De grootste militaire machten van Europa werken aan een plan om in de komende vijf tot tien jaar meer verantwoordelijkheid te nemen voor de defensie van het continent. Dat meldt The Financial Times op basis van vier Europese functionarissen. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland zijn onder meer betrokken bij de besprekingen. Het doel is een voorstel aan de regering-Trump voor te leggen voorafgaand aan de jaarlijkse NAVO-top in juni in Den Haag.
De besprekingen zijn bedoeld om een terugtrekking van de Verenigde Staten uit de NAVO te voorkomen, een angst die is aangewakkerd door de herhaalde dreigementen van president Donald Trump om de trans-Atlantische alliantie, die Europa al bijna acht decennia beschermt, te verlaten. Volgens de functionarissen zou het ongeveer vijf tot tien jaar van verhoogde defensie-uitgaven vergen om de Europese militaire capaciteiten op een niveau te brengen waarop ze de meeste Amerikaanse taken kunnen overnemen.
Lees ook
Nederland is ditmaal niet de boosdoener op de EU-top: overleg toont scheurtjes
Stevige toezeggingen
Het voorstel zou stevige toezeggingen bevatten over het verhogen van de Europese defensie-uitgaven en het versterken van militaire capaciteiten. De landen hopen zo Trump te overtuigen om de NAVO niet te verlaten. De VS geven meer uit aan defensie dan alle andere NAVO-bondgenoten samen en zijn daarmee onmisbaar voor de Europese veiligheid. „Uitgaven verhogen is de enige optie die we hebben”, zei een van de functionarissen tegen The Financial Times.
Hoewel Amerikaanse diplomaten hun Europese collega’s hebben gerustgesteld dat Trump de VS niet zal terugtrekken uit de NAVO, zijn veel Europese landen bezorgd dat de president dat plotseling wel zal doen.
Op de vraag of het plan van de Europese landen haalbaar is, antwoordde een van de functionarissen dat dat nu al te zien is: „Het VK en Frankrijk nemen het initiatief voor een plan zonder de Amerikanen”. De functionaris doelt daarmee op de vorming van een coalition of the willing om Oekraïne te steunen. Deze groep bestaat nu uit ongeveer dertig landen.
De baas van ’s werelds grootste oliebedrijf, Amin Nasser van Saudi Aramco, weet het zeker. De energietransitie is mislukt, en het gaat ook niks meer worden. „Elvis laat nog eerder van zich horen dan dat dit gaat vliegen”, stelde hij onlangs in een toespraak op de grootste energiebeurs van de wereld, de CERAWeek in Houston.
In zijn ogen is dat maar goed ook, want de energietransitie voert de mensheid eerder naar „een dystopie dan een utopie”, aldus Nasser. Die jaagt burgers en bedrijven op kosten, want hernieuwbare energie zou veel duurder zijn dan fossiele energie. En dat is dan in het ‘gunstige’ geval dat burgers en bedrijven überhaupt energie kunnen krijgen. Want van groene energie is er nog lang niet genoeg om aan ieders vraag te voldoen.
Nassers devies daarom: laten we nou vooral niet te snel afscheid nemen van fossiele brandstoffen. Het is beter om die groene ambities voorlopig terug te schroeven.
Nasser verkondigt deze boodschap al een paar jaar, en dat is natuurlijk niet verwonderlijk; zijn bedrijf gedijt bij een hoge olieconsumptie. Saudi Aramco is in zijn eentje goed voor zo’n 10 procent van de mondiale olieproductie. Het verdient jaarlijks honderden miljarden dollars aan olie.
Toch kun je je zo langzamerhand afvragen of Nasser misschien een punt heeft. Is de energietransitie inderdaad aan het vastlopen? Pijnlijke signalen stapelen zich in hoog tempo op. Op alle fronten. Er is momenteel stagnatie bij bedrijven, bij overheden en bij burgers. Kijk maar.
Handdoek in de ring
Behalve Saudi Aramco gooien ook andere olie- en gasbedrijven de handdoek in de ring als het gaat om vergroeningsplannen. Daaronder zijn ook bedrijven die eerder in ieder geval nog zeiden dat ze verduurzaming belangrijk vonden.
