Column | Misschien heeft elk gezin met meer kinderen wel een Hamletje

Het was een spannende avond. Vader Jacob en zoon Roman Derwig de première van Hamlet, in regie van Erik Whien. Willem, die naast me zat, was zelfs een beetje zenuwachtig, alsof we naar een WK-wedstrijd gingen kijken. Maar vanaf het eerste moment bleek de jonge Derwig klaar voor de taak, en veilig bovendien. Een virtuoze, felle spits, die door vader Derwig en Hannah Hoekstra zachtjes werd gestut, tot aan het verzengende einde. Deze Hamlet bleek – zoals iedere Hamlet anders is – een voorstelling over een kind dat moet leren zonder zijn vader te leven. Zijn moeder laat hem bungelen in zijn rouw, en is zelf binnen de kortste tijd hertrouwd. De zoon kan niets anders doen dan eenzame fantasieën omarmen waarin zijn moeder en haar man slechteriken zijn, terwijl hij doordraait in verdriet, kinderlijk smachtend naar liefde en troost.

Ik zat mezelf een beetje door het stuk heen te dramaturgen, tot ik zag dat Willem natte wangen had. Het verbaasde me. Hij huilt niet vaak.

Na afloop, in de foyer, zei Willem dat hij voortdurend bezig was geweest met de zorg van Derwig sr. om zijn eeuwenoude en gloednieuwe zoon: een wezen in wie smart en levenslust om voorrang strijden. „Net als bij onze oudste”, zei hij.

We waren even stil en dachten aan ons kind. Misschien, zei ik, heeft ieder gezin met meerdere kinderen wel één voor wie het leven te overweldigend is, terwijl het tegelijkertijd zelf zo ontzettend goed kan overweldigen. Eén die je, met alles wat je hebt, probeert heel te houden, terwijl je óók constant tobt over het vergroten van zijn weerbaarheid. Een Hamletje dus, het oerpersonage voor jongens én meisjes, die zichzelf niet kunnen schikken naar de afschuwelijke werkelijkheid, in hun zoektocht naar waarachtigheid verdwalen en ongericht in het rond beginnen te schoppen.

Ik vroeg aan Willem wie hij nu, op deze leeftijd, is: de zoon of de vader. „Ik ben alleen nog maar de vader”, antwoordt hij zelfverzekerd. Ik werd plotseling wrevelig. „En jij?” vroeg hij. „Allebei niet”, snauwde ik. „En allebei ook wel. Ik weet het niet. Laat me met rust.”

Hij haalde nog maar een glas wijn, terwijl ik mokkend tussen het publiek dwaalde.

Gecompliceerde rouw om een ingewikkelde vader: ken ik. Hamlets moeder: heb ik. De gek spelen om anderen af te leiden: deed ik. Boos zijn op mensen die er ook niets aan kunnen doen, zoals Hamlet op zijn geliefde Ophelia: doe ik. Ik worstel me de laatste jaren suf om mijn moeilijke kindertijd te ontstijgen, maar moet daarom van mijn therapeut regelmatig op bezoek bij de verwaarloosde Hamlet in mezelf. Tegelijkertijd heb ik een Hamletzoon, die zo zoetjesaan een plek op het podium opeist, en dus ook van zijn moeder eist dat ze wat minder in het licht gaat staan. Ik wil heel graag alleen nog maar de warme, zachte, gunnende moeder zijn, maar dat kan pas als ‘the rest is silence’. Alleen leef ik op dit moment even in niemandsland. Helend, maar hier en daar nog zwaargewond. Jaloers op degenen die wel weten wie ze zijn. Soms akelig stil van binnen.

Die nacht droom ik van mijn vader. Ik was nog niet eerder zo verdrietig. Ik word opgekruld wakker, met een heldere, goede pijn in mijn lijf. Dan merk ik dat mijn zoon tussenin is gekropen. Hij droomt ook. Ik blijf naar hem kijken. En alle Hamlets slapen.

Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.