Zodra online gokken legaal werd, raakte Michael van Dijk (26) verslaafd. ‘Of je wint of verliest speelt geen rol meer’

Online gokken werd in oktober 2021 legaal in Nederland, halverwege november was Michael van Dijk (26) gokverslaafd. En niet zo’n beetje. In een jaar tijd verloor hij zijn studie, werk, vrienden, zichzelf en z’n eigenwaarde. En geld. Geleend geld – 20.000 euro van DUO bedoeld om van te studeren: na z’n bachelor klassiek gitaar aan het conservatorium studeerde hij filosofie en muziekwetenschappen in Utrecht. De goklust dreef hem van online casino’s naar het echte, naar gokhallen, en als hij daar verloren had, beproefde hij z’n geluk bij online loterijen of deed desnoods een bod op vakantieveilingen.nl (hij won een kilo varkensvlees).

Gokken doet Michael van Dijk niet meer. Bij zijn laatste bezoek aan Holland Casino in Utrecht in december 2022 was een vriend mee, en die had na afloop tegen hem gezegd dat hij hem niet meer herkende, zo in de greep van de gokzucht als hij was. Daarop schreef Michael zich vrijwillig in bij Cruks, het centraal register uitsluiting kansspelen. De komende twintig jaar mag hij het casino niet meer in, niet online en niet fysiek – zo’n zelfopgelegde gokstop is overigens minder definitief dan het klinkt, daarover later meer.

Vervolgens is hij gaan schrijven. Elke dag om vijf uur op en binnen het jaar was zijn eerste boek af. U heeft helaas niets gewonnen gaat over zijn gokverslaving én is een aanklacht tegen de gokindustrie. In die volgorde. De gevoeligheid voor verslaving zit in mezelf, zegt hij, maar zijn feitenonderzoek toont tamelijk schokkend aan hoe de gokindustrie erop is ingericht om jonge jongens zoals hij verslaafd te maken en te houden.

Het voelt alsof hij moet optreden, zegt hij daags voor zijn boek verschijnt. Maar het is „gezonde spanning”. Niet de opwinding van het gokken. „De drang om te gokken zit in je hoofd en voel je in je lichaam.” De activiteit zelf – muntjes voeren aan een gokautomaat of fiches op zwarte of rode getallen leggen – geeft een roes. „Of je wint of verliest speelt nauwelijks nog een rol.”

In wetenschappelijke artikelen las hij over mogelijke risicofactoren. Als kind druk, impulsief en sensatiebelust. Fanatiek gamer, vooral Habbo Hotel en Runescape, hij wist altijd exact hoe er binnen het spel wat extra’s te winnen viel. Verder had hij een „non-conformistische houding” – onhandelbaar thuis en op school. En wat hem ook vatbaar maakt is de extreme zuinigheid van zijn ouders. Hij is opgegroeid in Giessenburg – een „dorpsgezin” aan de rand van de biblebelt. Zijn vader is logistiek medewerker bij een schoonmaakbedrijf, zijn moeder maakt schoon. De hypotheek is afbetaald en er is „zat geld”, maar het calvinisme zit diep in de genen, ook in de zijne. „Schuld, zelfverwijt, schaamte bij elke verspilde euro.”

Na een ‘preventiegesprek’ bij Holland Casino werden hem zes éxtra bezoeken toegezegd

Hij had een probleem, maar wás hij ook het probleem? Op die brakke ochtend dat hij somber op zijn telefoon scrollde naar een spelletje Cash or Crash, kwam zijn verslavingsgevoelige natuur in de greep van de industrie die aan verslaving verdient en die, toen nog, volop en overal reclame mocht maken. Inzet 100 euro! Bonus van 250 euro! Rijk binnen no time! Hij had na een paar uurtjes 3.150 euro ‘verdiend’ en zijn somberte was hij kwijt.

Overkwam alleen hem dit? Nee, sinds de introductie van de wet Kansspelen op afstand (KOA), bedoeld om illegaal online gokken tegen te gaan, kwamen er onbedoeld 800.000 nieuwe gokkers bij – veelal tussen de 19 en 24 jaar. En wat Michael van Dijk zo verbijsterde toen hij zich verdiepte in de totstandkoming van de wet: het ministerie van Justitie en Veiligheid waarschuwde zelf dat reclamemaken „een normaliserend effect” zou hebben. En de minister van Justitie (Fred Teeven) vond dat legalisering niet mocht leiden tot „aanvullende vraag” naar gokken – precies wat gebeurde.

Michael zette bij Toto in op voetbalwedstrijden en als hij daar zijn ‘verlieslimiet’ bereikte, week hij uit naar BetCity of naar de roulettetafel bij Holland Casino online. Elke online aanbieder heeft, wettelijk verplicht, stortings- speeltijd- of verlieslimieten, maar niemand die centraal bijhoudt wat een individuele gokker aan tijd en geld verspeelt. Dus kon Michael op z’n 22ste de klok rond ‘spelen’.

Hij meldde zich aan bij de Jellinek kliniek voor hulp, registreerde zich op hun advies bij Cruks voor een gokstop – maar ontdekte dat hij die ban na een half jaar met één muisklik zelf weer ongedaan kon maken en gokte door. Twee keer kreeg hij een ‘preventiegesprek’ bij Holland Casino. Onder de 24 jaar mag je zes keer per maand het casino bezoeken. Hij kwam een zevende keer. Het casino heeft een wettelijke zorgplicht, iemand moest controleren of hij geen probleemgokker was. Alles ging prima, had hij gezegd tegen de preventieman. „Hij had een uitdraai voor zijn neus waarop hij kon zien dat ik zes hele dagen achter elkaar binnen was geweest.” Toch werden hem zes extra bezoeken voor die maand toegezegd.

In zijn verslaafde maanden heeft hij overwogen zijn ouders op te lichten en zijn lichaam te verkopen, zijn ziel was hij al kwijt. Hij is zich gaan verdiepen in de gokindustrie en is geschrokken van de „drek” die hij aantrof. Van de geurgaten in de vloeren van Holland Casino waaruit stressverlagende aroma’s komen tot stapels wetenschappelijke waarschuwingen over wat gokverslaving de samenleving kost. „Het is mijn schuld dat ik verslaafd raakte, maar de industrie staat klaar om me verslaafd te houden. Nu nog. Waarom mag dat? Waarom staan we toe dat zij altijd winnen?”


De natuur gaat eraan, gelukkig hebben we de dierenfilmpjes nog

Op dierengebied bereikten mij de afgelopen jaren twee typen berichten op dagelijkse basis. Aan de ene kant zijn er de onheilstijdingen over het uitsterven van weer een soort. (Volgens de Verenigde Naties zijn dat er dagelijks zo’n 150, maar precieze aantallen zijn moeilijk te verifiëren.) Aan de andere kant zijn er de talloze vertederende memes van kroelende kittens en trouwe honden, de video’s waarin dieren ‘menselijk’ overkomen, als ze met een schijnbaar invoelende blik naar de camera kijken of als ze met een al te menselijke klunzigheid door een pak sneeuw zakken.

Gevoelsmatig staan deze twee typen berichten op gespannen voet met elkaar; de somberte over het door menselijk toedoen uitsterven van wilde diersoorten enerzijds en de liefde voor het ‘menselijke’ dier anderzijds. Nu denk ik: het tegendeel is waar. Volgens mij hangt de populariteit van het tweede type berichten, de memes en de video’s, samen met ons onvermogen om te gaan met het eerste type. Omdat we het verstrekkende en abstracte karakter van de ecologische neergang niet aankunnen, grijpen we naar het kleine, dat we wél kunnen bevatten, dat ons niet lamlegt maar ons vervult met vertedering. Omdat we niet in staat zijn gebleken om de wilde natuur te verdedigen – sterker nog, in meer of mindere mate zijn we allemaal medeplichtig aan de verwoesting ervan – werpen we ons op als liefhebber van het individuele dier, op wie we al onze goedheid kunnen projecteren.

