te zwaar. Als je een beetje te goeder trouw bent, heb je daar moeite mee. Maar de mensen van Cognitive FX hebben dat blijkbaar niet. De kassa rinkelt wel.”
Epileptische aanval
In de trainingsruimte, op dag zes van Ninja’s behandeling, kijken drie medewerkers bezorgd naar een meisje met paarse legging die met haar handen in het gezicht in een stoel zit. „Een epileptische aanval”, zegt een medewerker ernstig tegen haar telefoon. In een rolstoel wordt het meisje, dat verward voor zich uitkijkt, door twee medewerkers afgevoerd naar een relaxroom.
Het gezelschap passeert Ninja, die net aan de eerste behandeldag van week twee is begonnen.
„Hey vriend, hoe gaat het met je?”, vraagt verpleegkundige Annie, die de rolstoel duwt. Ze glimlacht alsof er niets aan de hand is. Het meisje in de rolstoel slaat haar handen weer in het gezicht. „Erg goed!”, zegt Ninja.
Een dag later, op dinsdag, zit Ninja voor de eerste keer alleen aan het ontbijt, Diederick is terug naar Nederland. Ninja heeft wat opgedroogde yoghurt in zijn mondhoek. Toen hij vanochtend opstond, heeft hij een half uur bij de wc gestaan. Hij is misselijk, duizelig. Hij herkent dit gevoel, hij is overtraind. „Als ik naar mijn werk had gemoeten, dan had ik me nu ziek gemeld.”
„Hoort erbij”, zegt een kok van het hotel die al jaren CFX-patiënten in haar ontbijtzaal ontvangt. „Just keep going.” Even later stapt Ninja toch maar in het busje.
„Hé Ninja, hoe gaat het?” Een van de trainers komt hem ophalen voor zijn eerste training van de dag. „Wakker blijven is moeilijk. Als ik nu iets doe, moet ik overgeven.”
De trainer pakt een zakje met een watje met pepermuntextract. Ninja ruikt eraan, een paar keer, kriebelt aan zijn neus. De trainer heeft ook nog een gembersnoepje voor hem, maar Ninja krijgt het nauwelijks mee. Hij ruikt nog eens. En knippert steeds langzamer totdat hij zijn ogen sluit. Toch een klein lachje: „Ik val in slaap.”
Met kleine stapjes wordt Ninja naar de zwarte leren stoel in een van de brainwaves-ruimtes begeleid. „Hier”, zegt de trainer, „een kotszak”. Hij sluit de deur.
Het is even schrikken, zegt Ninja als hij weer wat is bijgekomen. Tot nu toe was het „up-up-up”. Al heel de week is hij moe, maar niet „neuromoe”. Nu voelt hij druk op zijn hoofd, alsof iemand op zijn slaap duwt. Toch gaat hij, op aanraden van de behandelaars, door met zijn therapieën, op een iets lager pitje. Later op de dag voelt hij zich „niet verschrikkelijk” meer, maar „zeker niet fit”.
‘Kan niet veiliger’
Het is benauwd in de ‘conference room’, een krap kamertje met vergadertafel in een hoek van de kliniek. De gezichten van Alina Fong en Mark Allen, de eigenaren van de kliniek, staan in de lachstand. Zojuist hebben ze een filmpje voor de sociale media opgenomen.
Kent de behandeling risico’s? Fong trekt een serieus gezicht. „Onze behandeling kan niet veiliger.” Ze gaat wat rechterop zitten. „Voor zover wij weten hebben wij nooit een situatie gehad waarin wij een patiënt een verhoogd risico op een beroerte of iets dergelijks hebben bezorgd.”
Uit de Nederlandse studie bleek dat 9 procent van de onderzochte patiënten méér klachten ervoer na de behandeling. Ja, zegt Mark Allen, „de Nederlandse onderzoekers vonden het leuk om dat uit te lichten. Maar dat betekent niet dat het kwam door onze behandeling.”
Tot nu toe was het „up-up-up”. Nu is hij al de hele week moe
De kritiek over het mogelijke placebo-effect en de onderbouwing en effectiviteit van de behandeling bestrijden Fong en Allen.
