Met een sluitertijd van maar liefst vijf jaar heeft de Atacama Cosmology Telescope in de gelijknamige Chileense woestijn een nieuwe ‘babyfoto van het heelal’ gemaakt. Op de overzichtfoto’s aan de linkerzijde is de Melkweg als een donkere streep te zien. De detailopnames aan de rechterkant laten zien hoe het heelal er relatief kort na de oerknal uitzag en dat geeft onderzoekers nieuw inzicht in hoe de eerste sterren en sterrenstelsels zich vormden.
De truc is hier: hoe dieper je in het heelal kijkt, hoe verder je terugkijkt in de geschiedenis. En dat kan best ver terug. Het gaat hier namelijk om metingen aan de kosmische achtergrondstraling; licht dat 13 miljard jaar onderweg is geweest, vanaf ongeveer 380.000 jaar na de oerknal.
Met de foto is niet alleen donker en licht vastgelegd maar ook de polarisatie van het licht in een hoge resolutie. Gepolariseerd licht trilt in een bepaalde richting: horizontaal, verticaal of iets daar tussenin. De blauwe en oranje vlekjes op de foto duiden op variaties in temperatuur en polarisatie. Het polarisatiebeeld onthult details van de bewegingen van clusters waterstof- en heliumgas in het prille heelal.
Op eerdere babyfoto’s van het heelal was al te zien waar zich clusters bevonden, maar met de nieuwe metingen wordt ook duidelijk hoe die zich bewogen. Daaruit kunnen de astronomen afleiden hoe sterk de zwaartekracht destijds moet zijn geweest in verschillende regio’s van de ruimte. Op basis van de nieuwe gegevens konden de onderzoekers preciezer uitrekenen dat het universum 13,8 miljard jaar oud moet zijn. De onzekerheid in die berekening bedraagt slechts 0,1 procent.
Overigens is het niet mogelijk nog verder terug te kijken in de tijd. Vlak na de oerknal, toen het heelal jonger was dan 380.000 jaar, was de materie nog te dicht opeengepakt om licht door te laten. Kosmische achtergrondstraling is het oudste en verste licht dat we in het heelal kunnen zien.
De onderzoekers hebben nu al plannen voor een gedetailleerder babyfoto van het heelal. Die moet komen van de Simons Observatory Large Aperture Telescope, die verstoringen beter kan calibreren.
De Atacama Cosmology Telescope in de gelijknamige Chileense woestijn.Foto Mark Devlin
Bevalt het hem in Tilburg? I love it, zegt Alex Fisher hartgrondig. De 26-jarige Britse filosoof roert enthousiast in zijn thee in een lunchroom in het hartje van de Noord-Brabantse textielstad. „Ik ben hier voor een jaar, maar nog eens drie jaar met een nieuwe beurs zou me geweldig lijken.”
Wat is er zo geweldig aan Tilburg? Fisher hoeft er niet lang over na te denken „Allereerst het collegiale contact bij de afdeling filosofie op de universiteit. Je spreekt hier je collega’s veel vaker dan in Engeland, dat vind ik erg prettig.” In Cambridge, waar hij promoveerde, is de cultuur anders. „Daar werk je vooral in isolement. Dat komt ook een beetje door de organisatie van de universiteit in gescheiden colleges.” Hij lacht. „Er werken fantastische mensen in Cambridge, het probleem is dat je ze nooit ziet! Hier kun je zo bij collega’s binnenlopen om een praatje te maken of van gedachten te wisselen.”
Geldt dat zelfs onder filosofen, die bekendstaan om hun kritische professionele mores en graag elkaars theorieën aan flarden schieten? „Ja hoor. Ik heb ook in New York gestudeerd en daar is de competitie echt cut throat. Hier is het constructiever en gaat het er meer om samen na te denken dan om een twistgesprek te winnen.”
En dan hebben we het nog niet gehad over de fietspaden! „Ik fiets graag en hemel, de fietspaden hier zijn zo glad als een biljartlaken! In Cambridge kun je geen twee meter vooruit of je zit in een gat.”
Nou ja, één probleem (behalve het matige eten) is er wel: iedereen spreekt Engels. „Niet alleen in Tilburg, overal in Nederland. Ik heb in een half jaar tijd maar twee keer gehad dat ik me ergens met Engels niet kon redden. Dat is natuurlijk best handig, maar voor mij heeft het ook een nadeel. Zo leer ik nooit Nederlands.”
Postdoc-onderzoeker
Fisher verblijft als postdoc-onderzoeker in Tilburg, met een beurs van de Leverhulme Trust, een van de grootste particuliere sponsors van academisch onderzoek in Groot-Brittannië. Het fonds verleent academici beurzen voor wereldwijd onderzoek, maar hij koos voor Tilburg. „Mijn filosofische interesse is vrij specialistisch en hier werken heel goede mensen op hetzelfde gebied. Er zijn veel filosofen die zich bezighouden met kunstmatige intelligentie, dat is nu hét ding, maar ik wilde me toeleggen op virtual reality.”
Hij werkt op het snijvlak van filosofie van de geest, esthetica en ethiek en promoveerde in Cambridge op een studie naar waarheid in fictie. „Er is al best veel filosofisch werk gedaan over de relatie tussen waarheid en literatuur, maar ik ben geïnteresseerd in interactieve fictie, waar je van alles mee kunt doen. Games, VR-reizen maken, dat type ervaring. Wat doet dat met ons besef van realiteit en de mogelijkheid om morele oordelen te vellen?”
Eén grote naam op dat gebied is de beroemde Australische filosoof David Chalmers (1966), die onverkort betoogt dat wat we beleven in virtual reality net zo echt is als de gewone werkelijkheid. In metafysisch opzicht – de leer van wat echt bestaat – is er geen enkele relevant verschil, meent hij. Chalmers boek Reality+ (2022), een verdediging van ‘virtueel realisme’, maakte ook hier furore.
Chalmers radicalisme gaat Fisher te ver. In een recent artikel, Emotion and Ethics in Virtual Reality verdedigt hij contra Chalmers een ‘virtueel fictionalisme’, dat zowel recht wil doen aan het fictieve karakter van VR als aan de reële emoties die het oproept. Ondanks die echte emoties blijven VR-games fictief. Niettemin – en dat is het punt – kunnen we er wel degelijk morele oordelen aan verbinden of zelfs straffen voor uitdelen – bijvoorbeeld voor fictief kindermisbruik in games. Het spel mag fictief zijn, de handelingen van de persoon die het speelt zijn dat niet. Fisher haalt het vonnis aan van een Nederlandse rechter die in 2012 twee tieners veroordeelde wegens ‘virtueel stelen’ tijdens het videogame RuneScape.
Vluchtelingen
Het verschil tussen virtuele ervaringen en die in de ‘echte’ wereld blijft meespelen, zegt hij. Ook in vluchtsimulators of experimenten met VR-brillen. „Je kunt mensen een VR-bril opzetten en ze een reis laten maken als vluchteling. Dat zou empathischer maken. Maar het is een vergissing om te denken dat mensen dan echt weten wat een vluchteling doormaakt. De ervaringen blijven verschillend.”