Het Britse BP keerde vorige maand terug op zijn groene schreden, nadat Shell vorig jaar al een vergelijkbare draai maakte. BP-topman Murray Auchincloss gebruikte bij die u-bocht zelfs dezelfde argumenten en koos goeddeels dezelfde woorden als Nasser van Saudi Aramco. „Ons optimisme over een snelle energietransitie was misplaatst”, zei hij. „Een nieuwe wereld vraagt om een nieuwe aanpak.”
Voor die oliebedrijven en hun groene ambities was de energiecrisis van 2022 in feite al de grote deal-breaker. De oliebedrijven zeiden destijds zelf weliswaar dat die crisis duidelijk had gemaakt dat er onvoldoende groene energie was om het gat te vullen van wegvallende (Russische) fossiele energie. Maar de energieprijzen rezen daardoor natuurlijk ook de pan uit, waardoor extra inzetten op fossiele energiebronnen lucratiever werd.
Luchtopname van de ExxonMobil raffinaderij bij Joliet, Illinois, in de VS. Foto Tannen Maury/EPA
Zelfs de ‘echte’ groene spelers lijken in de knel te komen. De Deense windmolenbouwer Orsted is momenteel verwikkeld in een financiële overlevingsstrijd. De beurskoersen van andere duurzame energieproducenten zoals windturbinemaker Vestas staan onder druk. Europa’s gedroomde batterij-kampioen Northvolt ging begin deze maand failliet. Anderhalve week geleden ging de Nederlandse turbinemaker Emergya onderuit.
De komende aanbesteding voor nieuwe windparken in de Noordzee dreigt een fiasco te worden, terwijl wind op zee tot voor kort hét succesverhaal van de Nederlandse transitie was. Europese plannen voor meerdere ‘groene’ waterstoffabrieken zijn de afgelopen tijd geschrapt, en bij biobrandstoffabrieken waar men reeds begonnen was met de bouw zijn ‘tijdelijke’ bouwstops ingelast.
De belangrijke CO2-opslagprojecten in de Noordzee, Porthos en Aramis, verlopen niet zonder slag of stoot. Bovendien zit het stroomnet momenteel dusdanig vol dat nieuwe woonwijken en bedrijven niet meer aangesloten kunnen worden.
Groene linie
Over de gehele groene linie kraakt het, kortom. Olof van der Gaag van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) zegt: „Er gaat nog steeds opmerkelijk veel goed, maar we staan nu wel voor een afslag. Gaan we door met groen, of kiezen we toch voor het verleden, voor fossiel? Het is ongewis nu.”
Er zijn allerlei redenen waarom bedrijven op dit moment worstelen, maar de rode draad is dat ze het steeds moeilijker vinden om geld te verdienen met de verduurzaming, hoor je van mensen die dagelijks met de transitie bezig zijn. En als bedrijven geen geld kunnen verdienen, is het feest meestal snel afgelopen. „Zo werkt het nou eenmaal in ons economische systeem”, zegt Paul Nillesen van adviesbureau PwC.
Gaan we door met groen, of kiezen we voor het verleden, voor fossiel?
Je kunt twisten over wat een gezond rendement precies is – zeker bij beursgenoteerde bedrijven lijkt het onderste uit de kan gehaald te moeten worden. „Maar er is geen onderneming die het zich kan permitteren lange tijd verlies te lijden”, aldus Nillesen.
Dat die business case verslechtert, is volgens hem weer het gevolg van een giftige cocktail van oplopende kosten (door de hoge rente en inflatie wordt alles duurder en de uitbreiding van het stroomnet leidt ook tot extra kosten voor bedrijven, omdat de netbeheerders die investeringen doorberekenen aan hun klanten) én een achterblijvende vraag. Waar je voorheen de stroom die je kon maken met een nieuw windpark bijvoorbeeld zo verkocht had, is dat nu bijvoorbeeld een stuk moeilijker geworden.
En dat komt weer doordat de industrie en andere bedrijfstakken, zoals de luchtvaart en scheepvaart, talmen met verduurzamen, of dat überhaupt moeilijk zeggen te kunnen. Omdat de technologie nog niet beschikbaar is, of voorlopig onbetaalbaar, of omdat ze geen stroomaansluiting kunnen krijgen omdat het stroomnet vol zit. Een staalfabriek ombouwen zodat die elektrisch kan stoken in plaats van met kolen, kost miljarden. En als je het met waterstof wil doen, is het nog duurder.
