De melding komt maandagochtend rond 08.00 uur bij de politie binnen. Twee kinderen, zes en elf jaar, broer en zus, zijn vermist. Ze zijn voor het laatst gezien op het station van Dalfsen. Een kleine zes uur later worden ruim twee miljoen Nederlanders via Burgernet ingelicht over de vermissing van de kinderen, hun foto is overal te zien. Dinsdag, in alle vroegte, volgt een update: „Beide kinderen zijn in goede gezondheid aangetroffen. We bedanken iedereen voor het uitkijken.”
Elke dag raken in Nederland kinderen zoek, maar een Amber Alert verstuurt de politie alleen bij hoge uitzondering. Hooguit een paar keer per jaar gaat er een oproep uit die binnen tien minuten honderdduizenden telefoons, televisies, radio’s, matrixborden, beeldschermen in stations, supermarkten, tankstations en bioscopen bereikt, en soms zelfs op pinautomaten verschijnt. Burgers worden opgeroepen informatie over een mogelijke verblijfplaats, over voertuigen of betrokkenen bij de vermissing te delen. „Dit is ons allerzwaarste middel”, laat een politiewoordvoerder weten. Het wordt alleen ingezet als een kind mogelijk in levensgevaar is.
De politie schat in via een Amber Alert in een klap zo’n twaalf miljoen mensen te kunnen bereiken. Overal waar je communicatie ziet, kan de oproep worden getoond, zei landelijk coördinator Vermiste personen Izanne de Wit er eerder over. „Met twee woorden kun je direct aan het publiek duidelijk maken: dit is serieus. Daarnaast geef je meteen een handelingsperspectief mee. Je zegt: ‘Kijk mee en help ons!’”
Waarschuwingssysteem
Amber Alert dankt zijn naam aan een Amerikaans meisje. In 1996 werd de negenjarige Amber Hagerman in Texas dood aangetroffen, enkele dagen eerder was ze tijdens het buitenspelen ontvoerd. Na deze gebeurtenis drongen inwoners van de staat aan op een snel en effectief waarschuwingssysteem, zodat burgers beter zouden kunnen meehelpen bij toekomstige vermissingen. Wat begon met meldingen op de lokale radio groeide uit tot een landelijk initiatief met de naam AMBER: America’s Missing: Broadcast Emergency Response.
In Nederland bestaat Amber Alert sinds 2008. Twee mannen, IT’er Frank Hoen en oud-politieman Carlo Schippers, bundelden hun krachten om een vergelijkbaar systeem op te zetten als in de Verenigde Staten. Ze zagen kansen in de opkomst van sociale netwerken zoals Hyves, vertelde Hoen bij het tienjarig jubileum aan het AD. Met steun van diverse partijen ontwikkelden ze software die niet alleen massaal sms-berichten kon versturen, maar ook gekoppeld kon worden aan systemen van bijvoorbeeld Rijkswaterstaat en de NS. De veelbesproken verdwijning van de Britse peuter Madeleine McCann in 2007 versterkte de behoefte aan een Nederlands Amber Alert. Niet lang daarna besloot de overheid Netpresenter, het bedrijf van Hoen en Schippers, in te huren.
De eerste Amber Alert was meteen succesvol. Op 14 februari 2009 raakte de vierjarige Lorenzo zoek in het centrum van Rotterdam. Binnen twee uur werd hij gevonden: medewerkers van de McDonald’s hadden hem op televisie gezien en in de ballenbak herkend.
Waar burgers toen nog via sms werden ingelicht, gebeurt dat sinds 2021 met een app. Nadat de aanbesteding van Amber Alert werd betwist, verhuisde de dienst naar Burgernet: het platform waarop burgers, politie en gemeenten samenwerken. De politie kocht de merknaam voor 1,8 miljoen euro, onthulde Vrij Nederland. Het opsporingsmiddel werd een overheidsdienst.
Als een vermissing is opgelost, wordt een Amber Alert weer ingetrokken. Hoe vaak de oproep succesvol is, is volgens de politie moeilijk uit te drukken: „Die extra ogen van de burger zijn voor ons heel waardevol, maar het middel staat nooit op zichzelf.” Er is altijd een landelijke meldkamer betrokken waar „24/7” beslissingen worden genomen over de inzet van opsporingsmethodes als speurhonden, een helikopter of het checken van telefoongegevens.
