Met een grote groep van niet meer de jongste mensen lopen we door Bussum. Een auto stopt naast me en het raampje gaat open. De bestuurder begint tegen me te zingen: „Ouwe lullen moeten weg! Ouwe lullen moeten weg. Ouwe lullen zitten alleen maar in de weg.” De man had haarfijn door dat wij de Koot-en-Bie- wandeling aan het doen waren.
Paul van Keep
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
De diagnose was niet best. De operatie zou ingrijpend zijn en met hoge kosten verbonden. Ik zuchtte en probeerde luchtig te blijven: „Nou, bedankt, dokter. En hoe nu verder?”
Zonder een seconde te twijfelen kwam het antwoord: „Hij heeft bij ons in ieder geval een bedje voor de nacht. Dan kunnen jullie er nog een nachtje over slapen en ons morgen laten weten wat jullie willen doen.”
Ik bedankte de automonteur en hing op. Onze auto was in goede handen.
Tabitha Duinkerken
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Het Boekenbal heeft de naam, maar op de afterparty in De Balie gebeurt het wel. Het komt niet naar buiten omdat bezoekers zich later niets meer kunnen en willen herinneren.
Ik moet meegelopen zijn met een groepje, zoiets, maar het kan ook zijn dat ik wilde vieren dat ik nog nuchter was, dat ik me dus toch sociaal kan verhouden zonder drank en drugs.
Ik kwam binnen door de zijingang. Het was alsof ik een schilderij van Jeroen Bosch binnenliep, met Balie-directeur Yoeri Albrecht als aangeschoten cipier. Ik hield de jas aan, man op doortocht.
Het bleek een bijeenkomst voor mensen die het eigen gedrag op het Boekenbal aan het evalueren waren. Het was alsof ze eindelijk konden ontspannen. Alles kwam eruit, het stonk zo nu en dan, maar iedereen mocht het ruiken.
Een schrijfster die me op het Boekenbal zei dat ze op haar 45ste eindelijk voor het eerst cocaïne op had, het deed haar goed, wilde via een tussenpersoon gesprekken voeren. Ik zag iemand van televisie aan een tafeltje aan het raam zitten, op de vloer voor hem lagen ze op elkaar op de grond. Bij de toiletten werd op twee wc’s tegelijkertijd geneukt. Het waren onbekende schrijvers.
Ik begon in het cafégedeelte aan een serie korte gesprekken.
Medewerkers van het Volkskrant Magazine kwamen af en toe een knuffeltje brengen aan hun hoofdredacteur, later zaten ze als een bergje op elkaar. De literair recensent van NRC zat met zichzelf achter een tafeltje. Ik wilde wat bestellen, maar aan de bar zaten ze allemaal te tongzoenen, achter de bar ook. Iemand wilde met me op de foto, een ander kwam me even laten merken dat ze me een lul vindt.
Ik kon de achterstand nooit meer inhalen, ook al dronk ik vier gin-tonics achter elkaar, maar weggaan kon ik schijnbaar ook niet. Ik stond te staan, als een zelfopgelegde straf. Ging ik binnenkort mee naar Oekraïne?
De vraag kwam onverwachts. Het zou goed voor me zijn. Iedereen die ooit mee was gegaan had het goed gedaan. Ik monsterde wat schrijvers die waren geweest. Nieuwsgierig wel hoe we ons zouden verhouden in de loopgraven. Even verderop een oorlogscorrespondent, die ging ook mee. Ik had op televisie meerdere keren om hem gelachen, hij bleek in het echt 2 meter 10 te zijn en in ieder geval niet haatdragend.
Naar de dansvloer, het was meer vallen dan dansen. Een vrouw die ik niet kende vroeg: „Waarom negeer je mij altijd?” Ik had haar nog nooit gezien, bovendien ik reageerde nu toch? Een woedend wegwerpgebaar. Deed ik het weer!
Ik ging hier niet winnen, wilde weg, maar de zaak werd al leeggeveegd. Na afloop stonden ze met zestig voor De Balie, er werden namen geroepen naar wiens huis ze zouden gaan. Het was fijn om ze achter te laten, misschien moest ik maar naar Oekraïne om ze te vergeten.
Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.