Ze wijzen op hun eigen studies, zoals een onderzoek waarbij vijftien patiënten door de kliniek gescand zijn maar vervolgens om persoonlijke redenen niet de behandeling hebben gevolgd. Pas nadat deze groep een aantal maanden later de behandeling alsnog volgde namen symptomen af en was op scans verbetering te zien. Deze groep is ook vergeleken met een groep van 28 mensen die de behandeling wel volgde. Zowel kort na de behandeling als na bij een jaar was bij hen op de scan verbetering te zien. „Dit is het beste wat je kunt doen om effectiviteit aan te tonen zonder gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep.”
Marsh Königs zegt hierover: „Ik heb al hun stukken gelezen maar die bieden geen bewijs voor effectiviteit. De studie waar ze naar verwijzen, werkt onder andere met veel te kleine groepen en er is niet gecontroleerd voor placebo-effecten. Absoluut onvoldoende om de effectiviteit van de behandeling aan te tonen.”
De laatste dag
Het is de vrijdag, de laatste dag van Ninja’s twee weken. Hij wandelt relaxed door de kliniek. Nadat hij dinsdag was ingestort, kwam hij er na een nacht goed slapen weer bovenop. Hij heeft net de resultaten van de tweede scan met verpleegkundige Annie doorgenomen. Annie praatte snel, en hij heeft niet alles wat ze zei begrepen. Maar wat maakt het ook uit, had-ie vanochtend tijdens het ontbijt al gezegd. „Ik voel me al 90 procent beter.”
De verpleegkundige heeft Ninja erop geattendeerd dat hij in ruil voor een Google Review een gratis shirt kan ophalen bij de receptie.
Daar lopen Stacy Harker en een jonge vrouw met grijze capuchontrui langs. Zij heeft „een goed verhaal”, tipt Harker.
De jonge vrouw heet Kira en komt uit Almere, vertelt ze. In maart 2021 is ze van een paard gevallen. Twee weken geleden heeft ze voor de tweede keer de behandeling afgerond, de variant die 24.700 dollar kost. De eerste behandeling leek succesvol, maar terug in Nederland ging het na een paar dagen weer helemaal mis. Ze ontwikkelde zelfs klachten waar ze eerst geen last van had, ze was zo duizelig dat ze niet meer kon rennen.
In de hoop een tweede terugval te voorkomen blijft ze na de behandeling minimaal twee maanden in Utah, zodat ze nog elke week langs kan komen voor een „check-in”. Ze overnacht in de buurt, op de boerderij van een patiënt met wie ze tijdens haar eerste trip bevriend raakte. „Af en toe help ik met het borstelen van de paarden.” Ook deze keer heeft de behandeling nog niet geholpen, zegt ze.
Kira gebruikt veel Engelse woorden die ze met Amerikaans accent uitspreekt. Ze groet elke therapeut die langsloopt en noemt hun naam. „Ik zou hier wel kunnen werken”, grapt ze. Kira voelt zich hier serieus genomen. Het is in elk geval niet haar „eigen schuld”, zoals ze in de woorden van een Nederlandse psycholoog dacht te horen. Eigen schuld? „Oké, dat woord heeft hij niet gebruikt. Volgens hem was mijn angst dat het erger zou worden de reden dat ik niet herstelde.”
Nu herstelt ze toch ook niet? „Het enige wat ik kan doen is hier volledig in geloven. Daar doe ik heel hard mijn best voor. Weet je wat een leap of faith is?”
Illustratie XF&M
Terug in Eindhoven
Het is dinsdag 25 maart, bijna twee maanden na de behandeling, en in de woonkamer van Ninja in Eindhoven hangt een Amerikaanse vlag. Op zijn bureau, tegenover de Schwarzenegger-poster, liggen een cowboyhoed en de bidon van de kliniek, hij draagt een paar keer per week zijn CFX-shirt. „Hij is wel een beetje gehersenspoeld hoor”, grapt Cokkie, Ninja’s vriendin. „Maar goed, we hebben er ook veel voor teruggekregen.”
Ninja voelt zich een stuk beter dan voor de behandeling. Hij is nog niet aan het werk, naar schermen kijken is vermoeiend. Maar hij is allang blij dat hij niet meer overdag hoeft te slapen. „Op aanraden van CFX ga ik naar een neuro-optometrist, iemand die naar mijn visuele functies kijkt.” Zijn visie zou uit balans zijn, maar dat is behandelbaar.
„Ik weet dat het werkt”, zegt Ninja over de behandeling van CFX. „Ik voel het.”