De zoektocht naar de broer en zus uit Dalfsen leidde maandag naar een huis in het midden van België. Daar werden de kinderen ’s nachts gevonden, samen met hun biologische ouders. Die zijn aangehouden op verdenking van het onttrekken van de kinderen – die in een pleeggezin zitten – aan het wettelijk gezag.
De politie deed al gauw een „dringend verzoek” aan iedereen de foto’s te verwijderen en de namen van de betrokkenen niet verder te delen. Vanwege de privacy deelt de politie bij een Amber Alert ook bewust geen achternamen. „Informatie kan nog lang rondgaan op het internet.”
De hoofdverdachte in de afpersingszaak van fruitbedrijf De Groot Fresh Group in Hedel heeft vrijdag in hoger beroep de maximale celstraf van 26,5 jaar opgelegd gekregen. Die straf is gelijk aan de eis van het Openbaar Ministerie (OM).
Ali G., een 40-jarige man uit Bussum, is volgens het gerechtshof in Arnhem de drijvende kracht geweest in een grootschalige afpersings- en bedreigingszaak van een van de grootste fruitbedrijven van Nederland. In 2019 vond de directie van het bedrijf 400 kilo cocaïne tussen een lading bananen, waarna G. dreigende sms’jes begon te sturen waarin hij grote geldbedragen eiste van het bedrijf. Als niet aan de betaling zou worden voldaan, zou een medewerker van het bedrijf worden geliquideerd, dreigde G.
Omdat het bedrijf weigerde te betalen, volgden in 2020 en 2021 vijftien aanslagen met vuurwerkbommen en beschietingen op meerdere huizen in Hedel. Een boerderij brandde volledig af.
Blunder van OM
In 2019 werd de verdachte veroordeeld tot negentien jaar cel, maar zijn verdediging ging in hoger beroep. Vrijdag oordeelt het gerechtshof echter dat ook sprake was van poging tot moord, waardoor de straf hoger uitvalt. Nog elf verdachten stonden terecht tijdens het hoger beroep. Zij zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen tussen de twee en tien jaar. Eén verdachte werd vrijgesproken.
Het OM keerde eerder aan meer dan honderd slachtoffers van de zaak een schadevergoeding uit, vanwege een blunder die gevoelige persoonsgegevens van personeelsleden van het fruitbedrijf blootlegde. Een deel van de aanslagen werd voorbereid toen G. en andere verdachten al vastzaten. Toen werd ontdekt dat namen van honderden personeelsleden van De Groot Fresh Group per ongeluk waren opgenomen in het strafdossier van de zaak.
De discussie over geweld in videogames blijft fascinerend voor een gamedeskundige. Het idee alleen al dat je geweld in de werkelijkheid – echt geweld, bruut en snel en lelijk – kan vergelijken met het soms ronduit sierlijke ballet in een spel? Simplistisch. Zeker als we het hebben over de invloedrijke cultgames van Devil May Cry, waarin geweld meer weg heeft van ijsdansen op stampende metalmuziek. De fraaie, dodelijke bewegingen van de dansers worden op scorebordjes beoordeeld.
Zelfs in de gamewereld is Devil May Cry (DMC) uniek, een samenkomen van potsierlijke fantasy-pulp, meeslepend familiedrama en stijlvolle gevechten. Hoe vertaal je dat in godsnaam tot een animatieserie? Producent Adi Shankar, de maker van de goed besproken game-animatieserie Castlevania, brak zijn hoofd er officieel zeven jaar over. Onofficieel zal het langer zijn: Shankar is zo’n superfan van de spellen dat hij zich naar eigen zeggen tot in de dertig „kleedde als DMC-personages”, in zwart leer en rood.
Met animatieserie Devil May Cry voor Netflix brengt hij veel jeugdbaggage mee: het is een hommage aan de games die hem vormden, maar ook aan het tijdperk waarin die games geboren werden. De tijd van 11 september, de Irak-oorlog, surveillance – en de tijd van nu-metalbands als Limp Bizkit, Evanescence en Papa Roach, die hun muziek leenden aan de serie. Voor millennials – zeker die DMC ooit zelf speelden – is de serie een feest van herkenning.
In de Netflixserie jaagt een geheim leger in opdracht van de Amerikaanse vicepresident op demonen. Daarbij is alles geoorloofd. Wanneer een demon met konijnenkop een museum overvalt en ervandoor gaat met een geheimzinnig amulet, gaan alle alarmbellen rinkelen. Elitesoldaat Mary Arkham (geen onbekende voor fans, al zal haar verhaalboog hier vermoedelijk controverse oproepen) moet met haar team op jacht naar de andere helft van het amulet, om te voorkomen dat de barrière tussen hel en aarde geopend wordt.
