Column | Geen vrijbrief voor hysterie

Het had een beetje gevroren, veel wind, het was vroeg in de ochtend, en de man die schreeuwde tegen de baliemedewerker van Air France klonk als een Caribische orkaan. „Dit is een apenland, hoort u me. Even wat vorst, en meteen twee uur vertraging. In Canada lachen ze erom. Een a-pen-land, dat is het.”

Je hoort aan zijn Nederlands dat het een licht buitenlands accent heeft, het Nederlands is vast moedertaal maar ook roestig, het mist dagelijks gebruikt.

De baliemevrouw is getraind om met dit soort klanten om te gaan. Ze zegt nog net niet ‘Thank you for your feedback’, ze verstrakt even. Het valt niet aan te raden die apenlandspeech te geven in Suriname, of je nu een bruine, witte of zwarte Nederlander bent. Je haalt er oud zeer mee overhoop. Hier in Nederland levert het apenverwijt hooguit een bevroren glimlach op.

Hij vliegt naar Parijs, net als ik, en dan hoor je eigenlijk met de trein te gaan, maar die rijdt niet door naar Canada waar de apenlandman naartoe moet, en ook al niet naar Martinique, waar ik hoop te landen. Wij zullen beiden onze aansluitende vluchten missen, en de nacht doorbrengen nabij het feeërieke vliegveld Charles de Gaulle – maar dat weet dan nog niemand.

De Caribische eilanden die ik daarna bezoek zijn geen van allen ‘apenlanden’: je moet wel een heel verbeten blik hebben om met die termen te schermen. Ik word verrast in Trinidad door de aanhoudende, uni sono uitgesproken begroetingen, ‘good morning, ‘afternoon’, als ik de lokale busjes inklim. Loop in Nederland een bus binnen, groet de aanwezigen, en de schrik zit er goed in. Maar het cliché is waar: Nederland-Trinidad, een wereld van verschil, waarbij de hoofdstad Port of Spain fantastisch hoog scoort in misdaadcijfers. Veertig moorden per jaar of meer, op de honderdduizend mensen, terwijl dat in grote delen van Europa 1 op de honderdduizend is. Maar wel hartelijk groeten, die Trinidadanen, misschien wel om de publieke onveiligheid te lijf te gaan met private voorkomendheid.

Op de hotelkamer in Port of Spain zie ik bij het vallen van de avond minstens 20 privé-beveiligers op en neer lopen, los van elkaar. Als hun dienst erop zit kleden ze zich om in hun auto’s die in de straat staan geparkeerd. Het geweldsmonopolie is uitbesteed, want allemaal dragen ze nonchalant een holster met pistool, die met een vrijetijdszwaai op de achterbank belandt. Als er echte politie door de straat rijdt, met loeiende pick-up truck, krijg je bepaald niet het idee dat de veiligheid toeneemt. Spiraalsgewijs houden de misdaad, de politie en de privé-beveiligers elkaar in stand. Bij aankomst in het hotel klaagt de medewerkster dat de geboekte kamer nog steeds bezet is, onbetaald, lang na check-out tijd. Dan komt er politie aanrijden. „Aha, redding” roep ik. „Nee, dat zijn juist die mensen die ik er uit probeer te krijgen.” Tot wie zal je je wenden als de politie het probleem is?

Het heeft geen zin Trinidad met West-Europa te vergelijken, want niemand knapt op van een veel beroerder voorbeeld, ver weg. Maar dat is geen vrijbrief voor onbekommerde hysterie. Deze maand zijn er verkiezingen in Duitsland, ooit Merkel-land, die een afrekening beloven te worden met de volstrekt onhoudbare misdaadcijfers aldaar: 0,83 moorden op de 100.000 mensen.

Daar plegen ze in Trinidad een moord voor.

Stephan Sanders is essayist.