Staalbedrijven en chemische fabrieken worden daarbij ook nog geconfronteerd met hoge energieprijzen, en moordende concurrentie uit China. Zij zeggen bovendien dat hún klanten op hun beurt weer niet bereid zijn om meer te betalen voor groenere producten. Kortom: het kan niet meer uit. Nillesen: „Het is een hele keten van knelpunten. Maar het gevolg is: iedereen wacht op elkaar.”
Een opslagplaats voor ruwe olie in de Amerikaanse staat New Jersey. Opslagplaatsen voor ruwe olie in Oklahoma. Veel olie- en gasbedrijven gooien de handdoek in de ring als het gaat om de energietransitie.
Foto’s Justine Lane/EPA, Nick Oxford/Reuters
Een opslagplaats voor ruwe olie in de Amerikaanse staat New Jersey. Opslagplaatsen voor ruwe olie in Oklahoma. Veel olie- en gasbedrijven gooien de handdoek in de ring als het gaat om de energietransitie.
Veel bedrijven die dagelijks met de transitie te maken hebben, concluderen dat het laaghangend fruit in feite geplukt is: de verduurzaming van het ‘elektrische’ deel van onze energievoorziening, denk aan stroomgebruik door bijvoorbeeld huishoudens. Dat was relatief makkelijk te doen, want stroom die je voorheen met gas maakte kon je eenvoudigweg vervangen door stroom die met windmolens of zonnepanelen was opgewekt.
Stroperig
Nu begint het moeilijkste stuk, en dan wordt het ineens heel stroperig. Nu moet het ‘moleculaire’ gedeelte van onze energievoorziening vergroend worden. Brandstoffen dus, waarin koolstofmoleculen zitten. Denk aan gas voor de verwarming van huizen en kantoren en brandstoffen die in de industrie en het transport worden gebruikt.
Het is een hele keten van knelpunten. En iedereen wacht op elkaar
Dat is ingewikkelder, want elektrische motoren voor grote vliegtuigen zijn er bijvoorbeeld nog niet. En elektrische ovens kunnen vaak niet de hoge temperaturen bereiken die nodig zijn om bijvoorbeeld staal te smelten.
„Helaas is dat moleculaire stuk veel groter dan het elektrische stuk, 20 versus 80 procent”, zegt Jan Willem van den Beukel van de branchvereniging van brandstofproducenten in Nederland, Vemobin. „De focus was lange tijd vooral op het elektrische deel gericht. Maar we moeten ook dat moleculaire stuk nog doen. En dat zijn we vergeten.”
Om hier doorheen te komen, zegt hij, hebben bedrijven hulp nodig. Van de overheid vooral, die financieel kan helpen de business case wél rond te krijgen, en vraag kan ‘creëren’ door bijvoorbeeld regels te maken die klanten dwingen bepaalde groene producten te kopen. „De markt kan dit niet alleen. Het is lang taboe geweest in onze liberale wereld, maar we hebben nu toch echt ingrijpen nodig”, aldus de lobbyist.
Maar juist nu lijken overheden te aarzelen, en niet alleen in de Verenigde Staten, waar president Donald Trump bezig is het totale klimaatbeleid van zijn voorganger bij het vuilnis te zetten. Ook in Europa wordt het tempo uit de Green Deal gehaald – uit vrees voor de toorn van de kiezer die het gevoel heeft onnodig op kosten te worden gejaagd.
Medewerkers van Tennet werken aan de elektriciteitslijnen boven Eindhoven Zoo. Foto Rob Engelaar
In Brussel gaat het momenteel meer over het actieplan voor betaalbare energie en over ‘strategische autonomie’ dan over vergroening. Daarbij speelt de toenemende geopolitieke grilligheid, mede veroorzaakt door de voortdurende bedreigingen vanuit Rusland en door de Amerikaanse regering die Europa zowat als vijand benadert, natuurlijk een cruciale rol. De Europese Commissie komt de auto-industrie tegemoet door strenge emissierichtlijnen af te zwakken. En, belangrijker, de discussie over de invulling van het vergaande reductiedoel voor 2040 (90 procent) is voorlopig uitgesteld.