Mijn zoon van 15 wil een speciale mountainbike kopen. Volgens hem kan dat alleen in Duitsland. Daarom heeft hij contact met een Duitse man en die lijkt de perfecte fiets voor hem te hebben. Als ik hem vraag waar en wanneer we heen gaan om de mountainbike op te halen krijg ik als antwoord: „Pap, het kan pas na het weekend en het stadje heet Kurzurlaub” Mijn zoon staat een 4.6 voor Duits.
Sanne Brasser
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Enkele weken weerstond ik de verleiding om de biopic A Complete Unknown over het jonge leven van Bob Dylan te zien. Ik houd niet van biopics omdat het charisma van de hoofdpersoon nooit bevredigend door een acteur nagebootst kan worden. Maar deze acteur, Timothée Chalamet, lukt dat juist geweldig, hoorde ik van alle kanten.
Ik bezweek pas toen me een ander motief voor dit bioscoopbezoek te binnenschoot: mijn vrouw. Zij was in de jaren zestig een Dylan-fan van het eerste uur geweest. Toen ik haar in 1966 leerde kennen, liet ze me twee elpees van Dylan horen: The Times They Are A-Changin’ en Another Side of Bob Dylan. Ik vond het „aparte muziek” – altijd een twijfelachtig compliment – maar bleef de voorkeur geven aan mijn eigen smaak, die toen meer bij rock en soul lag.
Vooral aan die knagende stem van Dylan en zijn soms duistere teksten moest ik erg wennen. Pas een poos later, toen ik er nog eens goed naar luisterde, besefte ik hoe apart – in de zin van bijzondere kwaliteit – die eerste platen van Dylan waren geweest: ik beschouw ze als het beste van zijn werk, dat later nog weleens kon tegenvallen.
Ze staan nog steeds in mijn platenkast, die twee elpees met een lichtelijk chagrijnig kijkende Dylan op de hoes. De platen mochten blijven, maar de koper ervan moest zestig jaar later gaan: naar het verpleeghuis. Mijn vrouw weet nu niet meer wie Bob Dylan is, maar zijn muziek zou haar misschien nog wel vaag bekend voorkomen. Waarom het niet geprobeerd? De duur van de film, bijna tweeënhalf uur, pleitte ertegen: zó lang bijna onbeweeglijk op een smal bioscoopstoeltje zitten, mocht ik haar dat aandoen? Maar we konden toch altijd opstappen als het te lang duurde? Wie niet waagt, die niet geniet.
En daar zaten we dan, op een van de achterste rijen met plaatsen aan de buitenkant, zodat we snel konden wegkomen als het nodig was. Maar het was helemaal niet nodig. Als ik voorzichtig opzij keek, of even haar hand zocht, zat ze geboeid te kijken, zonder af en toe in slaap te vallen.
Ze zal niet beseft hebben dat ze naar een acteur zat te kijken die Bob Dylan nadeed en nazong, maar wat maakte dat uit? Het moet voor haar een ideale film geweest zijn: veel mooie, uitstekend gezongen muziek en een gemakkelijk te volgen verhaal over de wording van een fenomeen. Mijn bezwaren tegen de biopic hielden hier geen stand.
De Dylankenners hebben gewezen op de vrijheden die regisseur James Mangold zich in biografisch opzicht heeft veroorloofd. Ik kon er goed mee leven, behalve met de ingreep die Dylan zelf geëist had: dat zijn eerste grote liefde, Suze Rotolo, niet onder haar eigennaam in de film mocht voorkomen. Hij wilde de intussen overleden Rotolo beschermen omdat ze nooit aan de muziekscene had deelgenomen. Dat argument vertrouw ik niet, want Rotolo wilde zelf wél over Dylan praten in de documentaire No Direction Home uit 2005 van Martin Scorsese. Ze noemt hem daar met een knipoog een slimme man die wist hoe hij belangrijke mensen voor zijn talent moest winnen. Was het late wraak van Dylan?
„Hoe vond je ’m?”, vroeg ik mijn vrouw na afloop. „Mooi”, zei ze met volle overtuiging. We gingen aan de overkant nog snel iets eten voor ik haar moest terugbrengen naar het verpleeghuis, want de tijden zijn ook voor ons veranderd.
Een goede vriendin van ons is ernstig ziek. Zij werd gevoed met sondevoeding (via de neus), maar heeft onlangs besloten daarmee te stoppen.
