Rupsen zijn de echte sterren in deze biografische film

Je moet het maar durven: je film openen met een minutenlange close-up van een etende rups. Geen voice-over, geen toelichting: alleen die larve die zich langzaam volvreet en dan, tergend traag, verandert in een pop – om uiteindelijk uit te groeien tot een vlinder.

Regisseur Pim Zwier durft het. Niet voor niets wordt zijn biopic Metamorfose, over kunstenares Maria Sibylla Merian (1647-1717) omgeschreven als mengeling van ‘natuurdocumentaire, kostuumdrama en kunstproject’: de film kent zijn weerga niet. Neem alleen al het oude Nederlands dat consequent gesproken wordt door de acteurs: Zwier riep speciaal de hulp in van historische taalkundigen voor een realistisch script. Of zie hoe de acteurs (onder wie Carly Wijs en Pierre Bokma) zich langzaam losmaken uit de schilderijen om het levensverhaal van Merian te verbeelden.

‘De eerste ecoloog’ wordt de van oorsprong Duitse Maria Sibylla Merian wel genoemd. Ze beschreef en tekende als eerste insecten in hun natuurlijke omgeving, met de planten die ze als voedselbron hadden. Raupen ofwel rupsen waren haar specialiteit: in 1679 bracht ze het eerste deel uit van haar Raupenbuch (dat ze later, in 1713 in het Nederlands vertaalde als Der rupsen begin, voedzel en wonderbaare verandering. Die vertaling naar het Nederlands was niet toevallig: al in 1685 was ze met haar moeder en dochters (maar zonder haar echtgenoot) naar het Friese Wieuwerd verhuisd, om zich aan te sluiten bij de religieuze commune van de labadisten.

Later verhuisde ze naar Amsterdam en reisde van daaruit voor twee jaar naar Suriname. Met het boek dat ze daar maakte, Verandering der Surinaamsche insecten, werd ze wereldberoemd. Ze verwerkte alle stadia van een insect in één afbeelding, van ei tot rups tot pop tot volgroeid insect, samen met de kenmerkende planten waarop de soort voorkwam

Naast een getalenteerde tekenaar was Merian ook een gewiekste zakenvrouw: vaak drukte ze haar kopergravures die ze samen met haar dochters maakte ook in spiegelbeeld af, om ze als ‘unieke’ exemplaren te verkopen.

Toch zijn de échte hoofdpersonen van de film de rupsen. Zwier geeft ze alle ruimte: steeds weer komen de fraaie, dikke, rustig doorknagende rupsen pontificaal in beeld, mét de plant waar ze van leven. Jammer is dat de rupsen en planten nergens bij naam worden genoemd, terwijl juist dat een meerwaarde zou zijn. Wel zijn er fraaie observaties van Merian, zoals de poppen die ze vergelijkt met „dadelpitten” en „gebakende kindekes”. Ook beschrijft ze hoe ze door schade en schande leerde dat de rupsen doodgaan als ze niet bij de juiste plant worden gezet.

Goed nieuws voor wie nieuwsgierig is naar het werk van Merian: het merendeel bevindt zich in de collectie van het Britse koningshuis, maar er zijn ook prenten aanwezig in de Amsterdamse Artis Bibliotheek. En haar Surinaamse insectenboek schittert tot eind maart in het Rijksmuseum.


Sandra Harding was ervan overtuigd dat kennis niet tijdloos is

Wetenschappelijke kennis kan alleen ‘streng’ objectief zijn als ook de perspectieven van vrouwen en andere onderdrukte groepen worden erkend en serieus genomen. Hun standpunten zijn cruciaal voor inzicht in de wetenschappelijke en sociale werkelijkheid.

Dat was de overtuiging van de invloedrijke Amerikaanse feministische en postkoloniale filosoof Sandra G. Harding, die begin maart op 89-jarige leeftijd in de VS overleed.

Begin jaren tachtig werd Harding een belangrijke stem in het opkomende vakgebied ‘feministische epistemologie’ (kennisleer). Dat onderzoekt hoe kennis, gender, kleur en sociale context samenhangen, een geëngageerde vorm van onderzoek met zowel empirische als normatieve inzet, gericht op emancipatie.

In The Science Question in Feminism (1986) onderscheidde Harding drie benaderingen van feministische kennisleer: empirisch, ‘standpunt theoretisch’ en postmodern. De eerste wil bestaande wetenschap verbeteren door patriarchale vooroordelen te bestrijden, de tweede benadrukt het ‘standpunt’ van vrouwen en andere gemarginaliseerde groepen, de derde wijst het idee van objectieve wetenschappelijke waarheid af.

Dat zijn ook nu nog herkenbare posities in feministische filosofie en sociale wetenschap, al zijn inmiddels vele varianten en vertakkingen gegroeid. Ook in haar eigen werk combineerde Harding diverse epistemologische benaderingen.

Hegel en Marx

Rode draad bleef Hardings overtuiging dat ook wetenschappelijke kennis niet tijdloos is maar ‘sociaal gesitueerd’, het product van een sociale gemeenschap. Dat speelt al in het begin van onderzoek, de context of discovery: wie betaalt het, welke vragen worden gesteld? Harding wees het idee van objectiviteit niet af, maar ‘sterke objectiviteit’ ontstaat pas als ook kennisposities worden opgenomen uit de ‘levende ervaring’ van vrouwen, niet-witte minderheden en gekoloniseerde volken.

Zij hebben volgens Harding vaak scherper inzicht in de sociale werkelijkheid dan dominante groepen, een idee dat schatplichtig is aan het denken van Hegel over de dialectische relatie tussen ‘meester en knecht’ of (bij Marx) tussen sociale klassen. De ‘knecht’ ontwikkelt een ‘dubbel bewustzijn’ omdat hij zichzelf en zijn meester ziet als subject, terwijl die hem reduceert tot een object.

Sandra Harding werd in 1935 geboren in San Francisco, in een gezin dat gebukt ging onder de economische crisis van de jaren dertig. Tijdens haar studie aan Rutgers University voorzag ze in haar levensonderhoud als serveerster en telefoniste. Na haar huwelijk, met een filosoof die ze aan de universiteit had ontmoet en met wie ze twee dochters kreeg, gaf ze wiskundeles en werkte ze als eindredacteur van teksten.

Begin jaren zeventig hervatte ze haar studie, in1973 promoveerde ze op de kennisleer van de Amerikaanse filosoof Quine. In die jaren werd Harding gegrepen door de vrouwenbeweging. Aan de University of Delaware, waar ze in 1986 tot hoogleraar werd benoemd, zette ze een programma op voor vrouwenstudies. In de jaren negentig vertrok ze naar de University of California in Los Angeles, waar ze hoogleraar gender en educatie werd en leiding gaf aan het Centrum voor Vrouwenstudies.

Ook buiten de universiteit zette Harding zich in voor feministische en post-koloniale wetenschap. Ze zat vanaf de jaren tachtig in de redactie van het vooraanstaande feministische tijdschrift Hypatia, later in die van Signs (2000-2005), adviseerde de VN en gaf wereldwijd lezingen. In 1987 verbleef ze in Nederland als gastdocent aan de Universiteit van Amsterdam. Tot haar bekendste werk horen The Scientific Question in Feminism (1986) en Whose Science? Whose Knowledge? (1991).

Weerklank en kritiek

Haar ideeën over wetenschap en ‘standpunt-theorie’ vonden breed weerklank, maar riepen tegelijk kritiek en zelfs afkeer op. In de Amerikaanse science wars van de jaren negentig over het waardevrije karakter van wetenschap, werd ze door critici als Richard Dawkins gehekeld als een verspreider van ‘slechte wetenschap’. Als bewijsstuk diende met name haar ‘lachwekkende’ typering van Newtons mechanica als een „verkrachtingshandleiding”, op grond van gewelddadige metaforen over moeder natuur die moet worden gedwongen haar geheimen prijs te geven. In feite stelde Harding in die passage in The Science Question in Feminism de provocerende maar niet bij voorbaat onzinnige vraag waarom ‘machine’-metaforen in de 17de-eeuwse natuurwetenschap door historici worden gezien als redelijk en terzake, maar die andere niet.

In de hitte van de culture wars won spot over haar werk het vaker van inhoudelijke tegenspraak. Harding stond mede model voor de ‘Sokal hoax’ (1996), een parodie op postmoderne filosofie die uit Europa naar de VS was overgewaaid en waarin volgens fysicus Alan Sokal jargon het won van analytische helderheid.