Zodoende vermascottiseren we dieren. En dat op steeds grotere schaal, zo schreef ook The New Yorker onlangs. In 2024 werden sommige dieren wereldsterren, vooral op TikTok. „It’s true enough that every year in recent memory has had its share of famous critters […] but, this year, I sensed a new, fevered desperation in our tendency to cling to the zoological world”, schreef Naomi Fry in het blad. Er komt dagelijks zo veel op ons af op sociale media, betoogde ze, zoveel oorlog en ellende en politiek, dat we ons graag en masse op schattige dierenvideo’s en dierenverhalen richten.

Het beroemdst vorig jaar werd Moo Deng, het mollige dwergnijlpaard dat overal waar het kwam stennis schopte. Er was Crumbs de kat, die in september uit de kelder van een Russisch ziekenhuis werd gered en die zo zwaar was dat hij niet meer kon lopen. Hij ging naar een afvalkliniek, waar hij probeerde te ontsnappen; helaas bleef hij vastzitten in een schoenenrek. Crumbs stierf in oktober. Ook de dood van Flaco, een Euraziatische oehoe die was ontsnapt uit de Central Park Zoo in New York en sindsdien vrij rondzwierf door de stad, totdat hij in februari tegen een gebouw aan vloog, was wereldnieuws. We lachten, we rouwden.

Free Willy? Free Keiko!

Recent blies The New York Times een oud, soortgelijk dierenverhaal nieuw leven in. De podcast The Good Whale gaat over Keiko, de walvis die een hoofdrol speelde in Free Willy (1993), een film over de vriendschap tussen de wees Jesse en de orka Willy, die in een pretpark woont en trucjes opvoert totdat Jesse hem bevrijdt. Een klassiek verhaal over de mens die opkomt voor het dier dus. Free Willy was een wereldwijd succes; hij bracht het achtvoudige op van wat hij had gekost en was het begin van een franchise – twee vervolgfilms, een animatieserie, en heel veel speelgoed. Ik herinner me de hype goed; de knuffels, de rugzakken, de schriften, de pennen. Wie zijn animal awareness wilde bewijzen, kocht in die jaren de bijbehorende merch, spullen die op een dag weer afgedankt zouden worden.

Bijvangst van de film: wereldwijde aandacht voor de orka Keiko, die net als Willy een tragisch leven-in-gevangenschap leidde. Vanaf jonge leeftijd had Keiko in te kleine bassins geleefd. Hij moest jarenlang optreden voor publiek, het grootste gedeelte ervan in een pretpark in Mexico. Door Free Willy groeide Keiko uit tot een symbooldier. Aan het einde van de aftiteling stond een telefoonnummer voor de bescherming van walvissen; het werd honderdduizenden keren gebeld. (Enigszins hypocriet natuurlijk; de filmmakers lieten het dier immers ook allerlei trucjes uitvoeren, en ze zetten hem net zo goed in voor hun eigen gewin.)

Om dichter bij dieren te komen ontdoen we ze van hun dierlijkheid

Net als Willy moest Keiko in staat worden gesteld te ontsnappen aan de mens, luidde de communis opinio, die steeds dwingender werd naarmate meer mensen de film gezien hadden. Maar die vrijlating kon alleen plaatsvinden met hulp van de mens. Keiko mocht niet zomaar worden losgelaten, dat zou zo’n tam dier niet overleven. Het moest stapje voor stapje. Er werden tientallen miljoenen gestoken in zijn herintrede in het wild; ngo’s bemoeiden zich ermee, miljonairs, bedrijven. Er werden reportages geschreven, documentaires gemaakt. Er stond veel op het spel, veel meer dan het lot van een enkele orka.

Van meet af aan school er een zekere wanhoop in de onderneming. Als we dít dier redden, deze uitverkorene, deze pars pro toto, zouden we in symbolische zin alle dieren redden van de manier waarop de mensheid ze behandeld heeft, leek de onderliggende gedachte. Maar als men echt zo geïnteresseerd was geweest in dierenwelzijn, dan hadden de Keiko-dollars veel beter besteed kunnen worden. Aan het beschermen van dieren in bedreigde gebieden bijvoorbeeld, in plaats van aan een mascotte.

Fabeltjes

Vermascottisering is een vorm van antropomorfisme; de neiging om het niet-menselijke te vermenselijken. Antropomorfisme en bekommernis om dieren zijn aan elkaar gelinkt, zij het op een ingewikkelde manier. In beginsel kan antropomorfisme leiden tot sympathie voor een dier waarvan we feitelijk weinig weten. Dit is een complex proces. Door dieren te voorzien van menselijke trekken hebben we hen deel gemaakt van onze narratieve cultuur. Mensen vertellen niet voor niks al duizenden jaren fabels; verhalen over dieren met menselijke trekken – de sluwe vos, de trotse pauw, de trouwe hond – waaruit we een menselijke moraal kunnen trekken. De vroegste verhalen die we onze kinderen vertellen over goed en fout gaan vaak over dieren. En evenmin voor niks zijn die fabels keer op keer hernieuwd, ze vormen de leidraad van menig Disney-film, Jungle Boek, De Leeuwenkoning, 101 Dalmatiërs.

Illustratie Sara-Noor ten Cate

Die menselijke trekken blijven vervolgens deel van het dier zelf; kinderen kijken naar beelden van een wilde beer en denken aan Baloe, naar een jong hert en ze zien Bambi. Zonder die intieme ervaring met fabels zouden dieren maar vreemde, onkenbare wezens blijven, wat het medeleven met hun lot niet ten goede zou komen. Wat we feitelijk doen om dichter bij het dierenrijk te komen, is dieren ontdoen van hun dierlijkheid, van hun onkenbaarheid.

Maar antropomorfisme is niet zonder nadelen of gevaren. Daar zijn talloze voorbeelden van, ook beschreven in vakliteratuur: mensen die een eenzaam hertenjong vinden, aannemen dat het verlaten is door de moeder en het meenemen naar een opvangcentrum, terwijl de moeder in werkelijkheid eten aan het verzamelen was. Of mensen die zich zodanig denken te kunnen verplaatsen in dieren dat ze menen te weten wat er in hen omgaat; ze ‘praten’ met beren en wolven. Wie dit proces van fatale projectie van dichtbij wil zien, moet Grizzly Man van Werner Herzog zien, over wildlife- en berenfanaat Timothy Treadwell, die uiteindelijk samen met zijn geliefde aan flarden wordt gescheurd door de dieren die hem naar eigen zeggen beter begrepen dan mensen.

Grazende koeien, slachtvee

Ook de wolf, een traditionele vijand van de mens, is vaak geantropomorfiseerd, maar in negatieve zin; in talloze sprookjes stond de wolf symbool voor gevaar en valsheid. We kunnen daarom weinig empathie voor hem opbrengen. Tegenwoordig is de wolf in reële zin een bedreigde diersoort en mag hij niet gedood of verwond worden. Maar laten we de wolf ongebreideld zijn gang gaan, dan volgen er incidenten met de bewoonde wereld, met boeren, met fietsers, met huisdieren. De mens zit gevangen tussen twee rollen: die van mogelijke prooi van een roofdier en die van hoeder van bedreigde diersoorten. De wolf plaatst ons voor een probleem omdat we hem niet kunnen vermascottiseren.