De taakomroep NTR, die programma’s maakt als Nieuwsuur, Klokhuis, Andere Tijden, Top 2000 à Gogo, en het Sinterklaasjournaal, gaat verdwijnen. Dat is het meest saillante detail uit de brief die minister Bruins (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, NSC) vrijdag naar de Tweede Kamer stuurde over de hervorming van het publieke omroepbestel. Het „mooie en waardevolle” programma-aanbod van de NTR zal ondergebracht worden bij de vier of vijf omroephuizen die centraal staan in het hervormingsplan van Bruins.
De minister wil het huidige bestel op fundamentele punten aanpassen. De dertien (aspirant)omroepen moeten worden samengevoegd tot vier à vijf omroephuizen, die samen met de NOS en de NPO het bestel zullen vormen. Nieuwe omroepen zullen niet langer kunnen toetreden tot het bestel, waarmee feitelijk een einde komt aan de externe pluriformiteit die de Nederlandse publieke omroep uniek maakte. In plaats daarvan wil Bruins in de gewijzigde Mediawet vastleggen dat de omroephuizen „de perspectieven, geluiden en behoeften van de samenleving in het aanbod een plek moeten geven”.
Bruins’ brief bevat wel voorwaarden voor de clustering van omroepen in omroephuizen, maar de minister vindt dat het uiteindelijk aan de omroepen zelf is om te bepalen met wie ze samengaan. De clustering gaat een stuk verder dan de vorige fusieronde in 2014. Hoewel omroepverenigingen met leden in principe kunnen blijven bestaan, nemen de omroephuizen in de praktijk hun rol binnen het bestel over. Elk omroephuis krijgt één bestuur en één raad van toezicht. En het budget zal voortaan worden verdeeld over de omroephuizen, waardoor meer medewerkers een vast contract kunnen krijgen.
‘Rust en stabiliteit’
De hervorming moet volgens Bruins leiden tot meer rust en stabiliteit in de publieke omroep, die onbestuurbaar dreigde te worden door de toetreding van nieuwe omroepen en de onduidelijke rolverdeling tussen de omroepen en de NPO. De hervorming moet leiden tot een compacter bestel, waarbij de NPO meer gelijkwaardig is aan de andere omroephuizen en niet langer over elk individueel programmavoorstel hoeft te beslissen. Dit moet ook leiden tot langjarige financiering van programma’s en meer zekerheid.
De hervormingen zijn volgens Bruins nodig om de publieke omroep toekomstbestendig te maken. Want een sterke en onafhankelijke publieke omroep is van groot belang voor de democratische rechtsstaat. „We zien dat er nu veel bestuurlijke drukte en onderlinge concurrentie is”, zegt Bruins. „Elke vijf jaar weer de strijd om leden en zichtbaarheid. Wat we nodig hebben is een publieke omroep die beter samenwerkt, en waar men met elkaar ervoor zorgt dat meer geluiden uit de samenleving doorklinken in het aanbod.”
Achterhoedegevecht
Mohammed Mohandis, mediawoordvoerder van GroenLinks-PvdA, spreekt in een reactie op Bruins’ plannen van een „kille bezuinigingsoperatie”. „Het sneuvelen van alleen al de programmering van taakomroep NTR is ongekend en onaanvaardbaar”, vindt hij. „Wat dit kabinet vooral lijkt te willen doen, is een achterhoedegevecht tussen de omroepen en de NPO beslechten, zonder een oplossing te bieden voor de grote uitdaging waar de publieke omroep voor staat: relevant blijven in een sterk veranderend medialandschap.”
Volgens Bruins raakt de hervormingsoperatie wel aan de bezuinigingen, maar zijn het in principe twee aparte trajecten. De bezuinigingen van 156 miljoen euro gaan vanaf 2027 in, terwijl het nieuwe publieke omroepbestel pas op 1 januari 2029 gereed moet zijn. De Tweede Kamer debatteert op 14 april over de voorgestelde maatregelen van Bruins. De minister erkent dat de hervorming niet het volledige bezuinigingsbedrag kan dekken. Hoewel hij verwacht dat de omroepen de programma’s zoveel mogelijk zullen proberen te ontzien, is snijden in de programmering volgens hem uiteindelijk onvermijdelijk.
