N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Grondstoffen De diepzee is een potentiële vindplaats van metalen die essentieel zijn voor de transitie naar een groenere economie, schrijft Yoram Carboex.
Greenpeace-activisten voor de Mexicaanse kust demonstreren tegen diepzeemijnbouw.
Foto GUSTAVO GRAF MALDONADO / Reuters
Onlangs bood de actiegroep Women4Oceans de Tweede Kamer een petitie aan tegen diepzeemijnbouw, ondertekend door meer dan 300.000 mensen. De opstellers bepleitten een verbod op diepzeemijnbouw omdat dat een ramp voor de oceaan zou zijn. Wereldwijd spannen activisten zich in tegen diepzeemijnbouw. Niet zonder succes: een aantal landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, en ook het Europese Parlement hebben zich uitgesproken voor een al dan niet tijdelijk verbod.
Bij voorbaat nee zeggen tegen diepzeemijnbouw is onverstandig. Tegenstanders maken zich volledig terecht grote zorgen over de samenhangende crises van verdwijnende biodiversiteit en klimaatverandering, maar als we deze problemen daadwerkelijk willen aanpakken moeten we niet denken in taboes. Diepzeemijnbouw kan juist een belangrijke rol spelen in de klimaattransitie. De diepzee is een potentiële vindplaats van metalen die essentieel zijn voor de batterijen die ons naar een groenere economie kunnen helpen. Het idee dat we deze transitie kunnen maken zonder deze metalen is onrealistisch. Recycling zal een steeds belangrijkere rol moeten spelen binnen de klimaattransitie, maar het is naïef om te denken dat we deze kunnen versnellen zonder metalen te blijven winnen.
Windmolenparken
Het vergroenen van de economie betekent helaas het maken van moeilijke keuzes. Dit is niet iets nieuws. Zo accepteren we bijvoorbeeld ook de negatieve gevolgen van windmolenparken, zoals miljoenen vogels en massa’s insecten die jaarlijks de dood vinden. Bovendien komt er bij de bouw van windmolens ook een significante hoeveelheid CO2 vrij. Desondanks kiezen we voor windmolenparken, omdat we een weloverwogen afweging maken over de netto voordelen.
Dit betekent niet dat er geen aandacht moet zijn voor de negatieve effecten van mijnbouw in de diepe zee. Wel dat we deze goed moeten afwegen tegen de voordelen. Als diepzeemijnbouw ons dichter bij onze transitiedoelen brengt, moeten we enige impact op de oceaanbodem accepteren.
Bedrijven die zich bezighouden met diepzeemijnbouw moeten we niet hun gang laten gaan. Deze bedrijven proberen duidelijk de veranderende tijdgeest te bespelen door zichzelf aan te prijzen als groene bedrijven, die onzelfzuchtig de klimaattransitie vooruit helpen. Het behoeft geen uitleg dat we dit soort discours met een flinke korrel zout moeten nemen. Hoe je het ook bekijkt, het blijft een onomwonden feit dat diepzeemijnbouw lokaal de bodemorganismen zal vernietigen en dat het ook enige invloed zal hebben op de rest van de oceaan en haar ecosystemen.
Daarom is het van essentieel belang dat er goede en uitgebreide internationale regelgeving komt die de negatieve effecten van diepzeemijnbouw beperkt. Een belangrijk onderdeel hiervan is ook het monitoren van deze effecten, aangezien diepzeemijnbouw op commerciële schaal nog nooit heeft plaatsgevonden en de precieze effecten dus ook nog altijd onduidelijk zijn.
De Nederlandse regering heeft zich internationaal al uitgesproken voor het belang van regelgeving met milieubescherming voor diepzeemijnbouw. Ze moet zich verder inspannen om te zorgen dat de Internationale Zeebodemautoriteit, die de internationale wetgeving uitwerkt, de negatieve effecten van diepzeemijnbouw serieus neemt. Er moet adequate regelgeving komen die helpt om de potentiële negatieve effecten te beperken.