Ook bij minder gevaarlijke dieren wringt het soms. Katten en honden halen we in huis, we geven ze mensennamen en sturen graag filmpjes van hun schattige, slimme of anderszins menselijke gedrag rond. Andere dieren, die niet minder intelligent of aandoenlijk zijn, zoals varkens of koeien, stoppen we weg in industriële complexen, geven we een nummer, en slachten we massaal af. Dit discrimineren tussen soorten noemt men speciësisme. Varkens en koeien zien we alleen graag wanneer ze op een lentedag in de wei grazen, als toonbeeld van het oerhollandse boerenlandschap. Slachtvee zien we daarentegen als een anonieme, gezichtsloze dierenmassa, waar we geen emotionele betrokkenheid bij voelen, en waarvoor we dus ook geen verantwoordelijkheid erkennen. Maar het zijn dezelfde dieren.

Hoe werkt empathie voor dieren precies? De feitelijke kennis over de natuurlijke geschiedenis van een dier is helaas vaak gering. En zelfs als we de gedragingen van een diersoort goed kennen, hebben we nog geen besef van hun werkelijke sensorische ervaring van de wereld, laat staan dat we weten hoe ze die ervaring beleven. De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel heeft dit probleem uitgewerkt in zijn beroemde paper What Is It Like to Be a Bat?, waarin hij zich – vanuit de vraag of we ooit kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn – verzet tegen de objectieve grenzen van de wetenschap. Wat we ‘weten’ noemen is een verraderlijke vorm van kennis, betoogt hij. „Wij geloven dat vleermuizen bepaalde versies van pijn, angst, honger en lust voelen, en dat ze naast sonar ook andere, meer bekende soorten waarneming hebben. Maar wij geloven dat deze ervaringen telkens ook een specifiek subjectief karakter hebben, dat ons voorstellingsvermogen te boven gaat.” Hoeveel we ook over een dier weten, de ervaring van hoe het is om dat dier te zíjn is soort-specifiek, alleen kenbaar door het dier zelf. Niettemin projecteerden mensen hun eigen vrijheidsbeleving destijds naar hartenlust op Keiko, die zo snel mogelijk moest worden bevrijd.

Solastalgie

De zomer van 2002 brak aan. Nadat Keiko achter een groep orka’s was aangezwommen, was hij een maandlang onvindbaar. Hij was ‘ontsnapt’, hij was ‘vrij’. Een maand later werd Keiko gespot in een Noorse fjord, waar hij trucjes deed voor toeristen en kinderen aan het lachten maakte.

Niet veel later werd Keiko ziek. Een longontsteking. Hij stierf in 2003.

David Phillips, directeur van de Free Willy-Keiko Foundation, was zeer positief over het project. „Het was een groot succes voor Keiko, voor zijn welzijn, en voor de hele wereld, die het juiste wilde doen.” Maar de eindscore is complexer. We wilden Keiko redden omdat we iets menselijks in hem zagen. Hij redde het niet, omdat hij, na al die jaren van gevangenschap en blootstelling aan mensen, te menselijk was geworden.

Illustratie Sara-Noor ten Cate

De vraag hoe om te gaan met en na te denken over dieren is door de klimaatcrisis en de ecologische rampspoed die daarvan het gevolg is des te prangender geworden. In een recent artikel in Nature definiëren Ashlee Cunsolo en Neville Ellis ‘ecological grief’ als de pijn, het verdriet of het lijden dat mensen ervaren vanwege (een al dan niet in de toekomst liggend) verlies van een soort, ecosysteem of landschap.

Een andere term die in zwang aan het raken is: solastalgia, of solastalgie, een vorm van emotioneel of existentieel onbehagen over ecologische neergang. Hoewel beide vormen van verdriet het meest voorkomen bij mensen die het hardst geraakt zijn, die hun directe leefomgeving hebben zien verkommeren, ben ik ervan overtuigd dat velen van ons een zekere bedroefdheid ervaren als we te lang stilstaan bij het feit dat de wereld die we twintig jaar geleden kenden is opgehouden te bestaan. De ontroering over het individuele dier ontslaat ons eventjes van het doorvoelen van dat verdriet. Dieren zijn deel van de natuurlijke wereld, maar kunnen hun rol daarin niet verbaliseren of doorgronden en bovendien hebben ze geen hand gehad in de ecocide – daarom belichamen dieren in dit opzicht veel meer onschuld dan dat mensen dat doen.

Al die berichten over uitstervende diersoorten. Het is ons te veel, het is ons te abstract. Daarom richten we onze compassie liever op mascotte-geworden dieren; half-mens en half-dier. Hen denken we te begrijpen. Hen kunnen we toejuichen, om hen kunnen we rouwen. Zij bieden ons precies de mentale uitvlucht die we nodig hebben, zodat we, als er weer diersoort teloorgaat, kunnen denken: aan mij heeft het niet gelegen.


Gedragsverandering op rijm

Veel Nederlandse borden in de openbare ruimte die gedragsverandering willen bewerkstelligen , gebruiken de kracht van de rijm. Of het nu ideeën van overheidswege zijn of clandestiene buurtinitiatieven, ze proberen de lezer te verleiden met de rijmmagie waar de mensheid al zo lang bekend mee is. Zou dat echt beter werken? Volgens hoogleraar Nederlands Marc van Oostendorp heeft rijm twee functies: „Het helpt mensen een tekst beter te herinneren. Vroeger waren leerboeken ook op rijm. Daarnaast maakt rijm de tekst bijzonder, het tilt de woorden uit boven het alledaagse. Die twee versterken elkaar dus weer: je onthoudt beter wat bijzonder is.” Het genre van de ‘middenstandspoëzie’ is ook gebouwd op deze twee fundamenten. Koen maakt je schoen, Broodjes van Hekker, altijd lekker, we kennen ze wel. Van Oostendorp: „Ik loop sinds mijn jeugd in Den Bosch al vijftig jaar rond met de tekst ‘Een goede wenk / Eet vis van Henk’. Henk is vermoedelijk allang dood, maar die tekst gaat nooit meer weg.” Het fenomeen op de borden is vooral populair om relatief lichte overlast te adresseren. Te hard rijden, ongedierte, hondenpoep; iets als ‘criminele heren, gelieve niet hier liquideren’, kom je niet tegen. Het zijn de kleine ergernissen. Voor mijzelf hebben die adviezen in de openbare ruimte op rijm wel een bijwerking. Ze gaan weliswaar nooit meer weg uit je hoofd, maar je neemt ze ook weer niet écht serieus.

Foto Jan-Dirk van der Burg

Foto’s Jan Dirk van der Burg


De Lexus LBX trekt als een speer

Mercedes bood in Parijs de gerestaureerde Mercedes 600 van Maria Callas te koop aan, de enorme witte slee waarin de stersopraan van opera naar opera werd gechauffeerd. Het is én een gratuite én een goede vraag waarom luxe auto’s altijd groot moesten zijn. Natuurlijk voor de ruimte, die comfort bracht en de weelde uitdroeg waar de groten der aarde recht op meenden te hebben. Je kon een Callas moeilijk in een Mini bij de Scala van Milaan laten voorrijden. Maar in de klassenmaatschappij die ook toen al meer op geld en macht dan op verdienste rustte, stond grootte boven alles voor symbolisch overwicht. De 600 was voor sterren en despoten het beeldmerk van hun grenzeloze minachting voor matigheid. Je stond ver boven wetten van discretie of fatsoen en blijkbaar moest de auto daarvoor ook fysiek de plaats innemen die in overeenstemming was met de maatschappelijke positie van de eigenaar. Daarvan afgezien waren kleine auto’s uiteraard heel lang een beproeving voor bestuurders, primitief en luidruchtig.

Hoe anders is dat nu. De kleinste stekker-Chinees heeft elektrisch verstelbare stoelen. Mini’s zijn duur en luxueus. Voor het rijcomfort in de Golf-klasse moest je vroeger bij een Duits topmerk aankloppen. Mercedes, Audi en BMW lanceerden hoogwaardige kleine modellen. Niettemin blijft het woord topklasse als vanouds gereserveerd voor grote, kostbare gevaartes. Lengte blijft die toxische verlokking. Nu zijn succesvolle Chinezen in de ban – die willen van elke Europese überlimo de verlengde versie. Het voor de hand liggende concept van een compactere auto-elite is nooit ingedaald.