Meer inhoudelijke critici vreesden dat ‘standpunt-epistemologie’ afglijdt naar relativisme, ondanks haar notie van ‘sterke objectiviteit’. Andere kritiek luidde dat in haar werk een verborgen universalisme zat, de aanname dat alle leden van onderdrukte groepen hetzelfde perspectief hebben, een verwijt dat ze bestreed met een beroep op verschillende soorten diversiteit, ook binnen groepen.

Hardings werk heeft uitlopers gekregen in sociologie van de wetenschap en in aandacht voor inheemse perspectieven als serieus te nemen vormen van kennis en niet als fascinerende folklore. Het raakt ook aan een recente notie als ‘epistemologische rechtvaardigheid’, ontwikkeld door filosoof Miranda Fricker. Tegelijk is kritiek op ‘standpunt-theorie’ een vast ingrediënt gebleven in intellectuele en politieke culture wars, die met het aantreden van Donald Trump als president van de Verenigde Staten een nieuwe fase zijn ingegaan.

In een interview op YouTube zei Harding er acht jaar geleden dit over: „Het is opvallend dat standpunt-theorie nog steeds extreem controversieel is. Toch weet het zich nu al veertig jaar te handhaven. Het laat zien dat er iets in zit dat de moeite waard is om over na te denken.” Dat zal zo blijven, zegt ze, want: „Telkens als een nieuwe groep het podium van de geschiedenis opstapt, zeggen ze: hé, vanuit ons perspectief zien de dingen er heel anders uit.”


De angel is nog niet uit de discussie over de baanbrekende insectenstudie

Wie een wetenschappelijke twist wil uitvechten kan maar het beste een lange adem hebben – zéker als de discussie plaatsvindt op papier, in een vooraanstaand tijdschrift als Nature. Dat ondervonden de Nijmeegse onderzoekers Caspar Hallmann en Hans de Kroon en hun collega’s toen hun commentaar op een ander wetenschappelijk artikel deze week „eindelijk, na heel lange tijd” werd gepubliceerd.

Eind 2023 kregen de Nederlanders van een Duits-Zwitsers biologenteam, onder leiding van Jörg Müller, kritiek op hun baanbrekende ‘Krefeld-studie’ uit 2017. Daarin hadden Hallmann en De Kroon geconcludeerd dat de vliegende insectenbiomassa, dus het totale gewicht van alle vliegende insecten, in 27 jaar tijd met meer dan 75 procent was afgenomen. In datzelfde artikel stond ook dat er geen eenduidige oorzaak aan te wijzen was. Eerder zou het een ‘dood door duizend sneden’ zijn, waarbij versnippering van leefgebied, pesticidengebruik én klimaatverandering een rol spelen.

Onzin, oordeelden Müller en de zijnen: de afnames waren volgens hen simpelweg te wijten aan verschuivingen in weersomstandigheden. De afgelopen decennia werden de winters warmer en droger waarbij de insecten langer actief bleven (waardoor ze ten prooi konden vallen aan vijanden) of droogden de eitjes uit. Anderzijds kon de insectenstand bij toenemend natte voorjaarscondities direct weer een boost krijgen.

De Nijmeegse biologen vonden díé redenering juist weer veel te kort door de bocht. In de vallen waarin de insecten werden verzameld kwamen immers allerlei soorten samen, met heel uiteenlopende weersvoorkeuren. Het was in hun ogen nauwelijks voorstelbaar dat álle insecten zo achteruit zouden gaan door louter verschuivingen in het weer. „Haha”, reageerde Müller destijds per e-mail op de kritiek. „Dit is gewoon goede wetenschap. Al onze data en codes zijn publiekelijk beschikbaar.”

Statistisch onbetrouwbaar

Maar nu, anderhalf jaar na het stuk van Müller c.s., slaan De Kroon en Hallmann terug met een eigen publicatie in Nature. De titel: Weather anomalies cannot explain insect decline. Het gebruikte statistische model van het Duits-Zwitserse team geeft volgens hen een valse, nietszeggende relatie tussen weersveranderingen en insectenafname weer; geobserveerde toenames in insectenbiomassa zouden niet door het weer komen maar door onvergelijkbare bemonsteringslocaties en het gebruik van een ander type val.

De Kroon, in een e-mail: „Het leidt geen twijfel dat klimaatverandering effecten heeft op overleving van insecten en verschuivingen tussen soorten. Werk hieraan begint pas. Maar met deze ‘grote stappen, snel thuis’-methode zijn de effecten niet te bewijzen, en dat leidt de aandacht af van grote bedreigingen zoals pesticiden.”

Op één punt lijken alle onderzoekers het wél met elkaar eens te zijn: achteruitgang van insectenbiomassa is een complex onderwerp, en betere samenwerking is nodig. Hopelijk haalt die conclusie de angel uit de discussie.


Toen de Russen Nederland binnenvielen, strandden ze bij Castricum – in 1799

De Russen komen! Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd die kreet iets van vroeger tijden, toen Nederlanders piekerden of ze liever een Rus in de keuken hadden of een raket in hun achtertuin. De Rus kwam toen niet – en het is nog de vraag of Poetin straks wel komt. Toch was er een tijd, niet eens zo heel lang geleden, dat deze waarschuwing geen angstvisioen betrof, maar de daadwerkelijke nadering van Russische soldaten.

We schrijven de herfst van 1799. Ten noorden van Amsterdam werden bloedige veldslagen uitgevochten die beslisten over het lot van de Bataafse Republiek. Nederlanders en Fransen stonden tegenover Britten en Russen en na een maand strijd bleven zo’n 25.000 mannen dood of gewond achter op het slagveld.

Nederland vocht sinds 1795 aan de zijde van het revolutionaire Frankrijk. De Britten besloten daarom tot een invasie om de Nederlandse vloot onschadelijk te maken en Amsterdam te veroveren, om zo de gevluchte Oranje-stadhouder Willem V weer aan de macht te helpen. De Russische tsaar Paul I stelde 17.500 man ter beschikking om hierbij te helpen.

Zijn troepen werden getransporteerd door de Britse marine. Grenadier David Horvitz schreef over die reis (geciteerd in Latten: Invasie 1799. Onheil in Noord-Holland): „Wij Russen konden niet wennen aan de rantsoenen die onze bondgenoten ons voorschotelden; witte scheepsbeschuit, erwten, gezouten vlees en rum. Mannen van de Dnjepr gedijen bij rundvlees, rogge en wodka.”

Veldslag bij Bergen

Medio september 1799 gingen de Russen onder bevel van generaal Ivan Ivanovitsj Hermann von Fersen bij Den Helder aan land. De Britten hadden al een deel van Noord-Holland in handen en hun bondgenoten werden meteen in de strijd geworpen: bij Bergen kwam het op 19 september tot een eerste veldslag.

De opmars vanuit de duinen verliep voorspoedig en de Russen namen ’s ochtends Bergen in. De joodse Horvitz noteerde in zijn dagboek: „Zodra de roes van de overwinning in de aderen stroomt, vergeten wij onszelf. Dan ontwaakt de plunderaar in de Russische soldatenziel. Ik ben niet beter dan de anderen, maar wie ooit een pogrom heeft meegemaakt, is niet tot plunderen in staat.”

Later die dag deden de Frans-Bataafse troepen een tegenaanval, die dramatische gevolgen had voor de Russen. David Horvitz en zijn kameraden verdedigden zich bij de ruïne van een kerk. „Ik zag Ilja, onze kleine dichter, voorover vallen en Evgeni gewond raken. Bloed gutste uit een wond aan zijn borst. Mitjoesja stortte voor mijn ogen neer.”

Dit waren wilden, duivels uit de hel die voor niets terugdeinsden

Franse soldaat

De Russen sloegen op de vlucht, en 1.300 mannen werden gevangen genomen – onder wie generaal Hermann. Horvitz, die was ontkomen, concludeerde die avond: „Wie met de vijand danst, moet niet verbaasd zijn als hij op je tenen gaat staan.”

Op 2 oktober zetten de Britten en Russen een nieuwe aanval in op Bergen en Alkmaar – deze keer met succes. De Fransen en Nederlanders trokken zich terug op een linie bij Castricum, waar op 4 oktober de beslissende slag van de campagne plaatsvond. Dat was niet de bedoeling van de Britse bevelhebbers van de invasiemacht, maar lokale schermutselingen liepen door de ongedurigheid van de Russen uit de hand.

Een Franse soldaat zag de Russische kozakken op hun „kleine, schriele paardjes” op zich afkomen. Hij hoorde boven het gebulder van de kanonnen hun gegil – „afschuwwekkende keelklanken” – en stond doodsangsten uit. „Dit waren wilden, duivels uit de hel die voor niets terugdeinsden.”