Hij wil zich nu meer gaan toeleggen op de manier waarop mensen zich online presenteren en hoe zich dat verhoudt tot waarheid en bedrog. „Denk aan online profielen die je van jezelf maakt of aan online dating. Wat zijn daar de morele regels voor?” Relevante vragen nu online en offline levens steeds meer in elkaar verwikkeld raken. „Daarom vind ik mijn onderzoek ook best belangrijk. We kunnen met nadenken over online morele dilemma’s beter niet wachten tot de technische ontwikkelingen ons hebben ingehaald.”
Over virtuele relaties gesproken: Fishers verloofde werkt aan de universiteit van Cambridge. Maar de bilocatie is geen probleem, zegt hij, wéér een pluspunt van de stad. „We zien elkaar vaak. Vanaf Eindhoven Airport ben je zo in Londen. En de prijzen zijn belachelijk laag! Echt, het is ingewikkelder om er te komen vanuit Schotland.”
O ja, toch nog een minpuntje voor Tilburg, of heel Nederland: de biljarttafels zijn te groot. Fisher is een enthousiast biljarter, hij speelde in studententoernooien – en won. „Een mentaal zeer uitdagende sport. Eén fout en je moet minuten lang toekijken hoe je tegenstander met het spel aan de haal gaat. Dat vergt mentale discipline. In dat opzicht lijkt het op filosofie.” Maar de tafels en ballen zijn hier te groot. „In Engeland is het een pub sport, met een kleinere tafel, hier is alles op Amerikaanse maat gesneden. Te groot.”
De Bijbel in duizend woorden samenvatten is godsonmogelijk en met Vom Kriege van Carl von Clausewitz gaat het ook niet. Terwijl je toch zo graag zou laten zien hoezeer het werk het lezen waard is. En uitleggen dat de uitspraak ‘Oorlog is slechts de voortzetting van politiek met andere middelen’ geen cynische wisecrack is maar tot de voornaamste inzichten van Clausewitz behoort: oorlog voeren is een vorm van politiek handelen en niet militairen maar politici behoren de doelen te bepalen.
Clausewitz was de Pruisische officier die wilde weten waaraan Napoleon zijn militaire successen dankte. Napoleon had Pruisen in 1806 vernederend verslagen en dat zat hem dwars. Hij analyseerde de napoleontische veldslagen en breidde dat later uit tot alle oorlogen die tussen 1740 en 1815 waren uitgevochten. Clausewitz had zélf tegen de Fransen gestreden, in 1812 zelfs in Russische dienst, en wist waarover hij sprak.
Uiteindelijk gingen zijn conclusies ver voorbij ‘Napoleon’ en raakten ze de oorlog als zodanig. Clausewitz ontdekte wetmatigheden en vaste problemen en stelde beginselen op. Hij was bij lange na niet de enige die dat deed – tijdgenoot Antoine-Henri Jomini had lang evenveel gezag – maar hij was de beste. Een deel van zijn conclusies is van blijvende waarde gebleken, het andere deel geeft een heldere kijk op de inrichting van napoleontische veldslagen.
In Vom Kriege zijn alle verworven inzichten samengebracht. Het is véél, dat kan niemand ontgaan, en ook hier en daar wat taai als Hegel en Kant een woordje meespreken, maar dat staat Clausewitz niet vaak toe. En net als Proust schrijft hij leesbaarder dan je verwachtte. Een probleem is de redundantie in het werk: veel is dubbelop. Dat komt omdat Clausewitz het nooit heeft kunnen voltooien.
Werkendeweg deed Clausewitz steeds nieuwe inzichten en ideeën op en hij was aan een grondige herziening van zijn werk begonnen toen hij in 1831 plotseling aan cholera overleed. Zijn vrouw maakte de tekst persklaar maar wist natuurlijk niet wat Clausewitz voor ogen had gestaan. Zo ontstonden de inconsistenties en interne tegenspraak die de historici nu nog bezighouden.
Op zijn opvatting dat oorlog voeren een vorm van politiek handelen is en dat politici daarin het laatste woord behoren te hebben is Clausewitz nooit teruggekomen. Wel zag hij hoe eerzuchtige en arrogante legerleiders probeerden de politiek te negeren. In de moderne tijd zet een (niet uit te sluiten) autonome escalatie van geweld tot een kernoorlog de politiek sowieso buiten spel. En voor veel van de huidige ‘non-state actors’, die er in Clausewitz’ tijd niet waren, lijkt oorlog soms eerder doel dan middel.
Griezelig was Clausewitz waar hij pleitte voor de ‘absolute oorlog’. Dood en verderf, bloed en gruwel zijn de essentie van de oorlog, vond hij, en vertoon van terughoudendheid en mededogen, wat je wel aantrof in ‘beschaafde’ landen, leidde tot absurditeiten. Uiteindelijk wilde je toch het vijandelijk leger vernietigen om de vijand je wil op te leggen, ja: seine Staatenexistenz aufzuheben. De inzet van ongelimiteerd geweld had Napoleon veel voordeel gebracht. Maar gaandeweg begreep Clausewitz dat een oorlog een ‘beperkte oorlog’ kon blijven als de politiek slechts beperkte doelen stelde. Je bezette een stuk land als onderpand en daar bleef het bij. Legerleiders moesten wel tijdig te horen krijgen of ze in een grote of kleine oorlog vochten. Dat Clausewitz het scherpe onderscheid tussen die twee later heeft losgelaten vind je niet makkelijk terug in Vom Kriege.
Het overschatte offensief
Mét Napoleon behoorde Clausewitz tot de eersten die inzagen hoezeer het moreel van de troepen bepalend kon zijn voor hun succes. Anders dan de Pruisische troepen wisten de ‘volkslegers’ die Napoleon in 1806 inzette zich door heel Frankrijk gesteund. Clausewitz beschreef het als de drie-eenheid regering-leger-volk. Het moreel viel op allerlei manieren te versterken, zag hij, en weinig werkte beter dan een overwinning. Van troepen die in het offensief gingen nam de krijgslust ook vaak vanzelf toe, de Franse maarschalk Foch was van dat idee bezeten.
Clausewitz vond de waarde van het offensief overschat. Tot gruwel van veel militairen beschreef hij de verdediging als de sterkere vorm van oorlog voeren: de aanval kalm en georganiseerd afwachten op zelf gekozen terrein, misschien wel in eigen land. Als dat niet te lang duurde hoefde het moreel er niet onder te lijden.
Zum Kriege bevat tientallen misschien wel honderden van dit soort overpeinzingen en constateringen. ‘Elke aanval verliest gaandeweg aan kracht’ is een fijne die ook in het dagelijks leven troost kan bieden. ‘Altijd de troepen bijeenhouden en inzetten op het zwaartepunt van de tegenstander.’
De vele hoofdstukken die praktische aanwijzingen geven voor veldtochten en veldslagen in Napoleontische zin zijn een genoegen apart, al was het maar omdat je de kans krijgt mee te rekenen. Je leest dat de gemiddelde dagmars 25 km was en dat het marstempo op zo’n 2,5 à 3 km per uur lag. Een infanteriedivisie van 8.000 man, inclusief artillerie, passeerde een vast punt in ongeveer een uur. Moesten er snel 40.000 man naar het slagveld komen dan moesten die per se over een breed front optrekken, anders arriveerde de achterhoede pas als de slag al voorbij was.