Het zou eens tijd worden, nu in stad en land de ruimte en de tolerantie voor de grote maten krimpen. Niets weerhoudt een topmerk de verworvenheden van de bovenbouw – stilte, comfort, afwerkingsniveau – naar kleinere modellen af te schalen. Lexus deed het en dat is voortreffelijk gelukt.

Afbeelding met meerdere focuspunten die samen een verhaal vormenZoom in voor alle details van de Lexus LBX
Klik op de punten voor uitleg over de details.Foto Merlijn Doomernik

Met de Lexus LBX verwachtte ik een gegentrificeerde Toyota Yaris voor de deur te krijgen. Technisch zijn ze met die lullige hybride driecilinder identiek, maar de premium-kopie biedt onverwacht veel meer. Het vijfdeursje trekt als een speer, blijft op de snelweg ver boven zijn stand koersvast, maakt bij constante snelheden geen en bij optrekken opmerkelijk weinig lawaai. Op welke manier dan ook kreeg Lexus het gedaan het klagende geluid van een versnellende hybride af te zwakken tot een vriendelijk zacht knorren. Indrukwekkend.

Prettig rond en niet te dik

Een chauffeursauto zal dit nooit worden. Achterin kan geen normaal mens chillen. Maar voorin zit hij met voldoende been- en nog meer hoofdruimte plezant, de stuurpositie is goed, de afwerking top. De deurtjes slaan dicht met chique doffe klappen, het dashboard oogt exquise met een mooi geïntegreerd multimediascherm dat niet zoals bij ordinaire kleintjes beeldverpestend als een botte iPad op het dashboard is geplakt. Het stuur is prettig rond en niet te dik, de stereo geweldig. En nog grif deugpunten scoren ook. De LBX paart de rijkwaliteiten van een Lexus aan het verbruik van een boodschappenauto. Ik haalde 1 op 18 en met iets meer zelfbeheersing had ik er zo 1 op 20 van gemaakt. Na het bijvullen van het piepkleine benzinetankje, 36 liter, kan ik volgens de boordcomputer 570 kilometer verder en die afstand haalt hij met gemak als je je inhoudt.

Foto’s Merlijn Doomernik

Al met al niets dan lof. Ook van buiten oogt de LBX niet knullig en zelfs enigszins dynamisch met zijn scherp dalende motorkap en stoer geknepen koplampen. Die heeft er zin in, zie je. Zin in alles eigenlijk, van buiten spelen tot bemoederen. Voor gevaren waarschuwt hij zo zelfverzekerd als hij oogt. Ook voor naderende achterliggers, het Lexus-woord voor bumperklevers. Een waarschuwing waar de LBX trouwens geen risicobeperkende adviezen aan verbindt, zodat je toch een beetje met zijn dreigingsanalyse in je maag blijft zitten. Wat moet je ermee? Harder gaan rijden? Klever de stuipen op het lijf jagen met een linke remactie? GEEN IDEE. Het doet er ook niet toe. Jij bent gelukkig. Nooit meer laden en toch maar 107 gram CO2 per kilometer uitblazen met een brok boterzachte bonsailuxe, kom er eens om in je historische Mercedes-sloep. De test-LBX had zelfs vierwielaandrijving – hoef je geen suv meer voor de wintersport. Die deftigheid kost wat. Een basisprijs van 37.495 euro en ruim vijftig mille voor de testauto zijn niet mals. Maar topklasse heeft een prijs en Maria Callas had hem gerust kunnen kopen.


Wat goed is én beter kan, komt samen in het hoofdgerecht van Lagom

‘Lagom’ is Zweeds. Het is zo’n woord dat zich moeilijk laat vertalen – zoals ons Nederlandse ‘gezellig’ – omdat het steeds net weer een andere lading kan hebben al naargelang de context waarin het gebruikt wordt. Lagom betekent zoiets als ‘precies goed’. Niet per se in de zin van perfect. Maar het is meer dan adequaat of voldoende. Gewoon precies goed voor de gelegenheid. Of, zoals de Vlamingen zo mooi kunnen zeggen: meer moet dat niet zijn.

Precies goed. Dat kun je opvatten als een tamelijk pretentieuze naam. Of juist een realistische, haalbare ambitie. Hoe je het ook opvat, ik kan me goed voorstellen dat je op een aangename middag in een waterig lentezonnetje op het terras zit met uitzicht over de pittoreske haven van Harderwijk. Glaasje muskateller in de hand – strak, droog, met een zweempje ordinair tropisch fruit – waarvan je er zonder dat je er erg in hebt opeens al drie hebt gedronken. Dat je besluit dan maar een hapje te blijven eten. Dat je een amuse van bospeentartaar met vadouvan krijgt, een hap neemt en denkt… ‘ja, dit is eigenlijk precies goed voor het moment’. Meer moet dat niet zijn.

Lagom is een doorstart van restaurant Chez Brochard, onder nieuwe eigenaar Hugo Hond, met dezelfde chef, Peele Koops. Hond en chef Koops staan samen in de keuken en sparren veel.

Dat de mannen kunnen koken is duidelijk. De smaakcombinaties zijn overwegend goed en vooral de cuissons zijn allemaal dik in orde. Een prachtig lijvig stuk skrei (winterkabeljauw) valt exact in lamellen uit elkaar zonder ook maar een seconde te lang te zijn gegaard. De hollandaise heeft exact de juiste balans tussen hoog zuur en filmende vettigheid, ze is mega-fluffy en licht, maar nog wel een saus, niet van dat broze schuim.

Ook de garnituren hebben een heel precieze garing meegekregen. De parelgort (op wijze van risotto) is smeuïg, maar niet papperig, de graankorrels hebben exact de juiste bite. De prei in de ravioli van het vega-hoofdgerecht is heerlijk romig zacht gestoofd. Andere groenten zijn net niet meer rauw, maar wel nog knapperig. Neem die bospeen in de amuse, die is in héle fijne vierkantjes gesneden (‘suiker snijden’ in vaktermen) en zeer kort geblancheerd, met een smaakvolle vadouvan-olie en gebrande zilveruitjes die zuur en roostersmaak geven.

Zeebaarsceviche in ponzu met mango en kokos-limoenvinaigrette klinkt gevaarlijk banaal, als een veel te zoete vakantiecocktail. Maar ook dit is behoorlijk geraffineerd gedaan. De miso in de yuzucreme en de soja in de ponzu bieden een umami-ankertje. We meren aan op een tropisch eiland, maar er staat nog een stevige Atlantische bries. Het werkt eigenlijk nog beter in de vega-variant: de ragfijne sliertjes knolselderij geven een soort krabsensatie en laten zich minder snel ondersneeuwen dan de delicate zeebaars. Lagom is overwegend een visrestaurant, maar vlees kunnen ze ook: prima ossenstaart met nagelholt en gedroogde bloedsinaasappel (en heel aardige rendang van jackfruit voor de vegetariër) – de hartige tonen van de lavas-vinaigrette erbij flirten leuk met de minty finish van de friszure montepulciano.

Bon. Helaas is niet alles precíés goed. We komen nogal wat verplichte krokantjes tegen en de ‘parels’ (zie inzet) zijn tot twee keer toe taai. Groter probleem is als ingrediënten hun draai niet kunnen vinden op het bord en daarmee de rest dwarszitten. Octopus en pecorino-kaas kunnen prima naast elkaar bestaan in een risotto-achtige context (in dit geval met die parelgort). Maar een komkommerlint in zoetzure sushi-azijn snijdt daar lelijk doorheen, waardoor het allemaal een beetje dissonant wordt.