Slag bij Castricum, 1799
Schilderij Charles Rochussen, Amsterdam Museum

Bataafse huzaren

Castricum veranderde die dag zes keer van eigenaar. Horvitz arriveerde in de loop van de dag bij het dorp. Hij zag „smeulende huizen, vensters als holle ogen, verminkte lijken op de grond”. Een van de nieuwelingen in zijn eenheid braakte zijn middagmaal uit. „Zenuwen. Nog even, dan zou hij zijn vuurdoop ontvangen.”

Een Bataafs regiment huzaren zorgde later die middag voor de beslissing in de slag: de Britten en Russen moesten zich met zware verliezen terugtrekken. De Russische kolonel Alexander Dubiansky werd gevangen genomen en naar de Frans-Bataafse opperbevelhebber Guillaume Brune geleid. Die verklaarde dat de Russen „als leeuwen hadden gevochten”, aldus Dubiansky in zijn memoires. „Zie deze met lijken bedekte heuvels. Uw soldaten vochten zich liever dood dan zich over te geven. En dat alles voor de Engelsen die, zoals uzelf hebt gezien, zich van de poten van een kat bedienden, om de kastanjes uit het vuur te halen.”

De slag bij Castricum betekende het einde van de geallieerde campagne. Op 18 oktober werd in Alkmaar de vrede getekend en op 30 november scheepten de laatste invasietroepen zich in. David Horvitz was niet rouwig om zijn vertrek. Veel van zijn kameraden die niet gesneuveld waren, overleden door malaria, veroorzaakt door de muggen die welig tierden in door de Nederlanders onder water gezet gebied. „Wij zijn met zovelen minder. Geen sterke taal meer, geen toespelingen op de overwinning, rijke buit of willige vrouwen.”

Het verhaal van deze invasie kent een bijzondere epiloog. Generaal Hermann, die was vrijgelaten na wekenlang te zijn gefêteerd in Amsterdam, betaalde die gastvrijheid terug in 1812, toen na de desastreus verlopen Russische veldtocht van Napoleon Nederlandse krijgsgevangen officieren bij hem werden ingekwartierd. Hij gaf de Nederlanders, zo herinnerde een officier zich later, „het meest welwillend onthaal”.

Toen ze in 1814 na Napoleons abdicatie naar huis mochten, gaf Hermann een afscheidsdiner, waar hij tot tranen toe geroerd zijn gasten te kennen gaf dat hij „de brave Hollandse natie steeds hoog zou vereren, en zijn vroeger onthaal in Holland genoten, altijd in dankbaar aandenken houden zou”.


Hoe illegaal opgegraven Grieks aardewerk in de handel kwam bij Mieke Zilverberg

De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto’s komen uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.

Bij Kunsthandel Mieke Zilverberg is een Griekse drinkschaal te koop. Tenminste, op de ochtend van vrijdag 28 februari is dat nog het geval. Naakte ruiters en mannen op aanligbedden zijn op de buitenkant afgebeeld. Binnen, in het midden, is een sfinx te zien. Op Zilverbergs website staat vermeld dat de vaas afkomstig is uit een Nederlandse privéverzameling en dat hij 40 jaar eerder is geveild bij Sotheby’s in Londen. Ook wordt verwezen naar een standaardwerk over zulke zogeheten Sianaschalen van klassiek archeoloog Herman Brijder.

Wat er niet bij staat: de schaal is ooit illegaal opgegraven, blijkt uit onderzoek van NRC en archeoloog Christos Tsirogiannis.

Al deze zaken bij elkaar vormen een rabbit hole: spring erin en je valt terug in de tijd waarin, als het om wetenschappelijk onderzoek naar Griekse vazen ging, kunsthistorisch onderzoek hoogtij vierde. Ook was het de tijd dat musea en verzamelaars bij gereputeerde internationale veilinghuizen zonder problemen illegaal opgegraven oudheden konden kopen. Een herkomst als ‘Sotheby’s’ was genoeg; verdere vragen over hoe bijvoorbeeld zo’n drinkschaal bij het veilinghuis was terechtgekomen hoefden niet gesteld te worden.

Mieke Zilverberg.
Foto Ester Gebuis/ANP

Brijder dacht er ook zo over, toen hij in juli 1985 een wetenschappelijk congres in Londen bezocht, als universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam en specialist in Grieks aardewerk. Een jaar voordat hij hoogleraar en directeur van het Allard Pierson Museum zou worden kon hij het congres mooi combineren met de jaarlijkse zomerveiling van oudheden bij Sotheby’s. Op de kijkdagen zag hij twee Sianaschalen die hij nog niet kende. Drie jaar eerder was hij gepromoveerd op dit type drinkschaal, dat zijn naam te danken heeft aan een vindplaats op Rhodos. Het type werd tussen 575 en 525 v.Chr. in Athene gemaakt en is te herkennen aan zijn voet, zwarte schilderingen en een opstaande rand boven de handvatten.

Hij tipte H. Pierson, een vriend van de toenmalige directeur van het Allard Pierson Museum, om één van de twee onbekende drinkschalen te kopen, namelijk die waarop twee mannen met speren tegenover elkaar stonden. Over de andere schaal, die zeer gaaf was en volgens de veilingcatalogus geen herkomstgeschiedenis had, ging het gerucht dat hij een vervalsing zou zijn. Maar Brijder was ervan overtuigd dat de schaal, met afbeeldingen van naakte ruiters en mannen op aanligbedden, wel echt was. Dus toen een andere Nederlander, verzamelaar L. van Roozendaal, hem naar de echtheid vroeg, gaf hij zijn expertmening.

Brijders tip en mening konden op den duur ook voordelig zijn voor het Allard Pierson Museum, want wie weet zou het tweetal de vazen op een dag aan het museum schenken.

Pierson en Van Roozendaal volgden Brijders goede raad en kochten elk één van de twee Sianaschalen. Van Roozendaal kocht lot 207 pas na de veiling, voor een vanwege de geruchten relatief laag bedrag. Een natuurwetenschappelijke test, die hij voor de zekerheid liet doen, bevestigde de echtheid van zijn aankoop. De drinkschaal van Pierson publiceerde Brijder in het Vriendenblad van het Amsterdamse universiteitsmuseum. Die van Van Roozendaal gaf hij in 1991 met de vermelding ‘Prov: unknown’ een plek in Siana Cups II, het vervolg op zijn proefschrift.

<figure aria-labelledby="figcaption-0" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto komt uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.” data-figure-id=”0″ data-variant=”grid”><img alt data-description="De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto komt uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg.png” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12151006/data129257236-a31b2f.png” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-7.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-5.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-6.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-7.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-8.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/CxJUuJiKtGNsPvWDrYXZYM6fyow=/1920x/filters:no_upscale():format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12151006/data129257236-a31b2f.png 1920w”>

<figure aria-labelledby="figcaption-1" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto komt uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.” data-figure-id=”1″ data-variant=”grid”><img alt data-description="De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto komt uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-1.png” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12151008/data129257239-4ddbcc.png” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-11.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-9.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-10.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-11.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-12.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/Ob_iU3p9ex7AgLg6QKa9C44mNfE=/1920x/filters:no_upscale():format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12151008/data129257239-4ddbcc.png 1920w”>

De drinkschaal die werd aangeboden in de kunsthandel van Mieke Zilverberg. De polaroidfoto komt uit het archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici en is in beslag genomen door de Italiaanse politie.

Toeschrijven aan een schilder

Brijders benadering van vazen was en is vooral kunsthistorisch. Dat geldt ook voor het onderzoek in Siana Cups III, dat hij in 2000 publiceerde, en dat is ook het geval in deel IV waarmee hij op 80-jarige leeftijd nog bezig is. Het wordt, zo vertelt hij over de telefoon, een catalogus met alle tot nu toe bekende Sianaschalen. „Ongeveer 2.500 in totaal.”

Naast een hoofdstuk over export van de schalen naar Griekse kolonies gaat het grotendeels om de iconografie en stijl, om het beschrijven van de afbeeldingen, het herkennen van schildershanden en het toeschrijven aan een bepaalde schilder. De meeste Griekse vazen zijn anonieme producten. Moderne onderzoekers hebben daarom hun makers (prozaïsche) namen gegeven, zoals de C Schilder, waarbij de C staat voor Corinthianiserend, omdat de stijl doet denken aan de schilderingen op Corinthisch aardewerk. De C Schilder staat ook bekend als de ‘uitvinder’ van de Sianaschaal. De maker van de schaal van Van Roozendaal wordt Taras Schilder genoemd. Brijder heeft hem ‘ontdekt’, en hij dankt zijn naam aan het feit dat de meeste van zijn vazen zijn gevonden in Zuid-Italië, bij Tarente, de vroegere Griekse kolonie Taras. Hij wordt beschouwd als een medewerker van de C Schilder, omdat zijn stijl in zijn vroegste fase sterk leek op die van zijn meester. Later werd zijn stijl losser.

