Lessen trekken uit het nazisme: menselijk fatsoen blijkt uiterst fragiel

In zijn inleiding bij The Nazi Mind schrijft de Britse historicus Laurence Rees, auteur van tal van doorwrochte, goed geschreven studies over de nazi’s en de Tweede Wereldoorlog, dat hij er een gewoonte van heeft gemaakt tijdens lezingen zijn publiek een persoonlijke vraag voor te leggen. Wat zou u doen, vraagt hij, wanneer uw omstandigheden ineens drastisch veranderen? Stel u voor dat terroristen ineens alle deuren van deze zaal vergrendelen en dat u ertoe veroordeeld bent achtenveertig uur zonder eten of drinken door te brengen? Wanneer die achtenveertig uur voorbij zijn, worden er zes flessen water naar binnen gegooid – vergezeld van de boodschap dat u het daar nog eens achtenveertig uur mee zult moeten doen.

Kunt u voorspellen, vraagt Rees zijn publiek, dat gekomen is voor een lezing over een oorlog die ver achter ons ligt, hoe u zich zult gedragen? Gaat u geweld gebruiken? Gaat u het water met uw lotgenoten delen? En als u niet kunt voorspellen hoe u zich in een dergelijke situatie zult gedragen – hoe goed kent u uzelf dan eigenlijk?

Anders dan we onszelf meestal voorhouden, weten we niet hoe we ons zullen gedragen wanneer onze levens in een radicaal andere context komen te staan. Onze moreel verheven opvattingen bieden geen garantie voor goed gedrag. Deze overtuiging ligt aan de basis van The Nazi Mind. Decennia onderzoek naar het handelen van mensen tijdens de nazitijd – Rees maakte ook jarenlang documentaires voor de BBC – heeft hem ervan doordrongen dat mensen uiterst veranderlijk zijn. Naarmate de situatie veranderde, schrijft hij, pasten mensen meestal domweg hun gedrag aan.

Dat is een ongemakkelijk inzicht. In The Nazi Mind probeert Rees ons geen klinkklare lessen uit de vorige eeuw voor te schotelen, maar hij wil zijn lezers vooral expliciet waarschuwen dat „alles fragiel is – vaak een stuk fragieler dan we geneigd zijn te denken”.

Onder ons

In twaalf hoofdstukken waarin opkomst en ondergang van het Derde Rijk in losstaande episodes wordt beschreven, van de wrok die het Verdrag van Versailles in 1919 losmaakte, helemaal tot aan het aan puin geschoten Berlijn van 1945, probeert hij telkens een aspect van het nationaalsocialisme uit te lichten dat ook ons aan het denken over het heden zou moeten zetten. Hitler en het nazisme zijn weliswaar geschiedenis, stelt hij, maar de methodes en de mentaliteit van het nazisme zijn onder ons.

Kijk maar: het constant exploiteren van het wij/zij-denken, het gestaag ontmenselijken van minderheden, het verspreiden van complottheorieën, het hameren op vijandbeelden, het paaien van bestuurlijke elites door je minder radicaal voor te doen dan je bent, het opjutten van jongeren die gevoelig zijn voor je gedachtengoed, blinde heldenverering in plaats van democratisch debat, het ondermijnen van de rechtsstaat, kritiek verdacht maken, verzet hardhandig de kop indrukken – het is een hele lijst, en het is allemaal meer dan herkenbaar.

Die opsomming van twaalf gevaarlijke tendensen wordt aan het einde van The Nazi Mind nog een keer herhaald, om ons lezers bewust en alert te maken. Ook verwijst Rees steeds naar hedendaagse neurowetenschappers, zoals de Amerikaan Robert Sapolsky, om ons ervan te doordringen hoe manipuleerbaar ook ons eigen gedrag is. Dat doet hij een beetje plichtmatig; het is duidelijk niet zijn terrein. Toch is het boek allesbehalve een pamflet, daar is Rees te veel historicus voor. De grootste kracht van The Nazi Mind zit in de afzonderlijke hoofdstukken zelf, die veel meer zijn dan een illustratie bij een specifieke ‘waarschuwing’. In iedere afzonderlijke etappe van de gruwelijke geschiedenis die hij beschrijft weet Rees zijn fenomenale kennis van zijn onderwerp lichtjes en soepel in een doorlopend verhaal te verwerken. Het is vooral aan de lezer om parallellen met de huidige tijd te ontdekken.