Een gemütlich tafereeltje

De skrei, met een leuke vissige verdieping van een quenelle gerooktemakreelsalade, op een zalvige koolraapcrème met hartige boerenkoololie vormen een gemütlich tafereeltje. Dat wordt verstoord door een surrealistische veeg rodepaprika-beurre blanc. In beide gevallen was het een prima gerecht geweest zonder die vreemde eend in de bijt – die komkommer en rode paprika kunnen zonder enige pijn gewoon weggelaten worden.

Wat goed is en beter kan komt eigenlijk precies samen in het hoofdgerecht. Een prachtig gegaarde hoender is een mals en sappig canvas voor een geweldig huwelijk tussen een intense zoet-vissige bouillabaisesaus en een geconcentreerde, plakkerige kipjus met dragon, die van twee kanten naar elkaar vloeien. Slim bedacht, mooi uitgevoerd, wil ik morgen nog een keer eten. Maar daar liggen dan drie ministukjes kreeft naast waar je nooit iets van gaat terugproeven. Kreeft als garnering is echt het verkeerde soort decadentie (al zal het niet zo bedoeld zijn). Beter was de ravioli naast de kip gevuld met kreeftenfarce (dan had het een functie gehad) in plaats van een wat taai kipgehakt dat naast dat mooie hoen niet veel toevoegt.

Wat vooral begint op te vallen is dat nagenoeg alle gerechten volgens dezelfde blauwdruk zijn opgebouwd: aangemaakte brunoise gesneden groente als basis, daarop vlees of vis, vaak uit hetzelfde stekertje – alles is daardoor cirkelvormig – telkens een andere lichter- of donkerder-groene vinaigrette (van lavas, rucola, boerenkool of cavolo nero), en dan afgemaakt met een schuimige saus. Dat wordt snel sleets, daarin mag wat meer creativiteit gestoken worden.

Het zijn evenwel allemaal punten waar op zich makkelijk wat aan te doen is. En daarbij: Lagom is nog net geen jaar open, dus ze zullen er zeker meer in groeien. In de tussentijd kunt u daar prima neerstrijken op het terras als u eens in Harderwijk bent.


Fluffy Zuid-Amerikaanse maisbroodjes

Voor de klassieker van vorige maand reisde ik af naar Rio de Janeiro. Zo hoefde ik voor de klassieker van maart alleen maar een stukje door te vliegen naar Caracas of Bogotá. Nee hoor, dit lieg ik. Dat ik in Brazilië was en daar een moqueca at, klopt. Maar in Venezuela of Colombia ben ik nog nooit geweest. Daarom wendde ik mij tot Raul Lansink met het verzoek me alles te leren over de arepa, een traditioneel Venezolaans/Colombiaans maisbroodje, dat in het kielzog van emigranten ook populair is geworden in landen als de Verenigde Staten, Peru en Spanje.

Raul kwam hier al eens eerder voorbij, in een column over een magistraal auberginegerecht dat ik destijds had geproefd in zijn Peruaanse restaurant Nazka in Amsterdam. De horeca-ondernemer groeide op in Venezuela en is goed thuis in de gehele Zuid-Amerikaanse keuken. „Grappig dat je belt”, reageerde hij. „Ik ben as we speak op zoek naar een locatie in Amsterdam om een arepera te beginnen, een arepazaakje.” Bijna lyrisch vertelde hij me vervolgens over de arepa’s die zijn moeder vroeger bakte voor het ontbijt, hoe hij de zoetwarme toastgeur van de broodjes al rook bij het ontwaken en dat je hem nog steeds wakker kunt maken voor een arepa-ontbijt.

Wat de arepa volgens hem zo smakelijk maakt, is de brosse, krokante textuur en de zachte, fluffy maissmaak. En de vulling natuurlijk. De broodjes worden meestal rijk gevuld met zaken als avocado, bonen, kip, bakbanaan, eieren of, Rauls favoriet: carne mechada ofwel Venezolaanse pulled beef. „Wil je een recept?” Wat denk je zelf?

Omdat de ruimte hiernaast te krap is om én het recept voor de carne mechada én het recept voor de arepa’s te geven, beginnen we hier alvast met de broodjes. U heeft er harina precocida voor nodig, voorgekookt maismeel van het beroemde Venezolaanse merk PAN. Dit meel is te koop bij vrijwel iedere supermarkt, en ook bij toko’s en online. Het mag wit of geel zijn, dat maakt niet uit.

Verwarm de oven voor op 200 graden Celsius. Doe 300 g harina precocida, 200 ml melk, 200 ml water en 1 theelepel zout in een kom. Voeg 3 eetlepels zonnebloemolie en wat versgemalen zwarte peper toe. Kneed snel met de hand tot een samenhangende deegbal. Laat afgedekt met een theedoek 10 minuten rusten. Verdeel het deeg in 8 gelijke stukken. Vet uw handen lichtjes in met zonnebloemolie en rol de 8 stukken deeg uit tot balletjes. Druk deze enigszins plat; de diameter mag ergens tussen de 7 en 10 cm zijn – als de randen een beetje scheuren kunt u ze met geoliede handen weer glad boetseren. Bescherm de broodjes die al gevormd zijn liefst onder vershoudfolie, zodat ze niet uitdrogen.

Leg de arepa’s op een bakplaat en bak ze 10 minuten in het midden van de oven. Keer de broodjes en bak ze in nog eens 6 tot10 minuten gaar. Een arepa is klaar wanneer de buitenkant stevig aanvoelt en licht krokant is en de binnenkant warm en fluffy. (Als hij moeilijk te snijden blijkt, is hij te kort in de oven geweest.) Haal de arepa’s uit de oven en laat ze nog 3 minuten rusten voor u ze opensnijdt en vult.


‘Mijn vader stond voor de klas, mijn moeder was zijn leerling’

‘Deze foto is genomen in de vierde klas van de Groen van Prinstererschool in Amsterdam in 1925. Mijn beide ouders staan erop. Mijn moeder is het meisje vooraan, tweede van rechts (met bril), IJsje (later Ans) Kooistra, 10 jaar oud. Mijn vader is de onderwijzer rechts, Arie de Wilde, 22 jaar oud. Hoewel mijn broers, zus en ik vaak het verhaal van hun onwaarschijnlijke relatie hadden gehoord, zagen we pas in november 2024 deze foto voor het eerst.

Het verhaal werd altijd verteld door mijn moeder. Hoe „aardig” ze deze meester meteen al vond, illustreerde ze met het feit dat hij een onterecht gestrafte leerling de volgende dag zijn excuses had aangeboden. Ze vroeg haar moeder of die hem niet eens op de thee wilde vragen. Dat gebeurde – en er was een klik tussen hem en de ouders, die leidde tot correspondentie.

Mijn moeder werd na ulo en kweekschool onderwijzeres in de Banstraat en woonde op kamers bij een huisvriend van haar ouders, ds. J.J. Buskes. Die correspondeerde met Arie, die zelf sinds 1934 dominee was in Beusichem. Schuchter en sporadisch ontstond nu volwassen contact. Enfin, ze trouwden in 1941 en kregen tussen 1942 en 1950 vijf kinderen. Ze verhuisden naar Wognum, Leek, Nieuwe Niedorp en Zaandijk.

Pal tegenover de pastorie aan de Zaan werd in de jaren 60 de Zaanse Schans opgebouwd: een fantastisch schouwspel. Vader was actief in de Vrijzinnigheid en de V.P.R.O. en promoveerde in 1951 in de filosofie, of ‘weet-niet-kunde’ zoals hij aan ons uitlegde. Moeder zocht na 1958 steeds parttimewerk als lerares Engels, waar ze van genoot. In de vakanties ruilden we huis, vaak in Engeland. Als emeritus werd vader voorganger van de Nederlandse Protestanten Bond in Lunteren. In 1990 overleed vader, in 2000 moeder.”