Brijders manier van onderzoek past in een internationale traditie die teruggaat tot in de negentiende eeuw. Zijn opvolger als hoogleraar, Vladimir Stissi, is bij Brijder in diezelfde traditie opgeleid. Maar zijn benadering van Grieks aardewerk is anders. Terwijl klassiek archeologen van de oude stempel en de meeste verzamelaars Griekse vazen met hun afbeeldingen als een vorm van kunst zien, beschouwt Stissi de vazen als een gebruiksvoorwerp uit het verleden. In zijn proefschrift uit 2002, waarin hij de productie, verspreiding en consumptie van Grieks aardewerk onderzocht, concludeerde hij dat de vazen in de Griekse wereld een eenvoudig product waren en voor velen bereikbaar waren, maar tegelijkertijd een vorm van luxe uitdrukten en daarom gewild waren. Stissi: „Grieks aardewerk was, zoals de Engelse archeologe Lin Foxhall het omschrijft, een semi-luxury.”

In een wetenschappelijk artikel uit 2009 probeerde Stissi ook nog een antwoord te vinden op de vraag of de afbeeldingen op de vazen überhaupt een functie hadden voor de gebruikers. „In onze moderne tijd besteden we immers ook nauwelijks aandacht aan de afbeeldingen op ons aardewerk.”

Voor zijn onderzoek baseerde hij zich op de toen ruim duizend Sianaschalen die door Brijder waren bestudeerd en beschreven. „Brijders onderzoek is vooral kunsthistorisch gericht, maar hij heeft ook lijsten met belangrijke gegevens over exportaantallen, vondstlocaties en typen afbeeldingen aangelegd.” Stissi concludeerde dat het erop lijkt dat de iconografie werd bepaald door het doel waarvoor een Sianaschaal werd gebruikt. Scènes met dieren en mythen komen vooral voor op de vazen die in graven zijn gevonden, afbeeldingen van gevechten, individuen en groepjes mensen die niets speciaals doen zie je vooral terug in heiligdommen, terwijl weergaven van drinkgelagen, sport, ruiters, paarden en feestelijke optochten overal voorkomen, ook op schalen die in huizen zijn gevonden. „Waarom dat zo was, weten we nog niet.”

Context is verloren gegaan

In theorie kan het beeld nog veranderen, omdat in Stissi’s onderzoek 20 procent van de toen bekende Sianaschalen van Brijder het label ‘provenance unknown’ had gekregen – de onbekende historie van eigendom en bezit. Dat betekent bijna altijd dat ze uit een illegale opgraving komen en dat de archeologische context verloren is gegaan. Via veilinghuizen en kunsthandelaren zijn deze vazen bij verzamelaars en musea terechtgekomen.

Terwijl Stissi zich altijd tegen de handel in illegaal opgegraven oudheden heeft uitgesproken, heeft Brijder daar nooit echt moeite mee gehad. In zijn proefschrift bedankte hij verscheidene handelaren van wie nu bekend is dat ze een spil waren in de handel in illegale oudheden. En uit herkomstonderzoek dat het Allard Pierson sinds 2023 naar de museumcollectie doet, wordt duidelijk dat het museum onder meer tijdens het directeurschap van Brijder verscheidene illegale oudheden heeft verworven. Daartoe, zo bleek uit onderzoek van NRC in 2021, behoort ook de Sianaschaal van Pierson, die de verzamelaar achttien jaar na de veiling bij Sotheby’s aan het Allard Pierson had geschonken. De vaas komt voor op polaroidfoto’s in een in beslag genomen archief van de veroordeelde kunsthandelaar Giacomo Medici.

Van Rozendaal heeft zíjn Sianaschaal later niet aan het museum geschonken. In de jaren na zijn dood in 2009 is zijn collectie geveild en verkocht. De Sianaschaal is in 2020 aan Mieke Zilverberg in consignatie gegeven. Onderzoek door NRC en Christos Tsirogiannis, expert op het gebied van de handel in illegale oudheden en research fellow bij het Allard Pierson, maakt duidelijk dat de drinkschaal ook voorkomt in het polaroidarchief van Medici. Dus ook deze vaas is illegaal opgegraven.

Gevraagd om een reactie zegt Zilverberg dat ze aan Brijder als expert heeft gevraagd of de vaas authentiek was. „Hij zei dat alles in orde was.” Vandaar de verwijzing naar Brijders wetenschappelijke publicatie op haar website, die potentiële kopers vast vertrouwen zal hebben gegeven.

Bij alle internationale veilinghuizen kwam in die tijd vrijwel alles zonder herkomst rechtstreeks uit de grond

Vladimir Stissi
hoogleraar

Zeker in de jaren tachtig en negentig waren er echter innige contacten tussen archeologen als Brijder en kunsthandelaren met illegale contacten. Voor beide partijen had dat voordelen. De archeologen kregen van de handelaren de gelegenheid ‘nieuwe’ vazen als eerste te publiceren. Op hun beurt konden de handelaren door een datering en hooggeleerde toeschrijving aan een schilder een hogere prijs rekenen voor hun objecten.

De afgelopen dertig jaar is door artikelen en boeken internationaal duidelijk geworden hoe veilinghuizen, kunsthandelaren, verzamelaars en musea betrokken waren bij de handel in illegale oudheden. Brijder ziet echter geen reden, ook niet door de gang van zaken rond de twee Sianaschalen, om zijn manier van publiceren te veranderen, zegt hij. Hij zal nog steeds zonder commentaar de term ‘provenance unknown’ gebruiken in Siana Cups IV, dat hij eind dit jaar of volgend jaar hoopt te publiceren, en verwijzen naar de kunsthandel, ook al weet hij dat die is gebruikt om illegale oudheden op de markt te brengen. Hij weet ook dat veel Sianaschalen afkomstig zijn uit graven bij Tarente. „Ik ben er zelf bij geweest dat bewoners van Tarente in hun eigen kelders, gebouwd op de oude necropool, gave Sianaschalen naar boven haalden.” Toch zal hij bij dergelijke vazen volstaan met de herkomst ‘Taras (?)’. Nergens zal hij een kort zinnetje als ‘waarschijnlijk illegaal opgegraven’ toevoegen. „Dat moet iemand maar zelf beoordelen.”

<figure aria-labelledby="figcaption-1" class="figure" data-captionposition="icon" data-description="De gerestaureerde Piersonschaal op een polaroidfoto’s uit het archief van Giacomo Medici.” data-figure-id=”1″ data-variant=”grid”><img alt data-description="De gerestaureerde Piersonschaal op een polaroidfoto’s uit het archief van Giacomo Medici.” data-open-in-lightbox=”true” data-src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-3.png” data-src-medium=”https://s3.eu-west-1.amazonaws.com/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12154248/web-1503WET_Griekvaas_pierson2-transparant.png” decoding=”async” src=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-19.jpg” srcset=”http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-17.jpg 160w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-18.jpg 320w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-19.jpg 640w, http://nltoday.news/wp-content/uploads/2025/03/hoe-illegaal-opgegraven-grieks-aardewerk-in-de-handel-kwam-bij-mieke-zilverberg-20.jpg 1280w, https://images.nrc.nl/-s8AGyLox1eLyEPYQpkSj46J13w=/1920x/filters:no_upscale():format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2025/03/12154248/web-1503WET_Griekvaas_pierson2-transparant.png 1920w”>

De gerestaureerde Piersonschaal op een polaroidfoto’s uit het archief van Giacomo Medici.

Italiaanse kunstpolitie

Intussen is de Sianaschaal niet meer bij Zilverberg te koop. Toen NRC haar vertelde dat de vaas in het Medici-archief voorkomt, heeft ze hem meteen uit de handel genomen. Wat ze ermee gaat doen? „Teruggeven aan de kinderen van Van Roozendaal.”

Anders dan Brijder vindt ze het wel een goed idee als voortaan in wetenschappelijke publicaties aan ‘provenance unknown’ de woorden ‘mogelijk illegaal opgegraven’ worden toegevoegd. Maar in het geval van de Sianaschaal heeft het simpele feit dat hij in juli 1985 bij Sotheby’s is geveild bij haar geen alarmbellen doen afgaan. „Ik zag geen reden om eerst bij de Italiaanse kunstpolitie te informeren en heb hem zonder problemen op de [de Amsterdamse kunstbeurs] PAN aangeboden.”