Voorzichtiger
Intussen worden ook individuele lidstaten voorzichtiger. President Macron van Frankrijk pleitte twee jaar geleden al voor een ‘pauze’ in de Brusselse klimaatambities. Zelfs Duitsland, kampioen van de duurzame energie, schortte vlak voor de verkiezingen honderden plannen voor windmolenparken op. De PVV, de grootste coalitiepartij in Nederland, wil extra geld voor defensie weghalen bij klimaat. Ierland wacht een miljardenboete uit Brussel omdat het onvoldoende plannen heeft voor 2030.
Het gebrek aan politieke wil is ook zichtbaar in de mondiale onderhandelingen. Niemand lijkt nog raar op te kijken van het feit dat de voorzitter van de klimaattop in 2023 in Dubai ceo was van een van de grootste oliebedrijven ter wereld, en dat de president van Azerbeidzjan, waar vorig jaar de top plaatsvond, in zijn openingsspeech olie en gas „een geschenk van God” noemde.
De gevolgen worden pijnlijk zichtbaar in de nieuwe reductiedoelen voor 2035, die landen voor 10 februari moesten inleveren bij het klimaatbureau van de Verenigde Naties, de zogeheten nationaal bepaalde bijdrage (NDC). Van de euforie van 2015, toen 195 landen het Klimaatakkoord van Parijsakkoord goedkeurden, is niets meer over.
Slechts een handjevol landen heeft zijn NDC op tijd ingeleverd. De meeste, ook de EU, kijken naar elkaar en wachten af. En wat er wel aan nieuwe plannen is binnengekomen is niet bemoedigend. Nieuw Zeeland bijvoorbeeld beloofde vijf jaar geleden om de uitstoot tot 2030 met 50 procent te reduceren (ten opzichte van 2005). Het reductiedoel voor 2035 is nu door de Nieuw-Zeelandse regering verhoogd tot 51 procent – en als het meezit 55 procent. Maar de kans daarop is klein, want de regering draait maatregelen terug om elektrisch rijden te stimuleren, en schuift een plan om de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw te beprijzen op de lange baan.
Veel landen proberen de zwakte van hun NDC te maskeren met een onwankelbaar vertrouwen in technologische oplossingen die vaak nog onbewezen zijn. De Japanse minister van Milieu Keiichiro Asao noemt zijn plannen zo ambitieus dat ze alleen haalbaar zijn met „innovatieve oplossingen”. Singapore erkent dat extra emissiereducties „sterk afhankelijk [zijn] van ontwikkelingen in opkomende mitigatietechnologieën en internationale samenwerking”. Zwitserland wil een groot deel van zijn CO2-reductie in het buitenland realiseren, waardoor de uitstoot in eigen land, die uiteindelijk toch naar netto nul zal moeten, niet omlaag gaat.
Er is, kortom, een groot verschil tussen beloftes en ‘maatregelen in de echte wereld’, real world action. Dat is de conclusie van de wetenschappers van Climate Action Tracker (CAT), een website waarop het klimaatbeleid van landen nauwkeurig wordt geëvalueerd.
Met de beloftes zit het wel goed. Als die op tijd en volledig zouden worden nagekomen, bedraagt de mondiale temperatuurstijging aan het einde van de eeuw ongeveer 1,9 graden Celsius – weliswaar meer dan de 1,5 graden die de beste garantie geeft op een veilige planeet, maar altijd nog minder dan de 2 graden die in het Parijsakkoord als een soort bovengrens geldt.
Alleen, moeten die beloftes dan wel zijn vertaald in concreet beleid. En dat is vaak niet het geval. Een land kan wel zéggen dat het in 2050 klimaatneutraal wil zijn, maar zolang onduidelijk is hoe dat gebeurt, heb je er weinig aan. Als je alleen kijkt naar beloftes die worden geschraagd door beleid, stevent de wereld volgens CAT af op 2,6 graden opwarming aan het einde van deze eeuw. Dat betekent meer droogte, afstervende koralen, fellere bosbranden, meer wateroverlast, langduriger hittegolven en ga zo maar door.
