Met oortjes in dansen we naar de ontletterde toekomst

„De komende veertig minuten gaat het om jou en jouw binnenwereld. Iedereen met een lichaam kan deze route afleggen. Ik wil je vragen met niemand in de buitenwereld contact te maken.”

Het is een zachte vrouwenstem die mij dit via een koptelefoon vertelt, in het Stedelijk Museum in Breda. De fototentoonstelling heet Soulmates, en ik sta bij de ingang, bij de iconische vrouw in gele jurk van Erwin Olaf. Lang kan ik haar niet bekijken. De stem dirigeert me naar een ander werk. Deze meditatieve audiotour is een ‘dwaalroute’, maar ik word wel volledig aan het handje genomen.

Maar geldt voor een essay niet hetzelfde?

Misschien had ik ook zo moeten beginnen: de komende pagina’s gaan over jou en jouw binnenwereld. Het lijkt zo vanzelfsprekend, dat je letters leest die iets oproepen, maar wist je dat jouw hersenen hier eigenlijk niet voor toegerust zijn? Het alfabet is pakweg drieduizend jaar oud, ons brein driehónderdduizend. „De evolutie heeft geen tijd gehad om speciale leescircuits te ontwikkelen”, concludeerde neurowetenschapper Stanislas Dehaene in zijn populairwetenschappelijke boek Reading in the Brain (2010).

Geletterdheid is een vondst van eergisteren. Eeuwenlang dreven culturen door de geschiedenis op de stromen van mondelinge overlevering. Barden, troubadours en roddelkonten. Bij de uitvinding van het schrift klaagde Socrates al dat die nieuwerwetse technologie ons vermogen tot onthouden aantastte.

In de Oudheid las je alleen als je tot een kleine elite behoorde. En dan deed je het hardop. Je murmelde de woorden mee. Doe het ook maar even. Iedereen met een tong kan deze route afleggen. Voelt het vertrouwd? Dit is hoe we het deden tot in de Middeleeuwen en in de kloosters. Stil lezen – ja, nu mag je ophouden met murmelen – heeft onze soort zich pas een paar eeuwen geleden massaal aangeleerd. Taal absorberen via onze ogen is even omslachtig als vla eten met een vork.

Is het dan verwonderlijk dat iedereen met oortjes rondloopt? Podcasts, luisterboeken, de voorleesfunctie van De Correspondent, The New Yorker of NRC: overal krijgen we weer lepels aangereikt. Luisteren naar verhalen gaat onze hersenen zo gemakkelijk af dat we er intussen bij kunnen koken, autorijden of hardlopen.

Taal absorberen via onze ogen is even omslachtig als vla eten met een vork

In een redactioneel commentaar stelde de Financial Times eind 2024 de vraag of we misschien aan het veranderen zijn in een ‘post-literate society’. Zo’n post-geletterde samenleving lijkt in aantocht, als je de onderzoeken naar leesvaardigheid mag geloven, zo stelt de auteur, Sarah O’Connor. Dertig procent van de Amerikanen heeft het leesvaardigheidsniveau van een tienjarige.

Ook in Nederland gaat het bergafwaarts. In 2022 haalde een derde van onze 15-jarige leerlingen het gevraagde leesniveau niet, in 2018 was dit nog een kwart, aldus het vergelijkend internationaal PISA-onderzoek naar schoolprestaties.

Veroveringstocht

De boosdoener is volgens O’Connor – het zal niemand verrassen – de digitale technologie. Met korte video’s en scrollen op schermen dansen we nietsvermoedend een ontletterde toekomst in. En die zou weleens een terugkeer van de orale cultuur kunnen inhouden, suggereert zij.

We hebben spraakassistenten, sturen elkaar voiceberichten. En wie leert er nog een taal uit een boekje als je met Duolingo kunt kwebbelen? Universiteiten schrappen talenstudies. Gelooft iemand dat over vijftien jaar Duits en Frans nog bestaan als middelbareschoolvakken? Influencers, juice-channels: wat ooit rondzong via wandelgangen en tamtam gaat nu ‘viraal’. Allemaal vormen van oraliteit, met alle gevaren van dien.

Het museum, bij uitstek de plek voor cultuur- en kennisoverdracht, is een geschikte casus om die te verkennen. In de veroveringstocht van de luister- op de leescultuur is het museum een van de eerste gevallen bolwerken. Waar de bezoeker voorheen naar het tekstbordje toe boog en zijn leesbril opzette, stapt hij nu door de zalen met een apparaatje om zijn nek dat alles hapklaar oplepelt.

Kunsthistorica Joke de Wolf hield er onlangs in Trouw een prikkelend pleidooi tegen. Weg met al die stemmen die zich tussen haar en de kunstwerken wurmen en die je eigen emotionele reacties en associaties wegdrukken. „Het eigen verhaal dat de toeschouwer had kunnen bedenken bij het kunstwerk, gaat verloren.”

