Mercedes bood in Parijs de gerestaureerde Mercedes 600 van Maria Callas te koop aan, de enorme witte slee waarin de stersopraan van opera naar opera werd gechauffeerd. Het is én een gratuite én een goede vraag waarom luxe auto’s altijd groot moesten zijn. Natuurlijk voor de ruimte, die comfort bracht en de weelde uitdroeg waar de groten der aarde recht op meenden te hebben. Je kon een Callas moeilijk in een Mini bij de Scala van Milaan laten voorrijden. Maar in de klassenmaatschappij die ook toen al meer op geld en macht dan op verdienste rustte, stond grootte boven alles voor symbolisch overwicht. De 600 was voor sterren en despoten het beeldmerk van hun grenzeloze minachting voor matigheid. Je stond ver boven wetten van discretie of fatsoen en blijkbaar moest de auto daarvoor ook fysiek de plaats innemen die in overeenstemming was met de maatschappelijke positie van de eigenaar. Daarvan afgezien waren kleine auto’s uiteraard heel lang een beproeving voor bestuurders, primitief en luidruchtig.
Hoe anders is dat nu. De kleinste stekker-Chinees heeft elektrisch verstelbare stoelen. Mini’s zijn duur en luxueus. Voor het rijcomfort in de Golf-klasse moest je vroeger bij een Duits topmerk aankloppen. Mercedes, Audi en BMW lanceerden hoogwaardige kleine modellen. Niettemin blijft het woord topklasse als vanouds gereserveerd voor grote, kostbare gevaartes. Lengte blijft die toxische verlokking. Nu zijn succesvolle Chinezen in de ban – die willen van elke Europese überlimo de verlengde versie. Het voor de hand liggende concept van een compactere auto-elite is nooit ingedaald.
Het zou eens tijd worden, nu in stad en land de ruimte en de tolerantie voor de grote maten krimpen. Niets weerhoudt een topmerk de verworvenheden van de bovenbouw – stilte, comfort, afwerkingsniveau – naar kleinere modellen af te schalen. Lexus deed het en dat is voortreffelijk gelukt.
Zoom in voor alle details van de Lexus LBX Klik op de punten voor uitleg over de details.Foto Merlijn Doomernik
Met de Lexus LBX verwachtte ik een gegentrificeerde Toyota Yaris voor de deur te krijgen. Technisch zijn ze met die lullige hybride driecilinder identiek, maar de premium-kopie biedt onverwacht veel meer. Het vijfdeursje trekt als een speer, blijft op de snelweg ver boven zijn stand koersvast, maakt bij constante snelheden geen en bij optrekken opmerkelijk weinig lawaai. Op welke manier dan ook kreeg Lexus het gedaan het klagende geluid van een versnellende hybride af te zwakken tot een vriendelijk zacht knorren. Indrukwekkend.
Prettig rond en niet te dik
Een chauffeursauto zal dit nooit worden. Achterin kan geen normaal mens chillen. Maar voorin zit hij met voldoende been- en nog meer hoofdruimte plezant, de stuurpositie is goed, de afwerking top. De deurtjes slaan dicht met chique doffe klappen, het dashboard oogt exquise met een mooi geïntegreerd multimediascherm dat niet zoals bij ordinaire kleintjes beeldverpestend als een botte iPad op het dashboard is geplakt. Het stuur is prettig rond en niet te dik, de stereo geweldig. En nog grif deugpunten scoren ook. De LBX paart de rijkwaliteiten van een Lexus aan het verbruik van een boodschappenauto. Ik haalde 1 op 18 en met iets meer zelfbeheersing had ik er zo 1 op 20 van gemaakt. Na het bijvullen van het piepkleine benzinetankje, 36 liter, kan ik volgens de boordcomputer 570 kilometer verder en die afstand haalt hij met gemak als je je inhoudt.
