Italië wil niet langer deel uitmaken van de Chinese Nieuwe Zijderoute en zou China in een brief formeel hebben laten weten het verdrag op te zeggen. Dat schrijven Italiaanse media en persbureau Reuters woensdag op basis van meerdere Italiaanse bronnen. Volgens hen zei de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Antonio Tajani, dat het grote en omstreden infrastructuurproject „niet de gewenste effecten heeft gehad”.
Italië maakte sinds 2019 en als enig West-Europees land deel uit van het zogenoemde Belt and Road Initiative (BRI), dat afgelopen oktober zijn tiende verjaardag vierde. Door deel te nemen aan het project hoopte Italië de export naar China een impuls te geven en de toegang van Italiaanse bedrijven tot de Chinese markt te versimpelen. Maar de samenwerking verliep al vanaf het begin moeizaam. In Italië bestonden grote zorgen over de toenemende Chinese geopolitieke invloed, en ook economisch pakte het project veel voordeliger uit voor China. Sinds 2019 is het Italiaanse handelstekort alleen maar verder opgelopen.
Geen winst voor Italië
Met de komst van de huidige premier Giorgia Meloni vorig jaar, nam de onvrede over het project alleen maar toe. Zij wilde Italië al snel uit het project halen omdat het geen winst voor Italië had opgeleverd, maar benadrukte ook goede banden te willen onderhouden met China. In maart volgend jaar zouden de afspraken tussen China en Italië aflopen, tenzij beide partijen voor verlenging zouden kiezen. Daar heeft Italië uiteindelijk niet op gewacht.
China introduceerde het Nieuwe Zijderouteproject in 2013 om de handel met Azië, Europa, het Midden-Oosten en Afrika te stimuleren. Sindsdien investeerde het land miljarden in de aanleg van nieuwe wegen, spoorlijnen en andere infrastructuurverbindingen. De zorgen van Italië zijn niet uniek. Veel Europese landen zien de BRI als een instrument dat China inzet om zijn invloed op de wereld te vergroten. Landen in Afrika, Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika zien de BRI vaak als een welkome bron van investeringen, zeker als alternatief voor Westerse hulp, al zijn er ook veel landen die door hoge Chinese leningen in de schulden kwamen.
Lees ook China’s megaproject om de wereld te verbinden heeft na tien jaar zijn glans verloren
De strijd om TikTok heeft zich afgelopen maanden op verschillende schaakborden tegelijk afgespeeld.
Eerst maakte de Amerikaanse politiek het lot van de populaire video-app tot een zaak van nationale veiligheid. Vervolgens werd TikTok een aantrekkelijke prooi voor vrienden van president Trump en technologie-investeerders met diepe zakken. En nu is het ook nog wisselgeld geworden in een van de grootste confrontaties in de handelsoorlog die Trump met zijn importheffingen heeft ontketend: de krachtmeting met China.
De media-gevoelige president voelt zich persoonlijk sterk betrokken bij de strijd om de app, die in de Verenigde Staten zo’n 170 miljoen gebruikers heeft. Zo opperde hij een dag voordat hij China trof met een importheffing van 34 procent (bovenop een eerdere heffing van 20 procent): „Misschien haal ik er wel een paar punten vanaf” als China ermee instemt dat TikTok in Amerikaanse handen komt. „Ik ben een flexibel mens.”
Het onderhandelen kon wat Trump betreft beginnen. Maar China hapte niet, althans niet meteen.
Het Chinese ministerie van Financiën liet vrijdag ijskoud weten dat het de nieuwe Amerikaanse heffing van 34 procent voor invoer uit China beantwoordt met een eigen, even grote heffing voor invoer van diensten en producten uit de Verenigde Staten. Over TikTok geen woord. En dat is belangrijk, want behalve ByteDance, het Chinese moederbedrijf van TikTok, moet ook de Chinese overheid instemmen voordat sprake kan zijn van een gehele of gedeeltelijke verkoop van TikTok.
