Opinie | Tussenstop

Neef Stein studeert in Berlijn. Zijn studiegenoot uit India maakt plannen om een vriend te ontmoeten die op een vrachtschip werkt. Binnenkort heeft hij een tussenstop in Zeeland. „That is in The Netherlands, right?” Neef Stein knikt en biedt aan zijn studiegenoot te helpen met het plannen van de treinreis naar Vlissingen. Twee weken later belt de studiegenoot in paniek vanuit de trein: „I only see: train goes, train goes. But where is it going?” Stein denkt even na en schiet dan in de lach. „Goes my friend, the next station is Goes!”

Simone Becker

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Opinie | Cowboy

In de plaatselijke supermarkt duw ik mijn karretje voort. Getooid in een lange jas en met een grote hoed op mijn hoofd, schuif ik langs de schappen. In de sauzen- en soepengang, kom ik naast een moeder met twee kleine kinderen te staan. Een jongen en een meisje van ergens tussen de 4 en 10 jaar. De jongste, het kereltje, zegt: „Kijk mam, een cowboy.”

Ad rem antwoord ik: „Ja, en heb jij misschien ook mijn paard gezien?” Waarop het meisje roept: „O mam, het is echt een cowboy!”

Jan van den Hoff

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Column | Weg moeten gaan

Bij al die bekende, bejaarde Nederlanders die de afgelopen weken stierven – Frits Bolkestein, Frits Korthals Altes, Hans van den Broek, Sigrid Koetse, Ron Brandsteder – voegde zich voor mij iemand die weliswaar niet hun bekendheid had, maar mij toch veel dierbaarder was: André, mijn 83-jarige overbuurman.

We hadden het zien aankomen, zijn lichaam liet hem steeds ernstiger in de steek, maar toen zijn vrouw mij met de onheilstijding opbelde, was ik toch even sprakeloos. André dood? Goedlachse, zachtaardige, gastvrije André? Daar stond ik dan, op een zondagmorgen in een al drukke Kalverstraat, waar ik net pantoffels voor mijn vrouw in het verpleeghuis had gekocht. Banaler kon het niet, laat dat maar aan de dood over.

Ik zou het graag wat gezelliger houden, maar ik kan niet onder de vaststelling uit dat André en ik, en u misschien ook, tot een generatie behoren die met hoge frequentie begint af te sterven. Je merkt het aan alles, ook al doe je liever alsof er niets bijzonders aan de hand is. En bijzonder is het eigenlijk ook niet. De dood, dat is het leven.

Je merkt het terloops aan kleine, onopvallende dingen. Als boekenliefhebber kijk ik in het voorbijgaan altijd even in die boekenkastjes op straat. Daarin zie ik steeds vaker boeken staan die een jaar of dertig, veertig geleden populair waren. Halve oeuvres van Maarten ’t Hart, Renate Dorrestein, Kees van Kooten, F. Springer, F.B. Hotz, Heere Heeresma.

De eigenaren van die boeken zijn er niet meer, hun kinderen hebben een poosje verwezen naar de overvolle boekenkasten in het ouderlijk huis gestaard en met een diepe zucht besloten: weg ermee.

Met die ‘kinderlijke’ blik probeer ik zelf ook weleens naar mijn boekenbezit te kijken. Wat zou wel weg kunnen? Een onmogelijke vraag, besef ik even later. Waarom moet iets weg dat je ooit dierbaar is geweest? Het is toch al erg genoeg dat dit met mensen gebeurt? Trouwens, wie zegt dat je het nooit meer zult herlezen? Vervolgens besluit ik dat mijn kinderen het maar moeten uitzoeken als ik zelf voorgoed weg ben.

Dit brengt me op een mooi gedicht over de dood waarmee ik deze hopelijk niet al te doodse column wil afsluiten. Het heet Weg moeten gaan en is van de dichter Han G. Hoekstra die van 1906 tot 1988 leefde. Hij werkte tijdens de bezetting in de illegaliteit voor Het Parool en de Bezige Bij, werd na de oorlog verslaggever en film- en tv-criticus van Het Parool en kreeg in 1972 voor zijn „geraffineerd bescheiden” poëzie de Constantijn Huygensprijs. Enkele jaren voor zijn dood vroeg ik hem telefonisch of ik hem voor Vrij Nederland mocht interviewen. „Nee”, zei hij gedecideerd.

