
Ik vond Arnold Karskens al cult toen hij nog gewoon oorlogsjournalist was, alhoewel het woord ‘gewoon’ eigenlijk niet bij Karskens past. Hij was juist nooit ‘gewoon’.
Alles draaide om hem, het enige wat ik van die oorlog om Irak heb onthouden is dat hij als laatste journalist overbleef in Bagdad, vanwaaruit hij het niet kon laten om al die andere – ‘laffe’ – journalisten de maat te nemen. Zijn verslagen uit Afghanistan voor Nieuwe Revu waren vooral legendarisch omdat hij ook altijd zelf pontificaal op de foto’s stond die hij met zijn teksten aanleverde. Steevast met een lokaal hoofddeksel op het hoofd zodat de Taliban niet door had dat ze met een Westerse journalist te maken hadden. Zijn afkeer tegen collega’s die embedded gingen vond ik ook legendarisch.
Toen het met de tijdschriften minder ging begon hij een eigen omroep: Ongehoord Nederland, waarin in de begintijd alles om hem draaide. De in de eigen schuur opgenomen van-dik-hout-zaagt-men-planken columns waarin hij op woensdagen de week doormidden zaagde, zijn dansjes met zwarte piet, zijn gedweep met de boeren, zijn rondjes over het Malieveld, dat rode petje op zijn kop: het was helemaal Arnold en wel zoveel dat hij niet door had dat hij zelf de enige was die hem nog serieus nam. Hij was zo druk met rechts van het midden zijn en ledenwerven dat hij niet precies door leek te hebben wat voor bende hij om zich heen verzamelde.
Tenminste dat leek zo, want bij de bodemprocedure waarin hij vorige week zijn functies bij ON! terugeiste bleek dat hij alles altijd al haarfijn in de smiezen had gehad. Hij hing de vuile was heerlijk buiten, zelfs de poepstrepen die uit de extreemrechtse onderbuiken waren gelopen liet hij zien.
Het gekke was dat hij er zelf nog het meest verbaasd over was dat die bestonden, terwijl dat toch ongeveer het bestaansrecht voor zijn omroep was en is. Eigenlijk is iedereen er een racist of antisemiet, er was er daar maar een die dat had willen stoppen: Arnold Karskens. Toen hij er nog zat hoorde de buitenwereld hem er niet over, maar ga er maar vanuit dat hij zijn dikke journalistieke tong er toen bijna moet hebben afgebeten.
Hij stipte ook nog even de rol van zijn voorvaderen in de Tweede Wereldoorlog aan (verzetshelden), mijn lievelings. Ze zeggen dat heldhaftigheid genetisch niet overdragelijk is, maar ga er maar vanuit dat je daar heus ook wel een lik rechtvaardigheid van mee krijgt. Als het naoorlogs verzet nog een levend gezicht zoekt, zou ik kiezen voor dat van Arnold Karskens.
Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.
