Wielrenner Van der Hoorn over de lange revalidatie na zijn hersenschudding: ‘Liever mijn sleutelbeen gebroken, of mijn heup’

Een stoeprandje in de Ronde van Vlaanderen, op zondag 2 april 2023 – daarmee begon de ellende. Taco van der Hoorn probeerde vanuit het peloton mee te komen in de vroege vlucht, zijn specialiteit. Na zo’n honderd kilometer koers wilde hij een fietspaadje naast de weg opspringen om wat ruimte te creëren voor zichzelf. „Ik bleef haken met mijn voorwiel en viel face down. Ik had een diepe snee boven mijn rechteroog, tot op m’n schedel. Ze hebben zes of zeven hechtingen moeten zetten.”

Dit alles moesten ze hem later vertellen, want Van der Hoorn kon zich er niets meer van herinneren. Hij had een hersenschudding. En eentje die hem, zo zou blijken, extreem lang aan de kant zou houden: pas in augustus 2024, anderhalf seizoen verder, maakte hij zijn rentree in het profpeloton. Daartussen zaten zestien maanden van twijfel, herstel, terugslag, wanhoop, verwarring, tobben en nieuwe hoop. Een periode waarin hij zich geregeld afvroeg of hij ooit weer wielrenner zou worden.

Een hersenschudding is een bekend fenomeen in het wielrennen: met de sleutelbeenbreuk en de gebroken heup staat hij in de top-3 van meest voorkomende kwetsuren. Meestal gaat het snel over, maar bij sommige renners verloopt het herstel tergend langzaam en onvoorspelbaar. Taco van der Hoorn was een van die pechvogels. Vanuit zijn appartement in Andorra vertelt hij via een videoverbinding over de ingewikkelde, frustrerende revalidatie die hij doorliep – en zijn uiteindelijke terugkeer in het peloton, die hij begin oktober bekroonde met zijn eerste zege in twee jaar. „Misschien ben ik ook wel te streng geweest voor mezelf.”

Taco van der Hoorn (31) geldt als een bijzonder figuur in het peloton. Niet de sterkste coureur, wel slim, eigenzinnig en vindingrijk. Zijn grote voorbeeld: de Schotse renner -Graeme Obree, die in de jaren negentig tot twee keer toe het werelduur-record wist te verbeteren op een zelfgebouwde fiets met wasmachine-onderdelen. In het appartement in Wageningen dat Van der Hoorn jarenlang bewoonde met zijn beste vriend, baanwielrenner Jan-Willem van Schip, hing een poster van hun held aan de muur.

Taco van der Hoorn liep een hersenschudding op bij een val in de Ronde van Vlaanderen in 2023.
Foto Dirk Waem

Onorthodoxe blik

Van der Hoorn, die bewegingswetenschappen studeerde,bekijkt het wielrennen met een onorthodoxe blik: altijd op zoek naar tactische slimmigheden en marginal gains om zijn kansen in de koers te vergroten. Zo plakt hij de luchtgaten van zijn fietshelm af en koerst hij standaard met de armstukken van zijn tijdrijpak, ook als het warm is. Dat maakt hem, zo berekende hij, nét die paar tienden procent aerodynamischer. Zijn verhuizing naar Andorra, twee jaar geleden, paste ook in die filosofie: in de bergen ga je met meer plezier zeven uur trainen dan op winderige Hollandse dijken.

In 2021 won Van der Hoorn, in dienst van de kleine Belgische ploeg Intermarché-Wanty, een rit in de Giro d’Italia. Een jaar later liep hij op een centimeter na een Touretappe mis. De kasseienkoersen zijn de wedstrijden waarin hij het best gedijt: vooral als ze lang, afmattend en gelijkmatig zijn. Mee met de juiste ontsnapping en dan net zo lang ‘brommeren’ tot de concurrentie is uitgeput. Daarom hoopte Van der Hoorn na zijn val in Vlaanderen toch dat hij de week erna van start zou kunnen gaan in Parijs-Roubaix. „Ik bleef een paar dagen hoop houden, tegen beter weten in. Maar op maandag of dinsdag wist ik: dit gaat helemaal niet.”

Ik kreeg last van brain fog, kon me niet meer focussen. Mijn hoofd kon geen enkele belasting aan.

Van der Hoorn nam even rust en verlegde zijn doel naar de Giro, die begin mei van start ging. „We zijn toen de grens op gaan zoeken in wat mijn hoofd aankon. Dat ging al vrij snel mis. Toen ben ik best ver teruggezakt.”

Zolang Van der Hoorn rust hield, had hij nauwelijks klachten. Maar zodra hij een inspanning deed, ook al was het een lichte, begon het: mist in zijn hoofd, concentratieproblemen, hevige hoofdpijn. „Ik kreeg last van brain fog, kon me niet meer focussen. Als ik er niet aan toegaf, werden de klachten erger. Mijn hoofd kon geen enkele belasting aan.”

Donkere kamer

Dit was niet Van der Hoorns eerste hersenschudding. In 2017 liep hij er ook al eentje op – en die kostte hem een half jaar. „Ik heb toen wekenlang in bed gelegen in een donkere kamer, met podcasts en luisterboeken. Dat werkte alleen maar averechts. Je moet volgens de laatste inzichten juist snel weer zorgen dat je hersenen prikkels krijgen. Maar misschien heb ik het deze keer toch iets te veel gepusht.”

De maanden verstreken, het seizoen 2023 trok aan hem voorbij en herstel boekte Van der Hoorn nauwelijks. De hoofdpijn, de hersenmist – het werd niet minder. In september, een half jaar na zijn val, constateerde hij dat zijn lichaam eigenlijk nog precies hetzelfde reageerde op inspanning. „Toen ging ik voor het eerst denken: word ik nog wel beter?”

Al die tijd zat hij in Andorra. Niet helemaal in zijn eentje – een paar bevriende collega-renners wonen er ook – maar wel ver weg zijn familie en vrienden. Een beetje eenzaam was dat wel, zegt Van der Hoorn. Toch was teruggaan geen optie. „Als ik even in Nederland was, zag ik mijn vrienden ook alleen in het weekend. Doordeweeks moesten ze gewoon werken, dus daar was ik ook op mezelf.”

Rond de vorige jaarwisseling bereikte hij zijn absolute dieptepunt. Er speelden een aantal zaken in zijn privéleven, hij had geen energie om leuke dingen te doen met vrienden, twijfel en onzekerheid knaagden aan hem. „Door de stress kwamen mijn hersenen eigenlijk nooit aan rust toe. In december zakte ik wéér terug.”

Was dit het moment waarop je dacht: ik ga nooit meer terugkeren als wielrenner?

„Ja, ik dacht echt dat het klaar was. Toen ben ik gaan nadenken over een toekomst buiten het wielrennen. Bijvoorbeeld als trainer. Dat gaf ook rust, op een bepaalde manier.”

Hij heeft zichzelf „veel verwijten gemaakt”, zegt Van der Hoorn. „Dan vond ik dat ik fouten maakte in het herstel. Dat konden kleine dingetjes zijn. Klom ik over een hek terwijl ik rustig aan het wandelen was in de bergen. Dat bleek dan toch een te zware inspanning, en kreeg ik weer meer hoofdpijn. Dan dacht ik bij mezelf: lul, waarom heb je dat nou weer gedaan? Ik vroeg me telkens af wat ik nou fout deed. Waarom hadden andere mensen hier niet zo lang last van en ik wel?”

Was je dan niet te hard voor jezelf? Waarschijnlijk heb je gewoon pech gehad.

„Het is ook wel hard, maar dat zit ook een beetje in me. Voor een topsporter werpt hard zijn voor ook z’n vruchten af, bijvoorbeeld bij het bereiken van trainingsdoelen. Maar in zo’n revalidatieproces werkt het misschien wel averechts.”

Taco van den Hoorn (links) in de Ronde van Guangxi, oktober 2024.
Foto Cor Vos

Kermiskoers in Vlaanderen

Die zwarte dagen rond de jaarwisseling bleken uiteindelijk het begin van de weg omhoog. Van der Hoorn besloot met zijn fysiotherapeut een nieuw plan te maken om zijn klachtenpatroon te doorbreken. Stapje voor stapje de belasting weer opbouwen. „Eerst op de stadsfiets, ’s ochtends en ’s middags twintig minuten. Hier in de vallei, op en neer naar een koffietentje, want bergop was nog een te zware inspanning. Tussendoor twee keer slapen. En dan iedere week tien procent erbij.”

Langzaam, in het begin haast onmerkbaar, trad er verbetering op. Toen hij twee keer drie kwartier per dag aankon – we zitten in april 2024, een jaar na zijn val – begon Van der Hoorn er weer in te geloven. „Ik merkte dat ik weer controle kreeg over m’n klachten. Dat ik elke week iets meer kon doen. En toen ging het ineens heel snel, liep het exponen-tieel op. Kon ik weer zeven uur per dag op de fiets zitten.”

In juli was hij terug op zijn gebruikelijke – en tamelijk hoge – gemiddelde van 30 à 35 uur trainen per week. „Een tijdje was ik nog bang: gaat het wel écht lukken? Dus heb ik nog best lang gewacht met de buitenwereld te vertellen dat ik hersteld was.”

Op 13 augustus maakte hij voor het eerst sinds de Ronde van Vlaanderen zijn opwachting in het peloton. Oké, het was een kermiskoers in Vlaanderen, maar wat deerde dat? Hij was terug. „De eerste tien minuten was even wennen, maar daarna ging het eigenlijk weer als vanouds.” Daarna reed Van der Hoorn de ene wedstrijd na de andere. Hij wilde nog zo veel mogelijk koersen in wat resteerde van het seizoen. Bewijzen dat hij het nog steeds kon, want aan het einde van dit jaar liep zijn contract af.

Weg uit een kopgroep van vijf

De ultieme bevestiging volgde op 2 oktober. Van der Hoorn ging van start in de Elfstedenrace, een 200 kilometer lange koers in Friesland met een sterke bezetting. Het woei hard die dag, er ontstonden waaiers. Steeds meer renners moesten lossen, maar Van der Hoorn zat de hele dag vooraan. In de laatste kilometers reed hij weg uit een kopgroep van vijf en kwam solo over de finish in Leeuwarden – zijn eerste profzege in meer dan twee jaar.

„Mijn moeder stond aan de finish, die kon ik meteen een knuffel geven”, zegt Van der Hoorn. „Daarna ontplofte mijn telefoon met berichtjes.” Zijn beste vriend Jan-Willem van Schip zat op de fiets voor een trainingsrit toen hij nieuws van Van der Hoorns zege zag. „Die werd helemaal gek, stuurde me allemaal audioberichtjes.”

Inmiddels heeft Van der Hoorn een nieuw contract van twee jaar getekend bij Intermarché, zo werd deze week bekend. Hij is druk bezig met de planning van het komende seizoen. Dat zal voor hem al in januari beginnen, met de Tour Down Under in Australië. Daarna gaat hij in één keer door naar Colombia, voor een trainingskamp van drieënhalve week. „En vóór Down Under ga ik naar Nieuw-Zeeland, een trektocht maken met bagage. In m’n eentje. Kan ik 30 tot 35 uur trainen, maar op een iets relaxtere manier.”

Het was een tip die hij ooit meekreeg van zijn voormalige buurvrouw in Wageningen, oud-profrenster Annemiek van Vleuten. „Als je al wat langer in het fietsen zit en toch veel wil kunnen trainen, moet je het voor jezelf een beetje leuk maken. Dan zit je nog steeds met plezier elke dag zeven uur op de fiets.”

Waar Van der Hoorn nog allemaal van droomt nu hij terug is? Een Touretappe natuurlijk, zeker na die nipte bijna-zege 2022. Of een mooie semi-klassieker. Maar bovenaan zijn lijstje staat een „dikke uitslag” in Parijs-Roubaix, voor hem de belangrijkste koers van het jaar. „Als ik daar elke keer met de perfecte voorbereiding en het perfectie materiaal van start ga, moet het één keer mogelijk zijn om top-5 te rijden.”