Voor de liefhebber die een en ander bekend in de oren klinkt: deze serie is geen trouwe vertolking van de games, maar een soort remix van prequel-game Devil May Cry 3 specifiek en de rest van de games in het algemeen. En ja, dat betekent ook dat we gameheld Dante hier in zijn jonge jaren zien, als puberale, flamboyante freelance demonenjager met rode jas en witte haren. Dante is de eigenaar van de andere helft van het amulet, maar hij heeft geen flauw idee dat het sieraad iets meer is dan een herinnering aan zijn overleden moeder en broer. Hij wordt een speelbal die stuitert tussen grotere machten.
Beeld Netflix
Elegante danser
In eerste instantie ontvouwt de serie zich als jaren-90 actie-thriller. Zowel Shankars ervaring met Castlevania als animatiestudio Studio Mirs ervaring met The Legend of Korra uit zich in spectaculair vloeiende actiescènes (op wat knullige 3D-animatiestukjes na), waarin zeker Dante als een elegante danser door de actie heen glijdt. Een lust voor het oog. Ondertussen steken en bijten Dante en Mary elkaar met soms scherpe, soms opzettelijk sullige grappen. De klassieke dynamiek tussen deze twee tegenpolen – de competente, starre Mary en de nonchalante, slordige Dante – werkt misschien nog wel lekkerder dan in het bronmateriaal.
Totdat de echte bedoelingen van Shankar duidelijk worden. Onder de flitsende buitenkant is Devil May Cry een serie over hoe trauma kan leiden tot radicalisering, en dat weer tot de ontmenselijking van hele bevolkingsgroepen. Over hoe zelfs ‘de helden’ in die val kunnen trappen, en hoe moeilijk het is om een beweging tot stilstand te brengen als het eenmaal opgefokt genoeg is tegen de Vijand. Het sierlijke ballet van Dante wordt verzwolgen door het lelijke geweld van twee geradicaliseerde groepen – uiteraard op de gitaarriffs van anti-oorlogssong ‘American Idiot’ van Green Day.
Als het gesprek in de hotellobby ten einde is, stapt een oudere Vlaming op Adrie van der Poel af. Of hij „de vader van Mathieu” is? Jazeker, antwoordt Adrie. Ah, kijk aan. Ze gaan samen op de foto. De vrouw van de Vlaming is erbij, diens moeder ook. Ze zijn in hun nopjes.
„Mathieu gaat zeker winnen zondag”, zegt de Vlaming. „Het is een plezier om dat jong te zien koersen.”
„En z’n vader”, zegt de echtgenote, terwijl ze naar Adrie kijkt, „was ook een heel goede.”
Die knikt. „Ja, maar niet zó rap.”
Vijfenzestig jaar oud is Van der Poel, al een kwart eeuw gestopt met wielrennen. Een van de succesvolste Nederlandse coureurs van zijn generatie: winnaar van de Amstel Gold-race, Luik-Bastenaken-Luik en – in 1986 – de Ronde van Vlaanderen. Twee Touretappes, de gele trui gedragen, wereldkampioen veldrijden.
Toch is hij vandaag de dag vooral ‘de vader van’. Dankzij zijn zoon Mathieu (30) – de beste klassiekerrenner van dit moment – is Adrie een jaar of tien geleden begonnen aan een tweede leven in het wielrennen. Hij wordt dagelijks aangesproken. Ook deze maandag in een hotel in Oudenaarde, epicentrum van de Ronde van Vlaanderen, waar hij is aangeschoven om te vertellen over de relatie met zijn zoon.
Van der Poel, boerenzoon uit West-Brabant, is er de man niet naar om zichzelf op de borst te kloppen. Maar als je wil begrijpen hoe zijn zoon zo’n grote kampioen kon worden, zie je al snel dat de vader een beslissende rol speelde.
Schoongespoten fietsen
Hij bracht Mathieu en diens oudere broer David (32), tot vorig jaar ook wielerprof, groot met de liefde voor de koers. Hij ging van jongs af aan met z’n zoons mee naar wedstrijden – als chauffeur, coach, mecanicien en verzorger ineen. Diende ze van advies, soms tevergeefs, en dokterde een verantwoord carrièrepad voor hen uit. Toen ze als veldrijder onderdak vonden bij een kleine ploeg, was Adrie nog steeds van de partij, iedere koers, in de materiaalpost met schoongespoten fietsen.