Maar niet hier in het Stedelijk Museum in Breda. Althans, hier volg ik een audiotour die juist ruimte wil geven aan die eigen emoties en verhalen, waarbij je de verklarende tekstbordjes negeert. De ‘zintuigelijke dwaalroute’, uitgezet door choreograaf en filosoof Annemijn Rijk, wil ons intenser en onbevangen laten kijken. Deels werkt het. Al was het maar omdat deze gids je dwingt om de foto’s aandachtiger in je op te nemen dan de gemiddelde kijktijd die een museumwerk krijgt: nog geen halve minuut.

Toch merk ik veel van de audio-ergernissen van Joke de Wolf hier in uitvergrote vorm. Je kunt geen teksten ‘diagonaal scannen’ op je eigen interesse, constateert ze, je moet het hele praatje uitzitten. De tour in Breda lijkt soms haast een parodie, die ons inwrijft hoezeer we in audiotours zijn overgeleverd aan de sturende stem. Deze geeft weliswaar geen inhoudelijke toelichtingen, maar laat ons wel allerlei mindfulness-opdrachten uitvoeren. Minutenlang naar het zwart turen in een foto van Koos Breukel en daarbij je armen in slow motion optillen. (Hoeveel mensen doen zoiets? Bestaan daar statistieken van? Waarschijnlijk zijn het er evenveel als krantenlezers die zojuist hebben meegemurmeld).

Anton Corbijns foto van een halfnaakte Kylie Minogue mag ik maar heel kort zien. „Draai je om, keer de foto je rug toe.” Om vervolgens langdurig en diep in de ogen van een gesluierde vrouw te moeten staren. Opnieuw is dit haast een ironisch commentaar op de traditionele audiogidsen. Hang een apparaatje om je nek en het museum verandert in een escaperoom. Gespitst op nummertjes en icoontjes snel je de zalen door. De meesterwerken die geen onderdeel zijn van het spel, keur je geen blik waardig.

Het is een van de gevaren die op de loer liggen in de ontletterde wereld in bredere zin: dat van passieve volgzaamheid.

Eigen uitspraken nuanceren

Ik wil niet beweren dat mondelinge overdracht per definitie funest is. Er zijn levende culturen in Afrika of Zuid-Amerika met een rijke orale traditie die hele gemeenschappen ondersteunt. In Friesland leefde lang de traditie van het jûnpraten, bij elkaar thuis verhalen vertellen op winteravonden. Die heeft inmiddels een nieuw leven in de vorm van een jaarlijkse Verhalenavond, waar ik zelf ook aan meewerk.

Mondelinge overdracht kun je zien als een ander besturingssysteem dan het schrift. Het systeem heeft alleen nogal wat kwetsbaarheden. In orale culturen ligt de nadruk meer op persoonlijke emoties dan op abstracties. Wie spreekt, drukt gevoelens uit. Ironie of sarcasme zijn bijvoorbeeld veel lastiger te herkennen op papier. Bovendien gedijt het orale systeem goed bij opwinding, ophef, roddels en stereotyperingen. Die zijn luisteraars eerder geneigd te onthouden en door te vertellen dan de logische redenaties, nauwkeurige nuances, feiten en cijfers van het gedrukte woord-systeem. Wie een goed niveau van geletterdheid heeft kan feiten van meningen onderscheiden, kan complexe vraagstukken aan, en kan zijn eigen uitspraken ook corrigeren of nuanceren.

In het mondelinge systeem is dat lastiger. Gesproken teksten in video’s zijn niet gestold op één plek, er bestaat niet één officiële versie of bron. Eenmaal verspreid op het netwerk blijven je uitspraken rondzingen. Ze zijn even moeilijk ‘terug te nemen’ als een zwerm ontsnapte vogels uit een volière.

Spraaktechnologieën zijn prachtige uitvindingen. Luisterboeken en podcasts zijn geweldig gezelschap op de snelweg. Maar als luisteren het lezen compleet gaat vervángen, dan is dat een bedreiging voor onze complexe democratische samenleving.

Ray Bradbury waarschuwde hier in 1953 al voor, in zijn dystopische roman Fahrenheit 451: „Je hoeft geen boeken te verbranden om een cultuur te vernietigen. Zorg er gewoon voor dat mensen stoppen met ze te lezen.” TikTok is in die zin zo’n alternatieve boekverbrander, die al op een imponerende manier bezig is met het afstompen van een generatie.

Daar komen de schrijfhulpjes van AI nog bij. Die zullen professionelere teksten met steeds minder fouten produceren. De schriftelijke vaardigheden zullen eerder af- dan toenemen naarmate toekomstige generaties AI niet meer zien als hulpmiddel bij het schrijven (en dus bij het kritisch denken en helder redeneren), maar als vervanging ervoor. Ongemerkt ruilen we het geletterde besturingssysteem in voor het orale.