Excellerende buitenspelers, snelle transities en fraaie goals: Feyenoord verslaat Sparta Praag in cruciaal duel

Op een zorgeloze avond, kon het allemaal. Mooie combinaties, excellerende buitenspelers, snelle transities en heerlijke goals. Het was het optreden waar Feyenoord, dit seizoen opvallend kwetsbaar in eigen stadion, lang op had gewacht in de Kuip. 4-2 werd het tegen Sparta Praag, in de zesde speelronde van de vernieuwde, uitgebreide Champions League.

Daarmee zet Feyenoord een belangrijke stap richting de knock-outfase van het belangrijkste Europese clubtoernooi. Met tien punten en nog twee duels te gaan, heeft het een goede uitgangspositie voor plaatsing voor de tussenronde februari volgend jaar. Feyenoord speelt in de laatste twee speelronden, eind januari, eerst nog tegen Bayern München (thuis) en het verrassend sterke Lille (uit).

Door dat zware programma, was een zege op Sparta Praag van groot belang voor een vervolg in de Champions League. Maar wat precies te verwachten van dit wisselvallige, onberekenbare Feyenoord? Een fraaie overwinning bij Benfica werd gevolgd door een gevoelige thuisnederlaag tegen RB Salzburg, waarna de spectaculaire comeback tegen Manchester City juist weer van de buitencategorie was.

Stormen in openingsfase

Tegen Sparta Praag was het meer het klassieke Feyenoord, zoals je het in de Kuip kan verwachten, stormend in de openingsfase. Die druk leidt tot een hoekschop, scherp ingedraaid door Anis Hadj Moussa. Centrale verdediger Gernot Trauner kopt hard naar de grond, waarop de bal via de hak van een voet van Martin Vitik binnenrolt: 1-0. Bier vliegt door het stadion, na acht minuten voetbal.

De aftrap na die goal is net genomen, als de jonge Antoni Milambo meteen felle druk zet op het middenveld van Sparta Praag. Hij onderschept, spits Santiago Gimenez neemt over en geeft mee op Igor Paixao, de aanvaller in topvorm. De Braziliaan heeft veel ruimte, rukt op, kan de hoek uitkiezen en schiet feilloos rechts van de doelman Peter Vindahl. 2-0, binnen negentig seconden na de openingsgoal.

Het is een avond waarop ook Gijs Smal, een degelijke 27-jarige linksback uit De Rijp, kan uitgroeien tot een van de uitblinkers – al zou hij in de tweede helft uitvallen met een blessure. Hij staat aan de basis van een schitterende aanval in de achttiende minuut.

Smal opent van links achterin diagonaal op rechtsbuiten Hadj Moussa, die de bal in een keer stillegt. Rechtsback Bart Nieuwkoop komt er onderdoor, ‘trekt’ de bal terug op Milambo die in één keer volleert, op de rechtervoet van keeper Vindahl. Bijna de perfecte aanval. Coach Priske, eerder succesvol coach bij Sparta Praag, staat al op het punt om te juichen.

Ideale curve

Feyenoord krijgt veel ruimte waar buitenspelers Paixao en Hadj Moussa optimaal van profiteren. Paixao zet op in de as, geeft mee aan de opkomende Nieuwkoop, die verplaatst naar Hadj Moussa op rechts. Even dreigen in duel met Matej Rynes, dan gaat hij naar binnen, schiet dan met links in de verre hoek. De ideale curve, de bal lijkt de binnenkant van de paal nog te kussen. Alweer zijn derde goal in Champions League. 3-0 na 30 minuten.

Een Tsjechische fan, hoog op de tribune, maakt een gebaar: wisselen. Alle spelers van Sparta Praag, dat een zeer povere indruk maakt, komen rond de middencirkel even bij elkaar voor overleg. Ze lijken af te spreken dat ze de score niet verder laten oplopen, dat ze compacter gaan spelen.

Dat Feyenoord achterin regelmatig kwetsbaar is, en makkelijk goals tegen krijgt (vijftien in de Champions League, na woensdag), blijkt in het vervolg. Lukas Sadilek neemt een aanloopje, gooit de bal dan ver het strafschopgebied in. De bal wordt twee keer verlengd, waarop die zomaar voor de voeten landt van aanvaller Albion Rrahmani, die binnenglijdt. Opeens is het 3-1, kort voor rust.

Kort na rust creëert Sparta Praag meer druk, maar het heeft geen grote mogelijkheden. Juist in die fase, als Feyenoord iets terug wordt gedwongen, is opnieuw Hadj Moussa belangrijk. Hij geeft een voorzet die slecht wordt weggewerkt, waarop Gimenez uit de draai hard de 4-1 binnen ramt. Door een eigen doelpunt van invaller Thomas Beelen wordt het nog 4-2.

Zo was Feyenoord, na de snelle en ruime voorsprong, opvallend slordig. Maar de individuele klasse voorin, in combinatie met de bescheiden tegenstand, was ruim voldoende om het verschil te maken. „Tien punten in de Champions League, en dat voor Kerst”, zei coach Priske laat op de avond opgelucht.


Het WK 2034 zal naar Saoedi-Arabië gaan, hoe is de voetbalwereld tot dit punt gekomen?

Nu is het nog onontgonnen gebied op de rand van een woestijn, dertig kilometer ten zuidwesten van hoofdstad Riyad. Daar, in het midden van Saoedi-Arabië bovenop een klif van het 200 meter hoge Tuwaiq-gebergte, moet het Prince Mohammed bin Salman Stadion verrijzen. Volgens het bidbook voor het WK voetbal 2034 ligt er over vijf jaar een „futuristisch stadion” waar 46.000 toeschouwers een „spectaculair uitzicht” hebben over de rotspartij.

Een LED-scherm ter grootte van een volledige tribunezijde benadrukt het moderne karakter van het stadion, dat binnen een paar uur om te bouwen is voor concerten. Het stadionplan is onderdeel van het nog te ontwikkelen stadsdistrict Qiddiya, een megaproject met horeca, entertainment, hotels en een Formule 1-circuit. Dat het stadion wordt vernoemd naar Bin Salman, de almachtige Saoedische kroonprins, markeert zijn leidende rol bij het binnenhalen van het WK voetbal.

Want dat Saoedi-Arabië deze woensdag tijdens een digitaal congres van wereldvoetbalbond FIFA het WK van 2034 formeel krijgt toegewezen, is vrijwel zeker. Er zijn geen andere kandidaat-gastlanden. De verwachting is dat zowel het WK 2030 (gezamenlijk bid van Spanje, Marokko en Portugal – eveneens geen concurrentie) als dat van 2034 zonder stemming bij acclamatie wordt aangenomen. De aanwijzing voor beide WK’s is gecombineerd, de gastlanden worden dus in één keer toegewezen.

Hoewel omstreden, is het onmiskenbaar een politieke en publicitaire overwinning voor Bin Salman, wiens nauwe band met FIFA-voorzitter Gianni Infantino heeft geholpen bij de succesvolle kandidatuur. De afgelopen jaren heeft Saoedi-Arabië voor miljarden geïnvesteerd in imago-building door middel van sport – topvoetballers, toptennissers en grote sporttoernooien werden naar Saoedi-Arabië gehaald.

Lees ook

Ronaldo, dancefeesten en een kunstmaan. Hoe de genadeloze Saoedische kroonprins de wereld verleidt

Een billboard in Riyad waarmee Cristiano Ronaldo wordt verwelkomd als speler van Al-Nassr.

Internationaal stond het land en zijn kroonprins er slecht op. Net begonnen als minister van Defensie, mengde Bin Salman zich in 2015 in de burgeroorlog in buurland Jemen tegen de Houthi-rebellen, die volgens Saoedi-Arabië door Iran werden gesteund. In 2018 volgde de geruchtmakende moord op de Saoedische journalist Jamal Khashoggi, die in het consulaat in Istanbul in stukken werd gesneden. Een Amerikaans inlichtingenrapport stelde later dat Bin Salman de moord had goedgekeurd – zelf ontkent hij de opdracht te hebben gegeven.

Het is niet vergeten – wel duidt de WK-toewijzing erop dat het naar de achtergrond is gedrukt. Hervormingen zijn ondertussen doorgevoerd, vrouwen krijgen meer ruimte, mogen zelfstandig wonen en autorijden. Tegelijkertijd is homoseksualiteit nog altijd verboden. En mensenrechtenorganisaties wijzen erop dat de repressie harder is dan ooit; onlangs werd bekend dat dit jaar al 198 mensen zijn geëxecuteerd, onder wie honderd buitenlanders.

Het WK 2034 vormt een ijkpunt in die snelle maar bijzonder grillige ontwikkeling van het land. In de opmaat heeft Bin Salman een omvangrijk overheidsprogramma uitgerold, ‘Vision 2030’. Door diversificatie van de economie moet Saoedi-Arabië minder afhankelijk worden van olie-inkomsten. Toerisme, de tech-industrie en sport moeten belangrijke pijlers worden, in combinatie met grote infrastructurele projecten.

Growing together, is de titel van het bidbook dat Saoedi-Arabië opstelde voor het WK. „Groei van mensen, voetbal en verbindingen over de hele wereld”, schrijft Bin Salman. „Het organiseren van het WK is een belangrijke stap in de groei van de sportsector in het Koninkrijk, dat de afgelopen jaren grote ontwikkelingen en successen heeft gekend.”

De vraag is tegen welke prijs. Hoe is de voetbalwereld tot dit punt gekomen dat zijn meest prestigieuze toernooi plaatsvindt in een land dat bekendstaat als een dictatoriaal regime? Bonden in het Westen, waaronder de Nederlandse KNVB, maken de indruk machteloos te zijn bij de keuze voor Saoedi-Arabië. Na het WK 2018 in Rusland en het WK 2022 in Qatar, zal het grootste sportevenement ter wereld opnieuw gehouden worden in een land met een bedenkelijke mensenrechtenreputatie.

Opvallend stil

Waar voor ‘Qatar’ in diverse Europese landen nog een publiek debat werd gevoerd over mensenrechten en de behandeling van gastarbeiders, blijft het nu opvallend stil vanuit de voetbalwereld. Het meeste verzet, hoewel niet direct gericht op het WK 2034, was in oktober te lezen in een open brief van ruim honderd profvoetbalsters waarin de FIFA werd opgeroepen een sponsordeal met het Saoedische staatsoliebedrijf Aramco te beëindigen.

De controversiële toewijzing van Qatar, leidde ertoe dat de FIFA de aandacht voor mensenrechten en arbeidsrechten niet langer kon negeren. Het werd een verplicht onderdeel in de bidprocedure van WK’s. Arbeids- en mensenrechten moeten van de FIFA nu zijn „geïmplementeerd” door de regering en andere entiteiten die betrokken zijn bij de organisatie, zoals bedrijven die bouwen aan stadions, trainingscomplexen en hotels.

Een onafhankelijke commissie werd opgericht voor advies over mensenrechtenkwesties, zoals de situatie van gastarbeiders in Qatar. Maar deze commissie werd, tot onvrede van de leden zelf, anderhalf jaar voor het begin van het WK alweer ontbonden door de FIFA.

De mensenrechtenvoorwaarden in het WK-bid staan nog overeind. Op papier – want door de gang van zaken rond de aanstaande toewijzing van Saoedi-Arabië is grote twijfel ontstaan over de geloofwaardigheid van die eisen.

Elk kandidaat-gastland is verplicht om een ‘onafhankelijke beoordeling’ te laten doen van de mensenrechtenstrategie. Saoedi-Arabië liet deze uitvoeren door de Saoedische tak van het mondiaal opererende advocatenbureau Clifford Chance. De afdeling in Riyad wordt geleid door managing partner Fahad Abuhimed, die diverse invloedrijke functies bekleedde bij de Saoedische overheid en staatsbedrijven, schrijft het Deense onderzoeksplatform Play the Game.

V.l.n.r.: FIFA-baas Infantino, Juan Carlos Varela (toenmalig president van Panama), de Saoedische kroonprins Bin Salman en de voormalige Franse president Nicolas Sarkozy in juni 2018 kort voor de openingsceremonie van het WK in Rusland.
Foto Getty Images

In de beoordeling zijn verschillende internationaal erkende mensenrechten uitgesloten, bleek uit een analyse van elf organisaties, waaronder Amnesty International en Human Rights Watch. Zoals: vrijheid van meningsuiting, homorechten en het recht op vakbonden. De reden voor de uitsluiting was dat Saoedi-Arabië „de relevante verdragen niet heeft geratificeerd” en de nationale voetbalbond deze „niet heeft erkend als ‘van toepassing’” op de beoordeling, schrijven de onderzoekers.