Foto’s Merlijn Doomernik
Al met al niets dan lof. Ook van buiten oogt de LBX niet knullig en zelfs enigszins dynamisch met zijn scherp dalende motorkap en stoer geknepen koplampen. Die heeft er zin in, zie je. Zin in alles eigenlijk, van buiten spelen tot bemoederen. Voor gevaren waarschuwt hij zo zelfverzekerd als hij oogt. Ook voor naderende achterliggers, het Lexus-woord voor bumperklevers. Een waarschuwing waar de LBX trouwens geen risicobeperkende adviezen aan verbindt, zodat je toch een beetje met zijn dreigingsanalyse in je maag blijft zitten. Wat moet je ermee? Harder gaan rijden? Klever de stuipen op het lijf jagen met een linke remactie? GEEN IDEE. Het doet er ook niet toe. Jij bent gelukkig. Nooit meer laden en toch maar 107 gram CO2 per kilometer uitblazen met een brok boterzachte bonsailuxe, kom er eens om in je historische Mercedes-sloep. De test-LBX had zelfs vierwielaandrijving – hoef je geen suv meer voor de wintersport. Die deftigheid kost wat. Een basisprijs van 37.495 euro en ruim vijftig mille voor de testauto zijn niet mals. Maar topklasse heeft een prijs en Maria Callas had hem gerust kunnen kopen.
Online gokken werd in oktober 2021 legaal in Nederland, halverwege november was Michael van Dijk (26) gokverslaafd. En niet zo’n beetje. In een jaar tijd verloor hij zijn studie, werk, vrienden, zichzelf en z’n eigenwaarde. En geld. Geleend geld – 20.000 euro van DUO bedoeld om van te studeren: na z’n bachelor klassiek gitaar aan het conservatorium studeerde hij filosofie en muziekwetenschappen in Utrecht. De goklust dreef hem van online casino’s naar het echte, naar gokhallen, en als hij daar verloren had, beproefde hij z’n geluk bij online loterijen of deed desnoods een bod op vakantieveilingen.nl (hij won een kilo varkensvlees).
Gokken doet Michael van Dijk niet meer. Bij zijn laatste bezoek aan Holland Casino in Utrecht in december 2022 was een vriend mee, en die had na afloop tegen hem gezegd dat hij hem niet meer herkende, zo in de greep van de gokzucht als hij was. Daarop schreef Michael zich vrijwillig in bij Cruks, het centraal register uitsluiting kansspelen. De komende twintig jaar mag hij het casino niet meer in, niet online en niet fysiek – zo’n zelfopgelegde gokstop is overigens minder definitief dan het klinkt, daarover later meer.
Vervolgens is hij gaan schrijven. Elke dag om vijf uur op en binnen het jaar was zijn eerste boek af. U heeft helaas niets gewonnen gaat over zijn gokverslaving én is een aanklacht tegen de gokindustrie. In die volgorde. De gevoeligheid voor verslaving zit in mezelf, zegt hij, maar zijn feitenonderzoek toont tamelijk schokkend aan hoe de gokindustrie erop is ingericht om jonge jongens zoals hij verslaafd te maken en te houden.
Het voelt alsof hij moet optreden, zegt hij daags voor zijn boek verschijnt. Maar het is „gezonde spanning”. Niet de opwinding van het gokken. „De drang om te gokken zit in je hoofd en voel je in je lichaam.” De activiteit zelf – muntjes voeren aan een gokautomaat of fiches op zwarte of rode getallen leggen – geeft een roes. „Of je wint of verliest speelt nauwelijks nog een rol.”
In wetenschappelijke artikelen las hij over mogelijke risicofactoren. Als kind druk, impulsief en sensatiebelust. Fanatiek gamer, vooral Habbo Hotel en Runescape, hij wist altijd exact hoe er binnen het spel wat extra’s te winnen viel. Verder had hij een „non-conformistische houding” – onhandelbaar thuis en op school. En wat hem ook vatbaar maakt is de extreme zuinigheid van zijn ouders. Hij is opgegroeid in Giessenburg – een „dorpsgezin” aan de rand van de biblebelt. Zijn vader is logistiek medewerker bij een schoonmaakbedrijf, zijn moeder maakt schoon. De hypotheek is afbetaald en er is „zat geld”, maar het calvinisme zit diep in de genen, ook in de zijne. „Schuld, zelfverwijt, schaamte bij elke verspilde euro.”
Na een ‘preventiegesprek’ bij Holland Casino werden hem zes éxtra bezoeken toegezegd
Hij had een probleem, maar wás hij ook het probleem? Op die brakke ochtend dat hij somber op zijn telefoon scrollde naar een spelletje Cash or Crash, kwam zijn verslavingsgevoelige natuur in de greep van de industrie die aan verslaving verdient en die, toen nog, volop en overal reclame mocht maken. Inzet 100 euro! Bonus van 250 euro! Rijk binnen no time! Hij had na een paar uurtjes 3.150 euro ‘verdiend’ en zijn somberte was hij kwijt.
