Mijn zoon van negen deed mee aan de Korenbattle, een zanggevecht tussen basisscholen uit de regio Kennemerland. Voor de Phil., vroeger Philarmonie, maar meedogenloos meegesleurd in de vaart der volkeren door de transformatie van Toneelschuur in Schuur, stond ik in een weinig overtuigende maartzon met ouders en grootouders te wachten tot we naar binnen mochten. Ik keek om me heen. Iedereen dezelfde winterjas, dezelfde gelatenheid, dezelfde Kaukasische einde-winter-schilferigheid. Daar kwam Willem handenwrijvend aanlopen. „Beuken”, zei hij, niet eens specifiek tegen mij en wees naar de Phil.
„Beuken en hakken.”
In de zaal was de lucht vochtig van prepuberzweet en gegil. We zwaaiden een minuut of tien op afstand naar onze zoon en gingen zitten. „Dat daar wordt sowieso niks”, zei Willem, terwijl hij een uitgelaten groep deelnemers, in veelkleurige kleding, op het balkon monsterde.
Jeroen van het Sinterklaasjournaal kwam op. „Holy moly”, fluisterde ik en stootte Willem aan. Toen ik negen was, won ik een opstelwedstrijd, en mocht Wim Deetman ontmoeten in de Tweede Kamer. Ik durfde niets tegen hem te zeggen, en was tot drie jaar daarna stuk van die ontmoeting. Jeroen, toen al een icoon van de Nederlandse jeugdtelevisie, had ik misschien niet overleefd. Nu keek ik met open mond toe hoe hij high fives ontving van de kinderen. Sommigen probeerden zelfs iets in zijn microfoon te schreeuwen.
„Proactieve Kinderen voor Kinderen-mentaliteit is goed, maar ook een dun lijntje hoor. Heel dun lijntje.” Ik reageerde niet.
Jeroen maande de kinderen tot stilte en begon over Dieuwertje Blok te vertellen, die tot dit jaar de Korenbattle presenteerde. „Dieuwertje is er niet meer”, zei hij en stikte een beetje in zijn woorden. „Ze heeft tegen haar kleinkinderen gezegd dat ze achter de regenboog woont, en vanaf daar ons allemaal kan horen”, vervolgde hij. De kinderen klapten, loeiden en begonnen ‘Dieuwertje’ te scanderen.
Ik dacht aan mijn negenjarige ik. Het klaslokaal, de oranje luifels uitgerold, zodat het licht niet op de tv scheen. Dwarrelende stofjes, Dieuwertje bij het Schooltv-weekjournaal. Ik begon te huilen. Dat gebeurt zo vaak tegenwoordig, dat ik er soms niet gerust op ben. Moet ik niet pas treuren om wat geweest is, als het leven nog louter uit terugkijken bestaat?
Ik moest weer huilen, alles week en slap van half verdiende nostalgie
„Hup met die geit”, mompelde Willem. Een kluwen kinderen stommelde het podium op. „Die kunnen we hebben”, zei hij en bleef dit bij alle deelnemers herhalen, tot een gigantische delegatie van een Vrije School in zwart uniform het podium betrad en loepzuiver driestemmig begonnen te zingen. „Wat is dit, Slytherin?” siste Willem. Weer zei ik niets. En daarna, tegen een vader naast ons: „Ze mogen van die Steiner toch helemaal niet in het zwart?”
De school van onze zoon was aan de beurt. Hij stond middenvoor, als kleinste. Aan het einde van het optreden maakte hij een hartje van zijn handen en wees naar ons. Ik moest weer huilen, alles week en slap van half verdiende nostalgie.
Willem zag het positief in. Ze hadden behoorlijk aan hun performance gewerkt, en dat betaalde zich nu uit.
Toen bleek dat er geen officiële winnaar uitgeroepen zou worden, omdat iedereen z’n best had gedaan. Willem smaalde met de buurman. Misschien moesten ze het dan voortaan Korenuitwisseling noemen.
We verlieten de zaal. In de verte stoeide onze zoon met zijn vrienden. Hij zag ons niet.
Willem stond opeens stil, en keek naar hem, heel lang. En ik legde een hand op zijn negenjarige rug.
Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.