Haar kleinkind, dat in Londen woont, belt haar elke dag via een videogesprek. Nadat de beeldverbinding tot stand was gekomen en hij zag dat de sondevoeding ontbrak, zei hij enthousiast: „Oma, je hebt je snorkel niet meer. Ben je nou beter?”
Jan Slootweg
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
Meestal zie ik dezelfde gezichten in het bos, ’s ochtends tijdens mijn vaste hardlooprondje. Vaak zijn het mannen van middelbare leeftijd met hun hond. In de verte zie ik, naar wat het lijkt, een jong stel. Ik ben nog ver weg, maar zie hoe ze met gebogen hoofden hand in hand naar een leeg bankje staren. Een knoop verschijnt in mijn maag. Was dat het bankje van opa, die er ineens niet meer is? Ik kom dichterbij en kijk naar het bankje. Hebben ze er net wat bloemen neergelegd? En dan zie ik de telefoon en de bank als statief voor een selfie. Opgelucht ren ik verder.
Mirjam Hofstede
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
De eigen ontwikkeling valt in het niet vergeleken bij die van Reinout Oerlemans. Ik woonde in een woongroep in Nijmegen toen hij als Arnie van Goede Tijden Slechte Tijden de gemeenschappelijke ruimte binnenkwam. De mode was daar dan weliswaar links, maar tijdens de bietenschotel of preitaart werd consequent naar de commerciëlen gekeken. Inmiddels hebben de meesten van ons amper een ontwikkeling doorgemaakt en is hij honorair consul in de VS.
De acteur werd multimiljonair met het kopiëren van televisieformats en is inmiddels met vrouw en kinderen neergestreken in een gezinsvilla in LA. Zo nu en dan laat hij ons meegenieten. Frank Evenblij mocht komen filmen, het viel toen al op dat het succes hem goed had gedaan. Reinout praat al een paar jaar als een staatsman, wijs en belegen. Het verschil met George W. Bush en Barack Obama is natuurlijk dat Reinout nooit president is geweest, maar weten wij in Holland veel…
Reinout is ons ontgroeid, dat is voor hem vervelender dan voor ons want als hij dan weer terug is in ons kleine kikkerlandje – Amerikanen weten niet eens waar het ligt, wat wij denken is voor hen totaal oninteressant – valt het hem altijd weer op hoe slecht wij op de hoogte zijn van de wereld overzee.
Nou goed, deze week was hij er dan weer even. Hij mocht bij Eva Jinek komen om over zichzelf en Amerika te praten. Het idee: een stukje Arnie en daarna vrij spartelen, maar zo ging het dus helemaal niet. Reinout kwam ons als een bezorgde vader des vaderlands Amerika uitleggen. Hij heeft zich van ons losgemaakt, is opgestegen naar een andere dimensie en als hij vanaf zijn wolk naar beneden kijkt verbaast hij zich over hoe klein wij eigenlijk zijn. Eva had zich duidelijk voorbereid op Arnie en niet op deze elder statesman. Ze vindt het altijd wel lachen, Gerard Joling over het kabinet of Alexander Klöpping met een robotje, maar nu zat ze opeens naast heel veel parate kennis. Ze kon niet anders dan zich laven. Reinout legde ons Trump heel rustig uit en werd daarna online overladen met complimentjes van mensen die zich normaal gesproken ergeren als ze naar een talkshow kijken. Zelfs ik begon het nieuws te begrijpen: er is eigenlijk niets aan de hand in de wereld. Niets om je zorgen over te maken althans. Als Reinout al iets vreemds ziet dan is het hier in ons kleine malle landje waarvan Trump en JD Vance niet eens weten waar het ligt. Geef ze eens ongelijk. Het doet er volgens Reinout niet zoveel toe wat wij denken en dat is gek genoeg geruststellend. Ik mag toch hopen dat een wakkere redacteur een vervolgafspraak heeft gemaakt zodat we in tijden van crisis, volgens ons dan, toch prettig kunnen slapen omdat honorair consul Reinout ons uitlegt dat iets wat wij op dat moment als vreemd ervaren in Amerika heel normaal is. Hij is de tolk waar we al heel lang op wachten. Dat vindt hij zelf ook. Al sinds Arnie.
Marcel van Roosmalen schrijft op maandag en donderdag een column.