Stissi is er kort over: „Bij alle internationale veilinghuizen kwam in die tijd vrijwel alles zonder herkomst rechtstreeks uit de grond. Iedereen met verstand van zaken weet dat.”

Tsirogiannis voegt eraan toe: „Het is onmogelijk voor een handelaar, verzamelaar, museum of academicus om nu nog te beweren dat er niets mis is met de oudheden in deze beruchte Sotheby’s-veiling. Verschillende objecten van die veiling zijn als illegaal geïdentificeerd en naar Italië gerepatrieerd. Daarover is volop gepubliceerd. Het minste dat iemand zou moeten doen, is een object van die veiling laten controleren bij de Italiaanse autoriteiten. Als ze niet eens dat doen, is elke verdere actie van hen alleen maar opzettelijk.”


Onder de planten in West-Europa zijn veel duivels en heksen

‘Bijvoet, walnootblad, tarwe, gerst, sint-janskruid, duizendblad, boerenwormkruid…” Etnobotanicus Isabela Pombo Geertsma (33) wijst ze één voor één aan in de kroedwusj die voor haar ligt, in haar werkkamer in de botanische tuinen van de Universiteit Utrecht. Maar dit bundeltje gedroogde bloemen uit het Limburgse Susteren is niet zomaar een veldboeket. „Elk jaar op 15 augustus, tijdens de viering van Maria Hemelvaart, wordt de kroedwusj gezegend. Mensen verzamelen de planten, nemen het mee naar de kerk en hangen het na de zegening op in huis, als bescherming tegen onheil. Niet voor niets zitten er precies zeven soorten in: zeven is het heilige getal.” Een gebruik dat al in de tiende eeuw begon en plaatselijk nog altijd standhoudt.

Voor het samenstellen van zo’n beschermend veldboeket is specifieke plantenkennis nodig. „Eén keer was ik bij een kroedwusjworkshop aanwezig waar een deelnemer sint-jacobskruiskruid toevoegde naast boerenwormkruid – óók een plant met kleine gele bloemen, maar giftig voor vee. Die kreeg meteen op z’n kop, omdat het niet klopte volgens het ‘recept’ en omdat de kroedwusj van oudsher soms gemalen aan zieke koeien wordt gevoerd.”

Pombo Geertsma kwam de kroedwusj op het spoor tijdens haar promotietraject. „Ik onderzoek associaties tussen planten en hekserij in West-Europa, in het heden en verleden. En daar hoort ook de kroedwusj bij, want die zou onder andere beschermen tegen heksen – net als de gelijksoortige sint-janstros, die jaarlijks op 24 juni in enkele Brabantse dorpen wordt gemaakt.” Uit interesse heeft ze zelf ook weleens een kroedwusj gemaakt en laten zegenen. „Tijdens een fietsvakantie met mijn vriend, door Zuid-Limburg.”

Etnobotanie is het vakgebied waarin de relatie tussen mensen en planten centraal staat. „Tijdens mijn biologiestudie was ik zoekende. Toen volgde ik een vak etnobotanie in Wageningen en was ik verkocht. De combinatie van botanie en geschiedenis spreekt me aan. En in mijn promotietraject kan ik alle kanten uit. Zo heb ik vorig jaar met collega’s een artikel gepubliceerd in het Journal of Ethnopharmacology, over de vraag waarom zoveel West-Europese planten naar heksen en duivels zijn vernoemd. Denk aan groot heksenkruid, heksenmelk, duivelsklauw. Het blijken niet zozeer de hallucinogene planten te zijn die dergelijke namen dragen, maar vooral de giftige soorten en de onkruiden.”

Beschermd tegen het kwade oog

Een ander deel van haar onderzoek focust zich op moderne hekserij en de newagebeweging, waarin smudge sticks een rol spelen. „Dat zijn ook bundeltjes van gedroogde kruiden, maar dan bedoeld om een plek te zuiveren van kwade energieën.” Die sticks zijn vaak Noord-Amerikaans en bevatten soorten als veenruikgras en witte salie. Daar kleven de nodige nadelen aan, benadrukt ze. „Door de vercommercialisering worden die planten niet langer op duurzame wijze geoogst en raken ze moeilijker verkrijgbaar voor de inheemse bevolking. In Californië en Baja California rijden de trucks met witte salie af en aan. En die sticks worden echt óveral gebruikt tegenwoordig. Toen ik op skivakantie in de Alpen was kwam ik ze daar ook tegen in een winkel.”

In de Utrechtse botanische tuinen groeit de plant eveneens, naast de tabaksplant, in het vak ‘Tevreden rokers’ – op een steenworp afstand van het bordje ‘Heksenkruiden en heilige planten’.

Pombo Geertsma is geboren in Brazilië. „Mijn moeder, die zelf wis- en natuurkundige is, komt daarvandaan, mijn vader komt uit Nederland. Toen ik anderhalf was verhuisden we hierheen, maar tijdens mijn biologiestudie ben ik wel teruggeweest voor mijn scriptie. In Belém, een grote stad in het noorden van het land, heb ik toen een grote markt voor medicinale planten bezocht. Daar kon je onder andere wijnruit kopen. Als je daarvan een takje achter je oor steekt, dan zou je beschermd zijn tegen het kwade oog.”

Vroegere én hedendaagse heksen

Zelf is ze niet spiritueel of religieus. „Maar ik had er wel een romantisch idee bij. Al toen ik klein was vertelde mijn moeder over de inheemse volkeren in het Amazoneregenwoud en las ik graag boeken over medicinale planten en in mijn fantasie hadden vroegere én hedendaagse heksen een grote kennis van de kruidengeneeskunde.” De werkelijkheid bleek prozaïscher. „In de handgeschreven verslagen van historische zestiende- en zeventiende-eeuwse heksenprocessen in Nederland die ik momenteel ontcijfer spelen planten lang niet altijd een centrale rol. Een van de weinige verwijzingen die ik tot nu toe heb gevonden is een Amersfoortse man die met zijn zoons het blad van een els gebruikte in een poging het weer te beïnvloeden.”

Moderne heksen kopen hun smudge sticks heel vaak online of in een newagewinkel in plaats van zelf kruiden te verzamelen. „Zelfs bij die kant-en-klare sticks is het niet altijd makkelijk om de precieze samenstelling te achterhalen. Dan staat er bijvoorbeeld op het etiket dat er hout in zit van de mastiekboom, Pistacia lentiscus, maar dan is het heel iets anders. Ik heb er nog achteraan gebeld om te achterhalen wat voor hout het dan wél was, maar ze namen niet op, wilden niets zeggen of wisten het zelf ook niet. Ik voelde me net de Keuringsdienst van Waarde.”

In Nederland lijkt de botanische kennis vooral bij biologen te liggen, zegt Pombo Geertsma. „Een vakgebied als kruidengeneeskunde heb je hier weinig – het wordt al snel weggezet als homeopathie. En dat vind ik jammer, want planten zijn superinteressant om je in te verdiepen.”


Column | Emoties ter discussie

Sinds een aantal jaar ben ik verwikkeld in een wetenschappelijke discussie met een groep Amerikaanse onderzoekers onder leiding van Lisa Feldmann Barrett, een van de meest prominente onderzoekers op het gebied van emotie. Ruim tweehonderd wetenschappelijke artikelen heeft zij op haar naam staan en door haar publieksoptredens en boeken is ze ook onder niet-wetenschappers vrij bekend.

Omdat ik het niet 100 procent eens ben met de theorie die zij omarmt, probeert ze me het ándere kamp in te duwen, door mij in onhoffelijke schriftelijke reacties op mijn schrijven af te schilderen als tegenstander of als iemand die haar theorie niet begrijpt.

Polarisatie, een begrip dat vaak opduikt in maatschappelijke kwesties (denk: Gaza-Israël, wappies-woke, links-rechts) is ook in de wetenschap een voorkomend fenomeen, helaas. Samen met promovendus Karlijn van Heijst en collega-onderzoeker Annemie Ploeger probeer ik twee populaire theorieën over de herkomst van emoties, ‘basic emotion theory’ en ‘theory of constructed emotion’ te integreren.

De eerste theorie legt sterk de nadruk op ‘nature’. Vanuit die zienswijze zijn emoties universele, biologisch vastgelegde verschijnselen met specifieke neurofysiologische signalen en gedragingen. De tweede, ontwikkeld door Barrett, stelt dat emoties door de hersenen in het hier en nu worden geconstrueerd door de integratie van zintuiglijke input en eerdere ervaringen (‘nurture’). Dit betekent dat bijvoorbeeld de emotie ‘woede’ niet buiten de interpretatie van onze hersenen bestaat. Context, cultuur en taal zorgen voor enorme variabiliteit in hoe emoties worden geuit en ervaren.

