Na meer dan veertig jaar strijd tegen de Turkse staat riep Abdullah Öcalan, oprichter van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), zijn partijgenoten donderdag op de wapens neer te leggen. Mogelijk is dat de start van een ommekeer in de geschiedenis van de Koerden, Turkije en de rest van de regio. Hoe zit dat met die geschiedenis? En wordt er aan Öcalans aankondiging gehoor gegeven? Vier vragen en antwoorden op een rij.
1Waarom roept Öcalan juist nu op tot het ontbinden van de PKK?
De huidige PKK is niet meer de PKK van de jaren tachtig en negentig, toen het in het zuiden en oosten van Turkije een guerrillaoorlog uitvocht tegen de Turkse staat en door het hele land angst wist te zaaien met het plegen van aanslagen. Ze eisten een onafhankelijke staat voor de Koerden, die een kleine 20 procent van de bevolking vormen.
Hoewel de aanslagen van de PKK nooit helemaal zijn gestopt, is de organisatie vandaag de dag op militair vlak vleugellam. Het lukte het Turkse leger de afgelopen tien jaar om de militanten te verdrijven uit het zuidoosten van het land.
Tegenwoordig verschuilen PKK-leiders zich met een groot deel van hun manschappen in het Qandil-gebergte in Noord-Irak. Maar ook daar zijn ze niet veilig voor de Turkse drone-aanvallen waarmee ze regelmatig worden bestookt.
Zelf zit Öcalan (75) al sinds 1999 vast in de Turkse gevangenis. In die tijd leek zijn retoriek milder te worden, al kon hij als gevangene ook lang niet altijd meer vrijuit spreken. De PKK zou volgens hem niet meer vechten voor een eigen staat, maar voor meer Koerdische autonomie en rechten. „Ik wil vrede zien voordat ik sterf,” zou Öcalan daarbij ook in 2013 hebben gezegd.
Aan de andere kant leek de Turkse regering de afgelopen maanden toenadering te zoeken. Zo hintte de rechtsnationalistische Devlet Bahceli, een politiek bondgenoot van president Recep Tayyip Erdogan, op strafvermindering voor Öcalan als hij de PKK zou oproepen de wapens neer te leggen. Öcalan lijkt daar nu gehoor aan te hebben gegeven.
Niet alleen Turkije heeft een Koerdische bevolking. Met grofweg veertig miljoen mensen – schattingen lopen uiteen – zijn de Koerden in omvang de vierde etnische groep in het Midden-Oosten (na de Arabieren, Perzen en Turken). Het Koerdische volk woont verspreid over de regio, voornamelijk in Irak, Iran, Syrië en Turkije. Ze delen een eigen cultuur en spreken verschillende dialecten van de Koerdische taal. De meeste Koerden zijn soennitische moslims, maar er zijn ook Koerdische sjiieten en christenen.
Na de Eerste Wereldoorlog beloofden de Westerse mogendheden de Koerden een eigen staat. Een belofte die werd verbroken met het Verdrag van Lausanne in 1923, dat de grenzen van het huidige Turkije vastlegde. Met de Koerden werd daarentegen niets afgesproken, en dat bleef zo. De afgelopen honderd jaar vonden er Koerdische opstanden plaats in verschillende landen. Tevergeefs: van een eigen staat kwam het nooit, al verwierven de Iraakse Koerden een grote mate van autonomie. In plaats daarvan werd de Koerdische taal en cultuur vaak als een bedreiging gezien en onderdrukt.
3Wat betekent dit voor de Koerden in Syrië?
De aanwezigheid van de Koerden in de buurlanden van Turkije vormde lang een rode draad in het Turkse buitenlandbeleid. Ankara vreesde dat als Koerden in andere landen aan invloed zouden winnen, dat onrust onder de eigen Koerdische bevolking verder zou kunnen aanwakkeren.
De afgelopen jaren waren vooral de Koerdische strijdgroepen (SDF) in het noordoosten van Syrië een doorn in het oog van Ankara. Die groepen kregen tijdens de Syrische burgeroorlog meer dan een kwart van het land in handen en onderhouden bovendien nauwe banden met de PKK. Turkije greep zijn kans door na de val van het Assad-regime afgelopen december, de strijd met de Syrische Koerden op te voeren met luchtaanvallen en het steunen van vijandige lokale milities.