Dit is cruciaal voor het WK-bid: de beoordeling van Clifford Chance vormt de basis voor de mensenrechtenstrategie, waarop de meeste ogen zijn gericht. Het woord mensenrechten komt wel veel terug in het bidbook – maar wordt nauwelijks concreet gemaakt met afspraken. Termen als ‘vrijheid van meningsuiting’, ‘homorechten’ en ‘vakbond’ zijn niet te vinden.

„Door het produceren van een schokkend slecht rapport, heeft Clifford Chance (…) geholpen een belangrijk laatste struikelblok weg te nemen”, zei James Lynch van mensenrechtenorganisatie FairSquare, een van de elf partijen. Opvallend is dat Clifford Chance schrijft dat de reikwijdte van hun beoordeling is bepaald door de Saoedische voetbalbond „in overeenstemming” met de FIFA. Dit suggereert volgens The New York Times dat de FIFA de omissies zelf goedkeurde.

Hoogste score ooit

Tot verbazing van critici, heeft het onderdeel mensenrechten in de bid-evaluatie van de FIFA de risicobeoordeling ‘medium’ gekregen, waar een ‘hoog risico’ meer in de lijn der verwachting lag. De FIFA weegt de „snelheid van vooruitgang” in Saoedi-Arabië mee, evenals de periode van tien jaar tot aan 2034 waarin nog veranderingen kunnen worden doorgevoerd. De voetbalfederatie stelt dat er „goede verwachtingen” zijn dat de organisatie van het toernooi bijdraagt aan „positieve gevolgen voor mensenrechten” in het land.

Het Saoedische bid kreeg een gemiddelde van 4.2 op een maximum van 5 – de landelijke krant Saudi Gazette wist vrijwel direct te melden dat dit hoogste score ooit was. Beide WK-bids – die van 2030 kreeg ook een 4,2 – voldoen daarmee aan de FIFA-criteria waardoor de toewijzing een formaliteit is.

„Dit was een kans voor Saoedi-Arabië om te laten zien dat ze mensenrechten serieus nemen”, zegt Floor Beuming, coördinator Saoedi-Arabië bij Amnesty International. „Dat hebben ze niet gedaan, de mensenrechten worden op geen enkele manier gewaarborgd. De FIFA zegt zelfs: het is een geweldig bid. Dat maakt hun eigen mensenrechtenbeleid tot een dode letter.”

Er bestaan grote zorgen over de rechtspositie en werkomstandigheden van arbeidsmigranten. Eerder zijn hervormingen aangekondigd van het kafala-systeem. Nu heeft een lokale sponsor (kafeel) nog veel zeggenschap over de werknemers, wat hen kwetsbaar maakt voor uitbuiting. De realiteit is dat er nog weinig is veranderd, in het bid worden alleen „vage toezeggingen gedaan”, zegt Beuming.

Ander probleem is dat arbeidsmigranten volgens haar vaak hoge recruitmentkosten betalen voor ze het land in komen. „Dat moeten de bedrijven eigenlijk doen, arbeiders werken zich nu aan het begin van een contract al in grote schulden”, zegt Beuming. „Dit moet worden aangepakt, maar hier worden in het bid geen goede garanties voor gegeven.”

Dat er de komende jaren veel arbeiders nodig zijn, is zeker. Saoedi-Arabië gaat op grote schaal bouwen. Acht van de in totaal vijftien WK-stadions moeten nog ontwikkeld worden, drie bestaande gerenoveerd. 320.000 hotelkamers komen erbij om toeristen te kunnen ontvangen en er liggen plannen voor een nieuw vliegveld in Riyad. In het uiterste noordwesten wordt een volledig nieuwe metropool ontwikkeld, Neom, bijna even groot als België. Ook hier komt een hypermodern WK-stadion, met een veld op 350 meter hoogte.

„We weten dat in Neom een hele groep mensen gedwongen uit hun huizen zijn gezet om plaats te maken”, zegt Beuming. Dit gebeurde ook met een half miljoen mensen in meer dan zestig wijken in Jeddah, bleek uit onderzoek van Amnesty.

De lobby van Infantino

De keuze voor Saoedi-Arabië was sinds oktober vorig jaar al onvermijdelijk. De FIFA had eerder die maand aangekondigd dat er voor het WK 2030 maar één kandidaat was. Dat wordt een WK verspreid over drie continenten (Afrika, Europa en Zuid-Amerika). Met gastlanden Spanje, Marokko en Portugal en daarnaast nog drie duels in Argentinië, Uruguay en Paraguay.

Dat betekende dat die drie continenten werden uitgesloten voor een bieding op het WK in 2034, omdat de FIFA wil dat het toernooi rouleert over de verschillende werelddelen. Datzelfde gold voor Noord-Amerika, het WK 2026 is immers al in de VS, Canada en Mexico. Bleven over voor 2034: Oceanië en Azië.

Binnen 81 minuten nadat de FIFA oktober 2023 uit het niets aankondigde dat kandidaat-gastlanden nog 25 dagen hadden voor een bid op het WK 2034, maakte Saoedi-Arabië zijn intentie bekend. Australië overwoog dat ook maar trok zich terug, waardoor Saoedi-Arabië als enige overbleef. Uit een reconstructie van The New York Times bleek hoe FIFA-baas Infantino achter de schermen al jarenlang lobbyde voor dit plan.

Het illustreert de veranderende machtsverhoudingen in de top van het voetbal, waar Europa lang bepalend was. „De geopolitieke verhoudingen in de wereld zijn aan het verschuiven”, zegt een woordvoerder van de KNVB, gevraagd naar hoe de Nederlandse voetbalbond WK-organisator Saoedi-Arabië benadert. „Een belangrijke les is dat onze primaire rol die van voetbalbond is en dat we ons daar ook op focussen.”

Demonstranten van mensenrechtenorganisatie Amnesty International voeren actie op de KNVB Campus tegen de kandidatuur van Saoedi-Arabië voor het WK van 2034.
Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Het is een compleet andere strategie in vergelijking met het WK in Qatar, waarover de KNVB uitgesproken kritisch was. „We kunnen ons als voetbalbond richten op alleen het sportieve deel van dit WK en het realiseren van verbeteringen in Qatar overlaten aan maatschappelijke en politieke organisaties”, schreef de KNVB destijds. „Dit is voor ons geen optie.” Die confrontatie gaat de bond niet meer aan, „verbinding” is nu het sleutelwoord.

Op een totaal van 211 bonden heeft Saoedi-Arabië al meer dan 150 steunverklaringen voor de kandidatuur, zegt de KNVB. Het laat zien dat bonden in Noordwest-Europa geïsoleerd zijn geraakt in hun kritische opstelling richting landen in het Midden-Oosten. En ze bewegen mee. De Duitse bond maakte vrijdag al bekend de WK-toekenning van Saoedi-Arabië goed te keuren.

Krijgt Saoedi-Arabië ook de goedkeuring van de KNVB? Dat wil de bond niet zeggen. Omdat er geen stemming komt, „is dat niet aan de orde”. In een interview in de Volkskrant zei Gijs de Jong, secretaris-generaal van de KNVB, eind oktober: „Het kan best dat ik word afgemaakt als pleitbezorger voor Saoedi-Arabië, maar de Arabieren zijn oprecht met dit WK bezig, ook vanwege hun Visie 2030.”

Dat er vervolgens geen KNVB-bestuurders meer in de media zijn verschenen voor een toelichting in aanloop op de toekenning, duidt erop dat de bond worstelt met een duidelijk narratief. Op de eigen kanalen bleef het ook stil. Wel werd het volledige Volkskrant-interview als zijnde ‘het standpunt’ van de bond voor het WK in Saoedi-Arabië op de KNVB-site geplaatst.

Daar is geen toestemming voor gevraagd, reageert Marije Randewijk, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. „Kopij mag nooit op deze manier worden doorgeplaatst”, mailt ze. „We vinden dit heel schadelijk.” de Volkskrant heeft, na vragen van NRC, de KNVB verzocht het artikel offline te halen.


Duurste sportcontract ooit: 765 miljoen dollar voor honkbaltalent Juan Soto

Zijn zaakwaarnemer noemde Juan Soto de „Mona Lisa” van het honkbal, een uniek talent dat maar eens in een generatie voorbijkomt. Dus dat het wat zou gaan kosten om de transfervrije slagman uit de Dominicaanse Republiek in te lijven, dat was wel duidelijk aan het begin van de winterse transferperiode van de Amerikaanse honkbalcompetitie MLB. Het was alleen nog de vraag hoeveel Soto precies zou krijgen, en welk team bereid zou zijn om dat te betalen.

Maandagochtend kwam er duidelijkheid: voor 765 miljoen dollar (724 miljoen euro) verbindt Soto zich de komende vijftien seizoenen aan de New York Mets. Onderdeel van de verbintenis is een tekensom van 75 miljoen dollar (71 miljoen euro) en ongeacht blessures of andere onvoorziene omstandigheden zal Soto het gehele bedrag gegarandeerd ontvangen.

Het is een recordcontract; nooit kreeg een sporter meer geld voor zijn of haar diensten. Soto gaat nog meer verdienen dan Shohei Ohtani, de Japanse honkballer die zowel slaat als gooit – een zeldzaamheid in professioneel honkbal – en vorig jaar voor 700 miljoen dollar (650 miljoen euro) en tien jaar tekende bij de Los Angeles Dodgers.

Risicovolle beslissing

Voor Soto is het een beloning na de risicovolle beslissing die hij twee jaar geleden nam. Toen bood zijn toenmalige team Washington Nationals de buitenvelder ook een vijftienjarige contractverlenging, voor een bedrag van 440 miljoen dollar (416 miljoen euro). Maar Soto had geen vertrouwen in de toekomst van het team en sloeg het aanbod af. Daarna werd hij geruild naar de San Diego Padres en de New York Yankees, tot dit najaar zijn contract afliep.

Ongeacht of hij driekwart miljard dollar waard is, staat buiten discussie dat Soto een uitzonderlijke honkballer is. Als linkshandige slagman slaat hij én veel homeruns én heeft hij de discipline om weg te blijven van worpen buiten de slagzone, een combinatie die niet vaak voor komt. In zijn carrière heeft Soto al vier seizoenen telkens 25 homeruns geslagen en 125 vrije lopen (na vier keer een wijdbal) naar het eerste honk gekregen – in de geschiedenis van de MLB deden slechts drie spelers dat vaker. Gemiddeld komt Soto meer dan vier op de tien keer op de honken als hij aan slag is; een absurd hoog percentage in een sport waarbij slagmensen zich al onderscheiden als ze in een derde van hun pogingen een honk bereiken.

De pas 26-jarige Soto presteerde dat allemaal in de eerste zeven jaar van zijn carrière. Hij brak op de voor honkbal zeer jonge leeftijd van 19 jaar door en bereikte daardoor voor het eerst een transfervrije status, die elke honkballer in de MLB pas na zes jaar krijgt, terwijl zijn beste jaren nog voor zich liggen. Nu is hij tot zijn veertigste verzekerd van een inkomen, tenzij hij besluit gebruik te maken van een clausule die hem in staat stelt over vijf jaar uit de overeenkomst te stappen en opnieuw transfervrij te worden.

Biedoorlog

Jong en goed, het zijn de belangrijkste maar niet de enige redenen voor de recordhoogte van Soto’s contract. Hij heeft optimaal geprofiteerd van de interesse die er in hem was en de biedingenstrijd die daarop volgde. Een aantal van de rijkste teams in de competitie mengde zich daarin, en tot op het laatst ging het tussen de twee ploegen uit New York: de recordkampioen Yankees uit de Bronx, die dit seizoen nog mede dankzij Soto de World Series haalde, en de eeuwige underdog Mets uit Queens.

