De goede bedoelingen van de koloniale bestuurders in Nederlands-Indië pakten nadelig uit voor de betrokkenen

Nederland is al tachtig jaar geobsedeerd door het verlies van de kolonie Nederlands-Indië. Daarom is het eigenlijk zo verfrissend dat niet heel lang geleden een boek, een proefschrift eigenlijk, verscheen over het begin van de kolonie. Met name over een van de grondleggers van Nederlands Oost-Indië. Om precies te zijn gaat het over Herman Warner Muntinghe (1773-1827). Jan Folkerts schreef een fascinerend boek via die tamelijk schilderachtige figuur, op de overgang van de vroegmoderne naar de moderne tijd, over de staatkundige en economische inrichting van de kolonie.

Het koninkrijk Nederland begint vanaf het tweede decennium van de negentiende eeuw, nadat Napoleon is verslagen, onder koning Willem I vorm te krijgen. In 1816 was het in bezit gekomen van de failliete boedel van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), waar de Britten een aantal jaren heer en meester waren. Muntinghe is dan al tien jaar als hoge ambtenaar aanwezig in Batavia, eerst dient hij onder gouverneur-generaal Daendels, later werkt hij uitstekend samen met de Brit Raffles. Muntinghe is een typische verlichte regent, een vroege kosmopoliet die door afkomst beschikt over een ruim transnationaal netwerk verspreid over West-Indië, Groot-Brittannië, de vroegere Bataafse Republiek en Frankrijk.

Hybride persoonlijkheid

Folkerts beschrijft hem als een in meerdere opzichten hybride persoonlijkheid die moderne ideeën heeft over de inrichting van de kolonie maar die tegelijkertijd vastzit aan oude gebruiken uit de achttiende eeuw: zo verwerft hij kapitaal via een marriage à raison met een veel jongere vrouw en houdt hij er menagerie met tot slaaf gemaakte vrouwen op na.

Ofschoon hij bij zijn dood in 1827 eigenlijk al vergeten was, maakten zijn ideeën over de staathuishoudkunde van de kolonie in de tweede helft van de eeuw furore. Eigenlijk, zouden we nu zeggen, gaat het hierbij om zijn koloniale ideologie neergelegd in een voor Raffles geschreven rapport uit 1817. Hij zet daarin twee stelsels tegenover elkaar: een van handel, gedwongen arbeid en verplichte leveranties tegenover een stelsel van algemene belastingen en vrije handel en vrije cultures. Zijn voorkeur ging uit naar het laatste, maar vanaf 1830 wordt het stelsel met gedwongen arbeid, het zogenoemde cultuurstelsel, ingevoerd. Als dat enige tientallen later uitmondt in hongersnoden en wantoestanden, duikt het oude rapport van Muntinghe weer op dankzij oppositionele politici en komt er een einde aan het cultuurstelsel.

De achterliggende vraag blijft: op basis waarvan eigenden Europese staten zoals Nederland zich het recht toe de bevolking en de bodemschatten in andere werelddelen te exploiteren? Muntinghe meende dat zijn economische doelen in de koloniale politiek werden gecompenseerd door humanitaire. Folkerts concludeert echter dat die doelen elkaar juist uitsluiten. Vandaar de titel van zijn boek: De koloniale illusie.

Zendingsechtparen

Dit koloniale dilemma wordt op scherp gesteld door Geertje Mak in haar (veel beter geschreven) boek over een groep protestantse zendingsechtparen in Nederlands Nieuw-Guinea, Huishouden in Nieuw-Guinea met de omineuze ondertitel: Zending en het kolonialisme van goede bedoelingen.

De idealistische zendelingen vertrokken in het midden van de negentiende eeuw naar het uiterste oosten van de archipel om Papoea’s te bekeren en te beschaven, schrijft Mak, die zelf stamt uit een geslacht van dominees. Het levert een schrijnend relaas op van Papoea-kinderen die worden ‘vrijgekocht’ uit slavernij, om vervolgens in de christelijke beschavingsmachine te belanden waarbij ze volkomen vervreemd raken van hun eigen cultuur, volk en identiteit.