De wolken waarnaar wij kijken,

de acacia’s in de laan,

zij zijn het die achterblijven

en wij die weg moeten gaan.

Ik ga straks. Al wat aan beelden

op mijn netvlies ooit kwam te staan

zal ik weten mee te nemen

in een laatste, koele traan.

En zeelucht, zacht praten van mensen,

de huid van een kinderhand,

het zal lang bij mijn middenrif wonen

als een dierbare woekerplant.

Bespaar mij uw zwarte jassen,

graag asters maar geen geween.

Er valt slechts dit te bedenken

als gij ooit staat voor mijn steen:

ieder blijft eenmaal steken

in een leven dat gist en geurt.

Gewoon. Om geen enkele reden.

Om niets. Omdat het gebeurt.


Opinie | Stomme aanpak

Mijn jongvolwassen dochter en ik bespreken de toestand van de wereld. Wat een ellende overal. We maken ons zorgen om de expansiedrift van zowel Rusland als de Verenigde Staten. Zulke enorme landen al, en dan willen ze nóg meer grondgebied. En ze pakken het ook nog eens stom aan, vindt dochter. „Je moet niet een stuk land erbij willen dat al van iemand is. Daar komt oorlog van.” Ze heeft een betere tip voor de wereldleiders: „Inpolderen.”

Anneke Paul

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Column | Land van ooit

Gisteren was de geboortedag van mijn vader. Als het al gevierd werd, dan met de mensen van ‘kantoor’. Ze spraken elkaar aan met de achternaam.

Koster, Stam, Gerritsen, Sigmond, Vermeulen.

Mijn vader was ‘Van Roosmalen’, hij stond erop dat dat niet werd afgekort tot ‘Roos’ of ‘Roosje’. Een ambtenaar was volgens hem altijd formeel, ook in de vrije tijd, want ook daar kon je burgers tegenkomen.

Zijn chef heette Kateman, we kwamen hem en zijn vrouw weleens tegen op de markt. Mijn moeder zei dan welke boodschappen ze in de boodschappentas van mevrouw Kateman had gezien.

„Bloemkool en een joekel van een stokbrood.”

Koster had een sleutelbos aan de riem, de zoon van Sigmond liep altijd met een linnen tas van de PSP over de schouder. Alle ambtenaren stemden CDA of PvdA, ze hadden in verkiezingstijd ook allemaal posters achter het raam.

Mijn vader trakteerde altijd op appeltaart. Nooit zelfgebakken, dat vond hij te persoonlijk. Twaalf stukken.

„Alleen voor de afdeling ‘water’, anders blijf ik aan de gang.”

Hij zei ook dat er op de afdeling werd gezongen. En hij kreeg van iedereen een hand. Ze keken elkaars rapportages na, het ging er dan keihard aan toe.

„Een ambtenaar kent geen mededogen.”

Een jongere collega had ooit een rapport ingeleverd over het fietspad tussen Rheden en Velp dat voor een deel langs de IJssel liep. Mijn vader trok er een week voor uit om het te lezen. Hij vond het een erg slecht rapport. Hij oefende met mijn moeder hoe hij deze mededeling zou brengen.

„Hou het zakelijk”, zei ze.

„Maar hoe doe ik dat?”, vroeg mijn vader. „Hij kan zo niet op vakantie, het moet helemaal opnieuw.”

Hij bood uiteindelijk aan om te helpen, de jongere collega kon op vakantie, maar de typemachine moest mee. Zelf had mijn vader ook zijn typemachine mee naar Zwitserland. Soms overlegden ze, dan belde mijn vader vanuit Hotel Berghof in Wilderswil naar het vakantie-adres van zijn collega.

Het sloot dan af met: „Het zal afkomen.”

Het rapport kwam af, er is nooit wat met de aanbevelingen gedaan. Zo ging het altijd, bijna al zijn rapportages verdwenen ongelezen. Maar wel zonder taalfouten! Je wist tenslotte maar nooit of het later in het archief werd geraadpleegd. Ooit.

Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.