Piep, piep, pieppieppiep. „Ja, kom maar even hier staan”, zegt de beveiliger op de kermis in Beverwijk tegen een tiener met krulletjes, joggingbroek en gympen. Hij is net door een detectiepoortje gelopen. „Jas open, armen uit elkaar.” Hij voelt aan de rug van de jongen, hij glijdt even met zijn handen langs de benen. „Nu je tasje even open.”
Niets te zien. Hij mag door.
„Wacht”, roept Jake Hampel, de baas van beveiligingsbedrijf BJ Security & Protective Services. „Dit is een groepsleidertje dat gisteravond negatief opviel. We gaan even een gesprekje met hem voeren.” De jongen krijgt te horen: Als je vanavond vervelend doet, mag je de hele week de kermis niet op.
Dan komt een andere jongen met petje in joggingbroek aanstormen. Hij snauwt: „Hij deed niets man.” Hampel: „Nee, jij houdt je er buiten.” De jongen roept: „Doe rustig man, doe rustig!” Hampel fel: „Jij moet rustig doen en niet zo tegen mij praten.” Niet veel later staat de jongen buiten de kermis toe te kijken hoe zijn vrienden verdwijnen in het tumult van ronddraaiende attracties, opzwepende muziek en knipperende lichten.
Het kermisseizoen is begonnen en het zal bezoekers opvallen dat kermissen beveiligd worden. Door ingehuurde beveiligingsbedrijven en niet door politie – die zijn er voor de openbare orde maar niet voor de veiligheid op een particulier evenement. Het is bovendien een harde eis van gemeenten: geen beveiliging, geen vergunning. Hoeveel toezicht er is, hangt af van de grootte van de kermis en de plek. Op een kermis bij een dorpsfeest in Helmond lopen een paar surveillanten rond, in de Randstad zoals in Beverwijk, is meer nodig. Hier zie je: hekken om de kermis, metaaldetectiepoortjes, palen met camera’s verspreid over het terrein. En overal beveiligers met portofoons.
Metaaldetectiepoortjes bij de ingang van de Kermis in Beverwijk. Foto Merlin Daleman
En dat is niet voor niets. De afgelopen jaren waren er serieuze incidenten op en rond kermissen. De kermis in Houten moest vorige week eerder dicht omdat de politie bang was voor ongeregeldheden. Vorig jaar gooiden jongeren daar met vuurwerk, het jaar daarvoor met bakstenen. Twee weken geleden gingen vijftig jongeren op een kermis in Apeldoorn met elkaar op de vuist.
En vorig jaar ging het mis in Etten-Leur, Heerhugowaard, Groningen, Emmeloord, Rotterdam, Alphen aan den Rijn, Weert, Terborg, Gennep, IJsselstein, Duiven, Dordrecht. Allemaal vechtende jongeren, tegen elkaar en tegen de politie. Hans van Tol, bestuurslid van Kermisbond Bovak, wil het graag nuanceren: het gaat over het algemeen goed hè. „Bij 10 à 15 procent van de 4.000 kermissen in het land moeten we extra opletten.” In de 42 jaar dat hij met zijn attractie ‘de spin’ (waarbij gondels aan een draaiende arm alle kanten opvliegen) op kermissen staat, heeft hij naar eigen zeggen nog nooit iets ernstigs meegemaakt.
Messen in jaszakken
Voor ondernemer Frans Stuy is dat anders. Hij organiseert al dertig jaar kermissen en in 2022 ging het flink mis in Osdorp. Jongeren gooiden vuurwerk naar de politie, ze vochten met elkaar en hulpverleners werden belaagd. De ME kwam erbij. „Zodra dat gebeurt, is de kermis overleden”, zegt Stuy. „Geen ouder die zijn kind daar nog naartoe laat gaan.” Sindsdien laat Stuy zijn kermissen beveiligen door Jake Hampel. Laatst nog in Amsterdam Westerpark, nu dus in Beverwijk. En dat bevalt uitstekend, zegt hij. „Geen gedoe, goede sfeer.”
Op een ijzeren plaat naast de botsauto’s zitten twee jongens van zeventien uit Krommenie. Ze noemen Beverwijk een getto, „maar hier is het gewoon relaxt”. Ze horen wel eens verhalen over twaalfjarigen met machetes. „Dus ik snap de beveiliging wel.” Klopt, beveiligers vissen, ook bij jonge jongens, bij elke kermis tien à vijftien messen uit jaszakken, vertelt Hampel. Maar het worden er steeds minder. „De detectiepoortjes leveren rendement.”