Mak vindt het ongemakkelijk om de goede bedoelingen van de zendelingen in twijfel te trekken, maar ze ziet nu eenmaal dat zij zich schuldig maken aan koloniale exploitatie. Ze schrijft: „Hoe kon een onmiskenbaar koloniaal project tegelijkertijd overduidelijk goed bedoeld zijn.” Dat klinkt wat naïef voor iemand die, zoals zij, uit een milieu komt waar bij uitstek bekend is waarmee de weg naar de hel is geplaveid.

Mak komt tot de kern waar ze schrijft over ‘koloniale dissociatie’. Dat gaat over „de gespleten koloniale houding die zich vanaf het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde, waarin westerse landen vanuit een morele en rationele superioriteit meenden gekoloniseerde volkeren te moeten ‘ontwikkelen’ en ‘beschaven’ maar die tegelijkertijd en als vanzelfsprekend gepaard ging met exploitatie, uitbuiting, rechtsongelijkheid en grootschalig geweld.”

Mij lijkt dat ook een goede verklaring voor de manier waarop Muntinghe Javanen exploiteerde terwijl hij in geschrifte tegen de uitbuiting van diezelfde Javanen was.

Het probleem met die koloniale mentaliteit is dat die doorgaat, ook op het moment dat de kolonie ophoudt te bestaan. Dat is eigenlijk het thema van Lizzy van Leeuwen in haar standaardwerk Ons Indisch verleden, naoorlogse strijd om cultuur en identiteit. Het gaat om de recent herziene druk van haar boek uit 2008, waarin Van Leeuwen op haar eigen polemische wijze in kaart brengt hoe het al die mensen is vergaan die in de kolonie tot de koloniale bovenlaag behoorden, maar zich gedwongen zagen na de Indonesische onafhankelijkheid te vertrekken naar Nederland. Deze herziene druk bevat enige nieuwe hoofdstukken waarin de ontwikkelingen van de afgelopen zestien jaar zijn vervat.

Gedwongen migratie

In haar boek fileert Van Leeuwen in een paar nieuwe hoofdstukken juist die houding van de Nederlandse staat die al decennia zegt het beste voor te hebben met deze door oorlog en gedwongen migratie getraumatiseerde bevolkingsgroep. Maar deze ‘lotsgemeenschap’ wordt tegelijk in beleid keihard in de kou gezet. Ook een vorm van (post-)koloniale dissociatie, zou je kunnen zeggen. Het gaat om de manier waarop de overheid is omgegaan met de zogeheten ‘Indische kwestie’; het langslepende schandaal dat de staat heeft nagelaten achterstallige salarissen uit te betalen aan rechthebbenden van al degenen die hun salarissen niet hebben ontvangen tijdens Japanse gevangenschap in de Tweede Wereldoorlog. De ongelijkheid bovendien in de behandeling van deze overwegend ‘witte’ groep en de groep van ‘Indo’s’ (dixit Van Leeuwen), die tijdens de oorlog buiten de kampen bleven op basis van Japanse rassenregels.

Het verlies van Nederlands-Indië, de Bersiap en de koloniale oorlog ligt bij velen in deze Indische lotsgemeenschap nog zeer gevoelig. Van Leeuwen verwerpt de conclusies van het grote onderzoek naar het gebruik van excessief geweld door Nederlandse militairen tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1950). De regering nam in 2022 de conclusie van het onderzoek over dat Nederlandse militairen in die oorlog structureel extreem geweld pleegden tegen burgers. Van Leeuwen aanvaardt de resultaten niet, maar trekt de integriteit van de onderzoekers in twijfel. Daarmee plaatst ze zich buiten de discussie en geeft meteen een illustratie van de diepe sporen die de geschiedenis heeft nagelaten ook bij latere generaties.