/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332826-10b599.jpg|https://images.nrc.nl/sh0GPmtTeiE4ZmvdR_hovJtnSHc=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332826-10b599.jpg|https://images.nrc.nl/QZJL5DXQ0QMMprSiYStykQYRyMU=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332826-10b599.jpg)
Discriminatie bestrijden met een filosofie van de oppervlakte
Hoe ‘diep’ moet je in je eigen of andermans geest graven om onbewuste vooroordelen de nek om te draaien? Of moet je helemaal niet graven maar aan de maatschappelijke oppervlakte blijven, waar discriminatie zich per slot van rekening afspeelt?
Lieke Asma, filosoof en psycholoog, keert zich in Blinde vlekken tegen het Freudiaanse ‘ijsbergmodel’, met het ego als topje van een berg aan onbewuste driften. Dat model probeert gedrag, ook vooroordelen en discriminatie, te verklaren vanuit een innerlijke, onbewuste laag ‘onder’ het bewustzijn. Asma volgt een heel andere weg. In plaats van zulke introspectie bepleit zij – onder meer in navolging van de latere Wittgenstein – een ‘filosofie van de oppervlakte’. Discriminatie ontstaat én moet worden bestreden in de sociale werkelijkheid, niet in een spookachtige geest.
Asma betoogt dat geëngageerd en met verve en – ook verfrissend – op basis van nu eens niet alleen de overbekende wijsgerige grootheden die in het gros van de Nederlandse publieksfilosofie opduiken. Niet weer vooral de onvermijdelijke Hannah Arendt of Simone de Beauvoir, maar de briljante Elizabeth Anscombe (niet toevallig leerling van Wittgenstein), een van de vrouwen die in Oxford de filosofische ethiek op de schop namen, en de Amerikaanse Sally Haslanger, over de sociale constructie van begrippen als gender. Zelfs taalfilosoof Donald Davidson komt langs, die ook grote invloed had op de philosophy of action.
Asma haalt hen aan op relevante plekken (geen name dropping), en legt hun ideeën helder uit. Misschien doordat zij ook psycholoog is, nog altijd een empirischer vak. Het samengaan van filosofie en empirische wetenschappen is een hedendaagse trend, waar dit boek bij aansluit. Asma beweert niet zomaar iets, ze onderbouwt het met argumenten én wetenschappelijk onderzoek – uitgebreid.
Dat laatste is ook het enige minpunt van haar boek: de kar met bewijs wordt zwaarder en zwaarder beladen met psychologisch onderzoek, terwijl het spoor al diep genoeg is. Iets compacter had dit prijzenswaardige boek net meer de punch gegeven die het verdient.
Citaat: „Als we het probleem van onbedoelde en onbewuste discriminatie echt willen doorgronden, dan moeten we onze aandacht richten op de buitenwereld [..] We moeten minder druk zijn met onszelf.”
Lieke Asma: Blinde vlekken. Hoe impliciete vooroordelen je (mis)leiden. Boom, 253 blz. € 24,90
Lees ook
Vooroordelen: te lang afgedaan als een gevoelskwestie
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332835-a5067a.jpg|https://images.nrc.nl/aR_h_jdmGowjpHKWcZqrjZ2PReA=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332835-a5067a.jpg|https://images.nrc.nl/FXC2xuKjQFwPPqzchlP1JlSYrug=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332835-a5067a.jpg)
Persoonlijke vrijheden die ‘meebewegen’ in het Calamiteitperk
In zijn jongste voorstelling, Onbekommerd, weet cabaretier (en filosoof) Tim Fransen „het academische gehalte precies goed te doseren”, merkte de recensent van NRC op. Dat was nog wel anders in eerdere voorstellingen, waarin „zijn geliefde filosofen soms tussen hem en het publiek kwamen te staan”.