Een land waar nog wel grote klimaatambities bestaan, is het Verenigd Koninkrijk. ‘Keep 1.5 alive’, beperk de opwarming tot maximaal 1,5 graden Celsius, is de leus die de Britten bedachten voor de klimaattop in 2021 in Glasgow. En die staat wat hen betreft nog steeds fier overeind – met steun van een royale meerderheid van de bevolking.
Dat laatste is volgens het Climate Change Committee (CCC), het belangrijkste klimaatadviesorgaan van de Britse regering, een voorwaarde voor succes. Het ambitieuze klimaatdoel kan alleen bereikt worden met een (bescheiden) ingreep in het eet- en koopgedrag van het publiek, door vliegreizen duurder te maken, huizen beter te isoleren en anders te verwarmen, en te zorgen voor beter openbaar vervoer.
Volgens Emily Nurse van het CCC blijkt uit gesprekken in burgerpanels dat de meeste Britten best bereid zijn zo’n bijdrage te leveren. „We zien geen enkel teken dat het publiek wil dat we het klimaatbeleid vertragen”, zegt Nurse in The Guardian. De Britten vragen vooral om duidelijkheid van hun politici. „Ze willen een heldere boodschap over wat klimaatverandering voor hen betekent en wat we eraan gaan doen.”
Burgers
In Nederland lijkt de bezorgdheid over klimaatverandering wat te dalen, blijkt uit de vorige week gepubliceerde Nationale Monitor Energietransitie. „In lijn met het politieke debat lijkt het thema te worden overvleugeld door andere maatschappelijke problemen” schrijven de onderzoekers. Ze zien een zekere „klimaatmoeheid”. De bereidheid om te investeren in verduurzaming van de eigen woning is nog steeds relatief groot, maar begint snel te dalen – van 77 procent vorig jaar, naar 69 procent nu.
Volgens gedragswetenschapper Reint Jan Renes van de Hoge School Amsterdam, die onderzoekt hoe mensen omgaan met duurzame ontwikkeling en klimaatverandering, is er met klimaatbeleid te lang gewacht. „Nu moeten we aan de slag op terreinen waarvan we nog graag doen alsof er niets aan de hand is. Dan gaat het over voeding, de spullen die we kopen, de hoeveelheid water die we verbruiken of de ruimte die we innemen.”
Mensen hebben volgens Renes last van wat in de psychologie loss aversion heet, een soort natuurlijke aversie tegen verlies. Dat maakt het voor politici moeilijk om pijnlijke klimaatmaatregelen te verdedigen. Conservatieve politici hebben het gemakkelijker, denkt Renes. „Zij voelen er weinig voor om burgers op hun eigen verantwoordelijkheid voor klimaatverandering aan te spreken. Ze kunnen zeggen dat we helemaal niet hoeven te veranderen. Gewoon lekker naar olie blijven boren. Drill baby drill.”
De meesten van ons vinden dat een prettige boodschap, aldus Renes. „We kunnen namelijk wel doen alsof wij heel open minded zijn en altijd zoeken naar nieuwe dingen, maar dat geldt alleen als dat nieuwe dicht aanligt tegen wat we gewend zijn en leuk vinden. Dus als iemand ons het gevoel geeft dat al die gevaren van klimaatverandering onzin zijn en ons een kans biedt om er niet naar te kijken, zijn we net als de roker die ook liever negeert dat hij aan roken dood kan gaan en een wikkel doet om die boodschap op zijn pakje sigaretten.”
Duitse elektriciteitslijnen. Op veel plekken in Europa is het stroomnet overbelast. Foto Annegret Hilse/Reuterf
Toch betekent dat volgens Renes niet dat de klimaatboodschap onverkoopbaar is. Maar daarvoor is wel een ander narratief nodig. „Politici die streng klimaatbeleid willen, zitten te vaak vast in het oude doemverhaal. Een overheid die ons alleen maar het gevoel geeft dat we met minder genoegen moeten nemen, zit precies te wrijven in die wond van loss aversion.”