Overkwam alleen hem dit? Nee, sinds de introductie van de wet Kansspelen op afstand (KOA), bedoeld om illegaal online gokken tegen te gaan, kwamen er onbedoeld 800.000 nieuwe gokkers bij – veelal tussen de 19 en 24 jaar. En wat Michael van Dijk zo verbijsterde toen hij zich verdiepte in de totstandkoming van de wet: het ministerie van Justitie en Veiligheid waarschuwde zelf dat reclamemaken „een normaliserend effect” zou hebben. En de minister van Justitie (Fred Teeven) vond dat legalisering niet mocht leiden tot „aanvullende vraag” naar gokken – precies wat gebeurde.
Michael zette bij Toto in op voetbalwedstrijden en als hij daar zijn ‘verlieslimiet’ bereikte, week hij uit naar BetCity of naar de roulettetafel bij Holland Casino online. Elke online aanbieder heeft, wettelijk verplicht, stortings- speeltijd- of verlieslimieten, maar niemand die centraal bijhoudt wat een individuele gokker aan tijd en geld verspeelt. Dus kon Michael op z’n 22ste de klok rond ‘spelen’.
Hij meldde zich aan bij de Jellinek kliniek voor hulp, registreerde zich op hun advies bij Cruks voor een gokstop – maar ontdekte dat hij die ban na een half jaar met één muisklik zelf weer ongedaan kon maken en gokte door. Twee keer kreeg hij een ‘preventiegesprek’ bij Holland Casino. Onder de 24 jaar mag je zes keer per maand het casino bezoeken. Hij kwam een zevende keer. Het casino heeft een wettelijke zorgplicht, iemand moest controleren of hij geen probleemgokker was. Alles ging prima, had hij gezegd tegen de preventieman. „Hij had een uitdraai voor zijn neus waarop hij kon zien dat ik zes hele dagen achter elkaar binnen was geweest.” Toch werden hem zes extra bezoeken voor die maand toegezegd.
In zijn verslaafde maanden heeft hij overwogen zijn ouders op te lichten en zijn lichaam te verkopen, zijn ziel was hij al kwijt. Hij is zich gaan verdiepen in de gokindustrie en is geschrokken van de „drek” die hij aantrof. Van de geurgaten in de vloeren van Holland Casino waaruit stressverlagende aroma’s komen tot stapels wetenschappelijke waarschuwingen over wat gokverslaving de samenleving kost. „Het is mijn schuld dat ik verslaafd raakte, maar de industrie staat klaar om me verslaafd te houden. Nu nog. Waarom mag dat? Waarom staan we toe dat zij altijd winnen?”
Op dierengebied bereikten mij de afgelopen jaren twee typen berichten op dagelijkse basis. Aan de ene kant zijn er de onheilstijdingen over het uitsterven van weer een soort. (Volgens de Verenigde Naties zijn dat er dagelijks zo’n 150, maar precieze aantallen zijn moeilijk te verifiëren.) Aan de andere kant zijn er de talloze vertederende memes van kroelende kittens en trouwe honden, de video’s waarin dieren ‘menselijk’ overkomen, als ze met een schijnbaar invoelende blik naar de camera kijken of als ze met een al te menselijke klunzigheid door een pak sneeuw zakken.
Gevoelsmatig staan deze twee typen berichten op gespannen voet met elkaar; de somberte over het door menselijk toedoen uitsterven van wilde diersoorten enerzijds en de liefde voor het ‘menselijke’ dier anderzijds. Nu denk ik: het tegendeel is waar. Volgens mij hangt de populariteit van het tweede type berichten, de memes en de video’s, samen met ons onvermogen om te gaan met het eerste type. Omdat we het verstrekkende en abstracte karakter van de ecologische neergang niet aankunnen, grijpen we naar het kleine, dat we wél kunnen bevatten, dat ons niet lamlegt maar ons vervult met vertedering. Omdat we niet in staat zijn gebleken om de wilde natuur te verdedigen – sterker nog, in meer of mindere mate zijn we allemaal medeplichtig aan de verwoesting ervan – werpen we ons op als liefhebber van het individuele dier, op wie we al onze goedheid kunnen projecteren.
Zodoende vermascottiseren we dieren. En dat op steeds grotere schaal, zo schreef ook The New Yorker onlangs. In 2024 werden sommige dieren wereldsterren, vooral op TikTok. „It’s true enough that every year in recent memory has had its share of famous critters […] but, this year, I sensed a new, fevered desperation in our tendency to cling to the zoological world”, schreef Naomi Fry in het blad. Er komt dagelijks zo veel op ons af op sociale media, betoogde ze, zoveel oorlog en ellende en politiek, dat we ons graag en masse op schattige dierenvideo’s en dierenverhalen richten.