Helaas, dat laatste is ook het probleem van In onze tijd, waarin Fransen uitgebreid afrekent met de „ideologie” van het moderne vooruitgangsgeloof dat ons, ondanks „ongekende’’ verbeteringen, aan de rand van de afgrond heeft gebracht in ‘het Calamiteitperk’, met de klimaatcrisis en een reeks andere rampen. Fransen is van 1988, een tijd van welvaart en ongebreideld liberaal optimisme, dus dit boek is ook het – herkenbare – verslag van een persoonlijke ontgoocheling.
Dat herkenbare is – behalve de lange gang langs filosofen en andere intellectuelen die hij helder samenvat – ook de achilleshiel van zijn boek. Zijn afscheid van het vooruitgangsgeloof is prikkelend noch origineel, je komt die in allerlei toonaarden al tegen in en buiten de filosofie. Alle usual suspects verschijnen ook in dit boek braaf voor het hekje, de arme Descartes voorop, de „vrolijke vooruitgangsprofeet” die beheersing van de natuur predikte, „kennis aan macht” koppelde en ons op weg hielp naar de ondergang. Tenminste, dat is het cliché over Descartes. Al duizenden jaren probeerden magische denkers hetzelfde – ‘kennis aan macht koppelen’ – het verschil is dat de wetenschap die Descartes wilde promoten ook echt werkte.
Magische denkers wilden ook al kennis aan macht koppelen – maar de wetenschap wérkte
Wat stelt Fransen voor om af te komen van onze „losse mores”? Hij put zich uit in algemene vrome wensen over „inspanningen van burgers”, „een nieuwe opvatting van politiek”, een „gesprek over morele en maatschappelijke waarden’’, waarbij we – gelukkig! – „de liberale democratie niet zomaar bij het grof vuil [moeten] zetten” maar ook niet compleet oordeelloos kunnen blijven over hoe mensen hun leven invullen.”
Misschien flauw om zo hap-snap te citeren, maar veel meer vlees zit er in zulke passages niet aan de botten. Onze persoonlijke vrijheden zullen moeten „meebewegen” met het Calamiteitperk, dat heeft corona ons geleerd, maar hoe? Dat „zullen we moeten onderzoeken”.
Ook begint de amicale toon die cabaretiers eigen is te hinderen in dit boek („ik hoor jullie denken: Tim, …”, „De Koude Oorlog, je weet wel, die krankzinnige periode..,”), een Jeugdjournaal-aanspreekvorm die je in zoveel Rutger Bregman-variaties tegenkomt. De lezer wordt bij de hand genomen als een kleuter en krijgt af en toe een aai over de bol – of een standje.
Hoewel, zoals met meer boeken met een ‘grote greep’ die de behoefte aan een rechtlijnige tijdsdiagnose bevredigen: het publiek denkt er anders over. Fransens boek beleefde al zijn achtste druk.
Citaat: „We maken het onszelf moeilijk als we ons vrijheid voorstellen als een onaantastbaar, heilig principe.”
Tim Fransen: In onze tijd. Leven in het Calamiteitperk. Alfabet, 368 blz. € 24,99
Lees ook
Zo overleven we het ‘Calamiteitperk’, volgens cabaretier en filosoof Tim Fransen
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332844-e10eb3.jpg|https://images.nrc.nl/tNAY4PJgkNhucHQA2d8Jb9wwqDA=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332844-e10eb3.jpg|https://images.nrc.nl/MoS3xRB5HpIFo9YRvS5tx_rwajI=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332844-e10eb3.jpg)
In opgefokte tijden hebben we de kroeg hard nodig
Zou het leuk zijn om met Hans Schnitzler aan de bar te zitten? In elk geval wel onderhoudend, voor wie een zekere leeftijd heeft bereikt.
Behalve misschien als je toevallig een extreem-rechtse politicus bent.
In Filosofie van de kroeg, een luchtig essay, memoreert hij (ik gebruik dit werkwoord om in de stijl van het boek te blijven) hoe hij een – niet bij naam genoemde, maar Baudet-achtige – extreem-rechtse politicus uit zijn stamcafé verjoeg („Het fascisme is terug van nooit weggeweest, beste mensen. Kijk, daar zit het!”). Triomfantelijk, maar bij nader inzien toch ook beschroomd want, vraagt hij zich af, schond hij met die actie niet de geborgenheid die hoort bij de „sociale microkosmos” van de kroeg, die „sociëteit van de geest” waar iedereen zich in quasi-anonimiteit veilig moet kunnen voelen?
