In de jaren negentig van de vorige eeuw was ik, docent recht aan een MEAO in Groningen, weer eens met een groep leerlingen in het gebouw van de Tweede Kamer. We zagen dat Frits Bolkestein, kennelijk op weg naar de uitgang, ons tegemoet liep. Met een innemende glimlach op zijn gezicht zei hij met zijn bekende licht geaffecteerde stem „Dag mevrouw” tegen mij, waarop een van de leerlingen direct reageerde met: „Zij woont in Leeuwarden hoor.”
Anneke van der Wal
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Stel dat Donald Trump bezig is, en daar zijn aanwijzingen voor, krankzinnig te worden, hoe houden we hem dan tegen? Toch niet met artsen die door hém aangesteld zijn? Het zullen neutrale artsen moeten zijn – dus liever geen artsen die lid zijn van een politieke partij – maar waar vind je die zo gauw?
Er kan immers haast geboden zijn. Bijvoorbeeld als Trump tijdens een volgende persconferentie vanuit zijn buitenverblijf in Mar-a-Lago alleen een miniem zwembroekje draagt, dat hij al snel uittrekt om er uitdagend mee te zwaaien terwijl hij naar de camera’s schreeuwt: „Fuck you! Fuck you all!”
Misschien zal Geert Wilders ook dat nog een „fantastic speech” noemen, zoals hij deed met die dolzinnige tirade van vicepresident JD Vance op de veiligheidsconferentie in München. Maar ik hoop dat er zelfs in de Verenigde Staten, die ik sinds kort trouwens liever de Verengde Staten noem, enige ongerustheid zal opkomen. Moet er niet eens met zijn lijfarts gepraat worden? Zou zijn echtgenote in het geheim misschien meer durven zeggen over de psychische gesteldheid van haar man?
Sinds de val van president Biden weten we dat je in dit opzicht van echtgenoten niet te veel mag verwachten. Men zal mevrouw Biden heus weleens gevraagd hebben: „Verwart uw man regelmatig de badkamer met de wc?” of „Komt het voor dat hij zijn linkervoet in zijn rechterschoen probeert te doen waarna hij zijn haren kamt met zijn tandenborstel?”
Misschien was mevrouw Biden wel erger gewend, maar hield ze het slot op haar mond, met het gevolg dat we nu vier jaar met een president zitten opgescheept van wie we ons steeds ernstiger moeten afvragen in hoeverre hij nog compos mentis is.
Wat is er met Trump precies loos? Hij lijdt in ieder geval aan grootheidswaanzin, zeggen sommigen, maar zo eenvoudig is het niet. Het kenmerk van grootheidswaan is dat een persoon gelooft dat hij iemand anders is dan hij werkelijk is – hij ziet zich het liefst als iemand die belangrijk is en macht heeft.
Maar het probleem met Trump is juist dat hij wel degelijk al belangrijk en machtig ís, sterker nog, hij is de belangrijkste en machtigste mens op aarde. Hij gaat over mens en dier, over water en weer, over vrede en oorlog. Over u en mij. En juist die man vindt niet Rusland, maar Oekraïne de agressor, beschouwt Poetin als een fatsoenlijker mens dan Zelensky en trekt zijn handen af van Europa.
Dat baart ons begrijpelijkerwijs grote zorgen. Ik spreek de laatste weken veel ouderen die verzuchten: „Het zal onze tijd wel duren, maar hoe moet dat met onze kinderen en kleinkinderen? Wat staat hun wel niet te wachten?” Velen spreken de verwachting uit dat Trump zich een derde termijn als president zal toe-eigenen óf dat Vance zijn opvolger wordt. De Democraten lijken al niet meer te bestaan. Obama, de Clintons, Biden, Pelosi: je hoort ze niet.
Toch ontwaakt juist in zo’n naargeestige, zwarte periode de optimist in mij. Welke verschrikkingen zijn ‘we’ alleen al de afgelopen eeuw niet te boven gekomen? Trump en zijn geestverwant Wilders, die ook niet wil vechten in Oekraïne, kunnen daar nog wel bij. Misschien kan een goede psychiater bij hen nog wonderen doen, misschien hebben zij wél echtgenoten die durven vragen: „Ben je weer op je pik getrapt? Ach gut.”