Daarbij tekenen zich gaandeweg twee blijvende inzichten af: de figuur van Hitler is ook in The Nazi Mind, net als in het recente Machtsovername (2024) van Timothy W. Ryback, niet het zuivere kwaad dat als het ware buiten de geschiedenis staat. Ondanks zijn fanatisme en psychische onevenwichtigheid was hij ook een koelbloedig politicus, die al slalommend en improviserend zijn weg naar de macht vindt. Daarbij kon hij zijn gierende radicaliteit temperen wanneer hij dat nodig achtte. Hij verkondigde de democratie te respecteren, terwijl hij vastbesloten was die te vernietigen, voelde aan wanneer hij zijn allesverzengende Jodenhaat tijdelijk in de ijskast moest zetten om de conservatieve elite voor zich te winnen. In een redevoering verzekerde hij dat hij niet op een nieuwe oorlog uit was, terwijl de oorlogsindustrie al op volle toeren draaide.

Heel lang gedoogde hij de openlijke homoseksualiteit van Ernst Röhm, het hoofd van de Stormtroepen; pas na de Nacht van de Lange Messen, toen hij Röhm uit zuiver opportunistische redenen uit de weg had laten ruimen, sprak hij zich er quasi-geschokt over uit. Als dictator tolereerde Hitler een veelvoud van verschillende overtuigingen onder zijn getrouwen en liet afzonderlijke organisaties en ego’s onaangedaan met elkaar rivaliseren. Wat telde was hun onvoorwaardelijke trouw aan hun Führer.

Eredienst

Rees schrijft dat Hitler zich als geen ander bewust was van het religieuze karakter van de eredienst die hem ten deel viel; voor zijn ondergeschikten was het eindeloos gissen naar zijn intenties en motieven. Tegelijk fungeerde de collectieve dweepzucht met Hitler voor hem als een schild; van alles wat misging, van de onmenselijke wreedheden die in zijn naam werden begaan, kon hij geen weet hebben. Het was je reinste cognitieve dissonantie. ‘Als de Führer dít wist…’ werd een mantra om de onvoorstelbare wreedheden van het nazisme goed te praten.

Een tweede inzicht is het veranderlijke gedrag van de Duitsers onder het nazisme. Rees kan putten uit een enorm reservoir van getuigenissen, ook van Duitsers die na de ineenstorting van het Derde Rijk verantwoording over hun gedragingen aflegden. Die getuigenissen geven de geschiedenis een herkenbaar menselijk gezicht – ik bedoel dat niet positief. Het menselijk vermogen tot zelfbedrog en hypocrisie, tot wegkijken tegen beter weten is, blijkt onuitputtelijk.

De beweegredenen om zich tot Hitler en het nationaalsocialisme te bekeren waren talloos, van idealistisch tot opportunistisch, van pragmatisch tot fanatiek. Voor de een was het de belofte van de geborgenheid van een Volksgemeinschaft, een even vage als onbereikbare utopie. Voor de ander was het de haat – volgens Hitler zelf de enige emotie waarvoor je bij de massa altijd terecht kon. Ook die paradox, het verlangen naar het herstel van gemeenschapsgevoel en de virulente haat tegen mensen die de vervulling van dat verlangen zouden dwarsbomen, is helemaal van onze tijd.


Lees ook

Hoe Hitler erin slaagde om, ondanks zijn tegenstanders en ogenschijnlijke neergang, aan de macht te komen

Bijeenkomst van nationalisten in Neurenberg, in het bijzijn van Adolf Hitler, in 1923.