Veranderingen in je lijf

Hoe hard de onderzoekers uit beide kampen ook roepen, ze lijken elkaar maar niet te verstaan. Logisch, want ze hebben het over iets anders. De ene theorie gaat vooral over emotie, de ander over gevoel – en dat is niet hetzelfde. Een emotie is een relatief korte, automatische reactie op een gebeurtenis, vaak met duidelijke veranderingen in je lijf. Stel, er springt ineens een tarantula op je gezicht: je hartslag schiet omhoog en je ogen sperren zich wijd open. Een gevoel daarentegen is de subjectieve ervaring van gevarieerde duur, zoals wanneer je voordat je gaat slapen nog eens terugdenkt aan een mooi moment van de dag en je je realiseert dat je blijdschap ervaart. Terwijl emoties vaak onbewuste processen zijn, zijn gevoelens bewust. Een gevoel kan voortkomen uit een emotie, als een soort interpretatie ervan: ik ben bang want ik voel mijn hart sneller kloppen. Jee, wat háát ik spinnen, ik voel de angst tot in mijn tenen.

Emoties en gevoelens zijn volgens Barrett aan elkaar verbonden. Ik denk dat dat in het geval van mensen en andere dieren met een verhoogd bewustzijn inderdaad meestal zo is. Maar het hoeft niet. Ik ben me lang niet altijd bewust van mijn emoties en de wetenschap bevestigt dat ik daarin niet alleen sta. Mensen hebben soms een therapeut nodig om het deurtje open te zetten!

Barrett is niet gewend om naar andere dieren te kijken dan de mens. Maar juist omdat emotionele reacties evolutionair nut hebben (om te overleven is het bijvoorbeeld best handig om snel en automatisch terug te deinzen voor gevaar), zie je ze terug in veel verschillende diersoorten. Darwin beschreef in zijn monografie uit 1872, The Expression of the Emotions in Man and Animals, als eerste de vele overeenkomsten in uitingen van emotie bij verschillende diersoorten. Hij stelde dat zelfs bij insecten bepaalde gedragingen de expressie weerspiegelen van emoties die homoloog zijn aan die van de mens (zoals woede en angst).

We weten nu dat het te veel vanuit de mens gedacht is om dit soort labels al te makkelijk bij allerlei diersoorten te gebruiken. Elke diersoort is uniek en heeft zijn eigen palet aan gedragingen, gedragingen die we missen als we hen puur door onze mensenbril bekijken. Maar zelfs fruitvliegjes beschikken over iets wat je zou kunnen omschrijven als ‘emotion primitives’, de fundamentele basisprocessen die ten grondslag liggen aan emotie.

Primitieve elementen

Ze omvatten eenvoudige, universele mechanismen zoals arousal (de mate van activatie), valentie (positieve of negatieve beoordeling), en basale gedragsneigingen (zoals ergens op af gaan of juist iets vermijden). Deze primitieve elementen vormen de basis waarop complexe emoties en gevoelens voortbouwen, vaak door interacties met cognitieve processen en omgevingsfactoren.

Beyond Right and Wrong: Fostering Connection in Emotion Theory Debates, zo luidt de titel van mijn antwoord op Barretts reactie op ons artikel. Barrett overtuigen hoeft niet, maar een goed gesprek kan ons verder helpen. De geschiedenis leert ons dat de waarheid meestal in het midden ligt. Zelfs het ooit sterk gepolariseerde nature-nurturedebat heeft nuance gekregen door de kennis over epigenetica (bepaalde genen komen alleen tot expressie onder specifieke omgevingsomstandigheden).

Ook al lijken de twee emotie-theorieën op het eerste gezicht onverenigbaar, ik denk dat ze elkaar kunnen aanvullen en dat we samen op zoek moeten gaan naar manieren om de gaten in onze kennis op te vullen met mooi onderzoek. „The ability to compromise and find common ground is not a weakness; it’s a strength” (Barack Obama).

Mariska Kret is hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden.


Een Nederlandse arts laat zich liever niet de AI-ethiek van big tech opdringen

‘Over kunstmatige intelligentie in de zorg wordt vooral heel veel gepraat, maar slechts heel weinig haalt de klinische praktijk”, zegt Michel van Genderen, internist-intensivist en associate professtor voor ontwikkeling en implementatie van artificial intelligence (AI) op de IC bij het Erasmus MC. „Het is echt bedroevend. Slechts 2 procent van de AI-modellen die worden bedacht voor de IC haalt de praktijk, bleek uit onderzoek dat we in 2021 deden. We hebben dit onderzoek afgelopen zomer herhaald, dat moet nog gepubliceerd worden, en het is nog stééds 2 procent. Ik denk dat dit representatief is voor de hele zorg. Er is gewoon minimale vooruitgang. Ondertussen lees je wel ronkende berichten over AI die beter presteert dan artsen, maar meestal blijkt het helemaal niet in de praktijk getest.”

„Steeds weer strandt het op ethiek”, zegt Jeroen van den Hoven. „Is zéker dat de AI betrouwbaar werkt, op elk moment? Is er geen bias? Hoe is de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid geregeld als er iets misgaat? Technisch kan er misschien veel, normatief is AI er nog lang niet klaar voor.”

Van den Hoven is universiteitshoogleraar ethiek en techniek aan de TU Delft en directeur van het TU Delft Digital Ethics Centre. Sinds 6 maart is zijn ethiekcentrum een officiële samenwerkingspartner van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het centrum gaat adviseren over ethische aspecten en wet- en regelgeving rond toepassing van AI in de zorg.

Dat de WHO hiervoor in Delft aanklopt is mede te danken aan de intensieve samenwerking tussen Van den Hovens onderzoeksgroep in Delft en die van Michel van Genderen en Diederik Gommers in het Erasmus MC in Rotterdam. Samen vertalen ze ethische vragen naar de klinische praktijk. We spreken elkaar een dag voor de WHO-ceremonie in het net nieuwe House of AI op de universiteitscampus in Delft.

Het moment dat de zorg niet meer om AI heen kan komt volgens Van den Hoven en Van Genderen heel rap dichterbij. „AI ontwikkelt zich razendsnel en in de gezondheidszorg blijven we achter”, zegt Van Genderen. „Als wij de AI niet ontwikkelen, dan wordt het misschien voor ons gedaan, de techpush rond AI is heel sterk. Ik zie het als een morele verplichting om hiermee aan de slag te gaan. De noodzaak is er ook, in de zorg zijn mensen en middelen schaars en de zorg zelf wordt juist complexer.”

Big tech heeft duidelijk laten zien dat we via onze spullen een bepaald wereldbeeld en een bepaalde norm krijgen opgedrongen”, vult Van den Hoven aan. „Het is ontzettend belangrijk dat we zorg-AI hier in de EU op onze eigen voorwaarden ontwikkelen, zodat we niet de ethiek van een ander opgedrongen krijgen, al dan niet onbewust.”

Zorg-AI is er in twee smaken. Enerzijds zijn er AI-modellen die ondersteunen bij klinische beslissingen, bijvoorbeeld over wanneer iemand van een gewone afdeling naar de IC moet worden overgeplaatst. Daarnaast is er AI die andere aspecten van de zorg ondersteunt, zoals taalmodellen die familiegesprekken samenvatten en in het dossier zetten waardoor de administratielast afneemt.

Aan het testen

Met allebei deze vormen zijn ze in het Erasmus MC aan het testen, vertelt van Genderen. „We hebben een model waarmee we met veel meer zekerheid kunnen voorspellen of patiënten na grote kankerchirurgie naar huis kunnen. We zagen dat gemiddeld gezien na twee dagen geen ziekenhuisinterventie meer nodig was. Dus geen reoperatie, geen bloeding, geen beeldvorming, kortom geen zaken waarvoor mensen in het ziekenhuis aanwezig moeten zijn. Toch liggen mensen gemiddeld 6 dagen in het ziekenhuis, vaak voor de zekerheid. Hoe weten we nou of het korter kan? We hebben het model eerst getest op historische patiëntgegevens, en daarbij werkte het heel goed. De volgende stap was uitspraken doen over nieuwe patiënten.”

Dat was aanzienlijk lastiger. „We misten software die de prestaties van het model controleert”, zegt van Genderen. „Ons model draaide en ondertussen kregen we een update van ons informatiesysteem. Aan de achterkant verschoof daardoor een datatabel van ons model. De prestaties van het model gingen achteruit, maar hij bleef dezelfde zekerheid aangeven. Omdat we het in een onderzoekssetting bezig waren monitorden we steeds, dus hadden we het in de gaten. In het echt mag dit natuurlijk niet gebeuren.”