Onzeker
De toekomst van de app is al sinds april vorig jaar onzeker. Toen kwam met steun van de Democratische en Republikeinse partijen een wet door het Congres die bepaalde dat TikTok vanwege „nationale veiligheidsrisico’s” uiterlijk 19 januari verkocht moest worden aan een Amerikaanse partij, en anders in de VS verboden zou worden. Minder dan 20 procent van de aandelen mocht nog in buitenlandse handen blijven.
Het motief voor die wet was tweeledig. Enerzijds bestond de vrees dat de China via TikTok de hand kan leggen op allerlei persoonlijke informatie van Amerikaanse gebruikers. En anderzijds dat China Amerikaanse gebruikers via TikTok kan beïnvloeden met propaganda en nepnieuws.
Buiten het Hooggerechtshof in Washington wordt een TikTok-filmpje gemaakt.
Foto Getty Images
Toen de deadline van 19 januari verstreek, was er over de verkoop van TikTok nog geen akkoord in zicht. Het bedrijf zette de app zelf kort op zwart, maar de volgende dag werd Donald Trump tot president geïnaugureerd. Per decreet verlengde Trump meteen de verkoopdeadline (tot deze zaterdag, 5 april), waarna de site, die minder dan een dag uit de lucht was geweest, weer functioneerde. Maar ook deze deadline verstreek voor er een akkoord over de verkoop van TikTok kon worden bereikt. Trump gaf zichzelf vrijdagavond een nieuwe deadline, over 75 dagen moet het rond zijn.
In zijn eerste termijn had Trump geprobeerd TikTok te verbieden, maar nadat hij in de laatste campagne veel steun op het platform had ondervonden, was hij TikTok gaan waarderen. Hij heeft er nu ruim 15 miljoen volgers.
Gretigheid
Inmiddels was duidelijk dat er bij Amerikaanse investeerders grote gretigheid bestond om de app van ByteDance over te nemen. Omdat er dankzij reclame-inkomsten veel geld mee te verdienen is, maar ook omdat er veel data mee te verzamelen zijn die gebruikt kunnen worden voor het trainen van kunstmatige intelligentie.
Meerdere partijen meldden zich volgens Amerikaanse media bij het Witte Huis. Van het begin af aan werd Larry Ellison genoemd, de oprichter van softwarebedrijf Oracle die een nauwe band met Trump heeft. In januari zei Trump in verband met TikTok en Ellison: „Ik wil graag dat Larry het koopt.” Samen met onder meer het grote investeringsfonds Andreessen Horowitz zou hij een bod hebben voorbereid. Maar ook technologiebedrijf AppLovin, Amazon en het grotendeels op porno gerichte platform OnlyFans zouden in de markt zijn.
TikTok-beroemdheid Mikayla Rowan maakt een video in een garage.
Foto Reuters
De regering-Trump leek zich in het TikTok-dossier vooral te hebben beziggehouden met de vraag welke Amerikaanse bieder haar voorkeur heeft, en onder welke voorwaarden een deal kon worden voorgelegd aan Bytedance. Dat bedrijf is in Beijing gevestigd en valt dus onder de Chinese wet. Ook al is zestig procent van de aandelen van Bytedance in buitenlandse handen (onder meer van Amerikaanse investeerders als General Atlantic, Susquehanna, KKR), verkoop van TikTok kan niet zonder dat de Chinese regering ermee instemt. Bytedance geldt als een van de belangrijke bedrijven op het gebied van kunstmatige intelligentie in China.
Volgens een in Amerikaanse media uitgelekt plan zou er een Amerikaanse tak van TikTok afgesplitst kunnen worden, waarvan Bytedance dan bijvoorbeeld 19,9 procent zou kunnen behouden. Het algoritme dat TikTok tot zo’n succes heeft gemaakt, zou in handen van Bytedance blijven, maar aan de Amerikanen worden geleased.