Dat is ook de ervaring van Jordy Grijpink van Security Services Nederland. Hij beveiligt sinds vijf jaar zo’n twintig kermissen per jaar, grotendeels in de Randstad. Hij heeft kapmessen, schroevendraaiers, keukenmessen en stanleymessen ingenomen. „Het aantal neemt af.”
„Het gaat niet goed met de jeugd”, zegt Stuy terwijl hij bij een kraam met suikerspinnen en versgebakken churros kijkt naar het binnendruppelende publiek. „Je leest het ook in de media: kinderen die elkaar neersteken, jongeren die wapens op school hebben.” Het is volgens hem de schuld van de coronatijd. „Jongeren hebben opgesloten gezeten. We konden ze niet bereiken, niet helpen en niet in de gaten houden.” Stuy kreeg in 2019 de Andreaspenning, een onderscheiding van de gemeente Amsterdam, omdat hij zich inzet voor kansarme jongeren. Hij leidt hen op en geeft ze werk op de kermis of bij andere evenementen. „Nu zijn de kinderen losgeslagen. Als je er eentje aanspreekt krijg je te horen: raak me niet aan want ik neuk je moeder.”
Door sociale media staan jongeren continu met elkaar in contact. Ruzies kunnen heel snel escaleren
Herkenbaar, zegt Sebastian Vonk van Buro de Kermisgids, een familiebedrijf dat al sinds 1952 kermissen organiseert, zo’n 120 per jaar. „Kinderen hebben een grote bek. Gezag bestaat niet meer.” Waar dat vandaan komt, weet Vonk niet. Hij ziet wel de invloed van sociale media. „Binnen vijf seconden weet de hele wereld waar je bent en wat je doet. Jongeren staan continu met elkaar in verbinding, ruzies kunnen makkelijk escaleren.” Hij ziet: in dorpen is er meer saamhorigheid en sociale controle, in de grote steden is het grimmig en harder.
Vonk organiseert de kermis op het Malieveld in Den Haag die deze zaterdag opengaat. Tilburg heeft de grootste kermis verspreid over de stad, het Malieveld is de grootste kermis op één plek, met meer dan honderd attracties en een looppad van 1,6 kilometer. Jordy Grijpink doet de beveiling en ook hier: hekken, camera’s en beveiligers. Overdag komen gezinnen, ’s avonds de jeugd. Dus tegen een uur of zeven komen de detectiepoortjes tevoorschijn. En dat werkt hoor, zegt hij, sommige jongeren staan dan een uur zenuwachtig te dralen voor de ingang en uiteindelijk vertrekken ze. „Ik zie het elk jaar”. Soms verstopt iemand snel een wapen. „Een keer heb ik ergens, op een andere kermis, een vuurwapen aangetroffen in de bosjes buiten de kermis.”
Beveiligers bij de kermis in Beverwijk. Foto Merlin Daleman
Technologie
Wat gebeurt er met jongeren die toch vechten of iets op zak hebben? Die moeten met de politie mee. Ze kunnen een gebiedsontzegging krijgen, een taak- of celstraf, een boete of een bezoek aan bureau Halt. Ligt aan het vergrijp. Beveiligingsbazen Hampel en Grijpink hanteren een zerotolerancebeleid. „Ben je vervelend? Dan zetten we je buiten”, zegt Hampel. „En dat werkt geweldig.” De lijntjes met de politie zijn kort en goed, zeggen de mannen. Ondanks dat kermissen zelf hun beveiliging moeten verzorgen, zijn ze wel afhankelijk van de politie. Bewakers hebben immers maar beperkte bevoegdheden. Dus zonder politie geen kermis. De politie kampt momenteel met capaciteitsproblemen, onder meer door de voorbereidingen van de NAVO-top in juni. Daarom heeft de gemeente samen met politie en Vonk afgesproken dat de kermis op het Malieveld in de avond eerder sluit én een aantal dagen dicht is.