Amerikaanse media schrijven dat de eigenaar van de Mets, de hedgefondsmanager Steve Cohen wiens vermogen op 20 miljard euro wordt geschat, zich had voorgenomen koste wat kost te willen winnen van de succesvollere stadsgenoot en zo een sterspeler binnen wilde halen in zijn pogingen de World Series te winnen; iets wat de Mets voor het laatst lukte in 1986. Dus toen de Yankees 760 miljoen dollar voor een contract van zestien jaar boden, deden de Mets daar nog eens 5 miljoen bovenop voor een jaar minder (en dus een hoger gemiddeld salaris per jaar) en trokken zo Soto naar zich toe.

Vijftien jaar is nog steeds het langste contract in de geschiedenis van het honkbal. Zulke contracten komen steeds vaker voor sinds superster Alex Rodriguez in 2001 de eerste tienjarige verbintenis ondertekende. Sindsdien zijn er 27 spelers bijgekomen die voor een decennium of langer zijn vastgelegd. Clubs willen zich zo voor lange tijd verzekeren van een sterspeler, maar hebben daar ook financiële redenen voor: door het totaalbedrag aan het begin vast te leggen, neemt de waarde van het contract gedurende de looptijd af door onder meer inflatie. Zo wordt de reële waarde van de overeenkomst van Ohtani, waarvan het grootste gedeelte van de geldsom van 700 miljoen dollar pas in de laatste jaren van het contract zal worden uitgekeerd, door experts eigenlijk op 460 miljoen dollar (435 miljoen euro) geschat.

De deal met Soto is nog niet officieel aangekondigd door de Mets, want de flamboyante Dominicaan met zijn kenmerkende grijns moet nog door de medische keuring heen. Dat lijkt echter een formaliteit – fans van de New Yorkse club kunnen zich gaan verheugen op het nieuwe seizoen, en Soto wordt de rijkste sporter ter wereld.


Het Grand Prix-seizoen duurt vooral voor de mensen achter de schermen wel erg lang

De motoren zijn al even verstomd als vlak achter het teamonderkomen van Mercedes in Abu Dhabi tientallen teamleden over een reling naar beneden kijken. Daaronder glinstert het water van de middenin het circuit gelegen jachthaven in het kunstlicht. Terwijl monteurs koude biertjes pakken uit grote blauwe kliko’s vol ijswater, springt iemand over de reling. Drijfnat klimt hij weer op de kant, steekt zijn gebalde vuisten omhoog. De anderen juichen. Dan wordt de volgende persoon in de haven gegooid.

Vieren de Mercedes-mensen deze zondagavond, anderhalf uur na afloop van de race, een wereldtitel of een overwinning? Nee. Ze zijn gewoon blij dat het seizoen er eindelijk op zit.

In Abu Dhabi eindigde het langste Formule 1-jaar ooit. 24 Grands Prix waren er – twee meer dan in de afgelopen drie seizoenen, die ook al van recordlengte waren. En bijna iedereen in de sport vindt dat die 24 races er minstens een paar te veel zijn.

Neem wereldkampioen Max Verstappen, die zo’n lange racekalender eerder al op termijn „niet vol te houden” noemde. In Abu Dhabi heeft hij aan het begin van het weekend niet zo’n zin opnieuw op het onderwerp in te gaan. „Ik ben blij dat het klaar is”, zegt hij alleen als NRC hem ernaar vraagt. „Het is lang genoeg geweest.”

Toen Verstappens vader Jos dertig jaar geleden in de Formule 1 debuteerde, stonden er nog zestien wedstrijden op het programma. De reden dat het er nu anderhalf keer zo veel zijn, is simpel: geld. Elke race-organisator betaalt de Formule 1, in handen van het Amerikaanse conglomeraat Liberty Media, jaarlijks tientallen miljoenen voor het recht een Grand Prix te mogen houden. Bovendien: hoe meer races, hoe meer vip-arrangementen, reclameborden en tv-uitzendingen de Formule 1 kan verkopen.

Gestaag uitgedijd

Sinds oliestaten en andere niet-traditionele autosportlanden als China en Rusland na de eeuwwisseling interesse in de Formule 1 kregen, is de kalender gestaag uitgedijd. Nu de sport de laatste jaren populairder is geworden dan ooit, is de animo nog verder toegenomen. En omdat een flink deel van de F1-inkomsten naar de tien teams gaat, wordt uiteindelijk iedereen beter als de auto’s op meer circuits te bewonderen zijn.

Maar dat is op zakelijk niveau. Op persoonlijk niveau betekent de groei dat er voor de coureurs nogal wat is veranderd. En níet doordat ze vaker in de auto zitten. Tot in de jaren zeventig was het heel gebruikelijk dat coureurs hun F1-werk combineerden met optredens in allerlei andere autosportklassen. En later, toen de sport professionaliseerde en er geen ruimte meer was voor zulke uitstapjes, mochten teams anders dan nu onbeperkt testen tussen de wedstrijden door. Wat veel teams dan ook deden.

„Het was fysiek een stuk zwaarder”, zegt Martin Brundle (65). De Britse ex-coureur, in de jaren tachtig en negentig goed voor 158 F1-races, loopt met een zonnebril door de paddock, waar hij werkt als tv-commentator. „We gingen na de races testen op circuits als Jerez en Estoril. Dan deden we zo twee race-afstanden op een dag. Maar toen waren er tien races in Europa, en zes erbuiten. Die verdeling is nu andersom. We hoefden toen ook niet tussendoor in de simulator te rijden, en we hadden veel minder mediaverplichtingen.”

De coureurs maken nu dus veel meer lange vluchten. Doen veel meer PR-optredens. En ze staan – omdat de F1 onder zijn Amerikaanse eigenaar steeds meer een entertainmentproduct wordt – veel vaker in de aandacht. Ze zijn stuk voor stuk publieke figuren geworden, die 24 keer per jaar een weekend lang door een publiciteitsmolen gaan.

In de paddock is dat voortdurend en overal zichtbaar. Elke morgen staat er bij de toegangspoortjes een haag van fotografen om de binnenkomst van elke rijder vast te leggen. Als ze dan komen aanlopen, draaft er dikwijls ook nog een teamlid met een camera mee om filmpjes voor sociale media te schieten.

Hengelmicrofoon

Haast elke stap die de coureurs zetten wordt vastgelegd. Zelfs wanneer RB-rijders Liam Lawson en Yuki Tsunoda donderdagavond, aan het einde van een dag die al helemaal in het teken van media-activiteiten stond, met hun racefietsen aan de hand hun teamverblijf uit stappen. Ze willen nog even ontspannen door een rondje te fietsen over het circuit, waar iedereen met een F1-pasje ’s avonds mag wandelen, joggen of wielrennen. Terwijl Lawson en Tsunoda nog overleggen of het circuit al toegankelijk is, hangt er alweer een hengelmicrofoon boven hun hoofd.

En toch valt het voor de coureurs uiteindelijk wel mee, zegt Ferrari-rijder Charles Leclerc als NRC hem vraagt hoe hij zich voelt na het lange seizoen. „Zelf ben ik niet zo moe. Coureurs reizen in de best mogelijke omstandigheden. We hebben begeleiders die ons helpen herstellen. De balans bewaren tussen werk en privé vind ik het lastigst. Maar aan de andere kant bevind ik me ook in de positie dat ik mijn familie naar races toe kan laten komen”, zegt de Monegask, gezeten op een kruk in de Ferrari-hospitality. „Voor de leden van het team is het veel moeilijker.”

Voor veel mensen met een gezin slaat het nergens op om 24 races te doen

Oscar Piastri
coureur McLaren

Met dat laatste is Oscar Piastri het eens. „De monteurs komen al op dinsdag of woensdag aan om de auto’s op te bouwen”, zegt de Australiër die voor Mc-Laren rijdt. „Dus wij vinden het zwaar, maar we denken veel meer aan de monteurs, en aan al de tijd die zij niet bij hun familie kunnen zijn. Voor veel mensen met een gezin slaat 24 races nergens op.”

Een behoorlijk deel van de teammedewerkers – van monteurs tot communicatiemedewerkers, van engineers tot managers – gaat naar alle races. Ze arriveren als eersten op het circuit en gaan als laatsten weer weg. Sommige teams zijn begonnen hun personeel te roteren. Maar niet voor elke positie is dat een optie, zeker niet bij kleinere teams. Zelfs bij het grote Mercedes mogen de monteurs slechts twee races kiezen om over te slaan. En waar de coureurs first class of met privéjets reizen, zitten hun monteurs gewoon opgepropt in economy class.

Red Bull-technicus Calum Nicholas staat vrijdagavond een sigaret te roken achter het Red Bull-onderkomen in de paddock. „Nog even de auto terug in elkaar zetten, en dan gaan we weg.” Hij doelt op de avondklok, een maatregel die autosportbond FIA een paar jaar geleden heeft ingevoerd om de druk op het teampersoneel te verlichten. Na een bepaalde tijd mag er niet meer aan de auto’s gewerkt worden en moet iedereen het circuit verlaten.

Maar avondklok of niet, zo’n lang seizoen is „heel zwaar”, zegt Nicholas. Zelfs één extra race zou volgens hem al te veel zijn. Vooral de blokken van drie races in opeenvolgende weekenden, de zogeheten triple headers, hakken erin. Dit seizoen telde er drie. De laatste, waarvan Abu Dhabi de afsluiter vormt, was veruit de zwaarste. Twee weken geleden vloog het F1-gezelschap van de nachtrace in Las Vegas naar Qatar, dwars door elf tijdzones. Van die klap voor hun biologische klok is veel F1-personeel in Abu Dhabi nog niet hersteld.

We zijn allemaal professionals. Het is geen probleem.

Fernando Alonso
coureur Aston Martin

Vrachtwagenlading brokstukken

Goede prestaties kunnen de slijtageslag draaglijker maken; tegenvallers zuigen nog meer energie weg. Zoals laatst bij Williams, dat voorlaatste is geworden in het constructeurskampioenschap. De donderdag na de race in São Paulo, begin november, werd er een vrachtwagenlading brokstukken bezorgd op het hoofdkwartier in het Britse Grove. Coureurs Alex Albon en Franco Colapinto waren zwaar gecrasht. Personeel dat pas net terug was uit Brazilië – waar ze al de hele nacht hadden doorgewerkt om schade van eerdere botsingen te herstellen – ging nu direct naar de fabriek om de auto’s te repareren. Na een week zwoegen lukte het om de klus op tijd te klaren voor het transport naar Las Vegas – waar Colapinto zijn auto prompt alwéér aan gruzelementen reed. In de pits staarden de monteurs glazig voor zich uit.

Zullen er in de toekomst nog meer races bijkomen? Dat valt voorlopig te betwijfelen. In het zogenoemde Concorde-akkoord, dat de commerciële afspraken vastlegt tussen alle bij de Formule 1 betrokken partijen, staat een maximum van 25 wedstrijden per seizoen. Maar Mohammed ben Sulayem, de president van autosportbond FIA, zei in oktober nog dat zijn organisatie een extra race niet aan zou kunnen. „Dan moeten we met twee [roulerende] teams gaan werken”, aldus Ben Sulayem. Ook Formule 1-directeur Stefano Domenicali heeft al eens verklaard dat de bovengrens wat hem betreft bij 24 ligt.

Volgend seizoen belooft voor de teams in ieder geval alvast minstens even zwaar te worden als dat van 2024. Er staan opnieuw 24 races gepland. Met drie triple headers, én inclusief de gehate overgang tussen Las Vegas en Qatar.

Uitgerekend de oudste coureur in de sport zit er niet zo mee. Gedoucht en in een frisse groene Aston Martin-polo meldt Fernando Alonso (43) zich bij de pers. Een uurtje eerder heeft hij zijn 21ste F1-seizoen voltooid. Natuurlijk, die laatste paar races waren „een beetje pijnlijk”, zegt hij met een glimlach tegen NRC. „Maar we zijn allemaal professionals. Het is geen probleem.”


Shorttracker Jens van ‘t Wout schreeuwt niet, maar wordt wel gehoord in de Nederlandse ploeg

Vier weken deed Jens van ‘t Wout dit voorjaar helemaal niks. Na een operatie aan zijn enkel, waarvan een band was afgescheurd tijdens een val in een wereldbekerwedstrijd in Seoel, lag de 23-jarige shorttracker elke dag uren met zijn been omhoog. „Ik mocht van mijn vader alleen naar de wc, verder werd alles voor me gedaan.”