Trump leest niets

Tekenend voor die verschuiving is dat een rabiate niet-lezer nu de machtigste persoon van onze westerse wereld is. De Verenigde Staten hebben opnieuw een president die principieel niet leest. In zijn onthullende boek Fire and Fury (2018) citeert de Amerikaanse schrijver en journalist Michael Wolff een Witte Huis-ambtenaar die zegt: „Het is erger dan je je kunt voorstellen. Trump leest niets – geen memo’s van één pagina, geen korte beleidsdocumenten, niets.”

Communiceren doet Trump alleen via telefoongesprekken, in toespraken vol soundbites en via sociale media, waarvan hij de eigenaren inmiddels om zijn vingers heeft gewonden. Het Witte Huis laat inmiddels minder ‘traditionele media’ toe bij persconferenties en verwelkomt influencers, vloggers en podcasters – de verhalenvertellers in een ontletterde wereld.

Een rabiate niet-lezer is nu de machtigste persoon van de westerse wereld

„Adem rustig uit, terwijl je naar het wit op de muur kijkt… en adem dan in, met je blik op het portret…” Rustig maar. „Aandacht is meer dan een manier om kennis te verwerven. Aandacht brengt licht in je ziel…” Ik moet toegeven dat ik het na een tijdje ook wel prettig vond, en daadwerkelijk sereen en aandachtiger door de zalen liep.

Iets van een terugkeer naar die oude orale cultuur is zeker niet zo slecht. We snakken enorm naar de zonzijde van de orale cultuur, naar de kampvuurverhalen, de aandacht voor elkaar, het gevoel onderdeel te zijn van een gemeenschap. Verklaart dat ook niet het succes van Trump en gelijkgezinde schreeuwerds? En van sociale media waar gelijkgestemden bij elkaar gemeenschapszin zoeken? Saamhorigheid: ook daarvoor moet je eerder bij het gesproken woord zijn dan bij een in stilte gelezen tekst.

Daar moest ik aan denken tijdens een andere recente audiotourervaring, in Gent. Daar kun je je door het Gravensteen, de middeleeuwse burcht, laten gidsen met comedian Wouter Deprez op je oren. Een dappere en plezierige poging om iets nieuws te doen, maar ik werd me er ook bewust van een andere fundamentele schaduwzijde van audiogidsen. Bij iedere goede grap (en ook bij de flauwe) zocht ik de blikken van mijn gezinsleden. Maar sommigen waren al verder, anderen liepen achter. De lach – bij uitstek een sociaal fenomeen – kreeg geen echo. Je gniffelde wat en trok je weer terug in je eigen audiococon. Geen contact met iemand in de buitenwereld, a.u.b.

Museumbezoek verandert zo van een gezamenlijke ervaring in een individuele belevenis. Dat is de grootste kritiek die Joke de Wolf heeft op audiogidsen. Ze maken het „onmogelijk om onderling te reageren op de kunst, op de gesproken tekst of, stel je voor, op elkaar”, schreef zij.

Troubadour-kosmopoliet

Musea doen pogingen om een vertelcultuur terug te brengen, maar audiotours zijn een vorm van pseudo-oraliteit: eenrichtingsverkeer met vooraf uitgeschreven teksten. Het is kampvuur op een flatscreen.

Het kan ook anders. In Kopenhagen volgde ik deze zomer een fietstour met een Nederlandse gids. In een vrolijke sliert landgenoten slingerden we achter Laura aan, die hier sinds een paar jaar woonde en die ons vermaakte met allerlei verhalen over de Deense volksaard, informatie over de geschiedenis, persoonlijke anekdotes.

Een betere toeristische gidsvorm is niet denkbaar. De fietsgids: de troubadour-kosmopoliet op de pedalen, die ons verbindt in kleine gelegenheidsgemeenschapjes, die verhalen vertelt, die ons op nieuwe plekken brengt en intussen onze breinen stimuleert door matig-intensieve beweging.

Kortom, fietsen door het museum? In elk geval: méér levende gidsen. Als we het museum zien als metafoor voor de samenleving, dan is dat het advies. Als dat te bewerkelijk is, zorg dan voor speelse vormen waarin bezoekers werkelijk met elkaar in gesprek gaan. En blijf tegelijkertijd de leescultuur voeden met folders, boekjes en bordjes.

„Je mag je koptelefoon afdoen en terughangen op het moment dat je daar zelf klaar voor bent”, zegt de zalvende stem uiteindelijk. Ik doe het braaf. Maar daarna haast ik me alsnog naar al die overgeslagen Erwin Olafs en Anton Corbijns. Met meer aandacht, ook voor de verklarende teksten. Want soms moet je vla blijven eten met een vork.