Uitgebreid behandelt Clausewitz de voor- en nadelen die verschillende terreintypen (bossen, moerassen, vlak terrein versus geaccidenteerd terrein) bieden aan de aanvallers of verdedigers in een veldslag. Het voordeel van een hoge positie, legt hij uit, is dat het naar beneden schieten merkbaar accurater is dan het naar boven schieten. Dat zijn vrouw dat er niet uitgehaald heeft is misschien te begrijpen, maar waarom de latere tekstbezorgers dat niet deden is onduidelijk.
Wie vanaf vliegveld LAX bij Los Angeles naar Anaheim rijdt, zoals ik afgelopen zondag deed in een ‘gele taxi’, krijgt de indruk dat Amerikanen natuur haten. Louter grijze betonnen en stalen bedrijfspanden staan er langs de snelwegen en fly-overs. En staat er toch ergens een boom, dan ligt er afval onder.
Maar wie vervolgens in Anaheim door de stille straten wandelt, ziet bloeiende judasbomen, ruikt bloesem en wordt vriendelijk begroet door mensen die hun hond uitlaten of het gras maaien.
Amerika heeft twee gezichten. En dat geldt ook voor de ‘World Meeting’ van de American Physical Society (APS) in het Anaheim Convention Center en de conferentiezalen van de tegenovergelegen Hilton- en Marriott-hotels. Veertienduizend fysici nemen deel aan deze grootste natuurkundeconferentie ter wereld. Alle nationaliteiten lopen hier door elkaar. En wat ziet iedereen er verzorgd uit! Wat is alles perfect georganiseerd. Hoe brandschoon zijn de zalen en het plein met de palmbomen en de fonteinen.
Jonge fysici zijn overduidelijk trots dat ze deel uitmaken van dit speciale ‘event’. In lange rijen staan ze tussen de middag voor de foodtrucks met burrito’s en salades. De muziek van een dj even verderop versterkt het ‘niets-aan-de-handgevoel’. Maar de mensen die de pleinen vegen en de prullenbakken legen, die de foodtrucks en de koffiepunten bemensen of lunch uitserveren, dat zijn vooral Mexicanen – net zoals de taxichauffeur die me naar Anaheim bracht. En stilzwijgend hoop je maar dat hun papieren in orde zijn, want elke dag brengt nieuws over nog weer grovere deporaties van immigranten.
De nieuwe Amerikaanse politiek drukt ook de sfeer in ‘onze’ Airbnb die aan een van de bloesemrijke straten ligt. ‘We’ zijn de sprekers van een sessie, op uitnodiging van de APS, over de bijdragen van vrouwen aan de ontwikkeling van de quantumfysica. Met zijn vijven vertegenwoordigen we een internationale werkgroep die de afgelopen drie jaar een boek over dat onderwerp in elkaar heeft gezet. In januari noemde wetenschapsblad Nature de presentatie van dat boek, later deze zomer, een van de meest ‘notable events’ van het Internationale Quantumjaar 2025.
Zo’n Trumpiaanse lens
Maar ja, de sessie waarin we later deze week een paar hoofdstukken zullen presenteren, zal óók rijk zijn aan woorden die je volgens de regering-Trump beter niet meer kan gebruikten. ‘Women’ bijvoorbeeld. Misschien zullen we zelfs ‘stereotype’ zeggen. En wanneer je eenmaal door zo’n Trumpiaanse lens kijkt, zijn we sowieso een rommelig gezelschap van Europeanen, Canadezen en Amerikanen.
Ik denk dat onze regering AI gebruikt om zulke termen te turven, zegt een van die Amerikaanse collega’s terloops. Een Canadese collega blijft onophoudelijk ‘doomscrollen’. Voor ons allemaal is het een raar gevoel dat de genuanceerde blik waarmee we naar de geschiedenis van quantum probeerden te kijken, ineens bijna subversief lijkt te zijn.
En tegelijk loopt die conferentie in Anaheim dus onverstoorbaar door, met vlekkeloze lezingensessies en geweldige sprekers. Mijn Canadese collega en ik gaan naar een ervan, over de ontwikkeling van atoombommen tijdens het Los Alamos-project. We horen hoe de Amerikaanse overheid en legerleiding het geheimhouden van onderzoeksresultaten – destijds iets nieuws – niet louter afdwong om te voorkomen dat kennis in vijandige handen viel. Geheimhouding was voor hen net zo goed een middel om de wetenschappers in het project te disciplineren – en een excuus om hun eigen strategieën al helemaal niet te delen.
Sommige wetenschappers weigerden op deze manier te werken. Anderen lieten zich meeslepen door de technologische ontwikkeling en dachten verder niet na. Weer anderen bleven nog heel lang geloven dat een atoombom nodig was om de nazi’s te verslaan, zelfs al wisten militaire strategen allang dat Japan het doelwit zou zijn – en Amerikaanse dominantie het doel.
De spreker citeert de toenmalige voorzitter van de onderzoekscommissie voor defensie die dit beleid bedacht en uitvoerde. „De wereld zal worden geregeerd door degenen die weten hoe je natuurwetenschap moet toepassen”, zei deze Vannevar Bush nog voordat de atoombom uitontwikkeld was. En: „Maatgevend voor onze [Amerikaanse] overwinning is onze dominantie na die overwinning.”
Macht vergaren
Is dat wat de regering-Trump wil? Terug naar die tijd kort na de oorlog toen Amerika inderdaad voor altijd onoverwinnelijk leek? Toen er nog niet zulke grote immigratiestromen waren tussen landen die goedkoop grondstoffen en producten leverden en de rijke VS? Toen vrouwen veel minder rechten hadden dan nu – en lhbtq+’ers nog minder. Willen Trump en de zijnen door voortdurend verwarring te zaaien en druk uit te oefenen, ‘nuttige’ wetenschappers opnieuw voor hun karretje spannen terwijl anderen het zwijgen wordt opgelegd? Willen ze opnieuw macht vergaren met hulp van innovatie, zoals nu AI?
Voorlopig werd hierover na afloop van de lezingen in Anaheim nog – met mate – gediscussieerd. Ook onze sessie gaat straks gewoon door. Maar of het genoeg mensen zal lukken om te blijven nadenken, met rechte rug? Onder de palmbomen op het brandschone plein lijkt de toekomst heel ongewis.
Margriet van der Heijden is natuurkundige en hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de TU Eindhoven.
Schotels van een meter doorsnee. Grote sponsachtige en hersenvormige structuren. Iets wat op een woud lijkt, ja, zelfs op een kasteel. Steeds ontdek je weer iets nieuws aan dit koraalrif. Er zitten kleurige anemonen op, zeesterren en zee-egels. En overal zwemmen bijzondere vissen, van piepkleine zwart-witte met lange franjes tot grote felblauw-gele met scherpe bekken. Een tropisch koraalrif in al zijn complexiteit – en dat niet in de tropen, maar in Arnhem, in het enorme zeeaquarium van Burgers’ Zoo: de Ocean.