Voor mij begon de Boekenweek dit jaar met de roman De korrel in de voor van Marie Koenen. Ik hoor de lezer zuchten: „Marie wie?” en ik herhaal: Marie Koenen.
Haar roman dateert uit 1941 en Marie zelf leefde van 1879 tot 1959. Zij is voor mij de personificatie van de vergankelijkheid van literaire roem – een thema dat begrijpelijkerwijs in boekenweken zelden wordt aangesneden.
Zij heeft heel veel geschreven – gedichten, novellen, romans – en ze werd goed gelezen, maar toch weet ik zeker dat haar naam in deze nieuwe Boekenweek nergens genoemd zal worden, behalve in deze column. Ik kwam De korrel in de voor onlangs tegen in een Amsterdams straatboekenkastje, het was een versleten Prisma Pocket, een derde druk, vermoedelijk uit de jaren vijftig.
Ik moest meteen terugdenken aan mijn eerste leraar Nederlands op de katholieke HBS, eind jaren vijftig, een nare autoritaire man die we buiten zijn gehoor ‘Pietje’ noemden; zijn achternaam zal ik ongenoemd laten uit piëteit met eventuele kleinkinderen. Pietje moest ons liefde voor de vaderlandse literatuur bijbrengen, reden waarom hij steeds weer urenlang uitweidde over zijn favoriete auteur: Marie Koenen. Hij las gretig voor uit haar boeken en liet na elke in zijn ogen geslaagde passage een intimiderende blik over de klas dwalen. Wie niet oplette, kon op een ferme uitbrander rekenen.
Dat moeten passages geweest zijn als, en ik citeer uit De korrel in de voor: „De volgende morgen kwam Leonardus al de stal binnen, toen Nelis nog de koe zat te melken en terwijl hij met de emmer-vol naar het voorhuis ging, bracht Leonardus de Witte weer op ’r plaatsje terug. Geen Rosalien te verkennen om hem te vragen: ‘Zon, Nelis?’…’Ja, volop’, zou hij vandaag geantwoord hebben, ‘én het luidt al voor de Allerzielenmissen…’”
En: „Geregeld tegenwoordig steekt Lucia aanstonds na het avondeten de kaarsen bij de Moeder Gods op de commood aan, – ieder keert z’n stoel die kant uit, – Plonia, Nelis en Mank Mielke komen uit de achterkeuken, – en neergeknield op de vloerstenen beginnen ze gezamenlijk de rozenkrans, voorgebeden door Maria.”
Het moet voor Pietje een hele opgave geweest zijn met zulke teksten zijn roomse pubers een uur lang zoet te houden. Om nog maar te zwijgen over de onmogelijkheid ons hiermee voorgoed voor de vaderlandse literatuur te winnen. Of maakte hij ons op die manier tegen wil en dank juist rijp voor de wellustige boeken van Jan Wolkers die zich enkele jaren later aandiende?
Verder geen kwaad woord over Marie Koenen. Zij, een brave katholieke vrouw uit het zuiden des lands, kon het ook niet helpen dat haar nu totaal onleesbare en niet meer herdrukte boeken, een tijd lang als belangrijke literatuur werden beschouwd door kwezels in de katholieke contreien van de literaire wereld en het onderwijs.
Maar het toont ook aan hoe tijdgebonden oordelen over literatuur kunnen zijn. Het kan geen kwaad dat te beseffen in tijden waarin zware oordelen over boeken en oeuvres worden geveld via literaire prijzen en overigens best interessante initiatieven door NRC en De Standaard als de lijst met „De 50 beste Nederlandstalige boeken van de 21ste eeuw”. Er ontbrak een aantal goede boeken op die lijst en ik hoop nu maar dat de schrijvers ervan zich daarvan niet te veel aantrekken.
Elk jaar als ik het bord paddentrek zie denk ik aan mijn ontmoeting met iemand die hielp bij de paddentrek. Hij vertelde wat je daarbij nodig had zoals een plamuurmes waarna ik hem heel naïef vroeg: „Is dat om de pad mee op te scheppen en naar de overkant te brengen.” Hij schudde zijn hoofd: „Dat heb je nodig om de dode padden van de weg te schrapen. Anders worden ze dubbel geteld!”
Annelies Willemse-Link
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]