Ook was er sprake van Turkse troepenopbouw aan de Syrische grens. Turkije „bereidde zich voor om een volledige oorlog te beginnen, maar we vroegen hen te wachten om ruimte te geven voor onderhandelingen,” zei de nieuwe Syrische leider Ahmed al-Sharaa daarover in een interview met The Economist. Al-Sharaa wil dat de Koerdische strijdgroepen de wapens neerleggen en zich voegen bij een nationaal Syrisch leger.
„Als er vrede komt in Turkije, is er geen excuus meer om ons in Syrië te blijven aanvallen”, zei SDF-leider Mazloum Abdi donderdag tegen persbureau Reuters. Het is nog maar de vraag of Ankara het daarmee eens is.
4Is vrede daadwerkelijk op komst?
Dat is niet zeker. Eerdere onderhandelingen tussen de Turkse staat en de PKK liepen spaak in zowel 2011 als 2015. En hoewel Öcalan veel aanzien geniet binnen de PKK, is niet duidelijk of het leiderschap in Noord-Irak het eens is met zijn koerswijziging. Toen Bahceli afgelopen oktober met zijn voorstel kwam voor strafvermindering voor Öcalan in ruil voor zijn oproep aan de PKK om de wapens neer te leggen, volgde de dag erop een grote aanslag van de PKK op het hoofdkwartier van een bedrijf voor militaire technologie nabij Ankara. Vijf mensen kwamen daarbij om.
Zeker twaalf Nederlandse pensioenfondsen beleggen in Chinese medicijnfabrikanten die bedreigde diersoorten in hun producten verwerken. Dat meldt onderzoeksplatform Argos vrijdag.
Het gaat onder meer om het ABN Amro Pensioenfonds, het Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel, het pensioenfonds van de uitzendbranche STiPP en Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW).
De farmaceutische bedrijven waar deze fondsen in beleggen, produceren traditionele Chinese medicijnen waarin bijvoorbeeld luipaardbotten en de schubben van schubdieren zijn verwerkt. De medicijnen zouden onder meer goed zijn tegen reuma en gewrichtspijn, maar daar is geen wetenschappelijk bewijs voor.
Zowel het luipaard als het schubdier wordt met uitsterven bedreigd. Volgens het zogeheten CITES-verdrag, dat ook Nederland en China hebben ondertekend, is de handel in deze dieren verboden.
‘Negatieve effecten verkleinen’
Het is onduidelijk hoe de Chinese bedrijven op legale wijze aan luipaarden en schubdieren hadden kunnen komen, schrijft Argos. Volgens experts die het onderzoeksplatform sprak, is het aannemelijk dat de dieren illegaal zijn verhandeld.
Pensioenfonds Zorg en Welzijn is het op één na grootste pensioenfonds van Nederland. Het beheert de pensioenen van bijna 3 miljoen deelnemers en had eind 2024 een belegd vermogen van bijna 260 miljard euro.
Op zijn website schrijft het fonds „de negatieve effecten” van zijn beleggingen te willen verkleinen. Om die reden belegt PFZW naar eigen zeggen niet in bijvoorbeeld tabaksfabrikanten, steenkoolbedrijven of producenten van bont.
Mandjes met aandelen
Gevraagd naar de reden dat PFZW wél investeert in bedrijven die bedreigde diersoorten in medicijnen verwerken, legt een woordvoerder uit dat het fonds zijn vermogen voor een deel belegt in indexfondsen. Dat zijn „mandjes” met daarin aandelen van allerlei verschillende bedrijven, bijvoorbeeld uit de farmaceutische industrie.
Daar filtert de investeerder naar eigen zeggen „de ergste schenders op het gebied van mensenrechten en duurzaamheid uit” — maar niet allemaal. „We maken in onze beleggingen een afweging tussen duurzaamheid, rendement, en risicospreiding”, aldus de woordvoerder. „We moeten immers ook een goed pensioen waarborgen voor onze deelnemers.”
Een producent van de omstreden Chinese medicijnen valt vooralsnog dus niet onder de partijen die het fonds uitsluit. PFZW wil niet zeggen of het zijn beleid naar aanleiding van de onthulling van Argos gaat aanscherpen.
Lees ook
Het gaat slecht met migrerende diersoorten, vissen in het bijzonder
Het boek Liefdesbrieven van een kampbeul van Volkskrant-journalist Rik Kuiper begon zeven jaar geleden met een terloopse vraag aan de man die bij het NIOD brieven, dagboeken en andere persoonlijke documenten uit de oorlog in ontvangst neemt van mensen die ze niet meer zelf willen bewaren. Wat was het interessantste dat de archivaris de afgelopen jaren had zien binnenkomen?