Het is het grootste indoor koraalrif van Europa, vertelt curator Max Janse. Hij studeerde biologie in Wageningen en specialiseerde zich in het beheren van grote zeeaquaria. Al ruim een kwart eeuw werkt hij bij Burgers’ Zoo. Daarnaast zit hij in het bestuur van de Europese dierentuinenvereniging EAZA en is hij voorzitter van de Europese Unie voor Aquariumcuratoren. Deze week leidt hij een workshop voor 43 koraalexperts uit heel Europa. NRC mag een ochtend meelopen – we krijgen een kijkje achter de schermen van de Ocean.
„We hebben hier 120 soorten koraal”, vertelt Janse op een smalle omloop aan de bovenrand van de gigantische aquariumbak, buiten zicht van het publiek. „Van oorsprong allemaal uit de tropische Indo-Pacific. We zijn vooral heel trots op onze hersenkoralen en onze geweikoralen. Die zijn het lastigst in een aquarium te houden, omdat ze heel gevoelig zijn voor de waterkwaliteit. De geweikoralen hebben bovendien veel licht nodig. Plaatkoralen, die we ook veel hebben, zijn relatief makkelijker te kweken.”
Het wordt nu een beetje te vol in de tank. Ze vechten elkaar de tent uit
Rondom dit koraalrif leven ook zestig soorten vissen, verschillende soorten zee-egels, krabben, anemonen en zeekomkommers. Janse: „Héél veel leven, allemaal onderdeel van dit ecosysteem.” Een groot deel daarvan reguleert zichzelf, benadrukt hij. Net zoals in de natuur. Organismen voorzien elkaar van voedingsstoffen, houden elkaar schoon, eten elkaar op. „Het wordt nu een beetje te vol in de tank, dus we zullen het rif moeten uitdunnen. Daarvoor zijn we een plan aan het maken. Ze vechten elkaar de tent uit.”
Het rif groeit hier sinds het jaar 2000. De tank is zes meter diep en meer dan twintig meter in doorsnee; er past 750.000 liter zeewater in. In totaal bevatten de Arnhemse aquaria – inclusief de haaientank en het gedeelte waar het publiek via een doorzichtige tunnel onderdoor loopt – meer dan 8 miljoen liter. Hoe leg je zo’n systeem aan? Hoe houd je het gezond? Hoe zorg je ervoor dat de koralen zich voortplanten, en dan niet alleen door te ‘stekken’ maar ook met zaad- en eicellen? Dat zijn lastige vragen, waar alle aanwezige koraalexperts mee worstelen. Ze komen van aquaria van Malta tot Portugal en van Polen en Engeland tot Zweden. En ze zijn hier bijeen voor een weeklange ‘expert-workshop’ over het kweken van koralen in aquaria.
Boven de tank hangen tientallen lampen, in verschillende groepen. Chiquer dan in een gemiddeld theater. „Met die lampen bootsen we de natuurlijke lichtcycli na”, vertelt Janse, „van de zon maar ook van de maan. We kunnen ze héél langzaam dimmen. Met deze moderne ledlampen kun je daar heel precies mee spelen.”
De maancyclus, legt hij uit, speelt een belangrijke rol in de voortplantingscyclus van de koralen én van veel andere dieren van het rif. Zij moeten het vrijkomen van hun zaadcellen en eicellen synchroniseren, om de kans op bevruchting te maximaliseren. Daarvoor gebruiken ze externe factoren, zoals watertemperatuur maar ook de stand van de maan. „Al die factoren proberen wij hier zo goed mogelijk na te bootsen.”
Janse vertelt verder over de watermixers die in de tank staan opgesteld om de watercirculatie te bevorderen. „Die circulatie is een uitdaging. Doordat het koraal zo hard groeit, krijg je steeds meer weerstand in het water. We hebben meer mixers nodig, maar we willen ze zo opstellen dat het publiek ze niet ziet. Het rif moet er precies zo uitzien als in de natuur.”
Curator Max Janse bij het grootste indoor koraalrif van Europa, in het zeeaquarium van Burgers’ Zoo. Foto Olivier Middendorp
Waarom zou je eigenlijk koralen willen kweken? „Aanvankelijk vooral om ze aan het publiek te laten zien”, vertelt Janse, als we elkaar later op de dag spreken bij een kop koffie. „We willen mensen ervoor interesseren, verwondering en bewondering wekken, en aan mensen uitleggen waarom koralen zo belangrijk zijn. En waardoor ze wereldwijd onder druk staan. Alle dierentuinen en publieke aquaria samen bereiken jaarlijks 700 miljoen mensen. Dat is véél meer dan bekende natuurorganisaties als het Wereldnatuurfonds, dat wereldwijd vijf miljoen donateurs heeft.”
Daarnaast dient de koralenkweek een wetenschappelijk doel, zegt Janse: „We weten er feitelijk nog maar heel weinig van: hoe ze samenleven met andere organismen, wat ze precies nodig hebben, hoe ze zich voortplanten… Als je ze effectief wilt beschermen in het wild, dan moet je zulke dingen weten. In aquaria is dat veel gemakkelijker te onderzoeken dan op de oceaanbodem.”
Het ziet er niet rooskleurig uit
En dan is er nog een derde reden. „We willen, met alle aquaria samen, een collectie aanleggen van zo veel mogelijk levende koralen uit het wild. We willen ze bewaren voor de toekomst, als in een soort Ark van Noach. Ja, zo noemen we dat echt. Als ze dan ooit in het wild uitsterven, dan heb je ze tenminste nog hier. En dan kun je ze in de toekomst, als de omstandigheden ooit verbeteren, van daaruit weer uitzetten.”
Dat laatste is heel hypothetisch, geeft Janse toe. Op dit moment ziet het er voor de oceanen niet heel rooskleurig uit, en verbetering is nog niet in zicht. „Maar je wilt het toch ook niet níét doen”, benadrukt Janse, „en soorten door je vingers laten glippen terwijl je wel de kennis en de middelen hebt om ze veilig te stellen.”
Aan die kennis en middelen werken de Europese aquaria intensief samen. Het Ark van Noach-concept is namelijk complexer dan je zou denken. De collecties van koralen in aquaria zijn vaak een mengelmoes van koralen van verschillende herkomsten, of van onbekende herkomst. Die wil je in de toekomst niet zomaar ergens uitzetten. „Daarom is het Aquarium van Monaco gestart met een pilot, het World Coral Conservatory Project, waar Burgers’ Zoo en twee Franse aquaria ook aan meewerken. We hebben vijftig koraalkolonies verzameld uit bekende, natuurlijke riffen. Met deze zuivere genetische lijnen kunnen we een stamboek gaan opbouwen, zoals in dierentuinen nu al gebeurt bij bijvoorbeeld tijgers en olifanten.”