Maar wat dat precies zou betekenen, blijft tot dusver vaag. De cruciale vraag daarbij blijft: als China al met zo’n uitkomst akkoord gaat, wordt er daarbij wel genoeg rekening gehouden met het veiligheidsprobleem dat de vorig jaar aangenomen wet moest oplossen? Heeft China dan werkelijk geen greep meer op gegevens van Amerikaanse gebruikers, en op wat zij voorgeschoteld krijgen?
Een op de vijf werknemers van KLM overweegt te stoppen met zijn baan bij de luchtvaartmaatschappij. Vooral de mensen die werken in de grondafhandeling – bagage, platform, check-in van passagiers – ervaren zo’n hoge werkdruk dat ze ander werk willen.
Dat blijkt uit een enquête die vakbond FNV in februari hield onder 1.500 KLM-werknemers. Bijna twee van de drie medewerkers (63 procent) vindt de werkdruk op Schiphol (zeer) hoog, zegt de bond. Die druk is volgens hen dit jaar gestegen.
Dat een op de vijf KLM’ers zou willen vertrekken noemt de bond „zorgelijk” voor de best betalende luchtvaartmaatschappij van Nederland. In 2022 leidde een tekort aan grondpersoneel (bagagemedewerkers) tot chaos op Schiphol. KLM kampt nu nog steeds met tekorten, onder meer bij technisch onderhoud.
FNV hield eerder dergelijk onderzoek in de zorg: in 2023 zei 41 procent van medewerkers in de verpleeghuis- en thuiszorg dat ze ander werk willen. In ziekenhuizen overwoog 32 procent te stoppen.
In een reactie stelt KLM dat het bedrijf ook zelf onderzoek doet naar de werkdruk. „Die resultaten zijn overwegend positief, maar er is altijd ruimte voor verbetering”, meldt een woordvoerder. „Ons doel is om iedereen een gezonde, prettige en veilige werkomgeving te bieden.”
De KLM-woordvoerder vindt ook dat het wel meevalt met het personeelstekort – ook al noemde het bedrijf het afgelopen jaar een tekort aan met name piloten en technici een oorzaak van de slechte financiële resultaten. „De afgelopen jaren hebben we duizenden nieuwe collega’s aangenomen en de meeste bedrijfsonderdelen zijn nu goed bezet”, zegt ze. „Collega’s zeggen dat dit zijn vruchten afwerpt. Dat zien we ook aan de uitstroom: die is met 4 procent een stuk lager dan het landelijke gemiddelde van 15 tot 20 procent.”
Veiligheid
Meer dan de helft van de KLM’ers die FNV heeft bevraagd vindt dat de veiligheid tijdens het werk te lijden heeft onder de gestegen werkdruk. Het aantal collega’s dat uitviel vanwege ziekte is het afgelopen jaar toegenomen, stelt 56 procent.
„Ik merk dat ik vaker fouten maak”, onderschrijft een op de vijf werknemers een stelling in het onderzoek. Medewerkers benadrukken dat ze niet de indruk willen wekken dat de veiligheid niet op orde is, maar het vooruitzicht van nog meer werkdruk baart hen zorgen. „Op het gebied van veiligheid doet KLM het misschien wel het beste op Schiphol”, stelt Hacer Karadeniz, FNV-bestuurder luchtvaart, „maar de vrees is dat dit op sommige plekken onder druk komt te staan door maatregelen die de werkdruk alleen nog maar verhogen.”
Een medewerker zegt in de enquête: „Je hebt een taak nog niet afgehandeld of de volgende staat al weer in je handheld.” Hij bedoelt zijn mobiele werkcomputer. „Passagiers hebben een korter lontje dan vroeger”, zegt een ander. „Elke dag mensen tekort, geen ruimte voor verlof”, klaagt een KLM’er.
FNV komt met het onderzoek tijdens de onderhandelingen voor een nieuwe cao voor de pakweg 30.000 werknemers van KLM. De gesprekken met de tien bonden voor grond, cockpit, cabine, techniek en kantoor verlopen moeizaam.