Uit luiheid geboren staat in de keuken een bekertje met mijn tandenborstel. Voor ik de deur uit ga poets ik snel nog mijn tanden als mijn dochter de keuken in loopt.
„Gebruik jij die tandenborstel ook”, vraagt ze. „Hoezo óók?”, spuug ik eruit. „Nou uuh”, stamelt ze: „Ik had op TikTok gezien dat katten het heel lekker vinden als ze op de kop worden geaaid. Dan denken ze namelijk dat ze worden gewassen door hun moeder. Bij voorkeur met een natte tandenborstel.”
Patricia van Amsterdam
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Op de terugweg van Madurodam naar huis passeerden we het fort van de Amerikanen aan het John Adams Park in Den Haag. Er was een tijd dat ik al die hekken en camera’s een teken van kracht vond. Het is inmiddels duidelijk dat de vrienden van toen geen vrienden meer zijn. Eerder kennissen, en dan nog van het soort dat je in vakantietijd niet op je huis laat passen.
Tegelijkertijd probeer ik me te verhouden tot de eigen regering. Het is lief en aandoenlijk dat Dick Schoof met onduidelijk mandaat mee mocht praten met Mark Rutte en de grote Europese landen. Nederland draait zich richting een bijdrage aan een Europese troepenmacht die eventueel misschien wel als buffer wil fungeren. Zo hebben we ons in het verleden wel in meer hachelijke avonturen gestort. Wat we er altijd vergeten bij te vertellen is dat het bij ons vooral draait om het sussen van eigen geweten. En dat onze bijdrage vooral symbolisch zal zijn. Een paar hospikken, iets maritiems in de Oostzee, wellicht de logistiek verzorgen, een Patriot-raket stationeren en vooruit we leveren ook nog wat uitblinkers van de Luchtmobiele Brigade.
Het grote probleem van Defensie: er werken daar 74.000 mensen, maar de sneuvelbereidheid schurkt bij ons, en ik vrees ook bij onze Europese partners, tegen het nulpunt. Je zou het vooruitgang kunnen noemen: van massale vaderlandsliefde en opofferingsgezindheid is nog geen land echt beter geworden, maar geconfronteerd met een tegenstander die er geen been in ziet om er duizend per dag doorheen te duwen ben je kansloos. Je kunt heel stoer roepen dat we zo snel mogelijk ons leger moeten optuigen, maar met wie dan? Wie gaat akkoord met de aangepaste arbeidsvoorwaarden? We willen wel schieten maar dan wel onder de voorwaarde dat er niet gericht wordt teruggeschoten.
Het zegt natuurlijk weinig, maar ik ken niemand die bereid is zichzelf op te offeren voor het vaderland, laat staan als die grenzen duizend kilometer verderop liggen. Ze zijn er niet en ze komen er ook niet, of Defensie moet met een wel heel verrassende wervingscampagne komen.
Mijn vader werd in een andere tijd als dienstplichtig militair verscheept naar Nederlands-Indië, ze zaten als sardientjes in een blik benedendeks op een grote boot, zongen vrolijk het Wilhelmus toen de evenaar werd gepasseerd, maar eenmaal ter plekke waren de meesten jaloers op zijn weinig imposante postuur waardoor hij achter een typemachine werd gezet.
Behalve mooie herinneringen hebben we niets meer aan de Amerikanen. De vriendschap is opgezegd, maar we zwaaien nog wel naar elkaar. Misschien moeten we op onze beurt aan Oekraïne uitleggen wat voor een vriend we eigenlijk zijn. Je kunt ons altijd bellen, graag zelfs, maar we zijn er vooral voor begrafenissen en bruiloften.
Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.