Nederland is wat betreft aquariumtechniek voor koralen een van de koplopers in de wereld
Maar daarvoor moet eerst nog meer kennis worden verzameld en uitgewisseld – over de koralen zelf maar ook over het kweken. „Nederland is wat betreft aquariumtechniek voor koralen een van de koplopers in de wereld”, zegt Janse. „Hier in Arnhem werken we samen met de universiteiten van Wageningen, Utrecht en Amsterdam en met Naturalis. We weten al best veel, maar het blijft een serieus, complex ecosysteem.”
Sterker nog, legt hij uit: ieder stukje koraal is een ecosysteempje op zichzelf, met alles wat erin en erop leeft aan algen, schimmels, bacteriën en diertjes. Het koraal leeft en groeit en verandert daarmee zelf ook weer zijn omgeving, zowel fysisch als chemisch. „Wil je een koraal hebben dat zich happy voelt en zich voortplant, dan moeten álle factoren in orde zijn. Er hoeft maar één klein dingetje mis te gaan en het loopt spaak.”
De experts zijn hier nu in Arnhem om kennis en ideeën uit te wisselen, maar ook voor een formeel moment: de oprichting van een expertgroep speciaal voor koralen binnen de Europese dierentuinvereniging EAZA. „Zo’n expertgroep is er bijvoorbeeld al voor haaien, en daar ben ik jaren voorzitter van geweest”, vertelt Janse.
Voorzitter van de nieuwe koralenexpertgroep wordt Jamie Craggs, de curator van het aquarium van The Horniman Museum and Garden in Londen, die deze week ook in Arnhem is. Janse: „Jamie is een absolute wereldexpert als het gaat om de geslachtelijke voortplanting van koralen.”
Selectief kweken
Koralen zover krijgen dat ze zich in je aquarium voortplanten, dat is een van de heilige gralen in het koralenonderzoek, vertelt Craggs. „Vermeerdering gebeurt nu veelal door ze te stekken”, legt hij uit, „maar dan krijg je allemaal klonen. Die zijn allemaal even kwetsbaar voor bepaalde factoren, zoals temperatuur of ziekten. Door individuen met elkaar te laten kruisen, dus met zaad- en eicellen, krijg je meer genetische diversiteit en dus ook een grotere kans dat er exemplaren tussen zitten die weerbaarder zijn tegen wisselende omstandigheden.”
Verschillende projecten wereldwijd richten zich al op het selectief kweken van koralen: in feite een soort gerichte veredeling, zoals veefokkers en akkerbouwers al eeuwenlang doen met hun dieren en planten. Dat moet in dit geval koralen gaan opleveren die kunnen overleven in hogere watertemperaturen. „Al dat werk begint met individuen die zaad- en eicellen produceren”, zegt Craggs. „Wij hebben in Londen in ons Coral Spawning Lab een systeem ontwikkeld dat we nu wereldwijd verkopen. Een aquarium dat je kunt programmeren om precies de juiste cycli te reproduceren van temperatuur, nutriënten, maanlicht en daglicht, voor díe specifieke regio van de wereld.”
Foto Olivier Middendorp
Domino-effect
Die voortplanting is maar één van de focusgebieden van de nieuwe expertgroep. Andere leden gaan zich onder meer richten op bescherming in het wild, management van ziekten en plagen, de chemie van de kweekomstandigheden en genetische en beeldvormende technieken voor het identificeren van soorten.
Paul Pearce-Kelly van de Zoological Society of London is een van de klimaatexperts in de groep. In een korte presentatie praat hij zijn vakgenoten bij over de laatste kennis. „Voor sommige oceaansystemen zijn er al kantelpunten bereikt”, vertelt hij. Een kantelpunt, of tipping point, is het punt waarop vele kleine veranderingen samen leiden tot een versnelling van de veranderingen, een soort domino-effect, dat niet vanzelf meer stopt. „Dat is vooral het geval rond de evenaar”, zegt Pearce-Kelly, „waar veel koraalriffen al zijn verbleekt en koralen zijn afgestorven. De socio-economische gevolgen zijn enorm.”
We moeten de oorzaak van de klimaatverandering wegnemen, zegt Pearce-Kelly – en dat betekent dat we moeten stoppen met fossiele brandstoffen. „Al ons slimme koraalonderzoek is belangrijk”, zegt hij met klem, „maar het is allemaal vergeefse moeite als we die uitstoot niet stoppen.”
„Kunnen de koralen niet geleidelijk opschuiven met de verschuivende klimaatzones”, vraagt een collega in de zaal, „zoals we nu al zien met veel planten- en diersoorten op aarde?”
„Dat zien we in de praktijk nauwelijks”, antwoordt Pearce-Kelly, „om twee redenen. De veranderingen gaan te snel. En daarnaast: een koraalrif is een complex ecosysteem, met allerlei wederzijdse afhankelijkheden tussen organismen. Zij hebben allemaal hun eigen tolerantie, hun eigen drempels, en zullen dus niet even snel opschuiven.”
Marion Wille van Aquazoo Löbbecke Museum in Düsseldorf presenteert de nieuwste technieken voor dna-barcoding: het snel identificeren van soorten op basis van kleine, specifieke stukjes dna. „We zijn een heel eind, maar nog steeds kunnen we veel soorten alleen identificeren op het niveau van families of geslachten – niet op soortniveau. Daarvoor zijn de wereldwijde genetische databases nog niet groot genoeg. En de opgeslagen genetische informatie is niet altijd gekoppeld aan de juist soort.” Ze vertelt over een grote Europese samenwerking om een bibliotheek van dna-barcodes op te zetten voor koralen, voorlopig gecoördineerd door EAZA, en nodigt haar collega’s uit om stukjes koraal uit hun collecties daarnaartoe te sturen.
Fragiel evenwicht
„Alles is even complex”, zegt de Arnhemse curator Max Janse met een brede glimlach, „maar dat is juist zo geweldig leuk.” Zelf is hij vooral gespecialiseerd in de technische systemen die precies de juiste omstandigheden moeten creëren. Eerder vandaag leidde hij vol vuur zijn gasten een uur lang rond in de enorme machinekamer, zo groot als een flinke bedrijfshal, tot de nok toe gevuld met stellages vol borrelende tanks, bassins, pompen, buizen, filters en meetsystemen. Een deel van het filteren gebeurt mechanisch, legde hij uit, een deel chemisch – en een deel gebeurt door bacteriën. Ook die hebben precies de juiste omstandigheden nodig om precies het juiste te kunnen doen. Gaat er iets mis, dan gaan ze dood of produceren ze opeens giftige stoffen.
„Het is deels aquariumtechniek”, zegt Janse, „maar er zit ook heel veel interessante biologie, ecologie en chemie in. Dat maakt zo’n rif echt heel erg leuk. Het evenwicht is heel fragiel, in onze tank maar vooral ook in de natuur.”
Ze moeten honderden miljoenen dollars aan bezuinigingen ophoesten, duizenden banen schrappen, geen ‘genderideologie’ meer verspreiden en moeten keihard optreden tegen pro-Palestijnse demonstraties op de campus. Intussen krijgen ze hoon en haat te verstouwen op X, het medium van Elon Musk.
Amerikaanse universiteiten sidderen van angst door de weergaloze aanval die de regering-Trump de afgelopen weken op hen heeft ingezet. Een anonieme bestuurder – iedereen houdt zijn hoofd nu omlaag – vertelde The New York Times dat hem was aangeraden persoonsbeveiliging te nemen. Hij had „nog nooit zoveel angst gezien” bij collega’s.