„Daar hoefde hij niet lang over na te denken”, zegt Rik Kuiper. „Dat waren de 270 brieven die kampbeul Willem van der Neut na de oorlog vanuit de gevangenis schreef aan zijn geliefde Erika Lüschen.” Het NIOD is het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.
Willem van der Neut en Erika Lüschen, een Nederlands meisje, hadden elkaar in juni 1944 in Kamp Amersfoort leren kennen en in juni 1945 werd hun zoon geboren, Fokko. Maar toen was Willem al opgepakt door de Binnenlandse Strijdkrachten en zat Erika wegens collaboratie in een interneringskamp in Winschoten. Rik Kuiper: „Ze beviel van Fokko in gevangenschap.”
Zij was secretaresse in Kamp Amersfoort.
„Haar bureau moet ongeveer daar gestaan hebben.” We zitten in de koffiecorner van Kamp Amersfoort, nu een Nationaal Monument, en hij wijst in de richting van waar vroeger het kantoor van de SS was. Eerder zijn we al langs de schietbaan gelopen, een door dwangarbeiders uitgegraven geul in het bos van 350 meter lengte waar executies werden uitgevoerd. Hier, vertelde hij, had Willem van der Neut ettelijke malen op het bevel ‘Feuer!’ de trekker van zijn karabijn overgehaald om terdoodveroordeelden te fusilleren. Voor de leden van het executiepeloton stonden na afloop altijd twee glaasjes schnaps klaar.
In Kamp Amersfoort zaten verzetsstrijders en Joden opgesloten, communisten, gijzelaars, zwarthandelaars, mannen die geprobeerd hadden om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. „Willem deed ook mee aan executies op de Leusderheide”, zegt Rik Kuiper. „Dan moesten ze eerst nog een eindje rijden in een vrachtwagen. Hij deed geen enkele poging om eronderuit te komen, wat best had gekund.”
Het Bijzonder Gerechtshof in Utrecht legde hem in april 1948 de doodstraf op.
„Vanwege die executies en omdat hij in vreemde krijgsdienst was getreden. Hij had ook toegegeven dat hij gevangenen had mishandeld. Getuigen verklaarden voor de rechtbank dat hij mannen had gemarteld door hun baard in brand te steken of sigarettenpeuken op hun lichaam uit te drukken. Hij zou ook iemand in een oog hebben geprikt met een potlood.”
In november 1949 werd de doodstraf omgezet in levenslange gevangenschap.
„Koningin Juliana schonk hem gratie, ja. De meeste oorlogsmisdadigers die na de oorlog ter dood werden veroordeeld kregen gratie. De levenslange gevangenisstraffen die ervoor in de plaats kwamen werden na verloop van tijd bijna allemaal omgezet in straffen van tien of twaalf jaar.”
Maar dat, schrijf je, heeft Willem van der Neut niet afgewacht.
„Hij is eind 1952 met zes andere oorlogsmisdadigers ontsnapt uit de koepelgevangenis in Breda en naar Duitsland gevlucht.”
En van deze man ben je dus 270 liefdesbrieven gaan zitten lezen.
„Ik was meteen gefascineerd toen de archivaris van het NIOD me erover vertelde, vooral door het contrast dat in die woorden verscholen zit: liefdesbrief en kampbeul, goed en kwaad. En hoe kun je beter in het hoofd van een oorlogsmisdadiger komen? Het NIOD bracht me in contact met Fokko, die de brieven zelf was komen brengen, en toen vond ik het nog interessanter worden. Fokko kende zijn vader alleen van de bezoekjes met zijn moeder in de gevangenis vroeger. Hij had hem niet meer gezien nadat die naar Duitsland was gevlucht en vroeg zich zijn hele leven al af waarom zijn vader nooit meer wat van zich had laten horen. Hij hield toch zo veel van hem? In de brieven was het ‘jongske’ dit en ‘jongske’ dat, en wat verlangde hij ernaar om met hem te ravotten. Maar alle pogingen van Fokko om zijn vader te vinden waren mislukt. Ik hou van het historische verhaal en ik hou er nog meer van als je dat verhaal naar het heden kunt brengen. Dus ik ben met Fokko naar Uslar gegaan, het stadje waar Willem – onder een andere naam – tot zijn dood in 1983 heeft gewoond. En daar hebben we een stiefzoon van hem gevonden. Mijn boek gaat over Willem van der Neut en Erika Lüschen, maar het is ook een Vatersuche.”
De stiefzoon is vol lof over Willem van der Neut.