Nederland moet bij de Zeebodemautoriteit aandringen op meer transparantie. Onafhankelijke wetenschappers en milieuorganisaties zouden inzicht en inspraak moeten krijgen in het opstellen en bijwerken van regelgeving. Dit is van essentieel belang, aangezien een blik op de geschiedenis van de diepzeemijnbouw leert dat het werk van wetenschappers en activisten cruciaal is geweest om de negatieve effecten van diepzeemijnbouw onder de aandacht te brengen en deze vervolgens te beperken.
Juist daarom is het belangrijk dat de Nederlandse regering zich internationaal inzet voor een transparante Zeebodemautoriteit en voor dynamische regelgeving voor diepzeemijnbouw. Zonder van diepzeemijnbouw een taboe te maken, want met taboes gaan we het klimaat niet redden.
Helaas, Mick Jagger zal deze zomer niet over een Amsterdams podium stuiteren. De Rolling Stones hebben hun voorgenomen Europese zomertoer afgeblazen. Aan de spankracht van de 81-jarige zanger zal het niet liggen. Die oogt nog kwieker dan bij zijn eerste Nederlandse show in 1964.
Dat de Britse rockzanger en andere tachtigers nog steeds optreden, is een blijvende bron van verbijstering en bewondering. Rock was ooit muziek voor de jeugd. De bands waren jong, ze zongen over meisjes en tienerproblemen. Zodra de hits uitbleven en de volgende rage zich aandiende, hadden ze het fatsoen om uit elkaar te gaan. The Beatles dachten ooit dat het publiek na een jaar of twee wel op ze uitgekeken zouden zijn. En The Who vertolkte de gevoelens van hun generatie met: „Hoop dat ik sterf voordat ik oud word”.
In Hope I Get Old Before I Die onderzoekt BBC-popjournalist David Hepworth hoe dat veranderde. Tegenwoordig toeren stokoude rockers met succes tot ze erbij neervallen. Jongeren luisteren niet alleen meer naar de nieuwste bands, maar ontdekken ook steeds opnieuw de klassieken. Voor rocksterren zijn de basisvoorwaarden ‘jong’ en ‘rebels’ allang niet meer van toepassing. Elton John zong op een koninklijke begrafenis, David Bowie kwam in een museum terecht, Bob Dylan kreeg de Nobelprijs, en is ook dit jaar weer op zijn Never Ending Tour.
Britpop
Volgens Hepworth was rockmuziek tot in de jaren tachtig nog in de ban van de permanente vernieuwing. The Beatles waren vergeten en oudere artiesten werden uitgejouwd door de nieuwe generatie. Dat veranderde in de jaren negentig met Britpop en bands als Oasis die de rockgeschiedenis juist omarmden en benadrukten hoe ze op de schouders van reuzen stonden. Het maakte de weg vrij voor oudere rockers als The Stones, Paul McCartney en Dylan om gewoon te blijven doorwerken. Ook bands die ooit met ruzie uiteen waren gespat, zetten zich over hun weerzin heen en kwamen weer samen. Met een eindeloze comeback-tour konden ze alsnog het geld te verdienen wat hen in de hoogtijdagen was ontfutseld.
De eenvoudigste verklaring hiervoor is dat de fans van die oude rockers eindeloos bleven doorleven. Hun groeiende inkomens gaven ze graag uit aan albums en concertkaartjes van hun jeugdidolen. Andere verklaringen die het boek noemt: de opkomst van retrospectief-boxen. Bruce Springsteen, Bob Dylan en The Beatles kwamen in de jaren negentig met prijzige cd-boxen waarmee ze een nieuw publiek aanboorden. Verder noemt Hepworth de opkomst van het online muziek luisteren, van Napster tot Spotify, waardoor lang niet leverbare oude muziek weer beschikbaar kwam voor een nieuw publiek, in een laagdrempelige omgeving.