Het beveiligen van kermissen kost een hoop geld. De materialen, de mensen. Maar denk ook aan geavanceerde technologie, zegt Grijpink. De camera’s overzien het hele gebied en als er te veel mensen op één vierkante meter staan, of als een bezoeker gaat rennen of achter een attractie probeert te komen, dan krijgen de beveiligers direct een melding. Maar ook als een van de bewakers zelf gaat rennen geeft de portofoon een seintje aan de collega’s. In een grote keet op het terrein loeren bewakers naar schermen waar de beelden van de camera’s live op verschijnen.
Sebastiaan Vonk legt voor drie weken bewaking op het Malieveld in Den Haag ruim een ton neer. En Stuy betaalt voor anderhalve week Beverwijk 60.000 euro. De gemeente betaalt niet mee. De kosten worden deels doorberekend aan de kermisbezoekers. Op de meeste kermissen kost een ritje inmiddels 3,50 euro, zegt Vonk, maar op sommige grote kermissen zoals het Malieveld kan dat wel 5 of 6 euro zijn. „Maar we zorgen er wel voor dat de consument de beleving blijft houden.”
Sorry
Want laten we wel wezen, de kermis is een geweldige en veilige beleving, zegt Vonk. „We bouwen een soort Efteling bij jou in de buurt, een sprookje waar je van kunt genieten.” Bovendien is de beveiliging ook een service aan de bezoekers. Hampel: „Beveiligers zijn gastheren, ze geven je een paracetamol of plakken een pleister.” Mensen zijn ook heel blij met ons, zegt hij. Gisteren heeft hij nog een jongen naar huis gebracht, van Beverwijk naar Heemstede. „Hij was zijn vijanden tegengekomen en doodsbang. Dan ontferm je je natuurlijk over zo’n gozertje. We zorgen er voor dat het imago van de kermis niet beschadigd wordt.”
De jongen in Beverwijk met petje en joggingbroek die lijdzaam moest toezien hoe zijn vrienden de kermis opgingen, staat nu met twee beveiligers toch op het terrein. Hij wil wat zeggen tegen Hampel. „Sorry meneer.” Hampel geeft hem een schouderklop. „Goed zo jongen, ga maar feestvieren.”
Geen enkel kind wil vooraan in de klas zitten, je plek in de klas beïnvloedt je status, kinderen die elkaar niet aardig vinden moet je juist dichter bij elkaar zetten, en je moet kinderen nooit zélf laten kiezen waar ze in de klas willen zitten.
Dit is een aantal conclusies die ontwikkelingspsycholoog Yvonne van den Berg van de Radboud Universiteit sinds 2016 verzameld heeft. Ze doet onderzoek naar de vraag waar je welke kinderen het beste kan neerzetten in een klas. Ze ontwierp er een wetenschappelijk gevalideerde methode mee genaamd ‘Stoeltjesdans’, waarmee duizenden docenten hun klassen indelen.
De informatie waarop de applicatie draait, komt van vragenlijsten die door leerlingen anoniem worden ingevuld – wie roddelt het meest, wie wordt gepest, wie is je beste vriend, wie is het meest behulpzaam, wie is het populairst in de klas? Als de informatie in de applicatie wordt ingevuld, kiest de leerkracht waar zij of hij aan wil werken met de klas, en rolt er een optimale indeling uit.
Door de methode wordt er minder gepest en verbeteren de onderlinge relaties en sociale dynamiek. Eigenlijk ongelooflijk dat het zo vaak goed gaat op scholen, zegt Van den Berg. Want een schoolklas lijkt soms wel op een gevangenis.
Ga maar na: je stopt dertig kinderen elke dag met elkaar in een net iets te klein hok, vertelt ze precies wat ze moeten doen. Ze mogen niet zonder toestemming naar de wc, en je zet ze zes tot zeven uur per dag vast op dezelfde plek. Dan is het handig als je weet wie op wie en hoe reageert. Om de boel een beetje rustig te houden.
Onderhuidse spanningen
Ik dacht meteen aan de kantoortuin! Toen ik Van den Berg er laatst in de podcast Ik ken iemand die over hoorde praten. Want ook op kantoor zitten mensen vaak hele dagen tegen hun zin, bij elkaar. Ook daar broeien onderhuidse spanningen. Ook daar zitten mensen die met elkaar moeten samenwerken terwijl ze elkaar soms haten.