„Hij had zich geen betere vader kunnen wensen. Willem had ‘alles’ voor hem gedaan. Na de oorlog kreeg Willem van iedereen dat soort recensies. De directeuren van de gevangenissen waar hij verbleef noemden hem een ‘eenvoudige, goede man’ die zijn werk in de meubelmakerij tot ‘volle tevredenheid’ van de werkmeester uitvoerde. De psychiater Pieter Baan, die hem in opdracht van Justitie onderzocht, rapporteerde dat er bij Van der Neut wel sprake was van ‘affectlabiliteit’, een sterke schommeling in de uiting van gevoelens, maar dat kon veroorzaakt zijn door de detentie. Pieter Baan” – de grondlegger van het Pieter Baan Centrum – „zag geen psychopathologische afwijkingen of ernstige karakterstoornissen.”
Wat jou in je boek doet nadenken over de vraag of er in iedere kampbeul een lieverd schuilt.
„Het omgekeerde – in iedere lieverd huist een kampbeul – is in elk geval niet waar. Die theorieën zijn er wel: dat iedereen zich in bepaalde omstandigheden tot een kampbeul kan ontpoppen. Maar dan ontken je iedere eigen verantwoordelijkheid voor de keuzes die mensen maken.”
Foto Lars van den Brink
In de familie van Willems moeder zat nogal wat psychiatrie.
„Pieter Baan rapporteert over twee zussen die in een inrichting hebben gezeten en haar jongste zus pleegde zelfmoord door zich na een bevalling met petroleum in de brand te steken. Een broer leed aan epilepsie. Maar daaruit concludeert hij niet dat er met Willem ook iets aan de hand was.”
Al had Willem weinig mee bij zijn geboorte.
„Groot gezin, armoede, nauwelijks opleiding en een dominante moeder die in de jaren dertig een fanatieke aanhanger van de NSB werd. Het heeft hem zeker gevormd, maar verklaart het zijn daden? Dat oordeel laat ik aan de lezer over. Willem trouwde in 1939, op zijn twintigste, met een meisje van wie hij niet hield, maar ze was zwanger, en meteen na de capitulatie in mei 1940 koos hij ervoor om als timmerman te gaan werken voor de Wehrmacht, want hij moest geld verdienen voor zijn gezin. Dat had niet gehoeven, hè. Hij had ook ergens anders kunnen gaan werken.”
Het is afschrikwekkend proza, verschrikkelijk. En eindeloos klagen dat hij zo weinig post van haar krijgt
In februari 1941 meldde hij zich bij de Waffen-SS.
„Vanwege zijn slechte huwelijk, schreef hij later aan Erika. Dan kon hij weg bij zijn vrouw en zij kreeg een toelage van de SS. In juni 1941 werd zijn compagnie naar Oekraïne gestuurd. Ik heb geprobeerd uit te zoeken wat hij daar heeft meegemaakt, maar dat was lastig. In zijn brieven aan Erika had hij het er nooit over. Deels bewust, denk ik, want de censuur las mee. En misschien wilde hij haar er niet mee lastigvallen. Iedereen weet dat het gruwelijk was aan het oostfront. Hij moet daar gruwelijke dingen hebben gezien.”
En gedaan.
„De Waffen-SS was betrokken bij de genocide in Oekraïne, maar wat Willem gedaan heeft weet ik niet. En ik wil hem niets in de schoenen schuiven. Misschien koos hij er wel voor om kapotte auto’s te repareren als zijn compagnie Joden ging ophalen. Misschien was hij op de dagen dat er Joden werden doodgeschoten wel verkouden. Je was als Waffen-SS’er niet verplicht om aan de massa-executies mee te doen. Je mocht weigeren. Al vonden je kameraden daar dan wel wat van. Ik sluit niet uit dat Willem in Oekraïne zijn eerste moorden heeft gepleegd en ik sluit ook niet uit dat hij in 1943 volledig afgestompt in Nederland is teruggekeerd. Dan is het vast niet zo moeilijk meer om gevangenen te martelen en te fusilleren.”
Maar wat hij daarbij voelde…
„… en óf hij er wat bij voelde kom je uit zijn brieven niet te weten. Hij is vooral heel erg met zichzelf bezig. Heel veel zelfmedelijden, maar berouw of zelfreflectie – nee.”
Je ergerde je soms kapot aan hem, schrijf je.