Het beroemdst vorig jaar werd Moo Deng, het mollige dwergnijlpaard dat overal waar het kwam stennis schopte. Er was Crumbs de kat, die in september uit de kelder van een Russisch ziekenhuis werd gered en die zo zwaar was dat hij niet meer kon lopen. Hij ging naar een afvalkliniek, waar hij probeerde te ontsnappen; helaas bleef hij vastzitten in een schoenenrek. Crumbs stierf in oktober. Ook de dood van Flaco, een Euraziatische oehoe die was ontsnapt uit de Central Park Zoo in New York en sindsdien vrij rondzwierf door de stad, totdat hij in februari tegen een gebouw aan vloog, was wereldnieuws. We lachten, we rouwden.
Free Willy? Free Keiko!
Recent blies The New York Times een oud, soortgelijk dierenverhaal nieuw leven in. De podcast The Good Whale gaat over Keiko, de walvis die een hoofdrol speelde in Free Willy (1993), een film over de vriendschap tussen de wees Jesse en de orka Willy, die in een pretpark woont en trucjes opvoert totdat Jesse hem bevrijdt. Een klassiek verhaal over de mens die opkomt voor het dier dus. Free Willy was een wereldwijd succes; hij bracht het achtvoudige op van wat hij had gekost en was het begin van een franchise – twee vervolgfilms, een animatieserie, en heel veel speelgoed. Ik herinner me de hype goed; de knuffels, de rugzakken, de schriften, de pennen. Wie zijn animal awareness wilde bewijzen, kocht in die jaren de bijbehorende merch, spullen die op een dag weer afgedankt zouden worden.
Bijvangst van de film: wereldwijde aandacht voor de orka Keiko, die net als Willy een tragisch leven-in-gevangenschap leidde. Vanaf jonge leeftijd had Keiko in te kleine bassins geleefd. Hij moest jarenlang optreden voor publiek, het grootste gedeelte ervan in een pretpark in Mexico. Door Free Willy groeide Keiko uit tot een symbooldier. Aan het einde van de aftiteling stond een telefoonnummer voor de bescherming van walvissen; het werd honderdduizenden keren gebeld. (Enigszins hypocriet natuurlijk; de filmmakers lieten het dier immers ook allerlei trucjes uitvoeren, en ze zetten hem net zo goed in voor hun eigen gewin.)
Om dichter bij dieren te komen ontdoen we ze van hun dierlijkheid
Net als Willy moest Keiko in staat worden gesteld te ontsnappen aan de mens, luidde de communis opinio, die steeds dwingender werd naarmate meer mensen de film gezien hadden. Maar die vrijlating kon alleen plaatsvinden met hulp van de mens. Keiko mocht niet zomaar worden losgelaten, dat zou zo’n tam dier niet overleven. Het moest stapje voor stapje. Er werden tientallen miljoenen gestoken in zijn herintrede in het wild; ngo’s bemoeiden zich ermee, miljonairs, bedrijven. Er werden reportages geschreven, documentaires gemaakt. Er stond veel op het spel, veel meer dan het lot van een enkele orka.
Van meet af aan school er een zekere wanhoop in de onderneming. Als we dít dier redden, deze uitverkorene, deze pars pro toto, zouden we in symbolische zin alle dieren redden van de manier waarop de mensheid ze behandeld heeft, leek de onderliggende gedachte. Maar als men echt zo geïnteresseerd was geweest in dierenwelzijn, dan hadden de Keiko-dollars veel beter besteed kunnen worden. Aan het beschermen van dieren in bedreigde gebieden bijvoorbeeld, in plaats van aan een mascotte.
Fabeltjes
Vermascottisering is een vorm van antropomorfisme; de neiging om het niet-menselijke te vermenselijken. Antropomorfisme en bekommernis om dieren zijn aan elkaar gelinkt, zij het op een ingewikkelde manier. In beginsel kan antropomorfisme leiden tot sympathie voor een dier waarvan we feitelijk weinig weten. Dit is een complex proces. Door dieren te voorzien van menselijke trekken hebben we hen deel gemaakt van onze narratieve cultuur. Mensen vertellen niet voor niks al duizenden jaren fabels; verhalen over dieren met menselijke trekken – de sluwe vos, de trotse pauw, de trouwe hond – waaruit we een menselijke moraal kunnen trekken. De vroegste verhalen die we onze kinderen vertellen over goed en fout gaan vaak over dieren. En evenmin voor niks zijn die fabels keer op keer hernieuwd, ze vormen de leidraad van menig Disney-film, Jungle Boek, De Leeuwenkoning, 101 Dalmatiërs.