Column | Sleur

Toen ik een twintiger was vroeg ik aan mijn moeder wanneer het huwelijk van mijn ouders ingewikkeld werd. „Eerst was er de hevige verliefdheid”, zei ze. „En daarna kwam de sleur.”

„O, vreselijk”, zuchtte ik mee. Ze keek me aan. „Maar die sleur was het beste deel”, zei ze. Het was juist het verbreken van de regelmaat waardoor het ging het wringen. Tenminste, zo zag het er van de buitenkant uit.

Aan het begin van de verkering is chaos welkom, omdat je zo vreselijk veel zin hebt in alles wat de ander is. Aan het einde van een huwelijk – en met huwelijk bedoel ik iedere langdurige relatie – breekt avontuur de boel in stukken. Of, erger nog, maken de pogingen te veranderen geen enkele indruk meer.

Toch is het ‘de sleur’ die de slechte naam heeft. Sleur is geabonneerd zijn op meerdere streamers en vergelijken waar The Pelican Brief het goedkoopst is. Het is West-Afrikaanse vegetarische stoof, huispakken en droge kusjes, „jij zou toch”, handcrème als Valentijnscadeau, tijdens de halfjaarlijkse administratieavond De Groene opzeggen en een week later toch weer een abonnement nemen, steeds ingewikkelder muesli, uren scrollen naar nieuwe kinderschoenen, heel lang douchen ’s avonds, nog maar één koosnaampje voor elkaar gebruiken, jezelf met lood in het hart afvragen of dit nou de broer-en-zusfase is, elkaar eraan herinneren dat je weer eens vis moet eten.

Sleur is ook nodig om het huwelijk als politiek instituut te doen slagen: er is een gelijkmatige omgeving nodig om de deelnemers aan het huwelijk (kinderen en volwassenen) tot geslaagde burgers te kneden. Dat doet vooral de vrouwen weinig goed: sleur vereist immers een ‘staakt het verzet’. Zo vinden vrouwen zichzelf geketend terug, met matige carrières en mannen die stiekem kleine tirannen blijken, tot over hun oren in de organisatie van andermans leven en door die vermoeiende mix veroordeeld tot een afgekalfde versie van zichzelf.

Zo bezien is iedereen, en zeker vrouwen, beter af in een leven waarin er iedere dag de mogelijkheid bestaat een andere afslag te nemen, voortgestuwd door de belofte het uiterste uit het bestaan te halen, in volledige vrijheid en met steeds nieuwe en tijdelijke gezellen.

Ik denk vaak aan mijn parallelbestaan, zonder verplichtingen. Aan de vrouw die ik ook had kunnen zijn, werkelijk onafhankelijk, met een huis waar iedere dag maar één bordje vies wordt en ik met niemand hoef te overleggen. Die vrouw, die we vroeger zielig vonden, is al lang geen curiosum meer. Ze is overal en ze lacht om haar zusters die fluisterend ruzie maken boven de gootsteen.

En toch. Die sleur. Die taaie toffee, dat drogend cement. Het is ook iets om te bewonderen. Hoe mannen en vrouwen, met al die kokende verlangens, er toch voor kiezen om soebattend, ruimte scheppend, in zoekende verbinding, met weerzin en plotselinge vlagen van tederheid, proberen de ander gelukkig te maken. Het einde van een lange dag, waarin niets tot volle wasdom kwam, maar iedereen toch min of meer tevreden gaat slapen: wat een wérk. Wat een grootmoedige keuze om steeds maar weer voor de ander te kiezen, in weerwil van alles wat aan mogelijkheden uitgestald ligt.

Sleur is niet de trage dood. Het is niet gênant. Het vereist moed om een klein kunstwerk voor de ander op te richten, iedere dag weer.

schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.


De 13 slechte eigenschappen die elke manager zou moeten hebben

Tegenwoordig kan je geen bedrijf, congrescentrum, hotel, universiteit, theater, buurtcentrum, of restaurant binnen lopen of er is wel een leiderschapscursus aan de gang. Mannen, het zijn uiteraard meestal mannen, die met roos op de schouders, klikkers in de hand en microfoontjes op het hoofd vertellen hoe je een goede leider wordt.

Ik trof er laatst zelfs eentje bij de snackbar – de overige zaaltjes in de buurt zaten blijkbaar al vol vanwege andere leiderschapscursussen – die naast de frituur en achter een flip-over aan een groepje pastelkleurige overhemden en kekke jurkjes stond uit te leggen dat je als manager „empathie, authenticiteit, zelfkennis, lef, zelfspot, sociale intelligentie, vlijt, besluitvaardigheid, nederigheid, zelfvertrouwen, en strategisch inzicht nodig hebt om vanuit vertrouwen richting te kunnen geven”. Ja man. Leiderschap is hot, hoor.

Zó hot, dat ik me de laatste tijd steeds vaker afvraag: zouden al die leiderschapsprogramma’s ook de waarheid vertellen? Dat je niet alleen góéde eigenschappen nodig hebt als baas, maar ook sléchte eigenschappen? Dat je niet alleen een Goed, Prettig, Uitgebalanceerd en Stabiel Mensch moet zijn, maar soms ook een beetje een klootzak om de top te kunnen bereiken?

En dus zet ik ze maar even op een rijtje, alle slechte eigenschappen die je toch echt zult moeten hebben om een goede baas te kunnen zijn. Ook fijn voor iedereen die het maar niet lukt een leidinggevende functie te bemachtigen: jullie hebben gewoon een te mooi karakter. Komen ze.

1 Een goede baas is niet te empathisch. Tuurlijk, je leeft mee met elke dode hamster, elk mazeltje op het kinderdagverblijf en elke alleenstaande millennial zonder kinderen die al in de stress raakt van de klusjesman die een dag eerder komt, maar het werk moet wel af.

2 Je moet dus ook goed kunnen liegen. Je moet immers enthousiast kunnen doen over „de nieuwe strategie” omdat de vorige waar je ook zo enthousiast over deed niet werkte. Je moet kunnen zeggen: ‘Wat leuk dat je voor de vierde keer zwanger bent Inge, een tweeling!’ terwijl je denkt: ‘kolere, hoe krijg ik dat allemaal weer geregeld?’ En je moet begrijpend kunnen knikken als een 23-jarige bij de koffieautomaat begint te mekkeren dat ze „geen energie krijgt van werk” terwijl jij denkt: „SUCK IT UP AND GROW A PAIR.”

3 Je moet ook kunnen intimideren. Geen Matthijs van Nieuwkerk-achtige taferelen natuurlijk, maar het mag ze af en toe best een beetje dun door de broek lopen. Dreigend over je halve brilletje kijken, ijskoud je wenkbrauw optrekken, zwijgend iemand de rug toe keren – daar kom je vaak verder mee dan met een ‘joh jochie, ik zie dat dit moeilijk voor je is’.

4 ‘Vaag zijn’ moet je ook in huis hebben. Als ze lucht krijgen van de reorganisatie waarbij 10 van de 13 collega’s moet vertrekken en je mag er nog niks over zeggen, zul je er toch een overtuigende ‘ik kom hierop terug’ uit moeten kunnen gooien.

5 Een beetje narcisme kan ook geen kwaad. Niet omdat je jezelf zo geweldig vindt (hoewel, waarom ook niet?), maar omdat ze je anders uit je sokken blazen met die eindeloze tsunami van ‘Heb je even tijd?’, ‘Dit gaat fout!’, en ‘Waarom is mijn vakantie niet goedgekeurd?’. Het is sowieso goed om als manager veel over jezelf te praten. Dan weten ze wat je belangrijk vindt en hoe ze je kunnen paaien.