„Het is afschrikwekkend proza. Dat hij Fokko ‘jongske’ noemt en haar ‘vrouwke’, de hele tijd, verschrikkelijk. Eindeloos klagen dat hij zo weinig post van haar krijgt of dat ze niet op bezoek is gekomen. Fantaseren over hun leven samen als hij ooit vrij komt. Lekker bij de kachel zitten terwijl zij in de keuken in de pan staat te roeren en dat hij dan een lekker gehakballetje bij haar komt pikken. Dat is dan nog het meest creatieve dat hij kan verzinnen.”
Na zijn vlucht naar Duitsland ziet hij haar ook nooit meer.
„Zijn masterplan was denk ik wel dat Erika met Fokko naar hem toe zou komen en dat ze dan zouden trouwen. Alleen had hij niet goed doordacht wat dat voor haar zou betekenen. Trouwen met een stateloze man, een veroordeelde oorlogsmisdadiger die misschien zou worden uitgeleverd? Ze kwam niet en misschien was ze hem ook wel een beetje zat. Later op haar sterfbed heeft ze gezegd dat hij haar enige grote liefde was geweest, maar hoe moet je dat interpreteren? Ze had hem leren kennen in een prikkeldraadlandschap waar helemaal niets mooi was, behalve hun liefde. Haar vorige liefde was gesneuveld en drie broers van Willem waren ook gesneuveld, twee aan het oostfront. Ze moeten zich aan elkaar hebben vastgeklampt. Na Dolle Dinsdag verhuisde Erika met de administratie van Kamp Amersfoort naar Oldenzaal en daarna hebben ze elkaar nog maar een paar keer gezien. En bij een van die keren is Fokko dus verwekt. Erika kreeg een kind van een man die nog getrouwd was en intussen al drie kinderen had – hoe slecht zijn huwelijk met zijn eerste vrouw ook was. Ik weet niet zeker of een huwelijk tussen Willem en Erika veel toekomst had gehad.”
In het voorjaar van 2021 publiceerde Rik Kuiper een serie verhalen over de liefdesbrieven van Willem van der Neut in de Volkskrant, maar toen had hij nog lang niet zoveel uitgezocht als nu. In zijn boek vertelt hij gedetailleerd hoe Willem van der Neut op Tweede Kerstdag 1952 tijdens een filmvoorstelling voor de gevangenen met zes andere oorlogsmisdadigers – de meesten hadden een verleden bij de Waffen-SS – uit de koepelgevangenis in Breda kon ontsnappen. „In het politiedossier”, zegt hij, „bleek van minuut tot minuut beschreven te staan hoe het gegaan was, met alle foto’s van de ontsnappingsroute erbij, alle processen-verbaal van de getuigen en betrokkenen, een heerlijke vondst. Bij mijn onderzoek naar het leven van Willem van der Neut heb ik vaak zitten vloeken van frustratie omdat het allemaal zo lang geleden is en er zoveel dingen zijn waar je niet achter komt. Maar dit was geweldig. Je zíét het gewoon voor je. Wat ook weer lastig was, want je leeft met hen mee en dan hóóp je bijna dat het ze gaat lukken.”
Het idee was vrij simpel.
„Achterlijk simpel. Ze zijn naar buiten gegaan via het stortgat voor de kolen dat in open verbinding stond met het binnenterrein van de gevangenis. Voor de muur waar ze overheen moesten hadden ze ladders meegenomen.”
Binnen een paar uur zijn ze bij de grens met Duitsland.
„Waar ze op twee Duitse grenswachters stuiten. Ze zeggen dat ze politieke vluchtelingen zijn en dan worden ze meegenomen naar het grenskantoor, waar ze koffie en kerststol krijgen aangeboden. De Zollgrenzkommissar waar ze zich de volgende dag moeten melden is een gewezen SS’er en die vindt dat het ‘ongevaarlijke mensen’ betreft. De snelrechter die zich ermee bemoeit ziet ook geen enkel probleem. Dat verraste me eerst wel even, maar natuurlijk, dat hele nazi-apparaat, al die mensen die erin gewerkt hadden, de meesten waren kleine radertjes geweest en liepen allang weer vrij rond. Ze beschouwden een man als Willem van der Neut als een van hen. Ze hadden zelf ook aan het oostfront gevochten, en anders wel hun vaders of hun broers of de buren.”
De Nederlandse Justitie gaat wel achter Willem van der Neut aan.
„Na een halfjaar wordt hij opgepakt, ja. Maar hij wordt niet uitgeleverd, want Duitsland levert geen staatsburgers uit. En Willem beweert dat hij aan het oostfront al een formulier had ingevuld om het Duitse staatsburgerschap aan te vragen. De rechter in Duitsland gelooft hem en laat hem weer vrij. Maar ook al had de rechter hem niet geloofd, dan nog zou hij Willem hebben vrijgelaten. In 1943 had Hitler een decreet uitgevaardigd waarin stond dat iedere buitenlander die voor het Duitse leger had gevochten automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.”