Het huis van Laura Bromet ligt in een Noord-Hollandse polder, aan een smalle weg waar bijna niemand komt. Vanuit haar woonkamer kijkt ze uit op grasland en een sloot. Er zwemmen twee kuifeenden. Het dorp Ilpendam, waar ze opgroeide en waar haar ouders nog wonen, kan ze in de verte zien liggen. Laatst liep ze hier op een stil, donker weggetje, vertelde ze vorige week in een Kamerdebat, en ze bedacht: wat als hier nu wolven waren? „Dat maakte me best wel angstig.”
Wolven zijn er niet in het poldergebied waar ze woont. Er zijn wel mensen, met tractors. En „die grote machines” maken haar soms ook bang, zegt ze aan haar keukentafel. Het begon een jaar of vier jaar geleden. ’s Nachts reed er een voertuig langs haar huis, de bestuurder begon hard te toeteren. Daarna gebeurde het weer, en nog een keer. Bijna elke week werd ze er wakker van. En het gebeurt nog steeds. „Misschien zit er wel een haas op de weg, dat kan ook.”
Elke week?
„Elke week. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat het om te pesten is.”
Wie zou zoiets doen?
„Verderop woont een buurman, een boer. Die heeft mij vaak uitgenodigd om mij te overtuigen van alles wat hij vond van de landbouw. Ik ben nog met de Vogelbescherming en de Agrarische Natuurvereniging bij hem geweest. Ik zei tegen hem: we denken er gewoon niet hetzelfde over. Sindsdien word ik vaak wakker van getoeter. Dan rijdt er weer zo’n autootje of tractor langs.”
Hoe weet u dat hij het is?
„Dat was wel geinig. Tijdens de Kerstdagen zat ik eens op de bank naar buiten te kijken. Toen zag ik een tractor met allemaal lichtjes langsrijden, toeterend. Het was dezelfde tractor die altijd toeterend langsrijdt. Even later zag ik in de buurtapp reacties als: oh, wat mooi, die tractor met allemaal lichtjes! Toen gingen ze allemaal heel trots zeggen wie het was. Het was dus diezelfde boer. Ik heb hem geappt: wil je ophouden met het getoeter als je langs mijn huis rijdt? Mijn kinderen hebben er last van. Ik zag dat hij het meteen gelezen had, maar hij reageerde pas na uren. Hij zei: ja, je hebt eigenlijk wel gelijk ook. Toen is het een tijdje gestopt.”
Maar het is toch weer begonnen?
„Ja, misschien doen anderen het ook wel. Er zit hier een loonbedrijf verderop waar allemaal van die jongens uit het dorp werken. Die praten allemaal met elkaar. Dus als eentje zegt: ik toeter altijd ’s nachts als ik langsrijd, dan denken anderen misschien: oh leuk, dat ga ik ook eens doen.”
Wordt u er wakker van, heeft uw gezin er last van?
„Ja, maar ze zijn hier heel koelbloedig, niemand in huis maakt zich er druk over.”
U zelf ook niet?
„In mijn auto liggen wel een petje en een zonnebril. In de tijd dat er wegblokkades waren met trekkers en brandende hooibalen was het handig om niet herkend te worden. En ze zijn een keer op ons erf geweest. Tweeënhalf jaar geleden was dat, net voor de zomervakantie. Ik stond in de tuin en zag twee enorme trekkers aankomen, met karren. Ze reden achteruit ons erf op en stortten het helemaal vol met kuilgras, mest en plastic. Mijn dochter stond te schreeuwen: ‘Mama, mama.’ Ik dacht: wat moet ik doen? De politie bellen? Maar ik dacht ook: filmen, om bewijsmateriaal te hebben. Maar ik was zo zenuwachtig, ik drukte op het verkeerde knopje en heb niks gefilmd.”
Heeft zoiets invloed op u als politicus?
„Als iemand mij van tevoren had gezegd: op een avond komen boeren jouw erf volstorten met zooi, had ik het echt nooit gedaan.”
Laura Bromet (55) gaat in de Tweede Kamer namens GroenLinks-PvdA over landbouw, natuur en stikstof. Ze is de dochter van filmmaker Frans Bromet, bekend geworden door zijn tv-series als Buren, over burenruzies, en Het Israël van Heertje en Bromet, samen met cabaretier Raoul Heertje. Hij filmde ook Laura Bromet, voor de documentaire Alles van waarde, toen ze in 2009 ging solliciteren bij GroenLinks, als beleidsmedewerker. In haar huis in Ilpendam doet ze zijn nasale, zeurende en wat trage stemgeluid na, dat op tv bij veel mensen een ontwapenend effect lijkt te hebben. „Jij gaat solliciteren hè? Wat zit er in dat kóffertje?”