Omdat het sterftecijfer in de rock in de eerste decennia aan de hoge kant was, door bovenmatig drugs- en drankgebruik, hebben degenen die het overleefden een speciale aantrekkingskracht. Het doorsnee interview met de oude rocker volgt volgens het boek hetzelfde AA-stramien: de verbleekte ster blikt terug op zijn glorietijd, geeft toe dat hij daarna te veel heeft gebruikt en daarmee zijn carrière, huwelijk en lever heeft verwoest. Maar nu is hij gestopt, betuigt hij zijn oprechte spijt, en is helemaal klaar voor een derde leven. Zoals Hepworth het samenvat: „I flew high, I fucked up, I’m back. Kunnen jullie me vergeven?” De fans vergeven hen graag, want ze smullen van survivor-verhalen. Bovendien herinneren de oude sterren hun aan hun eigen vlegeljaren.
Het raadsel van classic rock
Dit verder smakelijke boek met een intrigerend onderwerp heeft een paar gebreken: Hepworth laat buiten beschouwing dat de oude rockers weliswaar eindeloos rondtoeren, maar dat ze zelden relevante nieuwe muziek maken. Verder is het boek te sterk op het Verenigd Koninkrijk gericht en laat Hepworth andere popgenres dan rock buiten beschouwing. Ook dwaalt hij vaak af van het onderwerp, omdat hij bijvoorbeeld ook nog iets kwijt wil over Nick Lowe, Tony Blair, Glen Campbell en Wilko Johnson.
Oké, die laatste twee zijn toch wel relevant omdat die verhalen gaan over de allerlaatste kans op een comeback. Wilko Johnsons verhaal lijkt op dat van de Nederlandse artiest Thé Lau. Nadat de vergeten Britse zanger van Dr. Feelgood bekend maakte dat hij kanker had, steeg zijn populariteit enorm, en kon hij langzaam stervend op afscheidstournee. Countryzanger Glen Campwell overkwam hetzelfde toen hij Alzheimer kreeg, met als bijzonderheid dat hij op het eind van zijn tournee echt niet meer wist waar hij was en wat hij kwam doen.
Een ander zijpad dat Hepworth kiest is dat van de bands die met ruzie uit elkaar zijn gegaan en toch weer samenkomen. Waarna de ruzies gewoon worden hervat. Maar dit keer zetten ze zich eroverheen omdat het geld veel goed maakt en ze inmiddels weten hoe erg het leven zónder band is. De fans zien hun bands graag als dierbare vriendengroepen. Net zoals ze die zelf vroeger hadden, of hadden willen hebben. Op die romantische wens drijft volgens Hepworth het hele reünie-circuit. De fans wil graag geloven dat de oude vrienden weer samenkomen om het nog één gezellig keer te hebben. For the good times.
Een nadeel van deze theorie: het gaat uit van de oude fans die er zelf bij waren. Maar het raadsel van de classic rock is juist dat er ook veel jonge fans naar luisteren, die de oude rock nu voor het eerst horen. Dit boeiender maar lastiger te doorgronden raadsel laat het boek een beetje liggen.
Lees ook
Tachtig is het nieuwe achttien, schreeuwen de Rolling Stones van alle daken
Discriminatie bestrijden met een filosofie van de oppervlakte
Hoe ‘diep’ moet je in je eigen of andermans geest graven om onbewuste vooroordelen de nek om te draaien? Of moet je helemaal niet graven maar aan de maatschappelijke oppervlakte blijven, waar discriminatie zich per slot van rekening afspeelt?
Lieke Asma, filosoof en psycholoog, keert zich in Blinde vlekken tegen het Freudiaanse ‘ijsbergmodel’, met het ego als topje van een berg aan onbewuste driften. Dat model probeert gedrag, ook vooroordelen en discriminatie, te verklaren vanuit een innerlijke, onbewuste laag ‘onder’ het bewustzijn. Asma volgt een heel andere weg. In plaats van zulke introspectie bepleit zij – onder meer in navolging van de latere Wittgenstein – een ‘filosofie van de oppervlakte’. Discriminatie ontstaat én moet worden bestreden in de sociale werkelijkheid, niet in een spookachtige geest.
Asma betoogt dat geëngageerd en met verve en – ook verfrissend – op basis van nu eens niet alleen de overbekende wijsgerige grootheden die in het gros van de Nederlandse publieksfilosofie opduiken. Niet weer vooral de onvermijdelijke Hannah Arendt of Simone de Beauvoir, maar de briljante Elizabeth Anscombe (niet toevallig leerling van Wittgenstein), een van de vrouwen die in Oxford de filosofische ethiek op de schop namen, en de Amerikaanse Sally Haslanger, over de sociale constructie van begrippen als gender. Zelfs taalfilosoof Donald Davidson komt langs, die ook grote invloed had op de philosophy of action.