Hoe heerlijk zou het zijn als je ook daar Stoeltjesdans zou kunnen gebruiken! Zodat opscheppers de mond zou kunnen worden gesnoerd, de stillen wat meer gehoord zouden worden, en de collega’s die er alleen maar zitten om zichzelf te profileren op de gang gezet kunnen worden.
Nou, zeker, zegt Van den Berg lachend als ik haar erover bel. „Op kantoor zouden de principes van Stoeltjesdans zeker kunnen helpen. Kantoor lijkt natuurlijk óók wel een beetje op een gevangenis.”
Toch heeft ze haar methode nog nooit toegepast op volwassenen, omdat ze het al druk genoeg heeft met haar onderzoek in het onderwijs. Maar ze wil best eens filosoferen hoe het op kantoren zou kunnen werken.
De vragenlijsten zou je in aangepaste vorm al prima anoniem door alle collega’s kunnen laten invullen, denkt Van den Berg – wie vind je niet zo, euh, aardig, met wie werk je fijn samen, wie roddelt er veel, wie is je beste vriend. Die geven waarschijnlijk meer eerlijke informatie over de groep dan één-op-één-gesprekken met leidinggevenden waar collega’s toch vaak niet het achterste van hun tong durven laten zien.
En daarna zou haar eerste tip zijn: laat collega’s niet zélf een werkplek claimen. Zoals ze nu wel vaak doen. Want dan gaan de kletsers bij elkaar zitten, de stillen te ver uit het zicht en gaan dominante types de sfeer verpesten. Net als in een klas.
Beter is het om plaatsen toe te wijzen. Stille collega’s kan je dan van hun onopvallende plek halen, zodat ze minder verpieteren, en wat meer in het zicht zetten. Dan worden ze beter gezien en gehoord, én groeit hun status in de groep.
Rechts achterin
Collega’s die minder goed in de groep liggen kun je, net als sociaal zwakkere kinderen, het beste naast een sociaal sterk type met een groot netwerk zetten, zegt Van den Berg. De sociaal sterke collega heeft daar amper last van, terwijl de zwakkere er juist van profiteert.
Collega’s die elkaar niet kunnen uitstaan, kan je beter wat dichter bij elkaar zetten – net als kinderen die elkaar niet kunnen luchten of zien. Niet dat ze elkaar dan vanzelf aardig gaan vinden. Maar omdat je, ongewild, toch vaker met elkaar praat, en met elkaar overlegt als je dichter bij elkaar zit, ontstaat er wat meer begrip, zo heeft Van den Berg in klassen gemerkt.
De populairste plek van de klas is rechts achterin, zegt Van den Berg, met je vrienden om je heen. Zo is het natuurlijk ook op kantoor – lekker uit het zicht van de leidinggevende, anders krijg je de lastige klussen – en met je besties in een groepje. Alleen de carrièretijgers willen graag dicht bij de baas zitten. Die kan je daar dus prima neerzetten, denkt Van den Berg. Of juist de lijntrekkers! Die juist iets meer ‘aandacht’ van de baas nodig hebben.
De groepjes met besties die veel met elkaar kletsen kan je beter uit elkaar halen, denkt Van den Berg. Zet er een bijvoorbeeld een collega tussen naast wie niemand wil zitten – we kennen ze allemaal. Daar stijgt ook hun status van, zegt Van den Berg.
En elke dag op een andere plek? Op flexplekken en ‘aanlandplekken’? „Dat is een volslagen debiel idee”, zegt Van den Berg. „Het opbouwen van een relatie met een collega of klasgenoot kost tijd. Dat doe je niet als er elke dag een ander naast je zit. Laat staan als er ook nog gewerkt moet worden.”
Moeder en vader: „Worden kinderen minder verbaal vaardig door het gebruik van technologie? Heel veel communicatie vindt tegenwoordig plaats via apps. Waar je vroeger iemand belde of bij iemand aanbelde, gaat het nu via Instagram, Snapchat, TikTok, WhatsApp. Met afkortingen en emoticons. Verpest deze geschreven communicatievorm de vaardigheid om je ook sprekend goed uit te drukken? Op ons werk merken we dat jongeren vlotte sollicitatiemails sturen, maar zich slecht uiten als ze op gesprek komen. Ook lijken tienerkinderen in onze omgeving zich minder vaardig verbaal uit te drukken. Onze eigen kinderen zijn drie en zes. Hoe kunnen we ze zo opvoeden dat zij goed leren praten?”