Ze lacht hard. „Allebei mijn ouders waren mee. En ik dacht de hele tijd: er zitten vast ook mensen van GroenLinks in deze trein. Verschrikkelijk.”
Laura Bromet kreeg de baan. „Er waren”, zegt ze, „wel Kamerleden die het bijzonder vonden dat ik in die tijd gefilmd werd.”
Die vonden dat zíj gefilmd moesten worden, niet hun medewerker?
„Ik denk dat ze het maar niks vonden, nee. Ik dacht over mezelf toen ook: ik ben niemand, ik ben een medewerker, ik wílde helemaal niet in de belangstelling staan.”
Waarom niet?
„Ik denk door het minderwaardigheidscomplex dat ik had. Ik keek de hele tijd door de ogen van die Kamerleden naar mezelf, en ik dacht dat ik in die film door de mand zou vallen als dom.”
Er kwam een première van Alles van waarde, in de grote zaal van Tuschinski in Amsterdam. „Dat vond ik echt zo tof, dat het daar was. Ik had al mijn collega’s uitgenodigd, de medewerkers, en ook de hele Tweede Kamerfractie. Maar er is niet één Kamerlid gekomen.”
Omdat ze jaloers waren?
„Ik weet het niet, ik vond het alleen maar heel erg jammer. Mijn collega’s, de andere medewerkers, waren er wel.”
Laura Bromet noemt zichzelf een laatbloeier. Ze werd pas Tweede Kamerlid toen ze 48 was. Ze had twaalf jaar in het productiebedrijf van haar vader gewerkt, en was „de secretaresse van de secretaresses” geweest bij een bank. „Ik weet nog dat ik in die tijd bij de huisarts kwam, van mijn leeftijd, en dat ik dacht: dat is iemand. En ik ben echt helemaal niks. Ik heb een leuke man, vier kinderen, een mooi huis. Ik heb alleen geen carrière en dat is dan jammer, je kan niet alles hebben in het leven. Maar nu ben ik ook iets.”
Wat bent u nu?
„Politicus, Kamerlid, volksvertegenwoordiger.”
Gaat het om die status?
„De status, ja.” Ze denkt na. „Niet dat iemand tegen me opkijkt, ofzo. Het is wel zo: als moeder van vier kinderen heb je alleen die vier kinderen en die vinden het vanzelfsprekend dat je hun moeder bent.”
Word je pas belangrijk als je in de ogen van ánderen belangrijk bent?
„Misschien is het mijn minderwaardigheidscomplex, want ik vind mezelf géén goeie moeder. Terwijl ik dat toch wel ben, denk ik. Maar het gevoel dat het nooit goed genoeg is, dat zit in mijn karakter, en ik zie dat terug bij mijn kinderen. Het is dus niet zozeer status, ik wil gezíén worden.”
En mensen kijken tegen Kamerleden op.
„Ik geef een stem aan mensen, in de politiek kun je heel veel voor mensen doen, nuttig zijn. En dat, gecombineerd met dat ik er goed in ben en erkend word, is heel fijn.”
Toen uzelf medewerker was, leken de GroenLinks-Kamerleden zichzelf belangrijker te voelen dan de medewerkers. Is die statusgevoeligheid er nog steeds in uw fractie?
„Als je aan een Kamerlid vraagt of er hiërarchie is, zal die zeggen van niet. Dat heb ik geleerd in de banen die ik hiervoor heb gehad: dat denk je alléén, dat het er niet is, als je zelf aan de top zit. Ik realiseer me ook altijd: het gaat niet om mij, het gaat om de functie die ik bekleed. Ik heb me voorgenomen om in de recessen te vergeten dat ik Kamerlid ben. Soms neem ik de hele zomer vrij en dan kijk ik stiekem ook: hoe ziet je leven eruit als je geen Kamerlid bent? Als je een nobody bent?”
Ben je een nobody als je geen Kamerlid bent?
„Dat klinkt wat denigrerend, zo bedoel ik het absoluut niet. Ik bedoel alleen dat je dan weer alles zelf moet doen. Als Kamerlid heb je altijd knipmessende mensen om je heen. De deuren van het restaurant voor Kamerleden zwaaien vanzelf voor je open. Ik mag eerste klas reizen. Dat is voor het eerst in mijn leven, en ik vind het heerlijk. Ik verdien meer dan ik ooit gedaan heb. Ik heb veel geldzorgen gehad in mijn leven, maar nu niet.”