Ook bleken artsen het model niet zomaar te vertrouwen. „Ze wilden meer weten over hoe het model was getraind”, zegt Van Genderen. „Mijn patiënt heeft een drain, is het model wel getraind op mensen met een drain? Transparantie is ontzettend belangrijk, iedereen moet weten wanneer het model te vertrouwen is, en in welke gevallen ook niet.”

„In de huidige zorg zitten allerlei mechanismen die zorgen voor vertrouwen, zoals bijscholing, dagelijkse overdrachten en regels voor medicijngebruik”, zegt Van den Hoven. „Met AI komt er ineens een groot nieuw technisch ding bij. Het sociale weefsel moet zich opnieuw vormen, er moeten nieuwe procedures en werkwijzen komen. Nieuwe toedeling van verantwoordelijkheid ook.”

Discussies verzanden

Ethiek verzandt al gauw in discussies die hoog over gaan, waarin termen als transparantie, eerlijkheid en rechtvaardigheid langskomen. „Iedereen heeft zijn eigen voorstelling bij dit soort begrippen, wat betekent het nou concreet?”, zegt Van den Hoven. „Hoe vertaal je dit door naar een model dat besluit of een patiënt naar huis kan of niet? Wij proberen die ethiek te vangen in meetbare termen, requirements heet dat in softwaretermen. Daar blijven ethici meestal ver van, maar er blijkt een enorme behoefte aan. Die praktische aanpak is een van de redenen dat de WHO met ons wil samenwerken.”

Zorgen over rechtvaardigheid en transparantie komen samen in het concrete probleem van bias: niet zelden blijken AI-modellen met een bepaalde vooringenomenheid te oordelen. Van Genderen kent diverse voorbeelden. „In de VS was een risicovoorspellingsmodel geïmplementeerd dat 30 procent slechter bleek te werken voor zwarte mensen, omdat het uitgangspunt van het model niet ernst van de ziekte was, maar zorgkosten. Omdat er in het verleden minder geld is uitgegeven aan de zorg voor zwarte patiënten, door onder meer sociaaleconomische ongelijkheden, werd hun werkelijke gezondheidstoestand onderschat. De zorgkosten-drive bleek te leiden tot discriminatie.”

In de wetenschap is toch algemeen bekend hoe een onderzoeksgroep evenwichtig moet worden samengesteld, waarom blijft dit biasprobleem zo hardnekkig? „Dat is ook een van onze vragen, wat is er nodig om dit te voorkomen?”, zegt van Genderen. „We willen toe naar een soort validatieproces, een bias-assessment. Het moet uitlegbaar zijn waar een model op getraind is. Daaruit kan volgen dat een model voor een bepaalde groep minder goed werkt. Dat maakt het niet meteen onbruikbaar, maar je moet het wel weten. Ook moeten trainingsdata kwalitatief en gecontroleerd zijn, daarover loopt nu een groot Europees project, om te zorgen dat in Spanje dezelfde data worden verzameld als in Estland.”

Privacy en AI gaan ook niet altijd goed samen, in Europa wordt hier veel strikter mee omgegaan dan in bijvoorbeeld de VS. „Privacy is inderdaad een van de grote obstakels in het uitrollen van AI”, zegt Van den Hoven. „Maar door privacy als grondvoorwaarde op tafel te leggen komt ook innovatie los die daar rekening mee houdt. Een model werkt alleen als het goed getraind is, op heel veel en representatieve data. Maar het trainen zelf kan best met privacy in het achterhoofd. Bij federatief leren staan data niet op één centrale server. Het model reist als het ware langs de data om ter plekke te leren.”

Ook als AI gemeengoed is blijft de arts verantwoordelijk

Michel van Genderen
internist-intensivist

Duurzaamheid moet ook een grondvoorwaarde zijn, vinden de twee. Van Genderen: „AI slurpt energie. Stel, een AI-model presteert maar een paar procent beter dan de traditionele manier, is het dat dan waard? Ik betwijfel het, maar daar moeten we het over hebben. Toch gaat het er nooit over, in geen enkele studie over AI in de zorg kijken de onderzoekers naar duurzaamheid. Dat hebben we onderzocht, geen een!”

Ook na deze hindernissen blijven er grote vragen over: wie is verantwoordelijk, wie heeft het laatste woord? En dus ook: wie is aansprakelijk als het misgaat? Stel een patiënt is twee dagen na een grote operatie ontslagen omdat het model groen licht gaf, en eenmaal thuis volgt toch een grote complicatie waardoor de patiënt overlijdt. Is de maker van het model aansprakelijk of de arts? Intensivist Van Genderen kan in de huidige situatie uitleggen hoe hij tot zijn besluit tot ontslag kwam. Kan hij dat straks ook?

„Ook als AI gemeengoed is blijft de arts verantwoordelijk”, zegt Van Genderen. „Ik moet het model dus kunnen interpreteren en het besluit nemen. Er zijn heel veel dingen waar we ons als beroepsgroep toe moeten gaan verhouden, zoals hoe gevoelig moet een model zijn? Vinden we het genoeg als het model 90 procent zeker is? Of 99 procent, of 100 procent? En wat is 100 procent dan? Een student van Jeroen kwam laatst ook met een heel interessante omgekeerde situatie: wat als het model groen licht geeft maar de arts besluit iets anders? Wie ben ik straks nog om het model te negeren?

Zelfrijdende auto

„Dit soort problemen hebben wij epistemic enslavement genoemd”, zegt Van den Hoven. „Op het moment dat je je als professional uitlevert aan zo’n slim model ontstaat er kennisafhankelijkheid. Je kunt eigenlijk geen goede redenen meer geven om er niet mee akkoord te gaan.”

De autonoom rijdende auto is al tien jaar een belofte, maar op enkele plekken na komt de driverless car niet van de grond. Belangrijke factor: de drempel van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid blijft te hoog. Is dit fundamentele punt wel op te lossen voor de zorg? „Daar gaan we met man en macht aan werken”, zegt Van den Hoven.

Nog een analogie van de weg: navigeren. Dankzij TomTom en Google Maps hebben veel mensen kaartlezen en navigeren verleerd. Van Genderen heeft zestien jaar gestudeerd en heeft nu voortdurend te maken met het interpreteren van patiëntgegevens. Waar blijft die vaardigheid? Verlies ervan klinkt gevaarlijk. Maar is dat wel zo erg, als blijkt dat AI consistent beter presteert?

„In de luchtvaart doet de automatische piloot ook vrijwel alles”, zegt Van den Hoven. „Piloten houden hun vaardigheden op peil door uren te maken in een hypermoderne vliegsimulator. Ik denk dat behoud van de technische skills wel lukt. Ik maak me meer zorgen over de moral skills, het vertrouwen dat we in het huidige zorgsysteem in elkaar hebben en het fijnmazige sociale weefsel waar dat op gebaseerd is.”

„We praten nu vooral over problemen, vergeet niet dat AI ook echt veel kan opleveren”, zegt Van Genderen. „In ons onderzoek zagen we dat patiënten gemiddeld vier dagen eerder naar huis konden én dat het aantal heropnames minder was. Het gaat ons zeker niet alleen om mensen eerder wegsturen, het wordt er dus ook echt veiliger van.”


Hoe groeven mensen vroeger kanalen?

Nederland telt maar liefst 6.500 kilometer aan vaarten en kanalen. Een groot deel daarvan is al lang geleden gegraven, voor ontwatering van venen en polders maar ook voor transport. Hoe deden de mensen dat voordat er graafmachines waren? Stroomt zo’n half-af kanaal niet meteen vol water?

Op internet vind je een mooie animatie over hoe mensen in de 14de eeuw de pijlers van de Praagse Karelsbrug bouwden, op de bodem van de Moldau. Daarvoor legden ze eerst een stukje rivierbodem bloot door er een waterkerend schot omheen te bouwen en vervolgens het water weg te pompen met een waterrad. Zo konden ze de pijler bouwen op de droge rivierbodem. Ging het kanalen graven ook zo?

Jan Verhagen heeft zich verdiept in de alleroudste transportkanalen van Nederland: die van de Romeinen, gegraven rond het jaar nul. Verhagen, van oorsprong biologiedocent en amateurarcheoloog, schreef er een proefschrift over (2022, VU Amsterdam).

„Neem nu het Kanaal van Corbulo, in Zuid-Holland. Dat is relatief snel in onbruik geraakt en dichtgeslibd”, vertelt Verhagen. „Je vindt er nu nog sporen van terug, bijvoorbeeld van de beschoeiingen. Er zijn in de oevers ook spitsporen gevonden, oftewel schopsteken, waaruit je kunt afleiden dat er echt gegraven is.”