De (bruine) kroeg, meent Schnitzler, is een „hybride tussenruimte”, niet privé zoals de huiskamer maar ook niet publiek zoals een plein. Het komt in de buurt van – ja, daar is ze – „Hannah Arendts ideaal van de publieke ruimte”. Die „balanceeract tussen afstand en nabijheid” van de kroeg, met zijn „wil tot vriendelijkheid”, hebben we in intolerante en opgefokte tijden hard nodig. Want „er wordt daar, idealiter, iets voorgeleefd waar we als samenleving lering uit kunnen trekken”.
Wie onzeker waggelende kroeggangers na sluiting heeft bekeken ziet toch eerder een tableau van Jeroen Bosch
Dat ‘idealiter’ moet je er dan wel bij zeggen, want iedereen die wel eens rond sluitingstijd de parade van rood aangelopen, onzeker naar de deur waggelende stamgasten (en zichzelf) heeft bekeken ziet eerder een tableau van Jeroen Bosch dan een maatschappelijk Utopia.
Dit is een licht, reflectief essay, bij vlagen oubollig – het idee ervoor ontstond, uiteraard, in gesprek met „een goede vriend” in de tuin – maar geen filosofisch werk dat lang beklijft.
Citaat: „Ontegenzeggelijk kent het geregelde caféleven zo z’n eigen afgrondelijkheden, waarvan het risico op alcoholmisbruik niet de geringste is.”
Hans Schnitzler: Filosofie van de kroeg. De Bezige Bij, 174 blz. € 19,99
Lees ook
Filosofie van de kroeg: de samenleving kan niet zonder het café
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332841-65cbdd.jpg|https://images.nrc.nl/YEGpNnrO9lGnJE4v-Bx0qHb2xEY=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332841-65cbdd.jpg|https://images.nrc.nl/hez_ygmaBufKmrHnDb19BtEeZ5o=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332841-65cbdd.jpg)
Hoe dichten we de kloof tussen stad en platteland?
Is de kloof tussen stad en platteland echt zo groot als wel wordt beweerd? Filosoof, conflictbemiddelaar en gespreksleider Wouter Mensink, zelf een „plattlandverlater”, probeert die kloof te overbruggen. Hij doet dat in een voorzichtig, tastend en mijmerend betoog, aan de hand van persoonlijke ervaringen (van hemzelf en zijn naasten) en het werk van filosofen als Bruno Latour, Jean Baudrillard, maar ook van de Amerikaanse highbrow-cultuurjournalist Greil Marcus en zanger Nick Cave.
Die aanpak strookt met Mensinks pleidooi voor „ervaringsdenken’’, dat niet vertrekt vanuit abstracte beginselen of axioma’s maar vanuit de levende ervaring van betrokkenen – in dit geval mensen in de stad en op het land, en in de route ertussen. Dus ontmoeten we aan het begin van de hoofdstukken zijn oma, moeder, vriendin, gaan we uit logeren, maken we een reisje naar Boedapest en een autotocht door de Appalachen in de VS.
Dat is sympathiek, maar de autobiografische intermezzo’s houden het toch al weinig strakke betoog wel danig op. En net als Fransen bedient Mensink zich graag van spreektaal-op-schrift („Ik heb me wel eens afgevraagd…”). Wat is uiteindelijk zijn remedie voor de vervreemding tussen stad en land? Onder meer: „familiegesprekken”, verduurzaming en samenkomen rond het „vreugdevuur”, een rurale traditie die, inderdaad, verbindt.
Ook aan dit boek kun je best je handen warmen – maar tegelijk verstrikt het zich voor een filosofisch werk teveel in de eigen, onbeantwoorde vragen.