Laura Bromet is lid van de Tweede Kamer, namens GroenLinks-PvdA. Foto Lars van den Brink
Begin dit jaar stond in De Telegraaf een interview met Laura Bromet en boerin Alien Zijtveld van de actiegroep Agractie. Ze pleitten samen voor een ander rekenmodel voor de stikstofuitstoot. Bromet zal niet, zoals D66’er Tjeerd de Groot in 2019, zeggen dat de veestapel gehalveerd moet worden. Van haar hoor je dat „de veestapel te groot is” om de kwaliteit van het water te verbeteren of om de stikstofdoelen te halen, en dat „halvering” een „uitkomst” kan zijn.
In de Tweede Kamercommissie die over landbouw gaat, trekt Bromet veel op met Thom van Campen van de VVD, die ze „mijn maatje” noemt. En ook met CDA’er Eline Vedder en Pieter Grinwis van de ChristenUnie. Volgens haar dringt bij steeds meer partijen het besef door dat in de landbouw „de milieugrenzen” bereikt zijn, door de rechtszaken die er zijn geweest. „En dat er dus echt van alles moet veranderen. Er zijn veel boeren van wie ik nu hoor: jij hebt gelijk.”
Bromet raakt in debatten wel verwikkeld in felle discussies, soms ruzies, met BBB-leider Caroline van der Plas. En misschien komt het vooral door de toon waarop ze vragen stelt, licht zeurend zoals haar vader dat doet, waardoor ze staatssecretaris Jean Rummenie en minister van Landbouw Femke Wiersma (beiden van BBB) zichtbaar irriteert. Rummenie reageert al vanaf het begin afstandelijk en soms uit de hoogte op Bromets inbreng in debatten. Wiersma bleef haar best doen om beleefd en vriendelijk te antwoorden. Tot Bromet twee weken geleden in een debat zei dat ze deze keer „geen vragen had” voor de minister. „Die geeft toch nooit antwoord.” Ze negeerde Wiersma en kwam met vragen aan de Kamerleden van de coalitie: hoelang gingen die deze minister nog steunen?
Het raakte Wiersma zichtbaar. Ze zei dat er „een karikatuur” van haar werd gemaakt, en klonk geëmotioneerd toen ze dat zei. Ze voelde zich persoonlijk geraakt, zei ze, en moest „incasseren”, terwijl zij zelf „respectvol” bleef.
Ziet u wat u bij hen losmaakt door die manier van vragen stellen?
„Ik krijg wel mails tijdens debatten, dat ik onbeschoft ben, maar dat ben ik volgens mij niet. Ik vind het wel grappig, maar misschien is het gemeen?”
Ik krijg wel mails, dat ik onbeschoft ben, maar dat ben ik volgens mij niet
Het lijkt op de manier van vragen stellen van uw vader?
„Oh echt? In de tijd dat ik voor mijn vader werkte, belden wij de mensen die hij had geïnterviewd altijd nog even op, en die waren altijd heel tevreden. Ze voelden zich in hun waarde gelaten. En Femke Wiersma… Ik denk totaal niet dat die zich in haar waarde gelaten voelt. In debatten denk ik heel vaak: andersom zou ik ontploft zijn, maar dan blijft zij gewoon vriendelijk. Behalve in dat laatste debat, dat trok ze niet meer.”
Hoe kijkt u daarop terug?
„Ja kijk… in het kennismakingsgesprek met haar en Rummenie heb ik meteen gezegd: ik denk niet dat wij veel voor elkaar kunnen betekenen. Inhoudelijk liggen GroenLinks-PvdA en BBB op dit onderwerp zó ver uit elkaar, en dan dat kabinet met de PVV. Dus ik doe daar ook verder mijn best niet voor. Al vind ik wel dat je als politicus verbinding moet zoeken, je moet compromissen sluiten om problemen op te lossen.”
Maar dus niet met BBB?
„Ik denk dat dat echt heel moeilijk is bij de landbouw. Hoe kan ik samenwerken met iemand die alléén vanuit het boerenbelang denkt? Dan valt er gewoon niet te onderhandelen. In mijn kennismaking met Rummenie heb ik gezegd dat de samenwerking van BBB met racisten in dit kabinet voor ons een grens over was. Hij zei: ík ben geen racist. Ik zei: maar jij maakt het wel mogelijk dat ze meeregeren. Hij vond dat heel erg, maar ik vond dat het gezegd moest worden.”