Asma haalt hen aan op relevante plekken (geen name dropping), en legt hun ideeën helder uit. Misschien doordat zij ook psycholoog is, nog altijd een empirischer vak. Het samengaan van filosofie en empirische wetenschappen is een hedendaagse trend, waar dit boek bij aansluit. Asma beweert niet zomaar iets, ze onderbouwt het met argumenten én wetenschappelijk onderzoek – uitgebreid.
Dat laatste is ook het enige minpunt van haar boek: de kar met bewijs wordt zwaarder en zwaarder beladen met psychologisch onderzoek, terwijl het spoor al diep genoeg is. Iets compacter had dit prijzenswaardige boek net meer de punch gegeven die het verdient.
Citaat: „Als we het probleem van onbedoelde en onbewuste discriminatie echt willen doorgronden, dan moeten we onze aandacht richten op de buitenwereld [..] We moeten minder druk zijn met onszelf.”
Vooroordelen: te lang afgedaan als een gevoelskwestie
Persoonlijke vrijheden die ‘meebewegen’ in het Calamiteitperk
In zijn jongste voorstelling, Onbekommerd, weet cabaretier (en filosoof) Tim Fransen „het academische gehalte precies goed te doseren”, merkte de recensent van NRC op. Dat was nog wel anders in eerdere voorstellingen, waarin „zijn geliefde filosofen soms tussen hem en het publiek kwamen te staan”.
Helaas, dat laatste is ook het probleem van In onze tijd, waarin Fransen uitgebreid afrekent met de „ideologie” van het moderne vooruitgangsgeloof dat ons, ondanks „ongekende’’ verbeteringen, aan de rand van de afgrond heeft gebracht in ‘het Calamiteitperk’, met de klimaatcrisis en een reeks andere rampen. Fransen is van 1988, een tijd van welvaart en ongebreideld liberaal optimisme, dus dit boek is ook het – herkenbare – verslag van een persoonlijke ontgoocheling.
Dat herkenbare is – behalve de lange gang langs filosofen en andere intellectuelen die hij helder samenvat – ook de achilleshiel van zijn boek. Zijn afscheid van het vooruitgangsgeloof is prikkelend noch origineel, je komt die in allerlei toonaarden al tegen in en buiten de filosofie. Alle usual suspects verschijnen ook in dit boek braaf voor het hekje, de arme Descartes voorop, de „vrolijke vooruitgangsprofeet” die beheersing van de natuur predikte, „kennis aan macht” koppelde en ons op weg hielp naar de ondergang. Tenminste, dat is het cliché over Descartes. Al duizenden jaren probeerden magische denkers hetzelfde – ‘kennis aan macht koppelen’ – het verschil is dat de wetenschap die Descartes wilde promoten ook echt werkte.
Magische denkers wilden ook al kennis aan macht koppelen – maar de wetenschap wérkte
Wat stelt Fransen voor om af te komen van onze „losse mores”? Hij put zich uit in algemene vrome wensen over „inspanningen van burgers”, „een nieuwe opvatting van politiek”, een „gesprek over morele en maatschappelijke waarden’’, waarbij we – gelukkig! – „de liberale democratie niet zomaar bij het grof vuil [moeten] zetten” maar ook niet compleet oordeelloos kunnen blijven over hoe mensen hun leven invullen.”
Misschien flauw om zo hap-snap te citeren, maar veel meer vlees zit er in zulke passages niet aan de botten. Onze persoonlijke vrijheden zullen moeten „meebewegen” met het Calamiteitperk, dat heeft corona ons geleerd, maar hoe? Dat „zullen we moeten onderzoeken”.
Ook begint de amicale toon die cabaretiers eigen is te hinderen in dit boek („ik hoor jullie denken: Tim, …”, „De Koude Oorlog, je weet wel, die krankzinnige periode..,”), een Jeugdjournaal-aanspreekvorm die je in zoveel Rutger Bregman-variaties tegenkomt. De lezer wordt bij de hand genomen als een kleuter en krijgt af en toe een aai over de bol – of een standje.