Dat klimaat er nu even bekaaid vanaf komt, hoeft volgens Renes niet erg te zijn – er spelen nu eenmaal ook andere grote kwesties. Het wordt pas gevaarlijk als de overheid de indruk wekt dat klimaatbeleid minder belangrijk is geworden. „Voor veel mensen bevestigt dat alleen maar wat ze toch al dachten of stilletjes hoopten, namelijk dat ze zich over klimaat klaarblijkelijk geen grote zorgen hoeven te maken.”
De boodschap moet zijn dat we er gezamenlijk de schouders onder zetten. Dat past volgens Renes ook bij de zogeheten ‘conditional cooperation’ die hij als een voorwaarde ziet voor succesvol klimaatbeleid. „We willen best iets doen, maar alleen als we zien dat anderen zich ook inzetten. Daarvoor heb je alle belangrijke spelers nodig.”
Nu denken politici: ik kan wel voorstander zijn van klimaatbeleid, maar als burgers er niet aan willen, stemmen ze straks niet meer op mij. De industrie wil best, maar als hun producten niet worden verkocht, waarom zouden ze die dan aanbieden? Zij vinden dat de overheid eerst maar eens een gelijk speelveld moet creëren. Ook Renes vindt dat de overheid aan zet is. „Die moet durven zeggen: wij gaan stappen zetten, maar dan mogen we ook van jullie iets vragen. Nu wacht iedereen op elkaar en ondertussen verdrinken we samen.”
Het mooie is volgens Renes dat de overheid een geweldig verhaal zou kunnen hebben. Die kan namelijk laten ziet dat klimaatbeleid een oplossing biedt voor veel risico’s waar mensen stress over hebben. Van energiezekerheid tot wateroverlast. „De boodschap luidt: als we willen behouden wat we hebben, moeten we nu met zijn allen massaal veranderen.”
Om de gevoelsafstand – de ‘kloof’ – tussen kiezer en gekozen politici te overbruggen is al veel bedacht, van een correctief referendum en een lagere kiesgerechtigde leeftijd tot een ander kiesstelsel. Van dat laatste maakt het kabinet-Schoof nu werk.
Minister Judith Uitermark (Binnenlandse Zaken, NSC) bereidt een wijziging voor waarbij 125 van de 150 Tweede Kamerleden niet langer worden gekozen via een landelijke lijst, maar uit een lijst die per provincie andere kandidaten bevat. Daardoor wordt „de worteling van de volksvertegenwoordiging in de samenleving vergroot”, aldus een nog ongepubliceerd plan waaruit RTL Nieuws woensdag citeerde.
Deze coalitie ziet vooral een (sociaal-)geografische kloof: tussen Randstad en de regio, tussen de stad en een platteland dat geen gehoor vindt voor zijn zorgen. Zie de protesten van boeren of aardgasgedupeerden. Een nieuw kiesstelsel moet „de regionale band” tussen kiezer en volksvertegenwoordiging versterken, kondigde het Hoofdlijnenakkoord al aan.
BBB en NSC, de grootste voorstanders van kiesstelselhervorming, lieten zich voor de verkiezingen inspireren door buitenlandse voorbeelden. In zijn Nieuw Sociaal Contract rekende Pieter Omtzigt op basis van het Zweedse model, BBB flirtte met het Deense. In beide stelsels wordt gestemd per district. Zo worden de meeste zetels verdeeld, waarna via verschillende berekeningen ‘compensatiezetels’ worden toegekend.
In 2012 werd Pieter Omtzigt met voorkeursstemmen gekozen. De kans onder het nieuwe stelsel daarop zou nagenoeg nul zijn
Uitermarks plan voor een „evenredig regionaal kiesstelsel” gaat ook uit van zo’n tweede verdeling van 25 zetels, waardoor elke partij een eerlijk aantal zetels krijgt. Het plan is volgens RTL met andere bewindspersonen besproken. Nu moet zij „de boer op” voor steun in de coalitie.
Lijsttrekker
Omdat kandidaten zich in dit plan nog maar in één provincie verkiesbaar mogen stellen, denkt de minister dat ze dat zullen doen in de provincie waar ze vandaan komen of waar ze wonen, maar verplicht is het niet. In deze vorm komt voor partijen een eind aan het landelijk lijsttrekkerschap; de lijsttrekker moet als kandidaat ook één provincie kiezen.