Vindt u de PVV’ers in de Tweede Kamer racisten?
„Nou nee, dat weet ik niet. Daar denk ik niet elke dag over na. Er zijn PVV’ers met wie ik leuke gesprekken heb. Met Dion Graus heb ik het nooit over moslims. Daar begint hij zelf ook nooit over. Met [minister van Infrastructuur] Barry Madlener gaat het over de waterschapswet, en dan vertelt hij mij ook over de ijsvogel in zijn tuin.”
In de documentaire Alles van Waarde noemt haar vader Frans Bromet zichzelf „een boze burger”. Hij is woedend op Haagse politici, op „al die managers” en „graaiers”. Hij voelt zich machteloos. Laura Bromet noemt zichzelf in de film „een optimist”. Ze denkt dan, in 2012, dat ze de wereld wél kan verbeteren.
Toen u in debat met minister Wiersma „geen vragen” voor haar had, moest u toen aan de boosheid van uw vader denken?
„Mijn vader is zwartgallig, hoor. Na het debat las ik een stukje uit het Friesch Dagblad voor over het debat. Hij had niet gekeken, mijn moeder wel. En hij zei: maar Laura, hoe dan? Dat kán toch niet, dat deze mensen dit land moeten besturen? Terwijl ik nog denk: we moeten hier doorheen. Misschien zit er ook nog wel een aardige PVV’er tussen.”
In het debat leek het of u nu wel de boosheid van uw vader heeft.
„Dat zou wel logisch zijn. Hij is de helft van mij. Ik heb er nooit zo over nagedacht. Maar jullie kennen mijn moeder niet, zij is een positieve. Die kant heb ik ook. Maar ik herken veel van hem in mij. De angst die mijn vader altijd heeft, dat komt door de oorlog, die heb ik ook.”
Uw vader heeft een Joodse achtergrond.
„Ja, mijn opa was Joods, maar hij was getrouwd met een niet-Joodse vrouw. En de mensen met een gemengd huwelijk werden in de eerste jaren van de oorlog nog gespaard. Ik heb van mijn oma gehoord dat ze expres snel aan kinderen zijn begonnen. Mijn vader is in 1944 geboren, omdat ze hoopten dat ze zo nog langer gespaard werden. Maar de enige broer van mijn opa is vergast. De vader van mijn opa is vergast. En alle oudooms en oudtantes zijn ook allemaal vermoord. Wij krijgen de laatste jaren steeds uitnodigingen voor onthullingen van struikelstenen voor vermoorde familieleden. Wij hebben er nooit veel over gepraat. Mijn vader is geen prater. Wat ik erover weet, weet ik uit interviews met hem. En ik zeg dit niet tegen hem, dus hij leest het ook in de krant. Wij hebben het alleen over praktische zaken. Maar de angst die hij heeft, dit zit ook in mij.”
Hoe uit zich dat?
„Ik was in mijn jeugd al bang voor kernwapens. Ik kan me nog wel herinneren dat ik niet kon slapen omdat ik bang was dat er een kernbom zou vallen. En dat ik naar beneden ging en dat ik tegen mijn moeder zei: ik ben zo bang voor de bom. Altijd die angst dat er rampen gebeuren.”
Had u zelf de link met de oorlog gelegd?
„Nee. Dat gebeurde pas bij de onthulling van een struikelsteen. Mijn jongere broer hield toen een toespraak over transgenerationele trauma’s, hoe oorlogstrauma’s generaties heel lang kunnen doorwerken in een familie. Ik had er nog nooit van gehoord. En ik wil zelf ook echt niet het woord trauma gebruiken, ik ben een gelukkig en gezegend en bevoorrecht mens. Maar ik dacht wel: ja, dat is het.”
Dat betekent dat u het ook weer kan doorgeven aan uw vier kinderen?
„Toen Rusland Oekraïne was binnengevallen, kwam mijn dochter van 19 bij me, ze zei: mama, ik ben zo bang voor de oorlog. En toen dacht ik: jeetje, wat moet je dan zeggen? Dus ik zei: je moet genieten van elke dag die je in vrede en veiligheid leeft, het kan zo voorbij zijn. Maar het was een echo van het kleine meisje dat ik was. Net zo angstig voor oorlog.”