Hoewel, zoals met meer boeken met een ‘grote greep’ die de behoefte aan een rechtlijnige tijdsdiagnose bevredigen: het publiek denkt er anders over. Fransens boek beleefde al zijn achtste druk.
Citaat: „We maken het onszelf moeilijk als we ons vrijheid voorstellen als een onaantastbaar, heilig principe.”
Tim Fransen: In onze tijd. Leven in het Calamiteitperk. Alfabet, 368 blz. € 24,99
Lees ook
Zo overleven we het ‘Calamiteitperk’, volgens cabaretier en filosoof Tim Fransen
In opgefokte tijden hebben we de kroeg hard nodig
Zou het leuk zijn om met Hans Schnitzler aan de bar te zitten? In elk geval wel onderhoudend, voor wie een zekere leeftijd heeft bereikt.
Behalve misschien als je toevallig een extreem-rechtse politicus bent.
In Filosofie van de kroeg, een luchtig essay, memoreert hij (ik gebruik dit werkwoord om in de stijl van het boek te blijven) hoe hij een – niet bij naam genoemde, maar Baudet-achtige – extreem-rechtse politicus uit zijn stamcafé verjoeg („Het fascisme is terug van nooit weggeweest, beste mensen. Kijk, daar zit het!”). Triomfantelijk, maar bij nader inzien toch ook beschroomd want, vraagt hij zich af, schond hij met die actie niet de geborgenheid die hoort bij de „sociale microkosmos” van de kroeg, die „sociëteit van de geest” waar iedereen zich in quasi-anonimiteit veilig moet kunnen voelen?
De (bruine) kroeg, meent Schnitzler, is een „hybride tussenruimte”, niet privé zoals de huiskamer maar ook niet publiek zoals een plein. Het komt in de buurt van – ja, daar is ze – „Hannah Arendts ideaal van de publieke ruimte”. Die „balanceeract tussen afstand en nabijheid” van de kroeg, met zijn „wil tot vriendelijkheid”, hebben we in intolerante en opgefokte tijden hard nodig. Want „er wordt daar, idealiter, iets voorgeleefd waar we als samenleving lering uit kunnen trekken”.
Wie onzeker waggelende kroeggangers na sluiting heeft bekeken ziet toch eerder een tableau van Jeroen Bosch
Dat ‘idealiter’ moet je er dan wel bij zeggen, want iedereen die wel eens rond sluitingstijd de parade van rood aangelopen, onzeker naar de deur waggelende stamgasten (en zichzelf) heeft bekeken ziet eerder een tableau van Jeroen Bosch dan een maatschappelijk Utopia.
Dit is een licht, reflectief essay, bij vlagen oubollig – het idee ervoor ontstond, uiteraard, in gesprek met „een goede vriend” in de tuin – maar geen filosofisch werk dat lang beklijft.
Citaat: „Ontegenzeggelijk kent het geregelde caféleven zo z’n eigen afgrondelijkheden, waarvan het risico op alcoholmisbruik niet de geringste is.”
Hans Schnitzler: Filosofie van de kroeg. De Bezige Bij, 174 blz. € 19,99
Lees ook
Filosofie van de kroeg: de samenleving kan niet zonder het café
Hoe dichten we de kloof tussen stad en platteland?
Is de kloof tussen stad en platteland echt zo groot als wel wordt beweerd? Filosoof, conflictbemiddelaar en gespreksleider Wouter Mensink, zelf een „plattlandverlater”, probeert die kloof te overbruggen. Hij doet dat in een voorzichtig, tastend en mijmerend betoog, aan de hand van persoonlijke ervaringen (van hemzelf en zijn naasten) en het werk van filosofen als Bruno Latour, Jean Baudrillard, maar ook van de Amerikaanse highbrow-cultuurjournalist Greil Marcus en zanger Nick Cave.