Daar zit vermoedelijk niet elke lijsttrekker op te wachten, zelfs niet als ze actief hervorming bepleiten. „In 2012 werd Pieter Omtzigt met voorkeursstemmen gekozen. De kans onder het nieuwe stelsel daarop zou nagenoeg nul zijn”, zegt Henk van der Kolk, hoogleraar electorale politiek aan de Universiteit van Amsterdam die met twee andere academici Uitermarks plan doorrekende.
Grote vraag is daarom „hoe zo’n systeem, als het er eenmaal is, bespeeld gaat worden”, zegt Tom van der Meer, UvA-hoogleraar politicologie. Het zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat „politici zich tactisch kandideren, zoals we ook zien in andere landen [met een districtenstelsel]. Dan stelt de partijtop zich kandidaat in Zuid- of Noord-Holland, grote provincies met veel kiezers en dus relatief veel zetels. De ironie is dat grote provincies politiek dan juist machtiger worden”.
Dat raakt ook aan een wezenlijk aspect van het huidige stelsel: de meeste mensen stemmen op de lijsttrekker omdat die hen nu eenmaal het meest aanspreekt. Het is als het ware de belangrijkste ‘voorkeurstem’. „In het nieuwe stelsel wordt het regionale geoptimaliseerd ten koste van al het andere”, zegt Van der Kolk. Als je bijvoorbeeld in Utrecht woont en een Groninger uit de landelijke politiek wilt belonen met je stem, kan het niet. „Zo daalt het belang van voorkeursstemmen én andere waarden, zoals man/vrouw, deskundigheid, etniciteit.”
Duizenden trechters
Er moeten nog wel veel keuzes worden gemaakt, zoals over het aantal vereffingszetels, de kiesdrempel daarbij en bijvoorbeeld de vraag of kiezers in het Caribisch gebied gegarandeerde zetels krijgen. Als je aan alle wieltjes kunt draaien zijn er in theorie ruim 12.000 varianten van dit stelsel, blijkt uit de doorrekening.
Belangrijkste vragen van de onderzoekers: hoe kun je partijpolitieke proportionaliteit behouden (de verhouding tussen aantal stemmen en zetels) en hoe is de geografische vertegenwoordiging te verbeteren?
Daartoe hebben ze alle verkiezingsuitslagen sinds 1998 „door duizenden trechters gegooid”. Conclusie: als je het goed inricht lijkt de politieke evenredigheid van nu goeddeels bereikbaar. Maar niet altijd: bij 30 vereffeningszetels kun je niet uitsluiten dat vijf of meer zetels „terecht komen bij politieke partijen die er in het huidige stelsel geen recht op zouden hebben”. Of een partij die nu net één zetel haalt, kan er in het nieuwe stelsel net géén krijgen.
Is dat acceptabel? „Volgens de Grondwet moet de Tweede Kamer ‘evenredig’ worden verkozen”, zegt Van der Meer. „Als je acht zetels scheef uitkomt, is dat nog evenredig? Wat is de kans? Dat zijn politieke en juridische vragen in een grijs gebied.”
Ook bij regionale spreiding kun je vragen stellen. Is de Randstad echt oververtegenwoordigd? Ja, met dertig zetels. Maar ook andere regio’s hebben relatief veel Kamerleden ten opzichte van het aantal inwoners (Groningen, Zuid-Limburg, Twente). Die zijn bovendien „vocaal”, zoals uit eerder onderzoek bleek, terwijl de politieke onvrede er groot is.
Ook de vraag wie op de ‘vereffeningslijst’ komt, doet ertoe. Als die allemaal uit Zuid-Holland komen, beïnvloedt dat ook de spreiding. Dat is nu volgens de onderzoekers „een black box in het kiesstelsel”. En dan nog: zelfs een perfecte geografische afspiegeling lost het vermeend ontbreken van een regionale band niet op als politici nauwelijks „als regiovertegenwoordigers herkenbaar en aanspreekbaar” zijn, zoals nu.