Illustratie Sara-Noor ten Cate
Die menselijke trekken blijven vervolgens deel van het dier zelf; kinderen kijken naar beelden van een wilde beer en denken aan Baloe, naar een jong hert en ze zien Bambi. Zonder die intieme ervaring met fabels zouden dieren maar vreemde, onkenbare wezens blijven, wat het medeleven met hun lot niet ten goede zou komen. Wat we feitelijk doen om dichter bij het dierenrijk te komen, is dieren ontdoen van hun dierlijkheid, van hun onkenbaarheid.
Maar antropomorfisme is niet zonder nadelen of gevaren. Daar zijn talloze voorbeelden van, ook beschreven in vakliteratuur: mensen die een eenzaam hertenjong vinden, aannemen dat het verlaten is door de moeder en het meenemen naar een opvangcentrum, terwijl de moeder in werkelijkheid eten aan het verzamelen was. Of mensen die zich zodanig denken te kunnen verplaatsen in dieren dat ze menen te weten wat er in hen omgaat; ze ‘praten’ met beren en wolven. Wie dit proces van fatale projectie van dichtbij wil zien, moet Grizzly Man van Werner Herzog zien, over wildlife- en berenfanaat Timothy Treadwell, die uiteindelijk samen met zijn geliefde aan flarden wordt gescheurd door de dieren die hem naar eigen zeggen beter begrepen dan mensen.
Grazende koeien, slachtvee
Ook de wolf, een traditionele vijand van de mens, is vaak geantropomorfiseerd, maar in negatieve zin; in talloze sprookjes stond de wolf symbool voor gevaar en valsheid. We kunnen daarom weinig empathie voor hem opbrengen. Tegenwoordig is de wolf in reële zin een bedreigde diersoort en mag hij niet gedood of verwond worden. Maar laten we de wolf ongebreideld zijn gang gaan, dan volgen er incidenten met de bewoonde wereld, met boeren, met fietsers, met huisdieren. De mens zit gevangen tussen twee rollen: die van mogelijke prooi van een roofdier en die van hoeder van bedreigde diersoorten. De wolf plaatst ons voor een probleem omdat we hem niet kunnen vermascottiseren.
Ook bij minder gevaarlijke dieren wringt het soms. Katten en honden halen we in huis, we geven ze mensennamen en sturen graag filmpjes van hun schattige, slimme of anderszins menselijke gedrag rond. Andere dieren, die niet minder intelligent of aandoenlijk zijn, zoals varkens of koeien, stoppen we weg in industriële complexen, geven we een nummer, en slachten we massaal af. Dit discrimineren tussen soorten noemt men speciësisme. Varkens en koeien zien we alleen graag wanneer ze op een lentedag in de wei grazen, als toonbeeld van het oerhollandse boerenlandschap. Slachtvee zien we daarentegen als een anonieme, gezichtsloze dierenmassa, waar we geen emotionele betrokkenheid bij voelen, en waarvoor we dus ook geen verantwoordelijkheid erkennen. Maar het zijn dezelfde dieren.
Hoe werkt empathie voor dieren precies? De feitelijke kennis over de natuurlijke geschiedenis van een dier is helaas vaak gering. En zelfs als we de gedragingen van een diersoort goed kennen, hebben we nog geen besef van hun werkelijke sensorische ervaring van de wereld, laat staan dat we weten hoe ze die ervaring beleven. De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel heeft dit probleem uitgewerkt in zijn beroemde paper What Is It Like to Be a Bat?, waarin hij zich – vanuit de vraag of we ooit kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn – verzet tegen de objectieve grenzen van de wetenschap. Wat we ‘weten’ noemen is een verraderlijke vorm van kennis, betoogt hij. „Wij geloven dat vleermuizen bepaalde versies van pijn, angst, honger en lust voelen, en dat ze naast sonar ook andere, meer bekende soorten waarneming hebben. Maar wij geloven dat deze ervaringen telkens ook een specifiek subjectief karakter hebben, dat ons voorstellingsvermogen te boven gaat.” Hoeveel we ook over een dier weten, de ervaring van hoe het is om dat dier te zíjn is soort-specifiek, alleen kenbaar door het dier zelf. Niettemin projecteerden mensen hun eigen vrijheidsbeleving destijds naar hartenlust op Keiko, die zo snel mogelijk moest worden bevrijd.