Meer dan vijftig universiteiten zijn doelwit van onderzoek door de federale overheid, die met financiële druk aandringt op het navolgen van nieuwe richtlijnen over ‘gevoelige’ onderwerpen. Voor Trump en zijn radicaal-rechtse supporters is dat onderdeel van een wraakzuchtige afrekening met universiteiten die studenten geen vaderlandsliefde bijbrengen maar nationale zelfhaat. Daaronder valt het denken – en spreken – over gender, discriminatie en racisme, klimaat en het opkomen voor ‘gemarginaliseerde groepen’.
Het fanatisme waarmee nu de staatsmacht wordt gebruikt, is revolutionair en nieuw, de aanval zelf niet. Die kent een lange historische aanloop. Traditionele Amerikaanse afkeer van elites speelt een rol, maar veel belangrijker is de jarenlang opgebouwde kritiek op de ‘linkse’ hegemonie in het hoger onderwijs door Republikeinse politici en alt-rightactivisten. Met culture wars over feminisme en racisme wisten zij bij veel Amerikanen het beeld te vestigen dat universiteiten beheerst worden door ‘marxisten’ die op ‘gewone’ Amerikanen neerkijken en minderheden voortrekken. De groeiende inkomenskloof in de VS en de extreem hoge collegegelden van excellente universiteiten hielpen ook mee (een jaar Harvard kostte in 2024/25 zo’n 60.000 dollar alleen al aan collegegeld, nog los van huisvesting en boeken, een jaar Yale zo’n 70.000 dollar).
De campagne van Trump richt zich niet alleen tegen wat volgens hem de universitaire ‘ideologie’ is, maar ook tegen hun demografie. Sinds de jaren zestig, toen de academische bevolking nog overwegend wit was, zijn de universiteiten door beurzen en diversiteitsbeleid veel diverser geworden. Volgens gegevens van het nationale instituut voor onderwijsstatistiek (NCES) was in 1980 81 procent van de bachelorstudenten wit, in 2020 was dat gedaald tot 54 procent. DEI-beleid (diversiteit, gelijkheid, inclusie) heeft daar een belangrijke rol in gespeeld, een doorn in het oog van rechts dat terug wil naar de oude ‘all-American’ universiteit die louter zou zijn gebaseerd op ‘verdienste’.
Spectaculaire nieuwe instroom
Progressieve critici werpen tegen dat zeker tot halverwege de twintigste eeuw afkomst en vermogen eerder bepaalden wie aan welke universiteit terecht kon. De GI Bill (1944), bedoeld om veteranen na de Tweede Wereldoorlog op weg te helpen, leidde tot een spectaculaire nieuwe instroom in het hoger onderwijs van vooral witte veteranen – de wet pakte in de praktijk discriminatoir uit. De uitspraak van het Hooggerechtshof in 1954 dat segregatie aan openbare scholen strijdig is met de Grondwet opende de weg voor meer zwarte Amerikanen naar de universiteit.
Onder invloed van de Koude Oorlog stak in de jaren vijftig tegelijk wantrouwen van ‘communistische’ academici de kop op, tijdens de heksenjacht van senator Joe McCarthy. Maar een harde breuk met mainstream Amerika kwam pas met de massale studentendemonstraties van de jaren zestig tegen de Vietnamoorlog. Bij protesten op Kent State University in Ohio schoot de Nationale Garde in 1970 vier studenten dood – geweld dat door veel Amerikanen niet werd afgekeurd en door sommige tegendemonstranten werd begroet met vier in de lucht gestoken vingers. De studentenbeweging, gelieerd aan radicale politiek, gaf voeding aan de rechtse verdenking dat universiteiten ‘marxistische’ broeinesten waren geworden.
Marxistisch of niet, veel docenten en onderzoekers die aantraden toen de studentenaantallen toenamen waren in elk geval progressief, liberal, vooral in de sociale en geesteswetenschappen. Een onderzoek onder 1.417 Amerikaanse hoogleraren wees in 2007 uit dat het overgrote deel van hen zich liberal noemde (44 procent) of gematigd (46 procent), slechts 9 procent conservatief.
Het begin van de afrekening kwam na het aantreden van Ronald Reagan in1980. Niet alleen oudere conservatieven trokken nu van leer tegen linkse hegemonie in de Academie, ook een jonge garde Republikeinen. In Illiberal Education (1991) fulmineerde publicist Dinesh D’Souza tegen het hoger onderwijs, volgens hem geobsedeerd door ras en sekse. D’Souza, die allengs radicaliseerde tot complotdenker, sprak later ook van de „nazi-wortels” van links Amerika. Eenmaal politiek actief en veroordeeld wegens gesjoemel met donaties, kreeg hij in 2018 prompt gratie van president Trump.
Veel invloedrijker was de filippica van de classicus Allan Bloom tegen verslonzing van de universiteit in zijn boek The Closing of the American Mind (1987), dat een bestseller werd. Volgens Bloom waren studenten ten prooi gevallen aan moreel relativisme, door toedoen van linkse academici die het geloof in waarheid zouden hebben opgegeven. Tot zijn eigen verrassing werd Bloom een superster met het boek, een teken dat kritiek op de universiteiten breed ingang had gevonden.
Een wezenlijk algemeen belang
Toch is nu alles anders. Ook tijdens die eerste golven van kritiek stond niet het idee ter discussie dat universiteiten een wezenlijk algemeen belang vertegenwoordigen en de overheid afstand moet houden. Toen het Amerikaanse Congres Richard Nixon in 1969 voorstelde federale subsidie te schrappen aan universiteiten die Vietnam-protesten op hun campus toestonden, weigerde de Republikeinse president resoluut – de staat moest daarbuiten blijven. „De federale overheid moet niet treden in de handhaving van academische vrijheid of rust op de campus”, aldus Nixon, „dat is de taak van universiteitsbestuurders”. Nu schrapt Washington 400 miljoen dollar steun aan Columbia University in New York, als straf voor lakse bescherming van Joodse studenten, en 800 miljoen bij Johns Hopkins in Baltimore, met tweeduizend ontslagen in de VS en elders tot gevolg.
Nieuw is ook de campagne van steenrijke tech-magnaten tegen de universiteiten. Elon Musk wil alles wat er ‘woke’ is uitbannen, PayPal-oprichter Peter Thiel hekelde het hoger onderwijs als een „sociopathische bubbel”. Investeerder en miljardair Marc Andreessen noemde de universitaire wereld in een interview „versteend en corrupt” en bepleit de ontmanteling ervan.
Pro-Palestijns studentenprotest in de stad New York, vorig jaar april. Foto Getty Images
Keerpunt was de Gaza-oorlog. Tijdens de hevige pro-Palestijnse protesten van studenten eind 2023 dreigden eerst al rijke donateurs hun steun aan universiteiten als Harvard in te trekken. Het Huis van Afgevaardigden begon hoorzittingen over oplevend antisemitisme op de campus. De Republikeinse afgevaardigde Elise Stefanik – overtuigd Trump-aanhanger en alumnus van Harvard – legde bestuurders van Harvard, MIT en de Universiteit van Pennsylvania genadeloos op de pijnbank. Het drietal putte zich uit in ontwijkende antwoorden en juridische nuances – olie op het vuur – en twee van de drie zagen zich genoopt af te treden.