Komende zondag is hij er ook weer bij, in de Vlaamse Ardennen. Dan is Mathieu – ‘Matje’, zoals hij thuis heet – kandidaat voor een historische vierde zege in de Ronde van Vlaanderen. Adrie rijdt die dag rond in een „busje met vips”, sponsorrelaties van Mathieus ploeg. „Een of twee keer” zal hij plaatsnemen langs het parcours, met reservewielen en bidons. En daarna hoopt hij zijn zoon te zien zegevieren op de finishlijn in Oudenaarde.
Zes was Mathieu toen Adrie hem meenam naar zijn eerste wedstrijd. De jongste zoon was vanaf zijn vroegste jaren gek geweest van fietsen – de middagen na school werden doorgebracht in het bos achter hun huis in Kapellen, vlak over de grens in België. Rondcrossend op zijn BMX, over zelfgemaakte parcourtjes. Toen Van der Poel senior stopte met wielrennen, in 2000, kwam de bekende wielerjournalist Jean Nelissen bij hem op de koffie. „Wat willen jullie later worden?” vroeg hij aan Adries zoons.
„Voetballer”, antwoordde David (7).
„Wielrenner”, zei Mathieu (5).
Adrie: „Eigenlijk is dat nooit meer veranderd.”
Het is niet zo, zegt Van der Poel, dat hij zijn zoon gepusht heeft – Mathieu heeft „altijd een vrije keuze gehad” en is sowieso „iemand die goed weet wat hij zelf wil”. Naast het fietsen beoefende hij als jongetje tal van andere sporten: tennis, turnen, atletiek, voetbal. Voor dat laatste had hij aanleg: op zijn achtste werd hij gescout door profclub Willem II. Twee keer per week reed Adrie met zijn zoon naar Tilburg, voor trainingen – een uur heen, een uur terug.
„Na een jaar zat Matje bij de vier jongens die door mochten in het scoutingsprogramma”, zegt Van der Poel. „Maar pap, zei hij, ik wil helemaal geen voetballer worden. Toen zei ik: dan zeg je nu netjes dankjewel tegen de coach en vertel je hem dat je wielrenner wil worden. Dat heeft-ie gedaan. Nou, die vent vond het helemaal geweldig.”
In de speeltuin
Vanaf toen was het: fietsen, fietsen, fietsen. Iedere zondag ging Adrie met zijn twee zoons naar veldritkoersen in België en elders. Hun moeder Corinne, dochter van de bekende Franse wielrenner Raymond Poulidor (1936-2019), ging altijd mee. Adrie poetste de fietsen, Corinne verzorgde de ravitaillering. „We maakten er altijd een gezellige dag van. Overdag naar de koers en dan op de weg terug langs een restaurantje. Konden die jongens nog even in de speeltuin.”
Van de twee broers had Mathieu het meeste talent – dat zag Adrie al vroeg. „Matje was van jongs af aan soepeler en handiger. Hij was gedreven, wilde altijd het maximale eruit halen, had de wil om te winnen. Dat herkende ik van mezelf.”
Vanaf zijn tweede seizoen bij de nieuwelingen, hij was vijftien, won Mathieu vrijwel iedere cross waaraan hij deelnam. Dat ging zo door bij de junioren en de beloften. Op zijn negentiende vond Mathieu onderdak bij het wielerploegje BKCP-Powerplus van de gebroeders Christoph en Philip Roodhooft, het team dat hij (en David) altijd trouw zijn gebleven – en tegenwoordig Alpecin-Deceuninck heet.
Adrie waakte in die jaren nauwgezet over de ontwikkeling van zijn zoons. Het moest stapje voor stapje gaan, niet te snel. Dus: alleen op woensdag op de racefiets naar het lyceum in Essen, 15 kilometer verderop – en de rest van de week op de gewone stadsfiets. „Dat was al 30 kilometer per dag, 150 per week. Plus op woensdagmiddag een veldrittraining. Dat vond ik meer dan genoeg.”
Hou rust
Pas op zijn 24ste, het jaar dat hij doorbrak als prof op de weg, kreeg Mathieu een eigen trainer bij de ploeg. Tot die tijd was zijn vader zijn coach, en die zei: doe maximaal zestig wedstrijddagen per jaar, en ga niet vóór je vijfentwintigste naar de Tour de France. „Dan blijf je fris en gemotiveerd. Rust en training zijn net zo belangrijk als koersen.”