Wat rouwen is – Joan Opheij (57) weet het nog steeds niet. Hij had er ook nooit over na hoeven denken, tot vijf jaar geleden.
Op maandag 9 maart 2020 werd hij gebeld door een vrijwilliger van RKVV Erp: „Jullie pap is onwel geworden.”
Zijn vader, Harrie Opheij, is die ochtend naar sportpark Den Uil gefietst, zoals elke maandag. Twintig pensionado’s poetsen dan de schade van het weekend weg. Ze boenen de bar, stampen de graspollen aan.
Harrie is een clubicoon, ouder dan de club zelf. Voetballer, scheidsrechter, elftalleider, wat heeft hij niet gedaan bij de voetbalvereniging? Als daar niets te doen is, fietst Harrie door naar zoon Joan, om een bakkie te doen of zijn kleinkinderen te zien. Op 85-jarige leeftijd wonen Harrie en zijn vrouw Dora nog zelfstandig. Natuurlijk, ze hebben hun kwaaltjes, maar voor hun leeftijd zijn ze hartstikke fit.
Op donderdag 27 februari, carnaval is net achter de rug, ziet Harrie samen met zijn vriend Toon Kerkhof (65), voorzitter van RKVV Erp, op de televisie in de kantine hoe minister Bruins van Medische Zorg een briefje in zijn hand gedrukt krijgt: de eerste coronabesmetting in Nederland is vastgesteld. Zorgen maken de mannen zich niet. Zo’n vaart zal het toch niet lopen?
Een week later rijdt het tweetal naar Uden voor de bekerwedstrijd tegen UDI’19. Dat doen ze samen met oud-voorzitter Lambèr van den Elsen en dorpspastoor Cees Rombauts. Met zijn vieren zien ze elke wedstrijd. Op de tribune in Uden zit Harrie flink te hoesten, na de 1-2 zege voor Erp gaat hij direct naar huis. Het is de laatste keer dat Toon Kerkhof zijn vriend ziet.
Een sluis in het ziekenhuis
Die maandag 9 maart wordt Harrie Opheij door een ambulance opgehaald bij de voetbalvereniging. Die avond mag hij ziekenhuis Bernhoven in Uden weer verlaten. Zijn kinderen – Joan, zijn broer en twee zussen – halen de bedden van hun ouders naar beneden, waar het toilet en de badkamer zijn. In de daaropvolgende dagen belt dochter Jannie meermaals met huisarts Maik Winkelhorst (41). Die laat op vrijdag een ambulance komen bij Opheij thuis. Ter plekke wordt besloten dat een tweede ambulance nodig is: ook Dora is ziek.
Vanaf zaterdagochtend mogen hun kinderen, één voor één, in „astronautenpak” en met mondkapje en bril op, door een sluis in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch naar hun ouders, die op twee kamers naast elkaar liggen. Met hun moeder kunnen ze nog praten, met hun vader niet meer.
Als de kinderen op zondag terugkomen, zegt de dokter: we kunnen niets meer voor hen doen. Dora Opheij overlijdt die avond. Dertig uur later overlijdt haar man Harrie.
Beeld van de herdenking van de overleden vrijwilligers van voetbalvereniging RKVV Erp. Foto Dieuwertje Bravenboer
In maart 2020, in de begindagen van de pandemie in Nederland, sterven tientallen inwoners van Erp aan de gevolgen van Covid-19. Het dorp bevindt zich, midden in brandhaard Brabant. De klok van de Sint-Servatiuskerk luidt op ongezette tijden. Er gaan kettingsloten op de poort van sportpark Den Uil, ambulance-sirenes weerklinken tegen de huizen in de verder lege straten. Vanachter hun raam zien dorpsbewoners lijkwagens voorbijkomen. Het doet hen denken aan de verhalen van hun ouders over de oorlog.
‘Errup’, zoals inwoners zeggen, is een sociaal, ondernemend en zelfstandig dorp. Er wonen ongeveer 5.300 mensen. Ouderen doen volop mee op de voetbalvereniging, bij de harmonie en de heemkundekring. Als het coronavirus rondgaat, maakt juist die gemeenschapszin het dorp kwetsbaar.