Column | Bekropen door angst

Interviewen is moeilijker dan het lijkt. Wim Brands, interviewer op radio en tv, kon het goed. Zijn aanpak had soms wat rommeligs, hij sprong graag van de hak op de tak, maar het resultaat was doorgaans een interessant gesprek – en daar gaat het om.

Hij was vooral een interviewer van schrijvers, zo ongeveer alle belangrijke, en iets minder belangrijke, Nederlandse schrijvers van zijn generatie moet hij geïnterviewd hebben. Hij koos ze zelf uit, dus zonder de inbreng van een redactioneel team. De eruditie die hij daarvoor nodig had, etaleerde hij onnadrukkelijk in het gesprek.

Om twee redenen moest ik vorige week aan hem denken. Eerst zag ik op YouTube een uit 1981 stammend gesprek door de fameuze Amerikaanse tv-interviewer Dick Cavett met twee van de beroemdste Amerikaanse schrijvers van die periode: John Updike en John Cheever. Ik had me er heel wat van voorgesteld, want ik ben een liefhebber van hun werk en had zelden interviews met hen gezien, laat staan een gesprek met hen beiden.

Helaas, Cavett was zo trots op zijn gasten dat hij vergat ze serieus aan de tand te voelen. Hij gaf de heren, die zeer bevriend met elkaar bleken, ruimschoots de gelegenheid lovende schouderklopjes en vriendelijke grapjes uit te wisselen. Veel meer kwam er niet uit. Updike bleek licht te stotteren, iets waarover hij zelf al geschreven had, en Cheever praatte met een bekakt Engels accent, wat hem praktisch onverstaanbaar maakte, al kan dat ook aan het alcoholgebruik waar hij berucht om was hebben gelegen.

Cavett zat erbij en luisterde er glimlachend naar zonder iets wezenlijks te vragen. Dat zou Brands niet overkomen zijn, zo kunnen we constateren na de vorige week uitgezonden, boeiende tv-documentaire Strijdmakker die zijn collega David Kleijwegt over hem maakte voor de VPRO. De documentaire bevatte veel fragmenten uit interviews van Brands, waaruit vooral bleek hoezeer hij zich ook zelf in de strijd van zo’n gesprek gooide, zonder dat wij dat als kijker konden weten. Vooral bij het onderwerp dood en zelfdoding zie je Brands steeds naar het puntje van zijn stoel schuiven: hier was hij zelf in het geding, beseffen we nu.

In 2014, twee jaar voordat Brands op 57-jarige leeftijd zelfmoord pleegde, interviewde hij de filosoof en Denker des Vaderlands René Gude die als kankerpatiënt „in reservetijd” leefde, zoals hij het zelf noemde. Het is een fascinerend gesprek (op internet nog altijd te vinden). De sleutelpassage, als ik het in boekentaal mag uitdrukken, zit ook in de tv-documentaire. Wanneer Gude hem aanraadt zich te onthouden van rationaliseringen over de dood, verzucht Brands: „Hoe doe je het als het drie uur ’s nachts is en het is aardedonker en het regent en het uur van de wolf is niet ver meer en je wordt bekropen door die doodsangst en het grote zwarte gat waarin je kijkt en dat tegen je roept, ja maar binnenkort… en dat je je niet meer kunt voorstellen dat je er niet meer bent… Wat dan?”

Gude, die zelf een jaar later zou sterven, zegt weer dat hij zich geen ideeën over de dood moet maken. „De dood daar ben je niet bij als die er is, en als-ie er niet is weet je niet wat het is.” Daarom, zegt Gudé, heeft hijzelf geen angst voor de dood.

Twee jaar later bleek dat hij Brands niet heeft kunnen geruststellen.

Praten over zelfdoding kan bij de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of www.113.nl.


Opinie | Geen schermpjes

Mijn zoontje (7) zit in bad een heel verhaal te spelen. Heerlijk, denk ik. Losgeweekt. Een moment in de eigen fantasiewereld, geen schermpjes, geen druk van buitenaf. Dan hoor ik hem met helder stemmetje zijn verhaal afsluiten: „En als je dit verhaal leuk vond, abonneer je dan op mijn kanaal! Like en subscribe, en vergeet vooral niet je reactie in de comments achter te laten!”