Die les had Adrie geleerd uit zijn eigen carrière, toen het gebruikelijk was om zeker 140 dagen per jaar in koers te zijn (en je eigen stuurlint en bandjes mee te nemen). „Ik heb ook altijd gezegd: zorg dat je één dag per week helemaal niet op de fiets zit. Dan heb je al 52 rustdagen per jaar.”
Die adviezen, zo constateert Van der Poel tevreden, heeft zijn eigenzinnige zoon allemaal netjes opgevolgd. „Ik heb het laatst eens opgezocht. In zijn hele carrière heeft Matje niet één jaar boven de zestig wedstrijden gereden, op de weg én in het veldrijden.”
Doet Mathieu ook wel eens dingen waarvan u zegt: niet verstandig?
„Een paar jaar geleden reed hij wel eens met de crossmotor, hij had meerdere motoren. Dat vind ik helemaal niets. Zijn beste vriend komt uit de motorsport en die heeft een dwarslaesie, door een ongeluk. Ik heb wel eens tegen hem gezegd: doe dat nou niet, er is nog zoveel tijd om van dat soort dingen te genieten als je gestopt bent met wielrennen.”
„Ik weet ook dat ik het geen tien keer moet zeggen, want dan gaat-ie het alleen maar meer doen. Maar ik hoor hem er niet meer over, volgens mij heeft-ie geen motoren meer. Hij heeft een andere passie gevonden: golfen. Daar gaat-ie helemaal in op, terwijl ik denk: nou, ik sta ervan te kijken dat je dat leuk vindt.”
Op zoek naar een baan
Zoals de meeste coureurs van zijn generatie werd Adrie van der Poel niet rijk van het fietsen: de miljoenen die Mathieu nu verdient, hadden de wielersport nog niet bereikt. Na een carrière van twintig jaar moest Adrie op zoek naar een baan. Hij werkte als gastheer bij koersen voor zijn oude ploeg, Rabobank, en later bij de ploeg van Mathieu.
Klagen daarover hoor je hem nooit. Sterker nog, hij heeft het altijd „best wel leuk” gevonden, met bankiers en wielerfans rondfietsen of langsgaan bij de koers. Zoals hij nog steeds veel genoegen haalt uit het perfect schoonspuiten, drogen en afstellen van een fiets – of het nou voor hemzelf is of voor zijn zoon bij de cross.
Dat arbeidsethos gaat terug tot zijn jeugd op de boerderij bij Hoogerheide. Van jongs af aan werd hij door zijn ouders aan het werk gezet: ’s morgens vroeg het melkgetuig schoonmaken, elke zaterdag de werf oppoetsen. Zijn eerste koersfiets verdiende hij zelf, op zijn tiende, met bonen rapen en aardbeien plukken. Ook als beginnend renner was zijn motto: hard werken en spaarzaam zijn. „Ik zocht koersen uit waar voor die tijd veel premies te verdienen waren. Als ik won, legde ik die opzij voor m’n fiets.”
Voor Mathieu was dat heel anders, die kreeg van jongs af aan al zijn materiaal, alles werd voor hem geregeld.
„Ja, daar ben ik dan ook fout aan als vader. Als die jongens thuiskwamen van een trainingsrit in de kou en regen, poetste ik hun fietsen en helmen. Mijn vrouw waste meteen de kleren en een uur later was alles weer schoon. Dat is nog steeds zo. Als Mathieu in de winter een veldritkoers in de buurt komt rijden, zeg ik: kom bij ons douchen, als je weggaat is je fiets gepoetst.”
Mathieu houdt van mooie spullen. Hij komt aan bij de koers in een oranje sportwagen, pronkt op sociale media met dure horloges en exclusieve skivakanties. Is hij daarin anders dan u?
„Ik vind het ook schitterend – maar dan bij een ander.” Lachje. „Maar ja, als bedrijven zich met Matje willen associëren, waarom zou hij dat niet doen? Hij is ook gewoon heel zuinig op z’n spullen. Ik zie hem zelden in een vuile auto, zijn huis is ook altijd superschoon.”
Vroeger ging het bij jullie aan tafel niet de hele tijd over wielrennen, heeft u wel eens gezegd. Dat kan ik me nauwelijks voorstellen bij een gezin dat bestaat uit een ex-prof, de dochter van een oud-coureur en twee jonge renners.