Misschien een beetje overdreven, lacht Van ‘t Wout een half jaar later, maar het zorgde er wel voor dat hij „echt goed herstelde”. Zijn enkel, waarvan de banden opnieuw zijn vastgezet, voelt stabieler dan ooit, waardoor hij nog harder en beter denkt te kunnen schaatsen. „Ik ben nu sowieso beter dan tijdens het WK”, zegt hij. Daar won Van ‘t Wout afgelopen maart in een vol Ahoy zilver op de 1.000 meter.

Het huidige seizoen begon goed voor Van ‘t Wout. Tijdens de eerste wereldbekerwedstrijd in Montréal eind oktober won hij de 1.000 meter, en ook de gemengde aflossing wist hij, in gezelschap van Sjinkie Knegt en de zussen Xandra en Michelle Velzeboer, winnend af te sluiten. Lang ging het in die finale tussen Nederland en Zuid-Korea, tot Van ‘t Wout in de voorlaatste ronde voorbij zijn tegenstander glipte met de soepele inhaalmanoeuvre waar hij om bekendstaat.

Dit weekend komen de beste shorttrackers ter wereld weer in actie tijdens de wereldbekerwedstrijd in Beijing. Vanuit Nederland zullen alle ogen opnieuw gericht zijn op Van ‘t Wout. De hoge verwachtingen zijn gerechtvaardigd als je kijkt naar de resultaten van de laatste jaren: Van ‘t Wout rijdt de beste uitslagen en is de afmaker van de aflossingsteams bij de mannen en op het gemengde onderdeel. Maar is hij, nu uithangbord Sjinkie Knegt qua prestaties wat naar de achtergrond is verdwenen, ook de nieuwe kopman van de Nederlandse ploeg?

Rustig en beleefd

Zijn één jaar oudere broer Melle van ‘t Wout, ook shorttracker bij de nationale ploeg, moet even lachen bij het horen van die vraag. „Jens is niet echt iemand die de leiding neemt. Hij is niet de persoon die van de media of de spotlights houdt, doet liever zijn eigen ding.” Van ‘t Wout is rustig en beleefd, en doet buiten de schaatsbaan, waar hij het liefst elke dag op het ijs staat, weinig gekke dingen. Liever sleutelt hij met zijn vader in de achtertuin aan zijn motor.

Melle van ‘t Wout herinnert zich hoe hij vroeger thuis veel voor zijn broertje regelde. Als de twee op een bepaald tijdstip op de baan moesten zijn, zorgde hij ervoor dat ze niet te laat kwamen. Vaak moest hij Jens vragen of hij écht alles had ingepakt voor een buitenlandse wedstrijd of trainingskamp. „Nadat ik vorig jaar verhuisde en toen niet meer bij onze ouders woonde, moest hij wel verantwoordelijkheid nemen. Ik denk dat dat goed voor hem is geweest.”

Dave Versteeg, bij wie Jens van ‘t Wout tot 2022 trainde, zag die afhankelijkheid ook bij de jonge shorttracker. „Hij ging altijd achter Melle aan. Ik zei tegen hem: Jens, als jij wil leren winnen, moet je ook op kop kunnen rijden in de training. Toen Melle naar het nationale team overging en hij achterbleef bij de juniorenploeg, moest hij wel. Vanaf toen maakte Jens enorme stappen.”

Hij is, zeker voor een Nederlander, een hele beleefde jongen Stijn Desmet shorttracker

Stijn Desmet
shorttracker

Versteeg zag dat Van ‘t Wout al op jonge leeftijd bezig was met zijn teamgenootjes. „Als junior was Jens al bezig met anderen beter te maken. Dan reed hij achter iemand om te kunnen vertellen wat er beter kon. Niet iedereen kan dat. Ik geloof ook dat hij daar zelf beter van is geworden, door bezig te zijn met de techniek van anderen.”

De Belgische shorttracker Stijn Desmet (26) trainde jaren mee met de Nederlandse ploeg, tot daar vorig jaar een einde aan kwam. Hij zag Van ‘t Wout in die periode opkomen; de twee zijn vrienden. „Hij was in die jaren de nieuwe jongen. Maar op technisch vlak deelde hij tips en tricks.”

Nadat Van ‘t Wout in het spoor van zijn broer de overstap naar de senioren maakte, werd duidelijk dat hij het talent had om de wereldtop te halen. In 2022 won hij zijn eerste wereldbekerwedstrijd op de 1.500 meter. Er volgden onder meer Europese titels, zilver (1.000 meter) en brons (500 meter) op WK-toernooien en de wereldtitel op de gemengde aflossing in 2023.

Leidersrol

Langzamerhand moest Van ‘t Wout wel een leidersrol aannemen, zegt zijn broer Melle. „Hij is vaak de enige die A-finales haalt en medailles wint.” Onderling hebben de broers het soms over hun positie binnen de ploeg: „Als Jens zegt dat hij geen leider wil zijn, zeg ik hem dat het belangrijk is dat hij het leuker gaat vinden en serieuzer gaat nemen. Want hij heeft wel invloed op zaken binnen de ploeg.”

Het is ook iets waar bondscoach Niels Kerstholt met zijn beste schaatser over praat. „Ik heb tegen Jens gezegd dat ik het mooi vind als de schaatsers elkaar intern aanpakken.” In zijn tijd ging het er regelmatig stevig aan toe, zegt Kerstholt met een kleine lach. Toen hij zelf nog schaatste en met Knegt, Freek van der Wart en Daan Breeuwsma om de relaymedailles streed, waren de ploeggenoten niet bang om elkaar de waarheid te vertellen, al dan niet met stemverheffing en krachttermen.

De afgelopen jaren was die cultuur verdwenen, constateert Kerstholt, maar nu ziet hij langzaam weer iets ontstaan dat hem aan die tijd herinnert. „Misschien had het ermee te maken dat er een oude en nieuwe generatie samen in de groep zaten. Zoiets moet in elkaar groeien.” De bondscoach is blij met die ontwikkeling. „Door elkaar aan te spreken til je de groep naar een hoger niveau.”

Van ‘t Wout geeft daar zijn eigen invulling aan, vertelt hij. „De generatie van Sjinkie kon heel erg schreeuwen, daar ben ik niet zo van. Als afmaker bij de relay kan ik de wedstrijd goed overzien, en wat ik zie, probeer ik naar mijn teamgenoten te communiceren. Maar ik ga niet schelden ofzo.”

De bondscoach zou graag zien dat Van ‘t Wout nog vaker zijn mond opentrekt. Tegelijkertijd moet dat wel in je natuur zitten, realiseert Kerstholt zich. „Het zit niet echt in Jens’ karakter om die leidersrol op te pakken. Jens is nu vooral bezig om zichzelf verder te ontwikkelen, daar hebben we als team ook veel aan.”

De afmaker

Van ‘t Wout is nog jong. Zelf voelt zijn rol als afmaker van de aflossingsploeg – de „finisher” noemt hij het – onwennig. „Er wordt vaak naar mij gekeken als het niet goed gaat, maar het is voor mij ook nieuw.” Meer ervaren schaatsers als Knegt en Itzhak de Laat, die ook in de aflossingsploeg zitten, helpen hem daarbij. „Zij hebben de rol van afmaker ook vervuld, dus met hen heb ik het er vaak over.” Wat bij hem nog moet groeien, geeft Van ‘t Wout toe, is het vertrouwen dat zijn ploeggenoten hem op een goede positie kunnen afzetten. „Nu probeer ik het vaak zelf op te lossen, terwijl ik energie moet sparen voor het eind van de wedstrijd.”

Van ‘t Wout zal niet zo snel, zoals Knegt soms pleegt te doen met boude uitspraken, zijn kont tegen de krib gooien als iets hem niet zint, zegt Desmet. „Hij is, zeker voor een Nederlander, een hele beleefde jongen.” Broer Melle: „Jens zoekt het conflict niet op. En als er al iets is, dan bespreekt hij het liever één op één met je dan voor een hele groep.”

Misschien hoeft Van ‘t Wout de leidersrol ook niet op zich te nemen, zegt Dave Versteeg. Hij herinnert zich hoe in de tijd dat Knegt de beste shorttracker van Nederland was, het Daan Breeuwsma was die de leidersrol tijdens trainingen en bij de aflossingsploeg op zich nam. „Je hoeft niet altijd de snelste of beste schaatser te zijn om een aanvoerder te zijn.”

Het afgelopen jaar stond Melle van ‘t Wout door een knieblessure nauwelijks met zijn broertje op de baan. Twee weken terug was het eindelijk weer zover. En toen zag hij hoe Jens tijdens de trainingen niet zozeer vocaal, maar met zijn fanatisme de ploeg op sleeptouw nam. „Omdat hij zo hard rijdt, kijkt de rest wel naar hem. Hij is op het ijs zo serieus en erg gemotiveerd.”

Zijn enkelblessure heeft veel invloed op hem gehad, zegt Jens van ‘t Wout. Nog altijd doet hij dagelijks oefeningen om zijn enkel sterker te maken en probeert hij de extra spiermassa die hij tijdens zijn revalidatie gekweekt heeft te behouden. „Ik ben nog nooit zo serieus met iets bezig geweest.” Dit najaar reed hij in voorbereiding een ronderecord in Thialf.

Zijn broer Melle en bondscoach Kerstholt zien dat Van ‘t Wout zo op zijn eigen manier impact heeft op de groep. „Dat hij zo goed is, straalt op de jongens af”, zegt zijn broer. Kerstholt, die er zijn missie van heeft gemaakt om met de mannenaflossingsploeg een olympische medaille te halen, ziet de komende jaren voor Van ‘t Wout een hoofdrol weggelegd. „Hij doet het niet vaak, maar als Jens praat, dan wordt er wel geluisterd.”


In de schaduw van Messi ontwikkelt de Major League Soccer hard. ‘Steeds meer talenten komen hier’

Lionel Messi loopt in de nacht van 10 november teleurgesteld van het veld van het Chase Stadium in Fort Lauderdale, Florida. De 37-jarige Argentijnse superster wordt die avond met Inter Miami uitgeschakeld in de play-offs om het kampioenschap van de Verenigde Staten. Het lager ingeschatte Atlanta United blijkt over drie wedstrijden nipt te sterk. De ruim 20.000 fans die vooral voor hem zijn gekomen, druipen af. Messi stapt de volgende dag met zijn gezin op het vliegtuig naar Argentinië.

Met de aftocht van Messi wenden ook de meeste ogen zich wereldwijd af van de Amerikaanse voetbalcompetitie. Dat New York Red Bulls en LA Galaxy deze zaterdag in de finale om de landstitel tegenover elkaar staan in Californië, zal het grootste deel van het internationale voetbalpubliek ontgaan. Maar in de schaduw van Messi ontwikkelt de Major League Soccer zich tot een competitie die onder meer de Nederlandse Eredvisie structureel voorbij wil gaan.

Het heeft lang geduurd voordat voetbal voet aan de grond kreeg in de VS. Na mislukte pogingen in de jaren zestig, zeventig en tachtig, werd in 1993 de huidige Major League Soccer (MLS) opgericht. De opzet is anders dan die van Europese voetbalcompetities zoals de Eredivisie. In de MLS zijn alle clubs eigendom van de competitie. Rijke investeerders kunnen zich inkopen in de competitie en de leiding krijgen over een club als franchise. Er wordt in een gesloten competitie gespeeld, zonder promotie of degradatie, om de investeringen te beschermen. Een potentiële degradatie vermindert namelijk de waarde van een club en dat willen de miljardairs die een clubfranchise kopen niet hebben.

Daarnaast is er een salary cap voor spelers ingevoerd om de clubs zo gelijkwaardig mogelijk te maken. Om ondanks dit salarisplafond ook grote, voornamelijk buitenlandse sterren te kunnen aantrekken, voerde de MLS in 2007 een speciale regel in. David Beckham werd dat jaar door LA Galaxy van Real Madrid overgenomen. De MLS voerde de zogenaamde designated player rule in zodat LA Galaxy de Britse superster kon betalen.