Volgens FNV is twee van de drie medewerkers op dit moment ontevreden met z’n salaris. KLM zegt echter geen geld te hebben voor loonsverhoging. De financiële resultaten over 2024 waren „tegenvallend”, aldus KLM in maart. Het bedrijf vliegt nog niet op volle capaciteit, onder meer door te weinig beschikbare mensen.
Terwijl medewerkers nu al klagen over de werkdruk wil KLM dat werknemers nog harder gaan werken. In het kader van het herstelprogramma Back on track, dat KLM structureel 450 miljoen euro per jaar meer inkomsten moet bezorgen, wil de directie dat de ‘arbeidsproductiviteit’ 5 procent stijgt. FNV vreest dat dat neerkomt op ‘meer doen met minder mensen’.
Klopt niet, zegt de woordvoerder. „Het gaat om efficiënter, effectiever samenwerken – met het hele team meer werk verzetten in dezelfde tijd. Dit betekent niet dat elke collega harder moet werken, maar dat we slimmer gaan werken.”
Het schoolzwemmen keert ondanks de wens van de Tweede Kamer voorlopig niet terug in het onderwijs. Dat schrijft staatssecretaris Vincent Karremans (VVD) van Jeugd, Preventie en Sport vrijdag in een brief aan de Tweede Kamer. Volgens Karremans is schoolzwemmen in ogen van het kabinet te duur. Daarnaast kost het ruim honderd extra onderwijsuren en is er een „zeer beperkt” draagvlak onder schoolleiders.
De herinvoering van het verplichte schoolzwemmen zou 145 miljoen euro per jaar kosten. Dat geld is er volgens Karremans niet, zo heeft het kabinet uitgezocht. „Scholen moeten zich kunnen focussen op de basisvaardigheden lezen, schrijven en rekenen, zoals dat ook is vastgelegd in het regeerprogramma”, aldus de staatssecretaris.
Karremans’ brief is een reactie op een vijftal moties van de SP en GroenLinks-PvdA waarin aandacht voor zwemmen en zwemonderwijs werd gevraagd. In februari vorig jaar stemde een Kamermeerderheid nog voor de terugkeer van het schoolzwemmen in het Nederlandse onderwijs, maar het kabinet kiest ervoor die motie niet uit te voeren.
Aantal kinderen zonder diploma stijgt
Op veel plekken is het schoolzwemmen afgeschaft, vaak omdat gemeenten het niet langer subsidieerden. De afgelopen jaren is het aantal kinderen zonder zwemdiploma toegenomen. Had in 2018 ruim 94 procent van de kinderen nog een zwemdiploma, was dat in 2022 gedaald naar 87 procent.
Het zijn vooral kinderen uit armere gezinnen of met een migratieachtergrond die niet naar zwemles gaan. Op dit moment kost het behalen van een A-diploma, voor de basiszwemvaardigheden, tussen de 500 en 1.100 euro per kind. Die kosten zitten hem niet alleen in het lesgeld, maar ook in de inschrijving, het afzwemmen en het vervoer naar het zwembad.
Hoewel Karremans dus niet voor een herinvoering van het schoolzwemmen kiest, wil hij wel inzetten op het aanpakken van de daling van het diplomabezit. Het kabinet wil de betaalbaarheid van zwemlessen garanderen, meer zweminstructeurs werven, het bewustzijn van het belang van de zwemvaardigheden vergroten en de fysieke afstand tot het zwembad verkleinen.
Karremans doet daarnaast een beroep op gemeenten. Hij wil hen vragen om ouders te helpen met het vinden van financiële regelingen waarmee zwemlessen goedkoper worden. Ook wil de VVD-staatssecretaris voor 2028 kinderen zonder diploma „beter in beeld” krijgen. Hij wil op zoek naar alternatieve manieren waarop ook zij ten minste één zwemdiploma kunnen behalen.