Die aanpak strookt met Mensinks pleidooi voor „ervaringsdenken’’, dat niet vertrekt vanuit abstracte beginselen of axioma’s maar vanuit de levende ervaring van betrokkenen – in dit geval mensen in de stad en op het land, en in de route ertussen. Dus ontmoeten we aan het begin van de hoofdstukken zijn oma, moeder, vriendin, gaan we uit logeren, maken we een reisje naar Boedapest en een autotocht door de Appalachen in de VS.
Dat is sympathiek, maar de autobiografische intermezzo’s houden het toch al weinig strakke betoog wel danig op. En net als Fransen bedient Mensink zich graag van spreektaal-op-schrift („Ik heb me wel eens afgevraagd…”). Wat is uiteindelijk zijn remedie voor de vervreemding tussen stad en land? Onder meer: „familiegesprekken”, verduurzaming en samenkomen rond het „vreugdevuur”, een rurale traditie die, inderdaad, verbindt.
Ook aan dit boek kun je best je handen warmen – maar tegelijk verstrikt het zich voor een filosofisch werk teveel in de eigen, onbeantwoorde vragen.
Citaat: „Ik heb het gevoel dat we heel anders denken over plattelandsverlating dan over stadsverlating en zou graag eens een essay lezen dat dat punt fundamenteel onderzoekt.”
Wouter Mensink: Hoe we uit het dorp vertrokken. Filosofie tussen stad en platteland. Boom, 192 blz. € 23,90
Op zoek naar de ‘wetten’ van het toeval
Dit boek doet wat je van een filosofieboek verwacht: een algemeen bekend begrip onderzoeken en dat door nadenken proberen te verhelderen.
Want wat is toeval? Hoe verhoudt het zich tot ‘stom’ geluk, of tot pech, en waarom kennen we er vaak toch betekenis aan toe (‘dat kán geen toeval zijn’)?
Hopster, filosoof aan de Universiteit Utrecht, onderscheidt zes grondbetekenissen van het begrip ‘toeval’, van ‘existentieel’ (dingen die ‘zomaar’ gebeuren) tot statistisch (onwaarschijnlijkheid in kansberekening) en ‘coïncidenties’ (het samenvallen van gebeurtenissen die samen ‘betekenis’ lijken te hebben). Ook maakt hij verschil tussen ‘dom toeval’ (het chaotisch samenvallen van gebeurtenissen) en ‘slim toeval’ (een kuilgraver die op een schat stuit). De doelgerichtheid van de handeling is het criterium.
Ook Hopster put uit andere disciplines, want in de fenomenologie van toeval komt hij niet om chaostheorie en kwantumfysica heen. Soms raak je dan wel in de war of Hopster het nu heeft over het verschijnsel toeval of over de inhoud van ons begrip ervan. Geeft hij een conceptuele analyse (wat wij denken over toeval) of een metafysische, een beschrijving van de werkelijkheid?
Hij komt tot vier ‘toevalswetten’ (die je ook weer niet te serieus moet nemen, ze zijn ook provocatief-ludiek). Zoals deze, tweede ‘wet’: „De giften van het toeval zijn het bruikbaarst in samenspel met noodzaak sturing, intentie en intelligentie.” Kortom, laat niet álles aan toeval over.
Prikkelend is ook Hopsters bondige uiteenzetting met Jurriën Hamers boek Waarom schurken pech hebben en helden geluk (Socratesbeker 2022), over ethiek en de vrije wil. Hamer betoogde dat mensen zozeer het product zijn van ‘toevallige’ (niet gekozen) afkomst en genetische bouw dat lof en blaam misplaatst zijn; succes of falen zijn immers een kwestie van geluk of pech.
Dat past bij de meritocratie-kritiek die in het Nederland van de ‘zeven-vinkers’ klinkt, maar Hopster vindt dat Hamer de rol van toeval zo „reusachtig groot” maakt. Paradoxaal gevolg is dat het uitmondt in determinisme: als álles bepaald is door ‘toeval’, bestaat alleen nog noodzaak. Een onaantrekkelijke conclusie die Hopster wil ontlopen met zijn vierde wet: „Blaas je het toeval al te veel op, dan spat het als een ballon uit elkaar.” Daar hoeft dit boek niet bang voor te zijn. Het zou een speling van het lot zijn, in de zin van onwaarschijnlijk, als de Socratesbeker niet hem of Asma in handen valt.