Clubs mochten vanaf dat moment een speler onder contract hebben staan die buiten het salarisplafond viel. De meestal steenrijke investeerder van een club mag die speler zoveel betalen als zij of hij wil. Later werd die regel uitgebreid. Op dit moment mag elke MLS-club drie designated players onder contract hebben. Via deze regel trokken MLS-clubs de afgelopen decennia sterren aan als Thierry Henry, Zlatan Ibrahimovic en Messi.

Meer toeschouwers

In de eerste jaren van de MLS werden er miljoenenverliezen geleden en hielden meerdere clubs ermee op. Maar het afgelopen decennium heeft voetbal stukje bij beetje aan populariteit gewonnen in de VS. Aanvankelijk speelden veel MLS-clubs nog in American Football- of honkbalstadions, wat de beleving niet ten goede kwam.

Zo speelt New York City FC vandaag de dag bijvoorbeeld nog steeds in het honkbalstadion van de New York Yankees. Zo’n stadion heeft een heel andere vorm dan een voetbalstadion, waardoor een deel van het publiek ver van het veld zit. Maar de afgelopen jaren bouwden steeds meer clubs een voetbalstadion en stijgen de toeschouwersaantallen.

Dat laatste komt ook doordat de MLS-clubs hun marketing meer zijn gaan richten op het Latijns-Amerikaanse deel van de Amerikaanse bevolking. Voorheen werd voetbal in de VS gezien als een elitaire witte sport. Met name nieuwe clubs als Los Angeles FC richten zich nu juist op de latino’s. In 2011 bezochten 5,5 miljoen mensen een MLS-wedstrijd, in 2023 waren dat er bijna twee keer zoveel met 10,9 miljoen. Dat deze groei niet alleen afhankelijk is van sterren als Messi, blijkt uit de populariteit van clubs als Charlotte FC en Atlanta United, die afgelopen seizoen niet zo’n grootheid onder contract hadden. Toch waren zij het populairst in de VS met gemiddeld respectievelijk 35.544 en 47.526 bezoekers, hogere gemiddelden dan bijvoorbeeld PSV (34.217) afgelopen seizoen.

De MLS verkoopt steeds meer licenties voor clubs aan nieuwe investeerders. Het aantal clubs in de competitie is sinds 2014 gestegen van 20 naar 29. Volgend jaar komt daar met San Diego FC de dertigste bij, PSV’er Hirving Lozano heeft bij deze club getekend.

De groeiende populariteit van voetbal in de VS leidt ertoe dat de waardebepaling van MLS-clubs flink stijgt. Volgens Sportico, een nieuwssite gericht op de zakelijke kant van de sportwereld, zijn 20 van de 50 meest waardevolle voetbalclubs ter wereld inmiddels MLS-clubs. Los Angeles FC wordt van de MLS-clubs het hoogst ingeschat met omgerekend ruim een miljard euro.

Een groot deel van de inkomsten (gemiddeld ruim 66 miljoen per club) komt uit een nieuwe mediadeal. In 2022 tekende de MLS een tienjarig contract met Apple TV ter waarde van 2,3 miljard euro, waarmee de competitie gegarandeerd een bedrag van 230 miljoen euro per jaar ontvangt.

Talent opleiden

Om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse sterren, is de MLS zich afgelopen jaren gaan richten op het opleiden en doorverkopen van jonge spelers. Een voorbeeld is FC Dallas, een Texaanse club die zich concentreert op de ontwikkeling van eigen jeugd. Spits Ricardo Pepi van PSV komt uit de jeugdopleiding van deze club.

FC Dallas verkocht hem in 2022 voor ruim 16 miljoen euro aan FC Augsburg in de Bundesliga, waarna hij via een verhuur aan FC Groningen terechtkwam bij PSV. Amerikaanse internationals als Tanner Tessmann (Olympique Lyon) en Weston McKennie (Juventus) komen uit dezelfde opleiding als Pepi. Andere sterspelers uit het nationale elftal van de VS, zoals Christian Pulisic (AC Milan), vertrokken ook op jonge leeftijd naar Europa.

Spelers van Vancouver Whitecaps vieren een doelpunt tegen Los Angeles FC, begin november in de eerste ronde van de play-offs van de MLS.
Foto Darryl Dyck / AP

Naast het opleiden van Amerikaanse spelers zet de MLS tegenwoordig in op het aantrekken en doorverkopen van met name Zuid-Amerikaanse talenten. De competitie heeft in 2021 een regel ingevoerd waardoor clubs meer geld uit kunnen geven aan spelers onder de 23 jaar. Zo werden de afgelopen jaren talenten als Brenner (Brazilië), Esequiel Barco (Argentinië) en Thiago Almada (Argentinë) voor transfersommen van boven de tien miljoen gekocht door MLS-clubs.

„Steeds meer jonge spelers komen hier voordat ze naar een grotere competitie in Europa gaan”, vertelt Thomas Schaling-De Herder. Hij werkte voorheen als scout voor AZ en PSV. Sinds 2020 is hij directeur van de scouting van Charlotte FC (woensdag werd bekend dat hij terugkeert bij PSV). „Dit is een onwijs interessante competitie voor talenten uit Zuid-Amerika om zich door te ontwikkelen. Het is een goede plek om Engels te leren en qua niveau is het beter dan de meeste competities in Zuid-Amerika.”

Clubs uit de VS pikken steeds vaker smaakmakers weg uit Europa. Zo was de club van Schaling afgelopen zomer dicht bij het aantrekken van Feyenoorder Calvin Stengs, een van de betere spelers uit de Eredivisie. Door twijfel over de knie van Stengs, ging de transfer van de 25-jarige aanvaller op het laatste moment niet door. MLS-club FC Cincinnati zorgde onlangs voor verbazing door aanvaller Kévin Denkey (23), gezien als een toptalent, voor ruim 15 miljoen euro te kopen van Cercle Brugge. Nooit eerder gaf een Amerikaanse voetbalclub zo’n hoge transfersom uit aan een speler.

Door de toenemende financiële mogelijkheden kunnen Amerikaanse clubs spelers steeds beter betalen. Toch denkt Schaling dat het niveau op dit moment niet hoger is dan de Eredivisie. De manier van spelen is er ook anders dan in Nederland. „In MLS wordt er veel fysieker en vanuit de transitie gespeeld, terwijl de gemiddelde ploeg in de Eredivisie zich meer richt op het spel in balbezit.”

Zo wordt de Amerikaanse voetbalcompetitie langzaam volwassen. Qua niveau en financiële slagkracht, hoopt de MLS binnen vijf jaar net onder de topvijf van Europa te zitten. Schaling: „Ik denk dat het wat langer zal duren, maar ik zou niet weten waarom het uiteindelijk niet kan.”


Manchester City-directeur Roel de Vries: ‘We bouwen aan een groot entertainmentbedrijf, met voetbal als belangrijkste product’

Roel de Vries kijkt vanuit de boardroom van Manchester City over de sportcampus in het oosten van de voormalige industriestad. Hijskranen steken uit boven het Etihad Stadium, de werkzaamheden voor een uitbreiding met 7.000 zitplaatsen zijn in volle gang. „Een geweldig project”, noemt de operationeel directeur van het mondiale voetbalconcern City Football Group de verbouwing die moet leiden tot een capaciteit van ruim 60.000 stoeltjes. „Afgezet tegen de topzes van Europese clubs is het stadion heel klein”, zegt hij.

Het plan is onderdeel van een bredere gebiedsontwikkeling die De Vries managet vanuit Manchester City. In het voorjaar is pal naast het stadion een concertzaal geopend voor 23.000 bezoekers, een project waar de club in participeert. Ook zichtbaar zijn de contouren van een nieuw hotel met 400 kamers dat aan het voetbalstadion grenst en geëxploiteerd zal worden door de club. In het stadion zelf komen behalve extra stoeltjes een skybar, een museum en een nieuwe fanshop. „Waar we mee bezig zijn”, zegt De Vries, „is het bouwen van een entertainmentdistrict.”

Hoewel hij een leidende positie heeft bij een van de succesvolste clubs ter wereld is Roel de Vries (56) een onbekende naam in het Europese en Nederlandse voetbal. Group Chief Operating Officer is zijn titel bij de City Football Group (CFG) dat via een investeringsvehikel voor ruim 80 procent in handen is van sjeik Mansour bin Zayed Al Nahyan, vicepremier van de Verenigde Arabische Emiraten. De Vries gaat over de bedrijfsvoering van de twaalf aangesloten clubs, verdeeld over vijf continenten.

Hij is de rechterhand van City-topman Ferran Soriano. De dagelijkse operationele leiding over zaken als faciliteiten en marketing van CFG-vlaggenschip Manchester City ligt bij De Vries. „Wat ik niet doe, en dat is ook wel verstandig, is het voetbaltechnische gedeelte”, zegt hij in een interview op het hoofdkwartier in Manchester. „Ten opzichte van Pep [Manchester City-coach Guardiola] ben ik natuurlijk gewoon de spreadsheet-jongen. Ik weet niks van voetbal.”

Gevormd in de banketbakkerij

Zijn Nederlands is doorspekt met Engels door zijn jaren in de internationale zakenwereld. Hij groeide op in Maastricht, waar zijn ouders een banketbakkerij hadden, Patisserie De Vries. In zijn jeugd hielp hij veel in het bedrijf – schoonmaken, gebakjes bereiden. „Je wordt onderbewust gevormd doordat je altijd bezig bent met de zaak. Hoe is de omzet? Welke investeringen zijn nodig?”

Mede door die ervaringen leek productiemanager hem wel wat. Hij studeerde technische bedrijfskunde aan de Hogeschool Eindhoven en bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. En deed stageprojecten in de productiesector zoals bij margarinefabriek Van den Bergh & Jurgens in Rotterdam. Als onderdeel van zijn master bedrijfskunde belandde hij 1994 bij de Japanse autofabrikant Nissan in Amsterdam.

„Fascinerend” noemt De Vries het productieproces van een auto, waar hij de zakelijke kant als mooi maar ook als hard heeft ervaren. „Lage marge industrie, redelijk cut-throat.” Hij werkte op filialen in Johannesburg en Parijs, groeide door tot directeur marketing wereldwijd en sloot in die rol onder meer een sponsordeal met de Champions League. Elf jaar zat hij op het hoofdkantoor in Tokio, waar hij leerde van de procesmatige Japanse bedrijfscultuur. „De Kaizen-methode, continu proberen beter zijn dan de dag ervoor.” Hij bleef 26 jaar bij Nissan.

De Vries wilde al terug naar Europa, toen hij in 2020 een telefoontje kreeg van een headhunter. De City Football Group zocht iemand die leiding kon geven aan hun internationale netwerk van clubs. Dat het iets compleet anders was, sprak hem aan. Al ziet hij inmiddels ook overeenkomsten. „Voetbal is een beetje als auto’s, er is veel emotionele waarde en hechting, al is dat bij voetbalclubs natuurlijk veel groter.”

De Vries is verantwoordelijk voor de twaalf clubs waarvan de City Football Group (deels) eigenaar is.
Foto Joel Goodman

Het hielp dat hij ceo Soriano al kende. De Catalaanse zakenman, voormalig algemeen directeur van FC Barcelona, is de grondlegger van het CFG-model met clubs als franchises: van Manchester City en New York City tot Mumbai City en Lommel. Het idee is dat clubs samenwerken bij het ontwikkelen van talent en kennis delen op gebied van tactiek, scouting en data. Uitgangspunt is dat alle ploegen aanvallend en verzorgd positiespel spelen, naar de filosofie van Manchester City-coach Guardiola. Het businessmodel drijft met name op spelersverkoop en commercie.

Soriano ontmoette hij al in 2014. CFG, een jaar eerder opgericht, bouwde het portfolio destijds op met New York City en Melbourne City. Het concern was ook geïnteresseerd in de Japanse club Yokohama F. Marinos, waarvan Nissan eigenaar was. Soriano en De Vries sloten een deal: City Football Group nam een belang van 20 procent in Yokohama en ging de club op voetbaltechnisch helpen, Nissan werd de autosponsor van het concern. „Dat is zeer succesvol geweest”, zegt De Vries. Vijf jaar later werd Yokohama voor het eerst in lange tijd weer landskampioen.