Mariska van Vliet (50), zelfstandig uitvaartverzorger, begeleidt in de regel twee of drie uitvaarten per week in Erp en omstreken. Ze verzorgt en kleedt de overledenen, schrijft gedichten en voert de regie tijdens de ceremonie. Zelden zegt ze: ik kan je niet helpen. Tot dat voorjaar, wanneer haar telefoon maar blijft overgaan. Ze krijgt huilende mensen aan de lijn die tevergeefs hebben aangeklopt bij andere uitvaartverzorgers – ook Van Vliet moet vaak nee zeggen. Overledenen moet ze, bij gebrek aan koelruimte, steeds verder weg brengen. Ze komt bij gezinnen die zwijgen over de besmetting van hun stervende familielid, omdat ze bang zijn dat Van Vliet hen anders niet kan helpen.
De huisartsenpraktijk van Winkelhorst wordt ingericht als callcenter – mensen bellen omdat ze aan de bar hebben gestaan met een coronapatiënt op de voetbal- of tennisclub. Winkelhorst stapt in zijn auto om langs te gaan bij mensen die te zwak zijn om hun huis te verlaten. In overleg met het volstromende ziekenhuis Bernhoven bepaalt de huisarts het lot van coronapatiënten: behandelen of laten gaan.
Maximale groepsgrootte
De ouderen in verpleeghuis Simeonshof, normaal zo actief in Erp, mogen niet meer naar buiten. „Mensonterend”, zegt huisarts Winkelhorst. Een familielid van een bewoner belt hem: mag ik niet eventjes mee naar binnen? Hij moet nee zeggen. Ouderen overlijden in eenzaamheid omdat ze hun kinderen niet kunnen zien. „Heel verdrietig”, zegt uitvaartverzorger Mariska van Vliet. „Onmenselijk.”
In het eerste weekend nadat Simeonshof is afgesloten, overlijden zes bewoners aan corona. Onder hen Cor Verbruggen, 61 jaar getrouwd met Anneke. Omdat zij besmet kan zijn door hem, mag ze niet naar de uitvaart. Door haar raam in het verpleeghuis, pal achter de kerk, kijkt Anneke naar de rouwstoet. De schoenen van haar man staan nog onder hun bed.
Door het raam kijkt ze naar de rouwstoet van haar man. Zijn schoenen staan nog onder het bed
Het is, vijf jaar later, het grootste litteken op de ziel van Erp: de manier waarop afscheid moest worden genomen van dierbare dorpsgenoten. Van Vliet verzorgt uitvaarten waarbij kleinkinderen achter de heg van de begraafplaats toekijken, zodat de maximale groepsgrootte niet overschreden wordt.
Bij de uitvaart van Harrie en Dora Opheij kunnen alleen Joan, zijn vrouw, zijn zoon, zijn dochter, zijn broer, zijn zus en haar man zijn. Zijn andere zus en haar man, zijn er niet bij. Zij hebben corona. Het afscheid in een uitvaartcentrum is „heel karig”, zegt Joan. Zo had hij zich het afscheid van zijn ouders, zo geliefd in de gemeenschap, niet voorgesteld. Een volle kerk, dat was gepast geweest. Twee weken later verliest Joan ook zijn schoonvader aan corona.
Het leed in Erp voltrekt zich in stilte, en op die manier wordt ook solidariteit betoond. Op z’n Brabants, achterom. Niet door „ellende te etaleren” of „een podium te pakken”, zegt burgemeester Kees van Rooij van gemeente Meierijstad, waar het dorp deel van uitmaakt. Van Rooij belt tijdens de eerste golf het dorp af: uitvaartverzorger Van Vliet, RKVV Erp-voorzitter Kerkhof en nabestaanden krijgen hem aan de lijn. „We staan naast jullie”, laat hij hun weten.
Bewoners van Erp vormen erehagen bij rouwstoeten, bedelven de kerktrappen onder een zee van rode rozen en brengen bloemen en taart naar de huisartsenpraktijk
De bewoners van Erp vormen erehagen bij rouwstoeten. Ze bedelven de kerktrappen onder rode rozen, ze brengen bloemen en taart naar de huisartsenpraktijk en ze onderhouden de tuin van het verpleeghuis – als de oudere vrijwilligers niet meer durven te komen. Geen enkel lid van RKVV Erp vraagt contributie terug, trainers leveren hun vrijwilligersvergoeding in.