Janneke Abdulaziz-Boterenbrood

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Opinie | Monsterjeep

Mijn buurman rijdt een monsterjeep met boerenzakdoek. Maar het is toeval dat op zijn kenteken de extreemrechtse Duitse partij NPD prijkt, houd ik mezelf voor. Je zou maar per ongeluk worden aangezien voor nazi! Ik begin een gesprek. Hij had inderdaad geen idee, maar kan er wel om lachen. Nu we toch in gesprek zijn vervolg ik: „Ook ik ben trouwens fan van Queens of the Stone Age!” Dat vindt hij „vet” maar vraagt tevens hoe ik dat van hem weet. Ik wijs op een sticker op zijn kofferbak, een brandende ‘Q’. Zijn reactie: „Oh nee, dat is QAnon!”

Moddin Meyer

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Opinie | Bezoekuur

Met gierende banden en veel Randstedelijke bombarie arriveer ik bij het UMC Groningen. De gezondheid van mijn vader, die ALS heeft, is plotseling verslechterd en hij is opgenomen in ‘Stad’. In de hal snel naar de balie. „Kamer 65”, zegt de centrale receptioniste vriendelijk. Dan, beleefd maar beslist: „Zou u de volgende keer vanaf drie uur willen komen? Dan is het voor iedereen bezoekuur. Ik probeer nog tegen te werpen dat ik helemaal uit Amsterdam kom rijden, waarna ze begripvol knikt en dan droog zegt: „Wij zitten in dezelfde tijdzone als Amsterdam, meneer.”

Paul Brink

Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]


Column | Bundestagswahl

Deze tekst is geschreven op zondagmiddag, een paar uur voor de eerste exitpolls van de uitslagen bij de Duitse verkiezingen waarover het hier nu al weken gaat. Nederland is dan wel een naar binnen gekeerd land geworden, op Hongarije na het treurigst ogende broertje van het grote Europese gezin, maar we kijken wel met opengesperde argusogen naar de wereld om ons heen. Ik groeide niet ver van de grens op, maar we hielden ons nooit bezig met de Wahl. De politiek daar was zo mogelijk nog saaier en degelijker dan bij ons. Inmiddels zijn we hevig geïnteresseerd. Misschien dat we het ongeluk thuis beter begrijpen door het gedrag bij de buren te bestuderen.

Het gaat natuurlijk allemaal weer niet meevallen, maar officieel tast ik nog in het duister. Erg prettig, want de eerste duiding is, u weet er inmiddels alles van, nooit de beste.

We fietsten gisteren in heerlijke onwetendheid door de stad Amsterdam. De terrassen zaten vol, er zaten twee in slaapzakken verpakte zwervers voor de Jumbo. Op het fietspad kwamen mensen met Oekraïense vlaggen ons tegemoet. Ze kwamen terug van een herdenking van drie jaar oorlog waar ze waren toegesproken door Jan Paternotte en Ruben Brekelmans. Ik weet niet wat dat doet met het vertrouwen op een goede afloop, maar ze zwaaiden er niet minder om met hun vlaggen.

„Waarom doen de mensen zo boos tegen ze?”, vroeg Lucie van Roosmalen (9).

„Omdat ze aan de verkeerde kant van de weg fietsen”, antwoordde ik. Je kunt de Nederlander niet meer tarten dan met het overtreden van de regels.

Dat, of met in de file staan of treinvertraging of de erfbelasting.

Ondertussen zijn de Duitsers nog niet zo ver heen als wij, bij de politieke debatten laten ze elkaar uitspreken, er is nog steeds sprake van een zeker niveau. De politiek is er nog niet helemaal vervolkst zoals bij ons. Geruststellend: wat de uitslag ook is, de gevreesde AfD komt er niet in de regering. Alice Weidel wordt op zeker geen Bundeskanzlerin, onze oosterburen worden dus nog niet opgezadeld met ministers die niet weten dat de president van Oekraïne democratisch is verkozen, die kinderen graag zonder helm op een fatbike zien klimmen, zeggen dat stikstof niet bestaat of die in hulpgoederen een verdienmodel voor het vaderland zien.

Maar goed, dat was gisteren. Vandaag is alles anders, ik heb goede hoop dat ik de eerste ben met een pathetisch stukje.

Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.