Onomstreden is het concept van multi-club ownership niet. De kritiek is dat partijen als CFG en Red Bull, dat in het voetbal met een vergelijkbaar model werkt, te machtig zijn geworden en de markt verstoren: door hun sterke lokale positie, wordt het voor andere clubs steeds moeilijker om talenten vast te leggen. En clubs verliezen een deel van hun identiteit na een overname, klinkt het vaak onder supporters.

Onderhandelen in Nederland

De Vries merkte dicht bij huis hoe gevoelig de komst van de City Football Group kan liggen. Twee keer onderhandelde hij met een Nederlandse club: in 2021 met ADO Den Haag en in 2022 met NAC Breda. Het concern wilde graag een club in Nederland, dat een goede naam heeft op het gebied van talentontwikkeling. ADO Den Haag vonden ze interessant, maar die club had haast en kwam in Amerikaanse handen.

NAC, waar CFG eerder al nauw mee samenwerkte, lukte om andere redenen niet. Een overname van naar verluidt 7 miljoen euro was nabij, CFG was klaar om erin te stappen. De Vries, die van City nu niet over NAC mag praten, was vaak in Breda. Hij probeerde de sceptische achterban duidelijk te maken dat ze zouden gaan investeren in faciliteiten en de jeugdopleiding.

Verschillende supportersgroepen dachten daar anders over, die vreesden dat NAC zijn „ziel verkocht”. In een gezamenlijke brief schreven zij: „We willen geen handelshuis worden voor een sjeik en zijn City Group.” De overname ging uiteindelijk niet door omdat Stichting NOAD, die het prioriteitsaandeel heeft, de deal tegenhield.

De Vries wil het beeld wegnemen dat ze de cultuur en identiteit van een club niet respecteren. „Onze filosofie is dat we goede voetbalclubs willen bouwen, in de stad, voor de stad. De clubs die wij hebben, zijn nog steeds de clubs die ze waren. Wij gaan niet vanuit Manchester dicteren wat clubs moeten doen. We hebben nog nooit een verandering van clubnaam of clublogo doorgevoerd zonder dat supporters en het bestuur erachter stonden.”

Dat neemt niet weg dat er bij fans soms onvrede is. Want tegenover de sportieve succesverhalen van Manchester City (vier keer op rij de Premier League gewonnen) en Girona (plaatsing voor de Champions League) staat de stroeve ontwikkeling bij clubs als Lommel (vijfde op het tweede niveau in België) en Troyes (vijftiende op het tweede niveau in Frankrijk). Bij die laatste club saboteerden fans in mei een wedstrijd toen voor het tweede jaar op rij degradatie dreigde – ze gooiden vuurwerk op het veld.

De Vries erkent dat het „heel moeilijk” gaat bij Troyes – waar het bij Lommel na een moeizaam begin nu „beter” draait. Hij wijst erop dat ze bij beide clubs instapten middenin in de coronacrisis. „Het waren clubs in zwaar weer.” Hij kijkt naar het potentieel van de investering op de lange termijn, zeker tien jaar. „Je moet die clubs opbouwen. Soms gaat dat heel snel en goed, soms minder. Girona degradeerde vijf jaar geleden nog, toen was de discussie daar ook anders.”

Het concern loopt soms tegen de grenzen van de regels van de Europese voetbalbond UEFA aan. Een belangenconflict dreigde voor dit seizoen doordat zowel Manchester City als Girona – waar CFG een belang van 47 procent in heeft – zich plaatsten voor de Champions League. UEFA-regels verbieden dat clubs met dezelfde eigenaar in dezelfde competitie uitkomen. Er is een cosmetische oplossing gevonden door de aandelen in de Spaanse club gedurende dit seizoen onder te brengen in een onafhankelijke stichting. Hierdoor heeft niemand „controle of definitieve invloed over meer dan één club”, schreef de UEFA begin juli. Dezelfde regeling werd getroffen met het Britse chemieconcern Ineos, mede-eigenaar van Europa League-deelnemers Manchester United en Nice.

Benchmark is Real Madrid

Op dit moment ligt Manchester City, dinsdagavond tegenstander van Feyenoord in de Champions League, onder een vergrootglas. En niet vanwege de huidige slechte resultaten, met vijf nederlagen op rij. Na een jarenlang onderzoek beschuldigt de Premier League, de organisatie achter de competitie, de club ervan tussen 2009 en 2023 in 115 gevallen de (financiële) competitieregels te hebben geschonden. Een onafhankelijke commissie van drie rechters buigt zich nu over de zaak – de uitspraak wordt in januari verwacht. De Vries mag er gedurende de procedure niks over zeggen.

Wel is duidelijk dat City, in afwachting van de uitspraak, verder bouwt aan de toekomst. De benchmark is Real Madrid, FC Barcelona, Bayern München, Liverpool FC. Uit cijfers van de Deloitte Football Money League over 2023 blijkt dat City (omzet: 826 miljoen euro) ten opzichte van de concurrenten aanzienlijk minder haalt uit inkomsten uit wedstrijddagen, zoals recettes, hospitality, horeca: 83 miljoen, waar de rest boven de 100 miljoen zit, FC Barcelona met 166 miljoen zelfs het dubbele.

Real Madrid heeft zijn stadion net ingrijpend verbouwd met onder meer een uitschuifbaar dak, ook FC Barcelona moderniseert Camp Nou. „Alles wat je in je stadion doet, of wat je aan je stadion vast bouwt, dat telt als omzet van de club”, zegt De Vries. „Dus als wij bij willen blijven in de top, moeten we daar echt in investeren.” Daarom is hij zo druk met de ontwikkelingen van het Etihad Stadium.

Andere groei zit – naast vrouwenvoetbal – voornamelijk in ‘content’, zegt De Vries. „Onze omzet komt in principe uit entertainment: mensen die kaartjes kopen, video’s kijken, abonnementen afsluiten. Waarom sponsoren mensen een voetbalclub? Omdat onze content, met hun branding erop, heel veel mensen bereikt. En dat groeit nog steeds enorm.”

Om die reden hebben ze bij het trainingscomplex een in-house studio, waar ze video’s, reclames en documentaires kunnen opnemen. Alleen al voor Manchester City werken zo’n honderd mensen aan dagelijkse clubcontent: producers, creatives, social media redacteuren. „Die zijn continu bezig met engagement van supporters”, zegt De Vries. „We bouwen aan een groot entertainmentbedrijf, met voetbal als het belangrijkste product.”


Haantjescultuur bij NOS Sport heeft een decennialange historie

Toen Studio Sport nog Sport in Beeld heette was de chef een heer van stand. Bob Spaak, een rijzige man in een grijs pak, leidde in de jaren zestig en zeventig een kleine redactie die de sporters aanvankelijk niet achterna reisde maar in de studio met hen keuvelde. Korrelige zwartwit-beelden waarin de interviewer in kostuum de sporter in trainingspak onder een wolk van sigaren- of sigarettenrook onschuldige vragen stelde.

De Zomerspelen van Mexico in 1968 waren ook voor Spaak, leermeester en groot voorbeeld van Mart Smeets, een nieuw avontuur. Hij interviewde op locatie gouden medaillewinnares Ada Kok en vroeg de zwemster naar haar escapades in het Mexicaanse nachtleven. Het klonk onschuldig, Spaaks flirterige ondervraging, maar ook toen al was Hilversum „een reservaat met eigen zeden en gewoonten”, schrijft Menno de Galan in zijn boek De Apenrots: Hoe het misging bij NOS Sport.

De Galan, pas gepensioneerd als journalist van Nieuwsuur en in de sportwereld bekend als schrijver van boeken over Ajax, spitte het rijke archief van Sport in Beeld door en sprak tientallen betrokkenen. Hij maakt in zijn boek overtuigend duidelijk dat pesterijen, seksisme en grensoverschrijdend gedrag – zoals in maart 2023 naar buiten kwam in een artikel in de Volkskrant – een voedingsbodem hadden in de beginjaren van Sport in Beeld.

Grote tieten

Tekenend is ook de wijze waarop Marga van Arnhem als eerste vrouw begin jaren zeventig werd bejegend door haar mannelijke collega’s. Kees Jansma, de laatste drie decennia van de vorige eeuw met tussenpozen afwisselend commentator en leidinggevende, blikte in een boek uit 2016 terug op hun kennismaking. „Ik kijk naar een vrouw, die iets van tennis weet, die grote tieten heeft, rookt en geheel op zichzelf door de omroep banjert.” Over de sfeer op de redactie schreef Jansma: „Het zijn allemaal kleine ikkies. Van teamgeest is geen sprake. Pure egotripperij.”

Ad van Liempt was van 1986 tot 1988 hoofdredacteur van Studio Sport. Hij trof „echt een raar stel” aan. „Vergaderingen waren een wedstrijdje sportkennis. Een aantal Amsterdamse vechtersbaasjes had het voor het zeggen. Het idee van de apenrots, met top-apen en volgelingen. Er waren dagelijks veldslagen.”

De Galan citeert Smeets uit diens boek in 1998 over „de hijgerige heertjes” op de redactie die na het werk ontspanden bij bier, sigaretten en „vrij ingewikkelde liefdesstanden” op de beeldschermen. „Twee weken geleden stond Bettine Vriesekoop nog wat na te praten terwijl achter haar vol overgave gepijpt, geneukt, gelikt, gestampt, gerukt en gebeft werd. Ik weet niet of ze het doorhad, maar we bleven zo staan dat zij met haar rug naar de monitoren stond en hoopten dat die vrije oefeningen snel voorbij zouden zijn.”

Presentatrice Griselda Visser, die volgens de mannen op de redactie was aangenomen omdat ze „het neukertje van hun chef was”, werd beginjaren negentig vergeleken met een raamprostituee: „Als er straks mannen voorbijkomen, hoeveel vraag je dan?”

Jansma en Smeets waren met Jack van Gelder en Tom Egbers de verpersoonlijking van de machocultuur. Dat veel mannelijke collega’s vrouwonvriendelijke taal uitsloegen of erger, werd hen door alle chefs vergeven, althans in het openbaar. Volgens de voorlaatste hoofdredacteur, Maarten Nooter, sprak hij hen er achter gesloten deuren wél op aan. Maar hij geeft toe: „We hebben vaker eerst en vooral naar de inhoud en de voortgang van programma’s gekeken en te weinig naar de mensen.”

Naar aanleiding van het Volkskrant-artikel kwam er een onderzoeksrapport van de commissie-Van Rijn met de veelzeggende titel ‘Niets gezien, niets gehoord, niets gedaan’. In het rapport vallen de woorden ‘vriendjespolitiek’, ‘familiecultuur’ en ‘maffiacultuur’. De zeventigers Smeets, Jansma en Van Gelder waren net op tijd vertrokken, voordat het artikel in de Volkskrant de wantoestanden bij NOS Sport aan de kaak stelde.

Zestiger Egbers wordt door diverse bronnen ‘geil’ genoemd. Hij had een buitenechtelijke affaire met een vrouwelijke stagiair die hij nadien zou hebben geïntimideerd en belandde na publicatie hierover op een zijspoor. Overigens wilden de genoemde ‘mastodonten’ ondanks herhaaldelijk verzoek niet praten met de auteur.

Afgefakkeld

Over de hoofdpersoon in het onthullende Volkskrant-artikel, de jonge presentatrice Aïcha Marghadi die zich vernederd voelde door met name Smeets en Van Gelder, vertellen de meeste ondervraagden dat ze haar verhaal geloven. Maar ook dat ze de noodzakelijke sportkennis miste. Klankbord en oude rot Joop Vernooy: „Het was een leuke meid, echt een Amsterdamse. Ze had een zekere flair, dacht dat ze veel wist. Die branie kon worden uitgelegd als sterallures. Daarmee maakte zij zich kwetsbaar. Als je dan een foutje maakt, word je meteen afgefakkeld.”

Er kwam begin 2023 na het vertrek van Nooter een nieuwe hoofdredacteur, Gert-Jaap Hoekman, die schoon schip moest maken. „Liever een leuke sfeer op een bijveldje dan geen leuke sfeer in de Champions League”, zei hij in een interview. Na die uitspraak werd hij door een deel van de redactie niet meer serieus genomen. De Galans retorische vraag ‘haalt Hoekman de Kerst?’ werd beantwoord vlak nadat het boek bij de drukker lag. Hij is eerder deze maand na een dienstverband van nauwelijks een jaar vertrokken.

