De flamboyante teambaas Eddie Jordan was de laatste privateer in de Formule 1

Figuren als Eddie Jordan zijn er in de moderne Formule 1 niet meer. Waar de raceteams van tegenwoordig allemaal hyperzakelijke miljoenen-, zo niet miljardenondernemingen zijn, was de donderdag op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker overleden Jordan één van de laatste echte privateers, privé-teameigenaren die onder hun eigen naam auto’s bouwden en aan het F1-kampioenschap lieten meedoen. Jordan deed dat vijftien jaar lang, en drukte met één besluit een grote stempel op de autosportgeschiedenis.

Jordan, in 1948 geboren in Dublin, begon zijn loopbaan zelf achter het stuur. Hij racete in karts en Formule 3-wagens. Vanaf eind jaren zeventig stopte hij met racen begon hij zijn eigen team, waarmee hij meedeed aan races in kleinere raceklassen.

In 1991 ging Jordan naar de Formule 1 – een stap waar hij nauwelijks geld voor had. Gedurende het eerste seizoen stond de deurwaarder regelmatig op de stoep, vertelde hij in 2018 in een podcast. „Maar die man mocht ons team wel. Hij zei: doe om half drie vrijdagmiddag de deur maar niet open, want dan kom ik.”

Het kantelpunt dat jaar was de race op het roemruchte Spa-Francorchamps in België. Omdat een kapotte motor Jordan-rijder Andrea de Cesaris nipt van een mogelijke overwinning afhield. Maar voorál omdat Jordan dat weekend de 22-jarige Duitser Michael Schumacher liet debuteren – de coureur die later zeven keer wereldkampioen zou worden en zou uitgroeien tot één van de beste coureurs aller tijden.

Dat terwijl Jordan Schumacher eigenlijk helemaal niet in zijn auto wilde in Spa. De Belg Bertrand Gachot, één van Jordans vaste coureurs, was na een gevecht met een taxichauffeur in de gevangenis beland. De vervanger die Jordan op het oog had, wilde betaald worden. En dat was geen optie voor het nagenoeg failliete team.

Figuren uit de autosport hadden Jordan al eens ingefluisterd dat Schumacher, op dat moment sportwagencoureur bij Mercedes, een groot talent was. Jordan: „Ik was er een beetje klaar mee. Vertel me zijn budget, dan zal ik erover nadenken. Maar hou op over hoe goed hij is.” Een week voor de Belgische Grand Prix had Schumacher nota bene nog een uitstekende testrit gemaakt in een Jordan op Silverstone, zijn eerste rit in een F1-wagen. „Maar die hele Schumacher kon me niks schelen”, zou Jordan er later over zeggen. „Het ging me om het geld.”

En geld was er: Mercedes betaalde Jordan 150.000 dollar om Schumacher op Spa te laten racen. Vrijwel zonder F1-ervaring kwalificeerde hij zich als zevende. In de race viel hij snel uit, maar iedereen zag dat Schumacher een toekomstige ster was. Jordan ook. Hij dácht Schumacher stevig onder contract te hebben. Maar met hulp van F1-baas Bernie Ecclestone roofde het topteam Benetton Schumacher nog dezelfde week bij Jordan weg. „We kregen nog een beetje betaald.”

Zeven jaar later bezorgde Damon Hill het Jordan-team in een regenrace op Spa – waarin een enorme crash het halve veld uitschakelde – zijn eerste van vier overwinningen. In 1999 streed Jordan met Heinz-Harald Frentzen zelfs mee om de wereldtitel.

Knalgele auto’s

Eddie Jordan en zijn team vielen op door hoe flamboyant ze waren. De teameigenaar trok de aandacht door modellen in strakke leren outfits over zijn auto’s te laten kruipen, waarvan de neuskegels altijd beschilderd waren met slangen, hoornaars of andere agressief ogende beesten. Naast het circuit stond Jordan bekend als een feestbeest, en drumde hij in zijn eigen band.

In 2005 verkocht hij zijn team, inmiddels teruggevallen naar de achterhoede. Een aantal eigenaren verder is het nu in handen van de Canadese miljardair Lawrence Stroll, die onder de naam Aston Martin kosten noch moeite spaart om over een paar jaar wereldkampioen te worden.

Zo bouwde Stroll pal tegenover het circuit van Silverstone een ultramoderne nieuwe fabriek voor het team. Exact waar vroeger de Jordan-fabriek stond – de plek waar in 1991 Jordans eerste F1-wagen in elkaar werd gesleuteld. „We waren een stelletje Ierse vrijbuiters”, zei Jordan in 2018 over die tijd. „We gooiden een muntje op, en het landde met de goede kant naar boven.”