Haagse politici die lokale belangen behartigen, dat mag niet van de Grondwet. Maar, zegt Van der Kolk, vroeger hanteerden partijen in verschillende kieskringen verschillende kieslijsten. „In de jaren zeventig is het afgeschaft. Nu lijkt het dus verplicht te worden. Maar dat hoeft helemaal niet: als NSC en BBB regionaal met eigen lijsten willen komen, kan het ook binnen het huidige stelsel.”
Eerlijk gezegd voel ik me als columnist ernstig tekortgedaan. Tot driemaal toe heb ik onlangs op deze plek verslag gedaan van geheime telefoongesprekken tussen Trump en Poetin. Hoe deze teksten tot mij kwamen, moest ik geheim houden, maar ik durfde in te staan voor de authenticiteit ervan.
Tot mijn grote spijt werden deze onthullingen afgedaan als ‘satire’. Zowel Trump als Poetin had er uiteraard alle belang bij mijn werk op deze manier te bagatelliseren, maar het stelde mij zwaar teleur dat ook mijn journalistieke collega’s daarin meegingen.
En zie wat er nu gebeurt met een vergelijkbare onthulling in The Atlantic, waarvan hoofdredacteur Jeffrey Goldberg vermoedelijk per ongeluk werd toegevoegd aan een oorlogszuchtige chat met toppolitici en de veiligheidsadviseur van Trump. De heren – altijd heren – babbelden opgewekt over luchtaanvallen op Houthi-rebellen in Jemen. „Good Job Pete and your team!” „The team in MAL did a great job as well.” „Great work all. Powerful start.”
Kan iemand mij uitleggen waarom de onthulling in The Atlantic géén satire is – en de mijne wél? Ik zeg het maar uit de grond van mijn gekwetste hart: ik vind het gewoon niet rechtvaardig. Die hoofdredacteur van The Atlantic mag nu de persgeschiedenis ingaan als een nieuwe Bob Woodward, en ik moet doormodderen op deze achterpagina met stukjes waar hooguit een beetje schamper om gelachen wordt.
Het is voor mij vooral onverteerbaar dat mij daarmee ook de woede van de autoriteiten die Jeffrey Goldberg nu als een warme douche mag ondergaan, onthouden wordt. Wat zei de Amerikaanse defensieminster Pete Hegseth ook al weer over Goldberg? „Een bedriegende, zwaar in diskrediet gebrachte zogenaamde journalist die een beroep heeft gemaakt van het voortdurend verkopen van nepverhalen.”
Het moet toch heerlijk zijn om door zo’n omhooggevallen patjepeeër als deze Hegseth zó te worden beledigd? Ik zou ervoor tekenen. Hegseth die zelf wegens wangedrag uit allerlei banen werd gegooid; die een beschuldiging van verkrachting in het geheim moest afkopen; die in 2015 in een bar in Ohio op een tournee als voorzitter van de Concerned Veterans of America met dubbele tong riep: „Kill All Muslims! Kill All Muslims!”
Het lijkt me zelfs een hele eer als je door zó iemand zó vals wordt aangepakt. Zo werd ik ook enigszins jaloers op een NRC-collega, de onderzoeksjournalist Joep Dohmen, die in zijn pas verschenen boek Tuig van de richel vertelt dat Geert Wilders hem in 2021 „tuig van de richel” noemde na een artikel van Dohmen over „de strapatsen van zijn protegé Dion Graus”.
„Wilders was al jaren boos op mij”, schrijft Dohmen. „Ik had in 2007 als eerste journalist gemeld dat de PVV een autoritaire en niet-democratische partijstructuur had, met maar één lid: Wilders zelf. Daarna sprak hij niet meer met mij en later ook niet meer met collega’s van mijn krant.”
Hier buig ik het hoofd. Voor Dohmen. Jarenlang heb ik in mijn columns mijn afkeer van Wilders getoond, maar nooit heeft hij mij persoonlijk voor „tuig van de richel” uitgescholden. Waaraan heb ik dat te wijten? Wat hebben Goldberg en Dohmen dat ik niet heb?
Misschien heb ik wel zo vaak satire bedreven dat niemand me meer gelooft als ik de werkelijkheid beschrijf. Of is de werkelijkheid zelf satire geworden?