Solastalgie
De zomer van 2002 brak aan. Nadat Keiko achter een groep orka’s was aangezwommen, was hij een maandlang onvindbaar. Hij was ‘ontsnapt’, hij was ‘vrij’. Een maand later werd Keiko gespot in een Noorse fjord, waar hij trucjes deed voor toeristen en kinderen aan het lachten maakte.
Niet veel later werd Keiko ziek. Een longontsteking. Hij stierf in 2003.
David Phillips, directeur van de Free Willy-Keiko Foundation, was zeer positief over het project. „Het was een groot succes voor Keiko, voor zijn welzijn, en voor de hele wereld, die het juiste wilde doen.” Maar de eindscore is complexer. We wilden Keiko redden omdat we iets menselijks in hem zagen. Hij redde het niet, omdat hij, na al die jaren van gevangenschap en blootstelling aan mensen, te menselijk was geworden.
Illustratie Sara-Noor ten Cate
De vraag hoe om te gaan met en na te denken over dieren is door de klimaatcrisis en de ecologische rampspoed die daarvan het gevolg is des te prangender geworden. In een recent artikel in Nature definiëren Ashlee Cunsolo en Neville Ellis ‘ecological grief’ als de pijn, het verdriet of het lijden dat mensen ervaren vanwege (een al dan niet in de toekomst liggend) verlies van een soort, ecosysteem of landschap.
Een andere term die in zwang aan het raken is: solastalgia, of solastalgie, een vorm van emotioneel of existentieel onbehagen over ecologische neergang. Hoewel beide vormen van verdriet het meest voorkomen bij mensen die het hardst geraakt zijn, die hun directe leefomgeving hebben zien verkommeren, ben ik ervan overtuigd dat velen van ons een zekere bedroefdheid ervaren als we te lang stilstaan bij het feit dat de wereld die we twintig jaar geleden kenden is opgehouden te bestaan. De ontroering over het individuele dier ontslaat ons eventjes van het doorvoelen van dat verdriet. Dieren zijn deel van de natuurlijke wereld, maar kunnen hun rol daarin niet verbaliseren of doorgronden en bovendien hebben ze geen hand gehad in de ecocide – daarom belichamen dieren in dit opzicht veel meer onschuld dan dat mensen dat doen.
Al die berichten over uitstervende diersoorten. Het is ons te veel, het is ons te abstract. Daarom richten we onze compassie liever op mascotte-geworden dieren; half-mens en half-dier. Hen denken we te begrijpen. Hen kunnen we toejuichen, om hen kunnen we rouwen. Zij bieden ons precies de mentale uitvlucht die we nodig hebben, zodat we, als er weer diersoort teloorgaat, kunnen denken: aan mij heeft het niet gelegen.
Veel Nederlandse borden in de openbare ruimte die gedragsverandering willen bewerkstelligen , gebruiken de kracht van de rijm. Of het nu ideeën van overheidswege zijn of clandestiene buurtinitiatieven, ze proberen de lezer te verleiden met de rijmmagie waar de mensheid al zo lang bekend mee is. Zou dat echt beter werken? Volgens hoogleraar Nederlands Marc van Oostendorp heeft rijm twee functies: „Het helpt mensen een tekst beter te herinneren. Vroeger waren leerboeken ook op rijm. Daarnaast maakt rijm de tekst bijzonder, het tilt de woorden uit boven het alledaagse. Die twee versterken elkaar dus weer: je onthoudt beter wat bijzonder is.” Het genre van de ‘middenstandspoëzie’ is ook gebouwd op deze twee fundamenten. Koen maakt je schoen, Broodjes van Hekker, altijd lekker, we kennen ze wel. Van Oostendorp: „Ik loop sinds mijn jeugd in Den Bosch al vijftig jaar rond met de tekst ‘Een goede wenk / Eet vis van Henk’. Henk is vermoedelijk allang dood, maar die tekst gaat nooit meer weg.” Het fenomeen op de borden is vooral populair om relatief lichte overlast te adresseren. Te hard rijden, ongedierte, hondenpoep; iets als ‘criminele heren, gelieve niet hier liquideren’, kom je niet tegen. Het zijn de kleine ergernissen. Voor mijzelf hebben die adviezen in de openbare ruimte op rijm wel een bijwerking. Ze gaan weliswaar nooit meer weg uit je hoofd, maar je neemt ze ook weer niet écht serieus.