„Natuurlijk hadden we het wel eens over de wielersport. Maar niet van ’s ochtends acht tot ’s avonds elf uur.”
Waar ging het dan over?
„Och, zo lang zitten wij ook niet te tafelen ’s avonds. En zoveel wordt er dan ook niet gezegd.”
Jullie zijn niet zulke praters?
„Nee. Dat herken ik ook wel bij de Belgen. We vinden het als gezin gewoon leuk om eens per week bij elkaar te komen. En dan kun je ook gewoon even niets zeggen. Dat zit in de familie, mijn broer en zus zijn ook geen spraakwatervallen.”
Adrie en Mathieu van der Poel in 2015
Foto Vincent Jannink/ANP
De banden in de familie Van der Poel zijn nog altijd sterk. Hoewel Mathieu sinds vier jaar met zijn vriendin in Spanje woont, aan de Costa Blanca, zien vader en zoon elkaar nog vaak – zeker in het voorjaar met de Vlaamse klassiekers. Als het meezit, fietst Adrie één keer per week een rondje met zijn zoon en diens ploeggenoten. „Op het vlakke kan ik nog in het wiel blijven. Gaat het bergop, dan zeg ik: ik zie jullie bij de koffie. Van de cardioloog mag mijn hartslag niet boven de 150 per minuut.”
Het klinkt misschien gek, zegt Van der Poel, maar Mathieu en hij praten überhaupt niet zo veel over „het fietsen”. Over wat er goed is gegaan in de wedstrijd en wat fout. „Dat zijn toch dingen die je niet meer kunt veranderen. En Matje is intelligent genoeg om te weten hoe je moet koersen, hij zit echt niet op de raad van zijn vader te wachten.”
Typerend voor zijn zoon, zegt Adrie, is dat hij fouten en mislukkingen heel snel kan vergeten. Een bijzonder nuttige karaktereigenschap als je bedenkt dat Mathieus carrière naast vele hoogtepunten (wereldkampioen, zeven monumenten, geel in de Tour) ook een aantal spectaculaire fiasco’s heeft gekend, van een hongerklop op de WK in Harrogate via ‘het plankje’ bij de Olympische Spelen in Tokio tot het hotelincident in Sydney. „Als iets niet lukt”, zegt Adrie, „kan hij het heel snel achter zich laten. Zo, dat is weg, doei!”
Of hij door de carrière van zijn zoon anders is gaan kijken naar zijn eigen wielerloopbaan? Nou, zegt Adrie van der Poel, dat kantelpunt kwam eigenlijk al eerder, in 1998, toen Johan Museeuw voor de derde keer de Ronde van Vlaanderen won. „Ik lag bij mijn masseur Toontje en zei: goddomme, wat is die Museeuw toch een goede renner. Toen zei Toontje: jij had niet zo veel talent, hè, maar je hebt toch best veel grote koersen gewonnen. Toen dacht ik, kut, eigenlijk is dat waar. Ik heb er behoorlijk veel uitgehaald.”
En als je dat vergelijkt met de carrière van Mathieu?
„Dan denk ik: tja, eigenlijk kon ik niet zo veel.” Hij grinnikt. „Wat hij wint, is van een andere orde. En het is ook de manier waaróp. Ik moest het hebben van mijn slimmigheid, solo’s van 80 kilometer waren voor mij niet weggelegd. Tactisch moest alles een beetje meezitten.”
Na afloop van het gesprek – en de foto’s met de Vlaming – wandelen we naar buiten. In de namiddagzon van Oudenaarde vertelt Van der Poel dat hij die ochtend drie uur heeft gefietst. Een rondje over de bekende kasseienhellingen uit de Ronde van Vlaanderen: Oude Kwaremont, Paterberg, Taaienberg. „Toen ik thuis kwam”, zegt hij, „had ik toch mooi 28 kilometer per uur gemiddeld op de teller.”
Hij maakt nog altijd een indrukwekkend aantal trainingsuren, vertelt Van der Poel. Met een ondeugend lachje: „Twaalfenhalf tot vijftienduizend kilometer per jaar”. Gewoon, omdat hij het leuk vindt. „Mijn vader is jong gestorven, vlak na z’n pensionering. Hij was zestig. Ze hadden de boerderij net verkocht, het nieuwe huis was nog in aanbouw. Ik heb tegen mezelf gezegd: dat gaat mij niet overkomen. Ik ga zoveel mogelijk leuke dingen doen.”