Citaat: „Ik heb het gevoel dat we heel anders denken over plattelandsverlating dan over stadsverlating en zou graag eens een essay lezen dat dat punt fundamenteel onderzoekt.”
Wouter Mensink: Hoe we uit het dorp vertrokken. Filosofie tussen stad en platteland. Boom, 192 blz. € 23,90
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332853-bc5314.jpg|https://images.nrc.nl/aCBbgEaLacLwa7sQsQkCSeV6jrI=/1920x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332853-bc5314.jpg|https://images.nrc.nl/zHHMIfb_yeN4pwZe2Ps3KINdgGc=/5760x/filters:no_upscale()/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data130332853-bc5314.jpg)
Op zoek naar de ‘wetten’ van het toeval
Dit boek doet wat je van een filosofieboek verwacht: een algemeen bekend begrip onderzoeken en dat door nadenken proberen te verhelderen.
Want wat is toeval? Hoe verhoudt het zich tot ‘stom’ geluk, of tot pech, en waarom kennen we er vaak toch betekenis aan toe (‘dat kán geen toeval zijn’)?
Hopster, filosoof aan de Universiteit Utrecht, onderscheidt zes grondbetekenissen van het begrip ‘toeval’, van ‘existentieel’ (dingen die ‘zomaar’ gebeuren) tot statistisch (onwaarschijnlijkheid in kansberekening) en ‘coïncidenties’ (het samenvallen van gebeurtenissen die samen ‘betekenis’ lijken te hebben). Ook maakt hij verschil tussen ‘dom toeval’ (het chaotisch samenvallen van gebeurtenissen) en ‘slim toeval’ (een kuilgraver die op een schat stuit). De doelgerichtheid van de handeling is het criterium.
Ook Hopster put uit andere disciplines, want in de fenomenologie van toeval komt hij niet om chaostheorie en kwantumfysica heen. Soms raak je dan wel in de war of Hopster het nu heeft over het verschijnsel toeval of over de inhoud van ons begrip ervan. Geeft hij een conceptuele analyse (wat wij denken over toeval) of een metafysische, een beschrijving van de werkelijkheid?
Hij komt tot vier ‘toevalswetten’ (die je ook weer niet te serieus moet nemen, ze zijn ook provocatief-ludiek). Zoals deze, tweede ‘wet’: „De giften van het toeval zijn het bruikbaarst in samenspel met noodzaak sturing, intentie en intelligentie.” Kortom, laat niet álles aan toeval over.
Prikkelend is ook Hopsters bondige uiteenzetting met Jurriën Hamers boek Waarom schurken pech hebben en helden geluk (Socratesbeker 2022), over ethiek en de vrije wil. Hamer betoogde dat mensen zozeer het product zijn van ‘toevallige’ (niet gekozen) afkomst en genetische bouw dat lof en blaam misplaatst zijn; succes of falen zijn immers een kwestie van geluk of pech.
Dat past bij de meritocratie-kritiek die in het Nederland van de ‘zeven-vinkers’ klinkt, maar Hopster vindt dat Hamer de rol van toeval zo „reusachtig groot” maakt. Paradoxaal gevolg is dat het uitmondt in determinisme: als álles bepaald is door ‘toeval’, bestaat alleen nog noodzaak. Een onaantrekkelijke conclusie die Hopster wil ontlopen met zijn vierde wet: „Blaas je het toeval al te veel op, dan spat het als een ballon uit elkaar.” Daar hoeft dit boek niet bang voor te zijn. Het zou een speling van het lot zijn, in de zin van onwaarschijnlijk, als de Socratesbeker niet hem of Asma in handen valt.
Citaat: „Wij bespelen het toeval, maar het toeval bespeelt ons ook.”
Jeroen Hopster: Toeval. Een onvoorziene filosofie. Boom, 256 blz. € 24,90
De winnaar van de Socratesbeker wordt op 9 april bekendgemaakt in Spui25 en in het NPO Radio 1-programma Kunststof.