Op 15 februari jongstleden is mijn moeder vredig ingeslapen. Een combinatie van ouderdom (96 jaar) en dementie. Niet herkend worden door je moeder, die je de laatste twee maanden bijna 24 uur per aan het verzorgen bent, is een van de vervelendste dingen die je als kind annex mantelzorger kan overkomen. En al helemaal als je samen nog een wedstrijd van Ajax aan het kijken bent en zij ineens roept: „Hé, dat is Woutje Weghorst!”
Rolf Bredschneijder
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Het is een mooie, zonnige lentedag, als ik met mijn toen tienjarige dochter door Borne loop.
Ik wijs naar een voorbijrijdende cabriolet met een ingeklapt dakje en zeg: „Kijk eens Pien, rijden met de wind door het haar: dat vinden sommige mensen fijn.”
Ze knikt instemmend. Vijf minuten later komt er weer één voorbij.
Als kort daarna een derde cabriolet ons passeert, concludeert ze droogjes: „Wel veel daklozen hier.”
Robert Peij
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Bij al die bekende, bejaarde Nederlanders die de afgelopen weken stierven – Frits Bolkestein, Frits Korthals Altes, Hans van den Broek, Sigrid Koetse, Ron Brandsteder – voegde zich voor mij iemand die weliswaar niet hun bekendheid had, maar mij toch veel dierbaarder was: André, mijn 83-jarige overbuurman.
We hadden het zien aankomen, zijn lichaam liet hem steeds ernstiger in de steek, maar toen zijn vrouw mij met de onheilstijding opbelde, was ik toch even sprakeloos. André dood? Goedlachse, zachtaardige, gastvrije André? Daar stond ik dan, op een zondagmorgen in een al drukke Kalverstraat, waar ik net pantoffels voor mijn vrouw in het verpleeghuis had gekocht. Banaler kon het niet, laat dat maar aan de dood over.
Ik zou het graag wat gezelliger houden, maar ik kan niet onder de vaststelling uit dat André en ik, en u misschien ook, tot een generatie behoren die met hoge frequentie begint af te sterven. Je merkt het aan alles, ook al doe je liever alsof er niets bijzonders aan de hand is. En bijzonder is het eigenlijk ook niet. De dood, dat is het leven.
Je merkt het terloops aan kleine, onopvallende dingen. Als boekenliefhebber kijk ik in het voorbijgaan altijd even in die boekenkastjes op straat. Daarin zie ik steeds vaker boeken staan die een jaar of dertig, veertig geleden populair waren. Halve oeuvres van Maarten ’t Hart, Renate Dorrestein, Kees van Kooten, F. Springer, F.B. Hotz, Heere Heeresma.
De eigenaren van die boeken zijn er niet meer, hun kinderen hebben een poosje verwezen naar de overvolle boekenkasten in het ouderlijk huis gestaard en met een diepe zucht besloten: weg ermee.
Met die ‘kinderlijke’ blik probeer ik zelf ook weleens naar mijn boekenbezit te kijken. Wat zou wel weg kunnen? Een onmogelijke vraag, besef ik even later. Waarom moet iets weg dat je ooit dierbaar is geweest? Het is toch al erg genoeg dat dit met mensen gebeurt? Trouwens, wie zegt dat je het nooit meer zult herlezen? Vervolgens besluit ik dat mijn kinderen het maar moeten uitzoeken als ik zelf voorgoed weg ben.
Dit brengt me op een mooi gedicht over de dood waarmee ik deze hopelijk niet al te doodse column wil afsluiten. Het heet Weg moeten gaan en is van de dichter Han G. Hoekstra die van 1906 tot 1988 leefde. Hij werkte tijdens de bezetting in de illegaliteit voor Het Parool en de Bezige Bij, werd na de oorlog verslaggever en film- en tv-criticus van Het Parool en kreeg in 1972 voor zijn „geraffineerd bescheiden” poëzie de Constantijn Huygensprijs. Enkele jaren voor zijn dood vroeg ik hem telefonisch of ik hem voor Vrij Nederland mocht interviewen. „Nee”, zei hij gedecideerd.