Dat succes gaf de aanval uit de rechterhoek nieuwe brandstof. De rechts-revolutionaire activist Christopher Rufo verspreidde berichten over plagiaat door de nog overgebleven bestuurder, Claudine Gay, de eerste zwarte vrouw aan de top van Harvard – ook zij stapte op. Rufo, een gast van Trump in Mar-a-Lago, is een media-bewuste aanjager van de aanval op de universiteiten. Zijn kritiek is niet dat universiteiten te elitair zijn, maar dat een verkeerde – linkse – elite er de dienst uitmaakt, die nu moet worden opgeruimd.
Sommige oudere liberals geven de universiteiten er ook zelf de schuld van dat ze de boksbal zijn geworden van radicaal-rechts. Historicus Michael Ignatieff klaagde vorig jaar op bezoek in Nederland over het eenzijdig linkse en posmoderne karakter van de Amerikaanse geesteswetenschappen. Het heeft universiteiten tot een gemakkelijke prooi gemaakt voor rechtse activisten, meent hij.
Anderen wijzen erop dat universiteitsbesturen zich door het neoliberalisme steeds fanatieker zijn gaan toeleggen op bedrijfsvoering en intellectueel engagement hebben verwaarloosd. Ze zagen niet aankomen dat het Trump nu menens is. Gevolg is dat nu een angstige verlamming de universitaire wereld heeft getroffen. Massale protesten tegen de kneveling van de academische vrijheid zijn vooralsnog uitgebleven.
Op het eerste gezicht lijkt het een sympathiek onderzoek. De Deense wetenschappers van de Universiteit van Kopenhagen en de Novo Nordisk Foundation willen in een tweejarig project op zoek naar een alternatieve definitie voor (ultra)bewerkt voedsel. Een nieuw classificatiesysteem zou consumenten kunnen helpen gezondere keuzes te maken. Bovendien zou het huidige systeem gebreken vertonen en aan verandering toe zijn.
Maar het onderzoek dreigt juist de publieke gezondheid te ondermijnen, schrijven meer dan negentig onafhankelijke voedingswetenschappers in een open brief. Het oorspronkelijke systeem, genaamd Nova, is een standaard in de voedingswetenschap en populariseerde de term ‘ultrabewerkt voedsel’. Deze voedingsmiddelen worden industrieel samengesteld met diverse toegevoegde stoffen, en bevatten doorgaans meer vetten, suiker en zout, en minder voedingsstoffen dan onbewerkte producten. Nova wordt in tal van studies gebruikt om een verband te leggen tussen ultrabewerkt voedsel en gezondheidsproblemen als obesitas, diabetes type 2, hart- en vaatziekten en psychische aandoeningen. Daarnaast wordt Nova door de Wereldgezondheidsorganisatie en de Verenigde Naties gehanteerd om de wereldwijde dieetkwaliteit te monitoren.
De Deense onderzoekers willen de nieuwe classificatie Nova 2.0 noemen. „Die naam suggereert ten onrechte dat hun classificatie een verbeterde versie is van Nova”, zegt voedingswetenschapper Jaap Seidell, die de brief ondertekende. De nieuwe classificatie zou de legitimiteit van het eerdere onderzoek kunnen ondermijnen, en twijfel zaaien.
Verwarring als doel
Volgens de bezorgde wetenschappers is verwarring juist het doel van het Deense project. Het lijkt op een poging om een systeem te promoten waar producenten van ultrabewerkt voedsel van profiteren, schrijven ze. „De Deense onderzoekers hebben warme banden met de farmaceutische- en voedingsindustrie”, zegt Seidell. „Het is alsof door de voedingsindustrie gesponsorde wetenschappers een Schijf van Vijf 2.0 zouden uitbrengen, zonder dat het Voedingscentrum of de Gezondheidsraad daarbij betrokken zijn.”
Het onderzoek wordt medegefinancierd door Novo Nordisk, de farmareus die dankzij de verkoop van afslank- en diabetesmedicijnen Wegovy en Ozempic onlangs tot het waardevolste bedrijf van Europa uitgroeide. Volgens de onderzoekers is het „uiterst problematisch” dat een bedrijf met financiële belangen in obesitas en diabetes het classificatiesysteem wil herdefiniëren.
De voedingsindustrie levert al langer kritiek op het Nova-systeem. Critici vinden de classificatie te simplistisch en arbitrair. Zo zou sojamelk evengoed in de categorie ‘ultrabewerkt’ vallen als gefrituurde snacks of cookie-dough ijs, terwijl deze producten qua voedingswaarden sterk verschillen. Belangenorganisaties pleiten al langer voor een nieuw systeem.
Het is onzeker of dit nieuwe systeem er gaat komen. In reactie op de open brief verwijderden de Deense onderzoekers alle verwijzingen naar Nova 2.0 en de term ‘ultrabewerkt voedsel’ van hun website. Het onderzoek wordt onder een andere naam voortgezet.
Je poetst braaf twee keer per dag, je flost en ragert erop los. Maar toch duikt het steeds de kop op: tandsteen. Die harde randjes, wit of donkerder, bijvoorbeeld langs je ondertanden. De tandarts of mondhygiënist haalt het weg met een ultrasoon apparaat, een haakje of allebei. Niet prettig, ook niet voor de portemonnee. En een halfjaar later moet het wéér. Hoe zit dat?
De voorloper van tandsteen is tandplak, vertelt Dagmar Else Slot, hoogleraar preventie in de mondzorg aan de Universiteit van Amsterdam, en ook nog altijd zelf actief als mondhygiënist. Tandplak is een dun, onzichtbaar, kleverig laagje ‘biofilm’ van mondbacteriën en voedselresten. „Als je elke dag goed poetst, ook met een tandenstoker of ragertje tússen de tanden en kiezen, dan haal je die tandplak weg. Tandsteen ontstaat alleen op plaatsen waar de tandplak te lang blijft zitten.”
Na ongeveer 24 uur begint tandplak te verharden. Uiteindelijk zetten zich er mineralen uit je speeksel in af, met name calciumfosfaat en calciumcarbonaat. „Je tandplak verhardt en verkalkt, en dan noemen we het tandsteen”, zegt Slot. „Het lijkt een beetje op het ketelsteen in je waterkoker of fluitketel, en op de kalkrandjes in je douchekop.”
En dan? „Zelf krijg je dat tandsteen niet meer weg”, zegt Slot. „Je moet het door een professional laten verwijderen. Als het tandsteen nog boven het tandvlees zit, dan kan een preventie-assistent dat doen. Als het diep onder het tandvlees zit, dan moet de mondhygiënist eraan te pas komen.” In dat laatste geval is er vaak ook een ernstige tandvleesontsteking, merkt ze op. Die kan leiden tot tandbederf en het verlies van de tand of kies.