6 Oppervlakkigheid is ook een must. Dad jokes, burning platforms, agile werken, voetbal, op woensdag de week doormidden zagen – het is niet de bedoeling dat je je existentiële twijfel over de nakende Derde Wereldoorlog gaat zitten toelaten. Het moet wel gezellig blijven, jongens.

7 Ook een must: een wantrouwig karakter. Is de oma van Willem nu alweer overleden? Wat doen Chantal en Henk in het kopieerhok? Is dit niet al de vijfde keer dat Alex z’n verstandskiezen eruit moeten? Vertrouwen is prachtig, maar controle nog beter.

8 En een beetje sadomasochisme, alsjeblieft! Anders hou je het echt niet vol. Al die lange dagen op een triest kantorenpark, de verplichte teamuitjes in de stromende regen, de saaie strategische sessies? Dat bedoel ik.

9 En een niet al te scherp afgesteld moreel kompas. Niet te gortig natuurlijk, anders eindig je op een hr-lijstje. Maar af en toe een snufje machiavellisme is cruciaal om met alle corporate winden mee te kunnen ‘bewegen’. Een manager die denkt dat alles met integriteit op te lossen is, eindigt in de burn-outkliniek.

10 Ongegeneerd kunnen bluffen is ook cruciaal. „Kun jij dit?” – „Ja, natuurlijk.” De beste managers zijn degenen die als het bedrijf in de fik staat en de afdeling marketing krijsend in de gang ligt, kalm blijven en zeggen: „Chill out”, terwijl ze op YouTube zoeken hoe je een brand blust.

11 Een beetje inhalig zijn is ook een voorwaarde. Iemand die niet voor zichzelf kan zorgen kan dat ook niet voor zijn team. Bovendien is het handig als je gevoelig bent voor honderd euro bruto extra per maand. Anders wil echt niemand meer manager worden.

12 Verder is het fijn als je geleerd hebt je gevoelens af en toe te negeren. Anders lukt het je niet om met de rauwe realiteit van het écht ernstige, persoonlijke, leed van collega’s om te gaan.

13 En o ja, en dat vergeet ik bijna: de beste managers zijn de mensen die helemaal geen zin hebben om de baas te worden! Zo begreep ik tenminste laatst uit een artikel van De Correspondent. Mensen die NIET hun vinger opsteken als er een leidinggevende functie vacant komt – zijn vaak vrouwen, trouwens –, dát zijn vaak de beste managers.

Maar ik weet niet of dat nou een goede of een slechte eigenschap is.


Meindert Talma: ‘Dit kan ik, dit wil ik, dit doe ik’

Op het album Gezinsverbijstering van Meindert Talma staan songs over zijn geliefde, leden van zijn band, een overleden geluidsman, zijn vader en moeder, de geboorte van een dochter. Veel nummers zijn poëtisch en lichtvoetig, bijna altijd zijn ze ontroerend, vaak maken ze je aan het lachen. Meindert Talma zingt ze met een kenmerkende, wat lijzige stem met een licht accent.

Je kan de songteksten, ferskes zeg je in het Fries, maar ze zijn vrijwel allemaal in het Nederlands, ook lezen in het gelijknamige, gelijktijdig uitgekomen boek. In Gezinsverbijstering, Nederlands Onbekendste Popster 3 zijn ze ingebed in hoofdstukken met meer details over de personen uit de liederen.

En meer nog dan in de ferskes ervaar je in het boek de droge humor en lichte zelfspot, het lijkt soms bijna op verbazing, waarmee Meindert Talma (56) de wereld om zich heen bekijkt en ervaart. „Was een vrijwillig toeschouwer van het leven / Ik keek om me heen hoe de mensen het deden”, zingt hij in het lied Gezinsverbijstering.

Of neem het hoofdstuk ‘Heit en mem’. Het is 2003, Meindert Talma heeft net een concert gegeven in popzaal Vera in Groningen:

‘Ik nodigde mijn ouders uit voor een drankje in de kleedkamer. „No jonge, tsjoch en lokwinske (proost en gefeliciteerd) mei dyn boek en plaat!”, lachte mem. „Dit is wel echt jouw leven hè, het artiestenbestaan?”, lachte ook heit. Deze vraag had hij, sinds ik aardig van mijn kunsten kon bestaan, misschien wel tweehonderd keer gesteld. Zo opgewekt mogelijk bleef ik altijd antwoorden: „Ja heit, dit is wol echt myn libben.” Vorige week stuurde heit mij nog een brief met daarin een vacature voor een leraar geschiedenis op mijn oude school in Drachten.’

Gezinsverbijstering is het derde deel van een reeks autobiografische boeken inclusief albums, vandaar de ondertitel met de 3. Kelderkoorts (deel 1) en Je denkt dat het komt (deel 2) kwamen uit in 2014 en 2017. Meindert Talma is muzikant sinds 1995, althans toen lieten vrienden bij wijze van verjaardagscadeau zijn eerste single persen.

Kelderkoorts begint vlak daarna, in januari 1996. In het eerste, hilarische hoofdstuk komen zijn ouders langs met een handgeschreven brief. Daarin geven ze tips voor zijn aanstaande, allereerste sollicitatie (die op niks uitloopt):

‘„Een brief?”, vroeg ik verbaasd en ook een beetje ongerust, „waarover dat?” De laatste brief die ik van heit en mem had gekregen, was op Tweede Kerstdag, een maand geleden. Toen ik hen op Eerste Kerstdag mijn vinylsingle had laten horen, waren ze diep teleurgesteld over het resultaat. De volgende morgen gaf heit mij een brief van drie kantjes waaraan hij tot diep in de nacht had zitten schrijven.’

Sinds dat bezoek van zijn ouders in 1996 heeft Meindert Talma tientallen songs en albums uitgebracht. Meestal over gebeurtenissen in zijn leven en gevoelens daarover, maar net zo goed over voetbal of helden van hem (socialistisch politicus Domela Nieuwenhuis, professioneel dammer Jannes van der Wal). Soms zit bij een album een boekje (Gummbah, Peter Pontiac waren illustratoren), ook verschenen er twee romans, een dichtbundel en, in het Fries, de Libbensferhalen fan 15 eigensinnige Friezen.

Foto’s Sake Elzinga

Meindert Talma en ik ontmoeten elkaar in Brasserie Kolkzicht in Surhuisterveen. In dat dorp op de grens van Friesland en Groningen – in 2014 schreef hij er het lied Surhuisterveen over (‘Hij zat er in de kerk, hij zat er op het korfbal / Hij zat er ongemerkt altijd achter het orgel’) – zijn we allebei opgegroeid.

In die tijd heette Brasserie Kolkzicht nog ‘Zaal Hollema’ (Meindert Talma speelde er iedere vrijdagavond biljart met zijn vrienden), ging iedereen op zondag naar de gereformeerde kerk, en gaf zijn vader les op de protestants-christelijke lagere school ‘De Hoekstien’. Bij ‘meester Talma’ heb ik zelf niet in de klas gezeten, Meindert is acht jaar jonger en ontmoet ik vandaag voor het eerst. Straks gaan we nog langs bij zijn ouders, heeft hij met ze afgesproken. We spreken Fries.

De kleine dingen van het leven sla je vaak over, je denkt dat ze niet genoeg te zeggen hebben

Vertel over je autobiografische boeken. Je loopt twintig jaar achter op je echte leven, zag ik. Je dochter Meike is nu 19.

Meindert Talma: „Ik las de boeken van Karl Ove Knausgard, Vader, Liefde, Schrijver, je kent ze wel. Hij is een maand jonger dan ik – en ik zag allemaal herkenbare dingen. Niet de alcoholische vader, maar wel het geklungel, de omgang met vrouwen, het verlangen schrijver te worden. Dus ik dacht: ik ben niet zo bekend, maar ik heb wel veel meegemaakt. En ik dacht ook: over je leven schrijven wordt vaak gedaan, maar de combinatie met platen is er nog niet. Dat was eigenlijk mijn belangrijkste reden: dan kun je achteraf nog ergens een lied over maken. Want onderwerpen als tennissen met je vriendin of een bezoek van je ouders: dat soort dingen van het leven sla je vaak over, je denkt dat ze niet genoeg te zeggen hebben. Maar als je als uitgangspunt neemt dat je over je leven schrijft, en dat je alles meeneemt wat daarin van belang is, dan kom je juist bij zulke onderwerpen uit.”