Hoe kwamen we erbij? Mijn vrouw moest naar de kapper in de buurt van de plek waar ze ruim vijfentwintig jaar met mij had gewoond. Een goede gelegenheid, suggereerde mijn jongste dochter, om haar weer eens thuis te laten komen. Het was immers alweer een half jaar geleden dat zij in een verpleeghuis moest worden opgenomen.
Begin van de middag stommelden vrouw en dochter de trap op. Ik was verheugd, maar tegelijk gespannen: kon er iets gebeuren dat we niet voorzien hadden? Een van haar verzorgsters had me verzekerd dat het geen kwaad kon tenzij ik er een gewoonte van maakte – wat ik niet van plan was.
„Nee maar, daar hebben we mevrouw Abrahams, komt u binnen”, riep ik met ironische plechtstatigheid terwijl ze de laatste treden nam. Ze gaf me een lachje, kuste me snel en liep de gang in, waarin ze meteen wat kunstwerkjes aan de muren ging bekijken. Daarna stapte ze met ons de huiskamer binnen. Ze zei weinig en keek met neutrale blik om zich heen, als iemand die voor het eerst op bezoek kwam en zich hoedde voor een uitgesproken oordeel.
Toen stapte ze ook hier op de muren af om de schilderijen en etsen nader te bekijken. Ze konden haar goedkeuring wegdragen, vooral als er katten op waren afgebeeld – en dat waren er nogal wat, mede dankzij haar toedoen. „Moet je kijken, die kat! Mooi!” Ze wees enthousiast op een kat die op een kleurpotloodtekening van Roos de Lange eenzaam in een rommelige huiskamer zat met uitzicht op een leeg weiland. Katten zijn vaak eenzaam, moet Roos de Lange hebben gedacht.
Toen bleef ze lang voor een groot schilderij staan waarop ze vroeger vanaf de zitbank dagelijks, gedurende een jaar of vijftien, royaal zicht had gehad. Het schilderij was gemaakt door Lili Freriks, de vrouw van Philip, en toonde een kat die languit lag te slapen in het schijnsel van een grote schemerlamp. Ze was bijna sprakeloos van bewondering, zoiets moois had ze nooit eerder gezien.
Dat gold voor alles, ook voor de stenen beeldjes van katten die ze had verzameld en die ze nu koesterend in haar handen hield. Er was, merkwaardig genoeg, één uitzondering: het serene portret van een Duitse of Oostenrijkse vrouw uit de jaren dertig. „Komt me bekend voor”, mompelde ze.
Het was het enige blijk van herkenning in de paar uren die ze bij ons doorbracht. Zelfs die ene, levende kat in ons huis die ze toch een jaar of vijf had meegemaakt, sloeg ze met enige verbazing gade: „Een kat!”
Het was alsof ze in een haar onbekend museum rondliep, een plek voor passanten, met mij als zaalwachter. Toch had vooral zij dit museum ooit ingericht, grotendeels conform haar smaak en gevoel voor ruimtelijke indeling.
We hebben ontspannen enkele uren bij elkaar gezeten. Koetjes, kalfjes. Het gesprek ging alle kanten op, behalve die van de samenhang. Dat waren we inmiddels gewend. Dementie volgt geen rechte wegen, alleen kronkelpaden die ergens in een dichte mist eindigen.
Ook het einde van de middag verliep rimpelloos. Ik had er rekening mee gehouden dat ze zich zou verzetten tegen een vertrek, maar daar was geen sprake van. We stelden haar voor een wandelingetje te maken en brachten haar terug naar het verpleeghuis waar het avondeten wachtte.
Morgen zou ze het allemaal weer vergeten zijn, maar vandaag had ze genoten.
Niet alleen boeken leven, ook boekenkasten. Online vond ik foto’s waarop het straatboekenkastje in Venlo slechts bestond uit twee open vakken met laden (en bij goed weer een mandje eronder). Er kwam een afdakje bij, om de woorden te beschermen tegen de elementen. Een tweede kast dook op en uiteindelijk, om het af te maken, een klein gevelsteentje van een lezende vrouw op leeftijd in een berglandschap.
