Column | Een dictatuur – oké. Maar het moreel geheven vingertje van het Westen dan?

Woon je met je familie in Kigali, babbel ik met de taxichauffeur als hij me van de luchthaven naar ons hotel rijdt.

„Veel families in Rwanda bestaan niet meer”, antwoordt hij. En hij begint te vertellen: “Ik was vier in 1994, toen de genocide begon. De milities kwamen ons huis binnen. Ik zat bij mijn moeder op de arm en kreeg een haal met een machete in mijn been.” Hij maakt een gebaar met zijn hand over zijn hele linkerkuit. „Mijn ouders werden vermoord. Ik kwam in het ziekenhuis terecht. Daar bleef ik lang omdat de wond infecteerde; er waren bijna geen medicijnen. Het was gevaarlijk, ook in het ziekenhuis; de milities waren steeds op jacht.”

„Maar het ergste was dat ik daar helemaal alleen was. Niemand bij me. Uiteindelijk genas de wond. Vier jaar later ben ik naar Oeganda gevlucht.” Met wie dan, vraag ik hem zacht. „Met een groep waar ik me bij had aangesloten. Ik liep gewoon achter hen aan.” Hij vertelt over het vluchtelingenkamp waarin hij terecht kwam toen hij acht was, vol geweld en drugsproblemen. In 2010 besloot hij terug te gaan naar Rwanda. „Dat is uiteindelijk toch je thuis. Er was bijna niemand meer…” Maar hij wilde meehelpen met het opnieuw opbouwen van zijn land. In het vluchtelingenkamp had hij een meisje ontmoet, nu zijn vrouw en moeder van zijn twee dochters. Zij ging mee. Dat hielp.

Ik ben in Rwanda om een project van Right To Play te lanceren waarmee vooral meisjes in aanraking worden gebracht met wielrennen, richting het WK wielrennen dat in 2025 in Kigali wordt gehouden. Omdat sporten en spelen verbindt – en dat is precies waar de taxichauffeur ook over begint. Basketbal en volleybal zijn populair, wielrennen ook. „De jonge generatie wil vooruit, en het verleden achter zich laten. Sport beleef je samen, welke verschillen er ook zijn. Ik ben zo trots dat het WK wielrennen naar ons land komt. Het is heel belangrijk voor ons.”

Twee dagen later bezoek ik het Genocide Memorial Center in Kigali. Het is volkomen onvoorstelbaar wat zich hier dertig jaar geleden heeft afgespeeld. Ik herinner het me nog zo goed, ik was vijftien. Wat ik wist: dat er in vier weken tijd achthonderdduizend mensen zijn vermoord. Wat ik niet wist: dat ‘wij’ als kolonisatoren in onze machtswellust de etnische groepen tegen elkaar hebben uitgespeeld. In de jaren dertig legde de Belgische kolonisator de scheiding tussen Hutu’s en Tutsi’s strikt vast op papier: door neusmetingen, het kijken naar lichaamslengte en hoeveelheid vee bijvoorbeeld, werd bepaald wie bij welke bevolkingsgroep hoorde.

Overal waar ik kom kijk ik naar de gezichten, en vraag ik me af wat die ogen gezien hebben. Mensen delen hun herinneringen met me. Het is ijzingwekkend. Je zou allerlei meningen kunnen hebben over dit land, het is een dictatuur. Ik blijf erover nadenken wat ik er nu van vind dat hier een mondiaal sporttoernooi georganiseerd wordt. Waar ik telkens op blijf haken: dat moreel geheven vingertje van het Westen, van de oude kolonisatoren.

De taxichauffeur vertelt over hoe gelukkig hij is met zijn leven nu. Met zijn vrouw en zijn twee dochters die hem elke keer als hij thuiskomt in de armen vliegen. „Je woont dus toch met je familie in Kigali”, probeer ik wat lucht te brengen. Zijn gezicht breekt open, en ik ben erg blij met mijn zonnebril.

Marijn de Vries is oud-profwielrenner en journalist.