
Mijn definitie van geluk? Een hele middag klooien in de keuken terwijl mijn dierbaren dicht in de buurt hun eigen ding aan het doen zijn. Dit keer kon het echt niet op. Om te beginnen was het een van de eerste dagen dat de balkondeuren open konden staan, zo zacht was het weer. Ten tweede had ik even geen dringende deadlines en dus alle tijd en rust om te koken. Ten derde had mijn jongste, die sinds twee jaar op kamers woont, het plan opgevat om samen met een studievriend een middag te komen knutselen aan mijn keukentafel, waarna die gasten vanzelfsprekend ook meteen zouden blijven eten.
Knutselen ja. Dat doet hij anders nooit. Maar bij het leegruimen van de zolder van oma en opa was een grote vergeelde doos tevoorschijn gekomen met daarop een afbeelding van de HMS Beagle, het schip waarmee Charles Darwin van 1831 tot 1836 de wereld rondzeilde. Een good old bouwpakket. Toen Pep de doos openmaakte en al die kleine, perfect uitgezaagde stukjes vederlicht hout zag, vergat hij blijkbaar even dat hij als kleuter al een bloedhekel had aan gepiel met lijm en verf en kwastjes en stiften. In elk geval zat hij nu mét lijm en mét kwastjes, en met vriend Dani, op twee stappen van mijn kookeiland vandaan, te fröbelen.
Omdat hij deed alsof dat de normaalste zaak van de wereld was, deed ik dat natuurlijk ook. Hij hoefde heus niet precies te weten hoe zielsgelukkig hij mij hiermee maakte – niets zo vervelend als een moeder die al te nadrukkelijk van je houdt. Ik deed gewoon mijn ding, hij en Dani deden hun ding, balkondeuren open, niks aan het handje. Alleen wie heel goed oplette had kunnen zien hoe ik tijdens het snijden van de uien, de gember en de knoflook mijn oren gespitst hield op het gesprek aan de keukentafel. Het is een van de redenen waarom ik het zo heerlijk vind om de vrienden van mijn kinderen over de vloer te hebben: via hen hoor ik verhalen over mijn kuikens die ze mij zelf nooit vertellen. Een andere is: hoe meer hongerige studentenmonden te voeden, hoe fijner.
Iemand zin in een tosti? Ja, lekker. Ik heb nog een stuk appeltaart staan. Zal ik dat anders even opwarmen? Nou, graag. Slagroom erbij? Biertje? Oké, er bleek alleen nog alcoholvrij bier in huis, maar dat was eigenlijk ook maar beter voor de Beagle, waarvan het skelet langzaam maar zeker vorm begon te krijgen. Intussen stond op het fornuis een pan met peulvruchtencurry te pruttelen en bleek mijn voorraad garam masala, waarmee ik de curry had willen afmaken, op te zijn. Dus roosterde ik een handvol specerijen als kardemom, kaneel, komijn, kruidnagel en peperkorrels in een pan en maalde ze daarna tot poeder. En toen maakte Dani een opmerking die mijn toch al niet geringe geluksgevoel van deze middag naar ongekende hoogte tilde. Hij zei: „Het ruikt hier naar de keuken van mijn Pakistaanse oma.”
Epiloog: het skelet van de Beagle staat nu in een hoek van de kamer in de weg te staan, wachtend op een nieuwe knutselmiddag. Ik wacht geduldig mee.