Citaat: „Wij bespelen het toeval, maar het toeval bespeelt ons ook.”
De massale protesten in Turkije tegen de arrestatie van Ekrem Imamoglu, de populaire burgemeester van Istanbul, beginnen ook de culturele sector te raken. Internationale sterren zeggen, mede op aandringen van Turkse fans, optredens af die georganiseerd zouden worden door een Turks bedrijf dat openlijk de regering van president Tayyip Erdogan steunt.
Woensdag maakte de Britse rockband Muse bekend dat ze een voor juni gepland concert in Istanbul uitstelt. Het zou worden georganiseerd door DBL, een bedrijf waarvan de eigenaar stevige kritiek op de protesten tegen Imamoglu’s arrestatie had laten horen. Daags tevoren had de bekende Zuid-Afrikaanse komiek en schrijver Trevor Noah al een optreden later deze maand in Istanbul afgezegd om dezelfde reden.
De woede van veel Turkse fans was gewekt door een opmerking van DBL-eigenaar Abdülkadir Özkan op X. „Het is zo duidelijk als wat, dit is vijandigheid jegens de staat. Een daad van verraad.”
Misverstand
Muse motiveerde zijn besluit, eveneens op X, als volgt: „Na zorgvuldige afweging en luisterend naar de reacties van onze fans met volledig respect voor hun zorgen, zal onze show in Istanbul nu tot 2026 worden uitgesteld, zodat we kunnen garanderen dat DBL er niet bij betrokken is.” DBL zelf had toen overigens al laten weten dat het bedrijf het concert niet meer zou organiseren. Özkan sprak van een misverstand. Trevor Noah gaf geen toelichting op zijn besluit om zijn optreden in Istanbul af te zeggen.
Mogelijk gaf Muse ook gehoor aan een oproep van de Turkse zangeres Gaye Su Akyol, die eveneens had opgeroepen het concert te annuleren. Eerder had ook de Noorse zangeres Ane Brun al een concert afgezegd. Nog onduidelijk is of een concert van de Britse zanger Robbie Williams in oktober doorgaat.
Imamoglu, die geldt als de belangrijkste politieke rivaal van Erdogan, werd op 19 maart gearresteerd op verdenking van corruptie. Slechts weinigen nemen de aanklacht serieus, ook omdat het justitiële apparaat geheel door Erdogan wordt beheerst en de president dit naar believen inzet voor zijn eigen politieke doeleinden. De aanhouding van Imamoglu en andere prominenten van diens CHP-partij wordt algemeen gezien als een poging van Erdogan om zijn tegenstander de komende jaren uit te schakelen. Vele honderdduizenden Turken hebben sindsdien meegedaan aan protestdemonstraties. Ze vrezen dat de arrestaties de nekslag voor de democratie in hun land betekent.
Symbolisch protest
CHP-leider Özgür Özel had eerder al opgeroepen tot een boycot van regeringsgezinde bedrijven. Later spoorde hij in navolging van studentengroepen de Turken aan om één dag in de week – op woensdagen – bij wijze van symbolisch protest niet langer boodschappen te doen. De regering sprak daarop van „economische sabotage”. Uit protest tegen de regering bleven woensdag ook al veel winkels en café’s dicht.
De regering maakt zich duidelijk zorgen over deze oproepen tot een economische boycot, die veel bedrijven kan raken. Deze donderdag werd bekend dat de Turkse justitie al elf mensen heeft gearresteerd, die op sociale media opriepen tot zo’n boycot. Volgens het kantoor van de hoofdofficier van justitie in Istanbul zouden zij zich schuldig hebben gemaakt aan ophitsing en het verstoren van de openbare orde.
Eerder was de actrice Aybüke Pusat, die in een populaire serie van de Turkse staatszender TRT meespeelt, uit de cast van de serie verwijderd en ontslagen omdat ze op sociale media eveneens steun had uitgesproken voor de boycotbeweging.
Lees ook
Turken betogen massaal voor behoud van hun democratie