Je hebt liederen gemaakt over gevoelens en gebeurtenissen van twintig jaar geleden?

„Sommige wel, zoals Heit en mem. Maar andere lagen op de plank. Famke fleane heb ik gemaakt na de geboorte van Meike. En Hottenoije Duveltje, over mijn schoonmoeder, heb ik ooit met mijn ex Ella gezongen op haar 80ste verjaardag. Alleen zijn die nooit naar buiten gekomen, omdat ik ze altijd nog een keer op een themaplaat wilde zetten.”

Famke fleane is het enige albumlied in het Fries, het klinkt in die taal ook het mooist en het gevoeligst. Waarom schrijf je weinig in het Fries?

„Dat wil ik wel weer meer gaan doen, Heit en mem had ik ook in het Fries kunnen maken. Maar dan krijgen veel mensen het niet mee. Ik doe het wel hoor, mensen vinden het mooi. Ik heb dan bij een voorstelling de vertaling meelopen.”

Heb je nog meer ferskes op de plank liggen?

„Geen twintig, maar wel genoeg om door te gaan. Dit boek was in het begin twee keer zo dik, maar ik wilde het meer concentreren: liefde, ouders, kinderen. Dus meer thematisch dan chronologisch. En dat wil ik zo blijven doen. Het volgende boek gaat over geloof, daarna over mijn ervaringen als soloperformer. Ik heb nog vier delen in mijn hoofd.”

Hoe kom je aan de details, als het allemaal lang geleden is?

„Ik heb genoeg bronnen. Tien jaar lang had ik een column in de Leeuwarder Courant op zaterdag, Talma tikt. Ik heb brieven, e-mails: je kunt veel terugvinden als je dingen bewaart. En ik heb geen dagboek bijgehouden, maar ik heb wel een goed geheugen.”

Foto’s Sake Elzinga

Dus het klopt wel ongeveer?

„Ja, het meeste klopt wel. Wat er precies gezegd wordt: dat is meer op basis van hoe de sfeer was toen. Ik vind het leuk om dialogen te schrijven, dat gaat bijna vanzelf.”

Ik zou kunnen zeggen: er is een schrijver in je verloren gegaan. Maar je bent allebei: muzikant en schrijver.

„Ik vind een lied maken toch wel het fijnst, dan kun je helemaal opgaan in het samengaan van tekst en muziek. Schrijven is achter de laptop zitten, het is ook nooit af. Je kunt een boek steeds aanpassen: extra dialogen, langer maken, inkorten. Een lied komt altijd af, je neemt het op en dan is het klaar.”

Ik wilde boeken maken over mijn leven en bij het leven horen je ouders

Ik dacht toen ik je boeken las en naar je ferskes luisterde: het wordt steeds liefdevoller.

„Ja, dat klopt wel. Kelderkoorts was soms wat karikaturaal, het waren zeg maar niet altijd mensen van vlees en bloed. Daar hebben mensen me ook wel op gewezen, dat ik daar wat beter mijn best op moest doen. Het moet niet alleen humoristisch zijn, daar ben ik me nu meer van bewust.”

De brieven die je ouders aan je schreven, gebeurde dat echt zo?

Hij lacht: „Vraag het ze straks maar.”

En dan: „Ik heb die brieven nog allemaal. Ze maakten zich in het begin echt zorgen: dat het de verkeerde kant op ging, dat ik met de verkeerde mensen omging. En dat wilde heit dan graag kwijt. Ze waren ook verrast: ik studeerde geschiedenis, ik had nooit laten blijken dat ik muzikant wilde worden.”

Foto Sake Elzinga

Je ouders komen best veel voor in je boeken. En nu ook nog in een lied.

„Dat komt ook doordat… Bijvoorbeeld dat openingsstuk in Kelderkoorts… Je kunt het lezen als bemoeizuchtig, maar ik vind het juist mooi hoe ze met me meeleefden. Ze hebben me ook altijd gesteund, ook wel financieel.”

Is het dan een soort eerbetoon?

„Ik wilde boeken maken over mijn leven – en bij het leven horen je ouders. Als puber neem je afstand, maar later wordt dat anders. Toen onze dochters klein waren, kwamen ze elke week langs om op te passen. Dat komt straks ook terug in de volgende boeken. Dan krijg je een veel betere band. De kinderen gingen er ook logeren. En als ze hier kwamen, pakte heit meteen de stofzuiger, en als hij klaar was met stofzuigen, ging hij het gras maaien. Dat kon ik zelf ook, maar ze wilden altijd direct wat doen.”

Jan (80) en Klaske (81) Talma schenken koffie, er gaat een schaal met koekjes rond. „De zorg van zijn ouders heeft hij verwerkt in een ferske over vroeger”, zegt zijn vader.

Jullie zagen zijn loopbaan eerst niet zo zitten. Wat vinden jullie nu?

Jan Talma: „In het begin moesten we wennen. We waren kritisch, zijn levensstijl stond ons niet aan. Daar kun je je misschien wel wat bij voorstellen. Hij kon altijd goed leren, hij is doctorandus in de geschiedenis. Dus je denkt: hij kan leraar worden, het onderzoek in gaan. En we moesten ook wennen aan zijn stijl, die is niet voor iedereen. Dus we hadden zorgen: zit daar wel toekomst in, heeft hij straks genoeg publiek om ervan te kunnen bestaan.”

Meindert Talma: „Ze vroeg zich af of je echt brieven schreef.”

Jan Talma: „Ja, dat klopt. Dat heb ik gedaan. We dachten: als hij geen leraar wil worden, wil hij misschien de journalistiek in – alles is beter dan dit. Maar hij is doorgegaan, hij heeft zijn eigen weg gezocht en daar is hij in geslaagd. Daar hebben wij groot respect voor gekregen – dat hebben we ook uitgesproken. Hij zei een keer: Heit, dit ken ik, dit wol ik, dit doch ik. Toen dacht ik: nu moet ik ophouden, want als we hiermee doorgaan wordt het gezeur.”

Meindert Talma: „Heb ik dat gezegd? Dat weet ik niet meer.”

Klaske Talma: „Als jongetje was je ook al zo: je deed wat je wilde. En wat je niet wilde, deed je niet.”

Jan Talma: „Meindert heeft uitgesproken ideeën. Een typische Wâldman. In de Friese Wouden zijn de mensen vrijgevochten, doen ze hun eigen dingen. En de wâldhumor, dat is droge humor. Het is humor die je moet snappen.”

Jullie lezen alle boeken, volgen de recensies. En jullie gaan ook vaak mee naar optredens, begreep ik.

Jan Talma: „We vinden niet alles even mooi, maar dat hoeft ook niet. Hij maakt het niet voor ons, hij doet het voor hemzelf.”

Klaske Talma: „Bij die optredens komt heel warm volk. Echt fijne mensen.”

Wat vinden jullie ervan dat jullie zo’n belangrijke plek innemen in zijn werk?

Jan Talma: „Vind je dat? Nou ja, we zijn wel bepalend geweest in zijn leven. We hebben ook nogal aan hem geschaafd (hij lacht), om te proberen hem andere kanten op te krijgen. Dat acceptatieproces, dat hij van ons de ruimte moest krijgen, heeft denk ik ook op hem wel een stempel gedrukt. Als wij altijd hadden gezegd: het is mooi en aardig, dan hadden we die rol niet gehad.”