Dan was er het Kanaal van Drusus, bij Utrecht. Daarvan is nauwelijks iets terug te vinden. „Drusus trok met zijn troepen bij Xanten de Rijn over, maar zocht daarnaast een vaarroute naar Noord-Duitsland”, vertelt Verhagen. Over de Noordzee buitenom varen was geen optie, met de Romeinse vloot van platbodems. Drusus liet daarom een kanaal aanleggen dat de Rijn verbond met het Flevomeer en de Waddenzee. „Waarschijnlijk heeft hij bestaande veenmeren met elkaar verbonden, waar nu de Vecht loopt.”

Stalen damwanden

Het Drususkanaal werd een volwaardige aftakking van de Rijn: er stroomde veel water door. „Daardoor is het zich gaan verbreden en verdiepen, en ook gaan meanderen. Alle aanlegsporen zijn dus verdwenen.” Verhagen onderzocht een aantal Vechtmeanders tussen Overmeer en Nigtevecht. „Ik heb kunnen aantonen dat die slingers in de Romeinse tijd zijn ontstaan vanuit punten die min of meer op een rechte lijn liggen.”

Geschriften over hóé er precies werd gegraven, zijn er pas vanaf de late Middeleeuwen. „Er werd zo veel mogelijk droog gegraven”, stelt Verhagen. „Nog steeds, trouwens. Voor de langere kanalen werd steeds een gedeelte, ook wel een pand genoemd, waterdicht afgebakend.” Nu gebruikt men stalen damwanden, vanaf de Middeleeuwen werden daarvoor sluizen gebouwd. Die bleven ook na de aanleg in gebruik, om hoogteverschillen te overbruggen. „In de Romeinse tijd gebruikten ze waarschijnlijk aarden dammen, wellicht verstevigd met hout.”

Een probleem met diep graven is dat er steeds water in je werkplek sijpelt. „Dat moet je zien kwijt te raken. Aanvankelijk ging dat met de hand, met bakken. Later kwamen er pompsystemen, zoals een vijzel, ook wel een waterschroef genoemd, aangedreven door een windmolen.”

Hoe dan ook moet het monnikenwerk zijn geweest, benadrukt Verhagen. „Ze hadden nog geen spades van gehard staal, maar van hout of smeedijzer. De grond moesten ze met de hand afvoeren. En ondertussen maar blijven hozen, soms zelfs dag en nacht.” Vooral onder in de geul was het werk zwaar: daar groef je in de moeilijkste bodemlagen, en je stond tot je knieën in het water. „Daar komt de uitdrukking ‘het onderspit delven’ vandaan: je had pech als je onderin moest graven.”


Vogelgriepvirus verspreidt zich verder onder dieren op op Antarctica

Precies een jaar geleden voer een Nederlandse onderzoekster mee op een varend laboratorium bij het Antarctisch Schiereiland, onder Zuid-Amerika. Een maand eerder was bekend geworden dat de zeer ziekmakende variant van het vogelgriepvirus die sinds 2021 over de wereld gaat, daar het vasteland van Antarctica had bereikt. De snelle, kleine internationale missie probeerde vast te stellen hoe ver het virus zich al had verspreid, welke diersoorten werden getroffen en hoe groot de sterfte was. Hoe staat het er nu mee, een jaar na dato?

„Er is nu opnieuw een missie aan het varen”, vertelt Thijs Kuiken, viroloog en hoogleraar vergelijkende pathologie bij het Rotterdamse Erasmus MC. Hij zit in verschillende internationale expertgroepen rondom het vogelgriepvirus. „Onze onderzoekster Lineke Begeman is deze keer niet mee, maar we zijn er wel zijdelings bij betrokken.”

Vorig jaar stelde de missie vast dat het vogelgriepvirus zich al over honderden kilometers kustlijn had verspreid, gezien vanaf de plek waar de eerste dode besmette vogels (Antarctische grote jagers, een roofmeeuwensoort) op het vasteland waren aangetroffen. Op vier verschillende locaties trof het team dode dieren aan die waren besmet met vogelgriep. Ook op veel andere plekken zagen ze verdachte massale sterfte, onder meer van pinguïns. Maar daarbij konden ze ter plekke niet het vogelgriepvirus vaststellen, wellicht omdat de dieren al te veel waren vergaan.

Massale pinguïnsterfte

Of de dode dieren met vogelgriep ook echt waren overleden dóór vogelgriep, en of de massale pinguïnsterfte ook daardoor werd veroorzaakt, kan Kuiken nu nog niet zeggen. „Ons team heeft monsters mee teruggenomen naar Rotterdam, om die virologisch en pathologisch te onderzoeken. We moeten die resultaten nog publiceren.” Bij eerdere uitbraken onder zeevogels en zeezoogdieren, onder meer in Zuid-Amerika bij zeeolifanten, is die oorzakelijke link al wel aangetoond, dus hij ligt hier ook voor de hand. Een Spaans onderzoeksteam meldde vorige maand vanuit de Weddellzee, aan de basis van het Antarctisch Schiereiland, „grote aantallen virusdeeltjes” bij diverse dood gevonden soorten meeuwen en pinguïns en bij krabbeneters.

Kuiken kan al wel de bevindingen delen van de missie die nu aan het varen is. „Wij vroegen ons af of het virus aanwezig zou blijven gedurende een heel Antarctisch jaar, en of het dus opnieuw de kop zou opsteken in het volgende broedseizoen. Dat blijkt nu het geval te zijn. Het virus is er nog steeds, en ook al honderden kilometers verder naar het zuiden langs de kust van het Antarctisch Schiereiland.”

De onderzoekers troffen opnieuw veel dode grote jagers die besmet waren met vogelgriep, en daarnaast voor het eerst ook dode krabbeneters: een grote zeehondensoort. „Daarvan zijn er honderden dood gevonden, en zij droegen het virus bij zich.”

Andere onderzoekers kwamen intussen met bevindingen uit de rest van het zuidelijk halfrond, meldt Kuiken. Op het eiland South Georgia, waar het virus eind 2023 als eerste terechtkwam vanuit Zuid-Amerika, is er opnieuw massale sterfte onder koningspinguïns en reuzenstormvogels. „Er is daar ook verdenking van vogelgriepsterfte bij nieuwe soorten, waaronder macaronipinguïns, roetkopalbatrossen en zeeluipaarden.”

Naar het oosten opgeschoven

Bovendien is nu duidelijk dat het virus vijf- tot ruim zesduizend kilometer naar het oosten is opgeschoven. Het heeft in het afgelopen jaar ook de subantarctische eilandengroepen Marion, Crozet en Kerguelen bereikt, in de zuidelijke Indische Oceaan. „Op de Crozeteilanden is het bijvoorbeeld bevestigd bij zeeolifanten en koningspinguïns”, zegt Kuiken, „en er is verdachte sterfte onder reuzenalbatrossen en jagers. Op Kerguelen zijn zeeolifanten besmet, en is er verdachte sterfte onder de endemische Kerguelen-aalscholvers en Kaapse stormvogels.”

Deze informatie geeft antwoord op een belangrijke vraag die de onderzoekers vorig jaar nog niet konden beantwoorden: blijft het virus beperkt tot het Antarctisch Schiereiland en dooft het uit na het broedseizoen, of verplaatst het zich langs de rand van het continent? En hoe snel dan? „Van het Antarctisch Schiereiland naar Kerguelen is veel verder dan van Kerguelen naar Australië”, merkt Kuiken op. „Australië en Nieuw-Zeeland zijn nog ‘schoon’, wat betreft deze variant van het vogelgriepvirus. Het is dus de vraag hoe lang dat nog is.”

Wat kunnen we nu met deze informatie? „Als een virus zich eenmaal verspreidt onder wilde dieren, dan is er niet zoveel wat je eraan kunt doen”, zegt Kuiken. „Zeker in gebieden met zulke enorme aantallen zeevogels en zeezoogdieren als Antarctica. Maar je moet in elk geval documenteren wat er gebeurt. Hoe het zich verspreidt, welke impact het heeft op dieren en op ecosystemen. Beleidsmakers moeten dat op hun netvlies hebben, zodat ze de juiste beslissingen kunnen nemen om te voorkomen dat er vaker dergelijke uitbraken komen.”

Deze wereldwijde uitbraak gaat terug op een variant die ooit is ontstaan in pluimvee, benadrukt Kuiken. „En we zien nog steeds dat er nieuwe varianten ontstaan – juist in intensieve pluimveehouderij.”