Frietloket rechtdoor
Na de eerste golf gaat Joan Opheij fietsen in Friesland, met vier vrienden uit Erp. Op de terugweg van Dokkum naar Leeuwarden – waar Joans schoonvader wegens beddentekort in Brabant op de intensive care heeft gelegen – stoppen ze bij een boer om te vragen waar ze het wereldberoemde bruggetje bij Bartlehiem uit de Elfstedentocht precies kunnen vinden. De boer vraagt waar ze vandaan komen. „O, Brabant, waar de corona is.” Zelf kent de boer niemand die corona heeft gehad. Joan: „En ik had drie ouders verloren. Een vriend van mij zijn vader en tante. Daar kon die man zich niks bij voorstellen. Die dacht: hier is niks aan de hand.”
Rouwkaarten van ’talentspotter’ Ad de Groot (boven), vrijwilliger Harrie Opheij en Dora Opheij-van der Heijden (onder).
Foto Dieuwertje Bravenboer
Zes maanden na het overlijden van zijn ouders organiseert RKVV Erp een herdenking voor de vrijwilligers die door corona gestorven zijn: Harrie en Dora Opheij, talentspotter Ad ‘Bobby’ de Groot en Cees Beekmans, die kort voor zijn overlijden nog het dameselftal had getraind. Tegenover 250 voetballers en leden in ruste, die op anderhalve meter afstand van elkaar in tuinstoelen zitten, zitten Joan en andere nabestaanden op de tribune. Die wordt, tot zijn verrassing, naar zijn vader vernoemd.
Wie dat bedacht had? Voorzitter Kerkhof zwijgt en wijst naar zichzelf, als er vijf jaar later naar gevraagd wordt. Hij schiet vol en loopt even weg uit de bestuurskamer van de voetbalvereniging.
Op tafel liggen bidprentjes van de overleden vrijwilligers
Op tafel liggen de spelregels voor rikken, een in Brabant populair kaartspel dat bij RKVV Erp al decennia wordt gespeeld. Kerkhof gebruikt nog altijd trucjes die hij van Harrie heeft geleerd. Naast de spelregels liggen bidprentjes van de overleden vrijwilligers. Verder herinneren alleen cirkels op de vloer in de kantine aan de coronatijd. De voetstappen in de cirkels vormen een looproute: rechtdoor naar het frietloket, linksaf naar de bar.
Nooit meer die pakken
Voor Joan Opheij is het einde van de coronamaatregelen een opluchting – die confronteerden hem constant met met de manier waarop zijn ouders overleden. „Ik heb me best geërgerd aan de coronawappies. Ik dacht: kom maar eens kijken wat hier gebeurd is.”
Het werkt nog steeds door, in Erp. Wanneer burgemeester Van Rooij een briljanten huwelijk bezoekt, gaat het over in coronatijd overleden familieleden. Als een griepvirus door Simeonshof trekt, zeggen verpleegkundigen: alsjeblieft, nooit meer die pakken aan. In de huisartsenpraktijk beginnen jongeren met psychische problemen uit zichzelf over hun worstelingen in coronatijd. Patiënten met long covid „grijpen alles aan om beter te worden”, ziet Winkelhorst. Er is veel aandacht voor in deze regio, waar bewoners ook nog altijd kampen met chronische Q-koorts. In het dorp herinnert een ‘mijmerbankje’, in een door inwoners zelf gecreëerd parkje, aan de coronatijd. Het heeft een S-vorm, voor ‘samen, sterk en saamhorigheid’.
„Je mist ze iedere dag”, zegt Joan Opheij, knikkend naar de portretten van zijn ouders op de schouw. „Maar het is niet meer zoals die eerste twee jaar.” Op de begraafplaats komt hij niet vaak. „Daar sta ik naar een steen te kijken.” Hij wijst naar zijn hoofd, „het zit hier”, en naar zijn hart, „en hier”.
Het schiet hem te binnen dat hij in de zomer van 2020 „best weleens een potje heeft staan janken” bij het graf van zijn ouders. Was dat dan ‘rouwen’? Hij weet het niet. „We gaan door en dan… ja…”, zegt hij met iets tussen een grimas en een glimlach. „Wij zaten als gezin in de frontlinie. Maar moeten we dat elk jaar gaan herdenken? Ik kan hoog springen, ik kan laag springen. Ik kan op de ramen gaan bonken. Dat het niet had hoeven gebeuren. Maar zo is het leven. Wij nemen het zoals het komt, zo zijn we opgevoed. Het is ons overkomen, met z’n allen.”
Voorzitter Toon Kerkhof van RKVV Erp op de tribune vernoemd naar vrijwilliger Harrie Opheij, die zijn besmetting niet overleefde.