In de linkerlade ligt Brooklyn dwaasheid van Paul Auster, in wiens werk soms ook van het fysieke boek een helende werking uit lijkt te gaan. Auster, alweer tien maanden dood, gaf Brooklyn dwaasheid (Ton Heuvelmans vertaling van Brooklyn Follies, 2005) een stervenszwangere beginzin mee: „Ik was op zoek naar een plek om rustig dood te gaan.” Maar doodgaan doet Nathan Glass niet: hij knapt op na longkanker – iets wat zijn schepper niet gegeven was. Glass is geen schrijver, maar een gepensioneerd verkoper van levensverzekeringen die zijn latente literaire verlangens de vrije loop laat in zijn Boek van menselijke dwaasheid, een inventarisatie van menselijke flaters, blunders en overige zinloosheden, vastgelegd in blocnotes en op de achterkant van enveloppen en ander papier dat een mens zoal voorhanden heeft.
Intussen is Glass ook de ikfiguur van de roman, een hoedanigheid waarin hij een echte Austerman blijkt. Neem zijn vermogen om juist aan schijnbaar betekenisloze toevalligheden betekenis toe te kennen. Dan schrijft hij vol verwondering over hoe een papiertje, in dit geval een boarding pass, hem bovenaan een vliegtuigtrap uit de vingers glipt: „dat ik naar beneden zag fladderen in de richting van de kier tussen de vliegtuigtrap en het toestel zelf – de smalst denkbare opening, nog geen twee millimeter breed […]” U raadt hoe dit afloopt. Wat lastiger te raden is, is dat deze passage op wrange wijze vooruitwijst naar het slot van de roman (dat ik straks zal verraden). Een van de mooiste beschrijvingen van Austers oeuvre is een van zijn boektitels: The music of chance.
Glass is een kletsgrage verteller die graag afdwaalt van de hoofdlijn van zijn verhaal. Die laatste bestaat uit de Brooklynse wederwaardigheden van drie mannen. Zij vinden elkaar, uiteraard, na een toevallige ontmoeting in de schaduw van de wereldliteratuur. In een antiquariaat treft Glass na jaren zijn volwassen neef Tom Wood, die droomde van een grootse loopbaan in de literatuurstudie, maar daar uiteindelijk in vastliep. Ook de eigenaar van de boekhandel, de veroordeelde oplichter Harry Brightman, haakt naar een nieuwe start in het leven.
Zoals het een boek van dwaasheden betaamt, wordt Brooklyn Follies verteld met lichtheid en zwier. Tussen de regels door blijkt dat Glass snel warme gevoelens ontwikkelt voor de mannelijke outcasts in zijn leven, maar dat hij zich tegenover nogal wat vrouwen (zijn ex, zijn dochter, de serveerster op wie hij meent verliefd te zijn) opstelt als een hork die geen meter buiten zijn eigen perspectief kan kijken.
De omstandigheden klaren op in de stad, die steeds prettiger gaat afsteken tegen de buiten-Brooklynse wereld, waar het neoconservatisme van George W. Bush de fraaiste Amerikaanse waarden leek te bedreigen. Zo speelt ook het verlangen naar een afdakje om te schuilen voor de geopolitieke elementen een rol in de roman. Die eindigt met Glass, „zo gelukkig als een mens zich maar kan voelen” op de vroege ochtend van 11 september 2001.
Wilt u het besproken exemplaar van Brooklyn dwaasheden ? Mail [email protected]; het boek wordt onder inzenders verloot, de winnaar krijgt bericht.
Wij hebben de leeftijd bereikt waarop ons met enige regelmaat vrienden en bekenden ontvallen. Je kent de vriendenkring van je vrienden en je houdt elkaar op de hoogte als er weer iemand wegvalt. Dat kunnen korte berichten zijn, en soms schiet ook de interpunctie er bij in. Zo ontvingen wij van onze vriendin een appje dat K. was overleden. „Is de uitvaart al geweest?”, vroeg mijn vrouw. Het antwoord kwam meteen: „Nee, donderdag as.”
Joop Hartog
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]