Naam is bij de redactie bekend. (Deze rubriek is anoniem, omdat moeilijkheden in de opvoeding gevoelig liggen.) Wilt u een dilemma in de opvoeding voorleggen? Stuur uw vraag of reacties naar [email protected]
Voortdurend oefenen
Eliane Segers: „Kinderen leren hun mondelinge vaardigheden in eerste instantie door het voortdurende gesprek met hun ouders. De ontwikkeling van taal zit in de dagelijkse interactie. Daarom zouden ouders vooral hun eigen schermgedrag goed in de gaten moeten houden. Als ze op hun eigen apparaat bezig zijn, praten ze niet met hun kinderen.
„Het allerengst zijn die buggy’s met toestelhouders voor ouders en kind. Die helpen de hele communicatie om zeep. Juist als ouders met hun kinderen onderweg zijn kan er zo veel worden benoemd uit de wereld om hen heen.
„Praat vooral met uw kinderen. Laat ze sowieso niet zomaar iets op YouTube of TikTok kijken, maar kijk samen iets, en bespreek dat. Mocht er een tablet zijn, zet er dan digitale prentenboeken op, en lees die boeken eerst voor. Dan kunnen de kinderen ze daarna op de tablet oneindig vaak opnieuw horen.
„Voor verbale vaardigheden geldt: oefening baart kunst. Die oefening blijft doorgaan tot ver in hun jongvolwassenheid. Als kinderen ouder worden doen ze nieuwe ervaringen op waar jullie woorden voor kunnen aanreiken. Evalueer ook samen aan tafel de actualiteiten. Zo leren ze kritisch denken.
„De discrepantie tussen een vlotte e-mail en de gebrekkige mondelinge voortzetting die jullie waarnemen, kan komen door het gebruik van AI. Veel jongeren gebruiken bijvoorbeeld ChatGPT voor schriftelijke communicatie. Dat maakt het extra moeilijk om het daaropvolgende mondelinge gesprek op hetzelfde niveau voort te zetten.”
Stimuleer taalvaardigheid
Justine Pardoen: „Jullie observatie zal juist zijn. Jongeren zitten gemiddeld 6,5 uur per dag op hun smartphone. In die tijd communiceren ze in verkorte vorm, met emoticons. Bellen doen ze ook nauwelijks meer. Daardoor maken ze minder vlieguren in oefenen met gezichtsuitdrukkingen, tempo, de juiste toon aanslaan, wat voor een vlotte mondelinge communicatie noodzakelijk is. Als je iets spannend vindt, heb je online meer tijd voor een reactie dan wanneer je face to face met iemand praat en snel moet kunnen denken en formuleren.
„Ook jonge kinderen brengen steeds meer tijd achter een scherm door. We horen logopedisten klagen over de slechte taal- en spreekvaardigheid van basisschoolkinderen. Dat hun woordenschat te mager is, en ze weinig zinnen kunnen maken. Ze wijten dat aan een te magere taaluitwisseling thuis. Je ziet overal kinderen achter een beeldschermpje: in buggy’s, in restaurants. Op dat moment is er geen betekenisvolle mondelinge uitwisseling.
„Kinderen tussen drie en zes jaar oud leren als een speer. Ze kunnen heel veel nieuwe woorden per dag opnemen. Dit is de tijd om die mondelinge taalvaardigheid te stimuleren. Dus praat met jullie kinderen. Stel vragen over wat ze gedaan hebben. Lees voor, praat over de tekst. Laat ze facetimen met opa en oma als jullie staan te koken, in plaats van ze voor een film te zetten. Doe taalspelletjes als jullie uit eten gaan. Goed kunnen praten en luisteren is een belangrijke, uniek menselijke vaardigheid. Het verbindt je met andere mensen, geeft zelfvertrouwen, vergroot kansen en opent werelden.”
Eliane Segers is hoogleraar leren & technologie aan Radboud Universiteit Nijmegen. Justine Pardoen is taalkundige en oprichter van Bureau Jeugd & Media.
Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement.
Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.