De Galan verdient lof, maar met een apart hoofdstuk over Smeets gaat hij zijn boek te buiten. Diens ‘acceptatie’ van dopegebruik en adoratie van dopingzondaar Lance Armstrong worden uitvoerig beschreven en belachelijk gemaakt. Het lijkt op een persoonlijke afrekening. Smeets was lang niet de enige wielerjournalist die de Amerikaan op handen droeg. Alleen daarover zou je al een boek kunnen schrijven.


Het vak van technisch directeur is zo complex geworden dat een opleiding niet kon uitblijven

Teun Jacobs leerde het door „schade en schande”. Nog maar 35 was hij, toen Almere City FC hem in het najaar van 2019 vroeg als eindverantwoordelijke voor het sportieve beleid. Jong misschien, maar met bijna een half leven aan ervaring. Als achttienjarige was Jacobs al jeugdtrainer bij NEC, daarna hoofd jeugdopleidingen en vervolgens jarenlang beleidsmaker bij voetbalbond KNVB.

Voor het vak van technisch directeur of manager bestond geen opleiding, Jacobs moest zelf zijn weg zien te vinden. Dat maakte de positie dikwijls „best eenzaam”, vond hij. Bijvoorbeeld wanneer hij een besluit moest nemen, maar zijn twijfels of afwegingen niet met de trainer of algemeen directeur kon delen.

Deze herfstochtend staat Jacobs in een klein klaslokaal in Zeist, op de campus van de KNVB. Hij is er als gastdocent, om te vertellen over de ervaringen die hij de afgelopen jaren opdeed – eerst drie jaar lang bij Almere City, toen nog eerstedivisionist, en later als technisch directeur bij het pas gedegradeerde Willem II, waar hij al na een jaar vertrok omdat fans hem medeverantwoordelijk hielden voor de tegenvallende prestaties.

Tegenover hem zitten twaalf mannen en vrouwen die op het punt zijn waar Jacobs vijf jaar geleden stond. Sommigen zijn net technisch directeur geworden, anderen zitten dicht tegen die rol aan. Het zijn de deelnemers aan een voorbereidingstraject waar Jacobs destijds graag zelf aan had meegedaan: het „ontwikkelprogramma” voor technisch directeuren dat de KNVB sinds een jaar aanbiedt.

Onderwerp van deze tweede lesdag is het leren omgaan met de cultuur in sportorganisaties. „Wat is, volgens jullie, de cultuur bij Ajax?”, vraagt Jacobs als voorbeeld. Hij kijkt rond. „Wij zijn de beste”, klinkt het aarzelend. „Aanvallend, aantrekkelijk voetbal”, oppert iemand. Dan klinkt het antwoord dat Jacobs wilde horen: „Vertrouwen op eigen jeugd.”

Precies daar ging het mis tussen de Amsterdamse club en Sven Mislintat, analyseert hij. De Duitse directeur voetbalzaken moest vorig najaar al na een paar maanden weer vertrekken bij Ajax. „Hoeveel jeugdspelers heeft hij naar eerste elftal gehaald? Weinig. Maar hij nam wel elf buitenlandse spelers mee. Dat botst.”

Wat Jacobs daarmee wil zeggen, is dat een goede visie of mooie plannen alleen onvoldoende zijn. „Je moet je ook afvragen: wat is cultuur bij club en past die bij mij als persoon?”

Meer taken, meer druk

Toen Lennard van Ruiven in het voorjaar van 2022 aantrad als directeur Voetbalontwikkeling bij de KNVB had hij een flinke lijst met plannen, vertelt hij eerder die ochtend. Het lesprogramma voor technisch directeurs stond met stip bovenaan. De voetbalbond ziet zichzelf als een belangrijke opleidingsorganisatie: van toptrainers tot vrijwilligers bij amateurclubs, iedereen kan bij de KNVB terecht.

Maar waar trainers jaren aan opleiding moeten doorlopen om bij de profs te mogen werken, kan iederéén in principe zomaar technisch directeur worden, zegt Van Ruiven. Terwijl de invloed van een technische man of vrouw op een club misschien nog wel groter is. „Als je betaald voetbal naar een hoger niveau wil tillen, moet je dus die functie proberen te professionaliseren”, meent hij.

De rol van technisch directeur „vraagt nogal wat van een persoon”, ziet Van Ruiven. Het is een functie die de laatste jaren snel complexer is geworden, met meer taken, grotere belangen, meer druk. Een technisch directeur gaat over het aanstellen en ontslaan van de trainer, het samenstellen van de staf. Hij of zij is verantwoordelijk voor het aankopen en verkopen van spelers, de ontwikkeling van talenten. Voor de hele sportieve strategie, kortom.

Dat vak is zo omvangrijk dat veel clubs de verantwoordelijkheden al verdelen over meerdere functies. Zo hebben onder meer FC Utrecht, Heracles, Sparta en PSV naast een technisch directeur ook een technisch manager. Bij Feyenoord is algemeen directeur Dennis te Kloese technisch eindverantwoordelijk, maar heeft hij die taken goeddeels uitbesteed aan een driekoppig technisch management-team.

Het maakt dat de behoefte aan goede technische mensen alleen maar toeneemt, verwacht de KNVB-directeur. Het ontwikkeltraject, in samenspraak met de belangenbehartigers voor proftrainers (CBV) en clubs in Eredivisie (ECV) en Eerste Divisie (CED), moet in die vraag voorzien. Voorlopig is het vrijwillig, geen voorwaarde om technisch directeur te kunnen worden.

‘Je leert mensen kennen met wie je kunt sparren.’ Foto Simon Lenskens
Foto Simon Lenskens
Veel deelnemers aan de TD-cursus zijn afkomstig uit de scouting, de jeugdopleiding of de voetbalmakelaardij. Foto Simon Lenskens
Foto Simon Lenskens

Wouter Kuperus was als onafhankelijk adviseur bij het programma betrokken. „We zijn begonnen met een functieprofiel, om de taken en verantwoordelijkheden in kaart te brengen”, legt hij uit. Dat leidde tot vier rollen die een moderne ‘TD’ moet vervullen. Die van strateeg, die de voetbalvisie moet uitdenken. Die van architect, die aan de bijbehorende organisatie bouwt. Die van vormgever, die een gebalanceerde selectie samenstelt. En die van dealmaker, die handelt op de transfermarkt

Daaraan is nog een vijfde, overkoepelende rol toegevoegd, aldus Kuperus: die van professional, die zich moet zien staande te houden in de grillige voetbalwereld. Want de functie van technisch directeur is gebaat bij stabiliteit, langetermijnvisie. Maar een slechte reeks op het veld of enkele tegenvallende transfers en het gaat tegenwoordig óók over het functioneren van de TD. Wie het vak in wil, moet leren hoe hij met die druk vanuit fans en media omgaat.

Die vijf rollen vormen de basis voor het lesprogramma, in eerste instantie op twee niveaus: voor gevorderden, met hooguit twee jaar ervaring, en voor directeuren die al lang in het vak zitten. Sinds deze zomer, de tweede lichting, is er ook een beginnersgroep, zegt Kuperus. „Daarvoor kregen we héél veel aanmeldingen, misschien wel honderd. Soms ook van derdejaars studenten. We moesten dus flink schiften.”

Het leidde tot twaalf deelnemers, die – zo hoopt de bond – in de toekomst doorstromen naar de gevorderdengroep. „Dat zien we nu al bij de expertgroep”, zegt Kuperus. „Daar zitten veel mensen bij die vorig jaar bij de gevorderden meededen.” Voorbeelden zijn Jan Vennegoor of Hesselink en Mark Ruijl, de technisch managers van PSV en Feyenoord.

Oranje-vrouwen

In het lokaal in Zeist zit de gevorderdengroep. Sommige deelnemers zijn zelf oud-prof, zoals Raymond Atteveld (technisch directeur bij de Kazachstaanse bond), Mariska Kogelman (PEC-vrouwen) en Berry Powell (De Graafschap). Maar er zijn ook deelnemers die zelf nooit op hoog niveau voetbalden, zoals Nico Haak (FC Emmen), Patrick Busby (FC Volendam) en Yalcin Zöhre (voetbalbond Bonaire). Zij komen dikwijls uit de scouting, de jeugdopleiding of de voetbalmakelaardij.

Sommigen hebben het eerst als trainer geprobeerd, zoals Nangila van Eyck, die 37 wedstrijden voor de Oranje-vrouwen speelde. Maar eenmaal langs de lijn merkte ze snel hoe beperkt haar invloed was, zegt ze. „Als je daar het beste product wil hebben, dan ligt dat veel meer aan beleid.” Daarom besloot ze zich op een technische functie te richten: sinds de zomer is ze algemeen en technisch manager bij de vrouwentak van ADO.

Tijdens de tweede lesdag gaat het vooral over de rol van architect: het bouwen aan een topsportorganisatie. Voor veel deelnemers is dit nieuw. Door hun achtergrond als scout of in de jeugdopleiding voelen ze zich vaak redelijk vertrouwd bij de handel in spelers of het samenstellen van selecties. „Maar een zelf visie neerleggen, of een organisatie bouwen, dat heb ik nog nooit gedaan”, zegt Thomas Schaling, hoofd scouting bij het Amerikaanse Charlotte FC.

In de ochtend is naast Teun Jacobs ook Robbert de Groot te gast, hoofd talentontwikkeling bij Visma-Lease a Bike. Hij komt vertellen over de cultuur bij de wielerploeg. Nog geen tien jaar geleden was het een organisatie in mineur, in de steek gelaten door de hoofdsponsor. „Mensen vertrokken, er was een slechte sfeer.” Er moest een andere cultuur komen, vond de leiding, een hernieuwd teamgevoel.

Want cultuur is maakbaar, meent De Groot. Het kost alleen jaren om zoiets stukje bij beetje in te slijpen. Zijn advies: put vooral inspiratie uit hoe anderen het aanpakken. Zijn ploeg vroeg onder meer voormalig topmilitair Mart de Kruif. „In het voetbal wordt vaak gezegd: we doen het altijd al zo. Dat vind ik te gemakkelijk. Ga bij anderen kijken. En dan niet Chelsea, maar buiten het voetbal. Neem ASML – wat maakt dat bedrijf nou zo succesvol?”

Het is een boodschap waar Yalcin Zöhre het zéér mee eens is, zegt hij even later bij de lunch. Misschien ook wel omdát hij zelf van oorsprong niet uit het voetbal komt. Zöhre werkte jarenlang voor grote advocatenkantoren en accountants tot hij tien jaar geleden koos voor een tweede loopbaan in de sport waar hij van droomde: eerst als spelersmakelaar en sinds de zomer als sportief directeur bij de bond van Bonaire.

De voetbalwereld is te conservatief, vindt hij. Als een bestuurder niet zelf op hoog niveau heeft gespeeld dan is dat vaak een diskwalificatie. Terwijl: waarom zou een oud-voetballer automatisch een goede bestuurder zijn? „Het vak van technisch directeur gaat niet alleen om voetbal, het gaat om organisaties, om leiderschap. Hoe krijg je mensen dezelfde richting in? Hoe bouw je een team?”

Ook de KNVB vraagt om die reden zo veel mogelijk mensen van buitenaf, zegt gastdocent Teun Jacobs. „Want we kunnen hier wel gaan uitleggen hoe het in theorie zit, maar uiteindelijk draait het om de praktijk.” Na de lunch volgt bijvoorbeeld een vraaggesprek met voetbalbestuurders Alex Kroes (Ajax) en Edwin Reijntjes (Vitesse) over het inrichten van sportorganisaties. Welke structuur heeft hun club, en wat zijn daar de voor en nadelen van?

Maar wat misschien nog wel belangrijker is, vindt hij, is dat deelnemers van elkáár leren. Na het diner volgt nog een sessie waar een van hen een probleem uit de eigen praktijk deelt en de anderen daarover advies geven. Naast een opleiding is het ontwikkelprogramma ook een gelegenheid om een netwerk met gelijkgestemden op te bouwen, zegt hij. „Je leert mensen kennen met wie je kunt sparren. Dat heb ik weleens gemist.”