Goed schoonhouden
Beter is het natuurlijk het ontstaan van tandsteen te voorkomen, benadrukt Slot. Door je gebit zelf elke dag goed schoon te houden, dus. „Eigenlijk zou iedereen regelmatig een persoonlijke instructie en bijsturing moeten krijgen”, zegt ze. „Ieder gebit is anders. Iedere tand en kies staat onder een andere hoek in je mond. Hoe moet je in jóuw gebit de borstel precies op de tand zetten? Welke tanden en kiezen zijn in jóuw gebit een speciaal aandachtspunt?”
Bij veel mensen staan de tanden heel dicht op elkaar, en een beetje scheef, waardoor je er op bepaalde plekken niet goed bij komt. Andere mensen hebben achter de tanden een draadje van een orthodontische behandeling: allemaal ‘plakretentiefactoren’. „Maar daar is dan altijd wel een passend hulpmiddel voor, zoals kleine borsteltjes”, zegt Slot.
Hebben sommige mensen niet een erfelijke aanleg voor tandsteen, dus een grotere kans om het te krijgen? „Jawel, er zijn wel minimale genetisch bepaalde componenten, bijvoorbeeld hoeveel speeksel je produceert en hoeveel calcium daarin zit. Maar dat is nooit het excuus. Er hóéft geen tandsteen te ontstaan, als je de tandplak maar goed genoeg weghaalt.” Ze benadrukt nog even heel streng en stellig: „Mensen die ergens tandsteen hebben, die maken hun gebit daar gewoon niet goed genoeg schoon.”
Haar boodschap is ook van belang voor ouderen, en voor mensen die bepaalde medicatie gebruiken, waaronder antidepressiva: zij hebben vaak een wat drogere mond, waardoor de tandplak sneller verhardt. Naast een goede mondhygiëne is dan het devies: regelmatig water drinken. „En dat geldt natuurlijk eigenlijk voor iedereen.”
Lees ook
Vergeet het flosdraad en poets vóór het ontbijt. Zestien tips voor een stralend gebit
Als een verloren zoon haalden Chileense biologen hem binnen. Honderddertig jaar lang was de stekelborstkikker zoek. Hoogleraar plant- en dierkunde Rodolfo Amando Philippi beschreef het dier in 1902 als nieuwe soort, maar daarna is de kikker nooit meer gezien. Speciaal op touw gezette expedities in 1995, 1996 and 2002 leverden niets op. Het dier stond te boek als ‘kritisch bedreigd’ en zou mogelijk zelfs al uitgestorven kunnen zijn.
Philippi (1808-1904) beschreef tijdens zijn leven vele nieuwe soorten: 3.300 planten, 2.500 weekdieren en nog eens 800 insecten. Hij onderscheidde soorten op basis van de kleinste details. Die ontdekkingswoede heeft de tand des tijds niet goed doorstaan; slechts 1.670 soorten die hij beschreef, de meeste planten, zijn nu nog valide soorten. De vrees bestond dat Philippi zich ook met de stekelborstkikker te rijk had gerekend.
Nauwgezet historisch onderzoek zette biologen van de universiteit van Concepción echter toch weer op het juiste spoor om het dier terug te vinden. Ze reconstrueerden de route die verzamelaar Phillibert Germain moest hebben afgelegd in 1893, toen hij ook de kikker verzamelde die hij later aan Philippi gaf. Nieuwe expedities langs deze route leverden maar liefst vijf plaatsen op waar de illustere kikker voorkomt en waarschijnlijk al die tijd al heeft gezeten. Het viel op dat de soort sterk kan variëren in uiterlijk, met soms wel en soms niet een lichte streep op het midden van zijn rug. Maar onmiskenbaar was de stekelborst bij volwassen mannetjes, die eruit ziet als een soort witte beha met spikes.
Met ongerepte populaties, kan de beschermingsstatus van het dier afgeschaald naar ‘bedreigd’, opperen de biologen in hun publicatie over de herontdekking in het blad Zookeys.
Je moet het maar durven: je film openen met een minutenlange close-up van een etende rups. Geen voice-over, geen toelichting: alleen die larve die zich langzaam volvreet en dan, tergend traag, verandert in een pop – om uiteindelijk uit te groeien tot een vlinder.
Regisseur Pim Zwier durft het. Niet voor niets wordt zijn biopic Metamorfose, over kunstenares Maria Sibylla Merian (1647-1717) omgeschreven als mengeling van ‘natuurdocumentaire, kostuumdrama en kunstproject’: de film kent zijn weerga niet. Neem alleen al het oude Nederlands dat consequent gesproken wordt door de acteurs: Zwier riep speciaal de hulp in van historische taalkundigen voor een realistisch script. Of zie hoe de acteurs (onder wie Carly Wijs en Pierre Bokma) zich langzaam losmaken uit de schilderijen om het levensverhaal van Merian te verbeelden.
‘De eerste ecoloog’ wordt de van oorsprong Duitse Maria Sibylla Merian wel genoemd. Ze beschreef en tekende als eerste insecten in hun natuurlijke omgeving, met de planten die ze als voedselbron hadden. Raupen ofwel rupsen waren haar specialiteit: in 1679 bracht ze het eerste deel uit van haar Raupenbuch (dat ze later, in 1713 in het Nederlands vertaalde als Der rupsen begin, voedzel en wonderbaare verandering. Die vertaling naar het Nederlands was niet toevallig: al in 1685 was ze met haar moeder en dochters (maar zonder haar echtgenoot) naar het Friese Wieuwerd verhuisd, om zich aan te sluiten bij de religieuze commune van de labadisten.
Later verhuisde ze naar Amsterdam en reisde van daaruit voor twee jaar naar Suriname. Met het boek dat ze daar maakte, Verandering der Surinaamsche insecten, werd ze wereldberoemd. Ze verwerkte alle stadia van een insect in één afbeelding, van ei tot rups tot pop tot volgroeid insect, samen met de kenmerkende planten waarop de soort voorkwam
Naast een getalenteerde tekenaar was Merian ook een gewiekste zakenvrouw: vaak drukte ze haar kopergravures die ze samen met haar dochters maakte ook in spiegelbeeld af, om ze als ‘unieke’ exemplaren te verkopen.
Toch zijn de échte hoofdpersonen van de film de rupsen. Zwier geeft ze alle ruimte: steeds weer komen de fraaie, dikke, rustig doorknagende rupsen pontificaal in beeld, mét de plant waar ze van leven. Jammer is dat de rupsen en planten nergens bij naam worden genoemd, terwijl juist dat een meerwaarde zou zijn. Wel zijn er fraaie observaties van Merian, zoals de poppen die ze vergelijkt met „dadelpitten” en „gebakende kindekes”. Ook beschrijft ze hoe ze door schade en schande leerde dat de rupsen doodgaan als ze niet bij de juiste plant worden gezet.
Goed nieuws voor wie nieuwsgierig is naar het werk van Merian: het merendeel bevindt zich in de collectie van het Britse koningshuis, maar er zijn ook prenten aanwezig in de Amsterdamse Artis Bibliotheek. En haar Surinaamse insectenboek schittert tot eind maart in het Rijksmuseum.