Liever lol dan al die lifehacks

Celebration pace. Als die term u niets zegt, bent u waarschijnlijk geen lid van de NRC. De Nike Run Club welteverstaan. Op 9 januari kocht ik, in verband met een goed voornemen, een paar hardloopschoenen. De dag erop installeerde ik die NRC-app voor een trainingsprogramma voor stramme beginners.

Chris Bennett, ‘global headcoach’, praat je door de verschillende tempo’s heen terwijl je rent: 5k-, 10k-, mile-pace. De laatste paar honderd meter loop je altijd in die feesttred. Ook het begin van een work-out moest ik steeds vaker ‘vieren’ van coach Bennett: „Celebrate this moment! YOU’re the one that pressed start!”

Ik doorzag de truc. Door het mentale beloningssysteem te prikkelen, wilde hij deze krachtinspanning herprogrammeren tot iets plezierigs. ‘Tiny habits’, of ‘atomic habits’ noemen zelfhulpgoeroes deze lifehack. Want alleen op motivatie en wilskracht houd je je goede voornemens niet vol. Duurzame gedragsverandering moet het hebben van gewoontes. En die moet je pietepeuterig houden om dat arme zelfje van ons maar niet te ontmoedigen. Een truc is om gewoontes te stapelen (push-ups na het plassen, dat doet Brian Fogg, auteur van die Tiny Habits (2019)). Of de drempel laag te maken (hardloopkleren ’s avonds naast je bed leggen) ofwel te verhogen (de batterijen uit je afstandsbediening halen en onder in de ijskast leggen). Een ander foefje is het uitdelen van een dopamineshot. Eet een chocolaatje na het schoonmaken. Sluit af met een celebrationmomentje.

Coach Bennett wilde mij telkens zo’n biochemisch suikerklontje voeren op de start- en finishstreep, zodat ik daar de volgende dag weer kwispelend als Pavlovs hondje neerhurkte om mijn veters te strikken. „Let’s take some time to celebrate this run, YOUR run, because YOU are the athlete, YOU are…”

Laat die gast z’n bek houden, dacht ik na een paar van die sessies. En warempel: nog geen kilometer later werd mijn smeekbede verhoord. De app crashte. En dat was heerlijk.

Ik was gaan hardlopen om fitter te worden, maar het blijkt voor mij vooral een mentale oefening te zijn. Ik probeer mijn hoofd leeg te maken en merk hoe slecht mijn concentratie doorgaans is. Zodra ik me afvraag hoe ver het nog is, slaan vermoeidheid en kramp toe. Het gaat erom in het ritme te komen, ontspannen en tegelijkertijd krachtig, en zonder app kreeg ik een heerlijke glimp van hoe dat kon zijn, totaal ondergedompeld in die ervaring.

Mijn smeekbede werd verhoord. De app crashte. En dat was heerlijk

Totdat ik, uithijgend op de bank, mijn telefoon pakte en de vastgelopen app herstartte. Verrek! Mijn tijd, afstand en route waren niet opgeslagen, en nog rampzaliger: het vinkje was niet verschenen in mijn schema.

In de metafysica is er die filosofische vraag over die boom die omvalt in het bos. Als er niemand is die dat opmerkt, is hij dan wel gevallen? Hier werd dat: als de app mijn run niet savede, had ik die dan wel gelopen?

Was je zonder foto’s wel op reis? Ik las een advertentie die een ‘insta-waardige vakantie’ beloofde. Zelfs op reis gaan doen we voor anderen. Ervaringen tellen niet mee als ze niet worden gecertificeerd, gedeeld, of omgezet in data.

Ik was juist gaan hardlopen om te ontsnappen aan cijfers, deadlines en prestaties, maar coach Bennett had mij regelrecht de fuik in laten lopen van de zelfoptimalisatie.

Verwelkom je nukken

Voor de moderne zelfverbeteraar is het bestaan een reeks obstakels die je omzeilt met ‘lifehacks’, of door je oerbrein te ‘kapen’. Nog niet eens zo gek lang geleden liet alle levenskunst zich samenvatten als: zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder. Vandaag is dat: hack, boost, hijack, bypass, tweak en outsmart. Alles om de gebrekkige natuur de loef af te steken, met als heilig doel: ‘een betere versie van jezelf’ worden. Alsof je een ruw manuscript bent dat eindeloos wordt geredigeerd, maar nooit de drukpers haalt.

Want dat is de keerzijde. Zelfs als je beter presteert dan een paar weken eerder, blijft er nog altijd ruimte voor optimalisatie. Het vliegwiel van de zelfverbetering loopt altijd iets aan, met een licht piepje van zelfhaat. Waarom loop ik nog niet onder de vijf minuten per kilometer? Waarom ervaar ik nog geen runner’s high? Uiteindelijk is zelfverbetering vooral zelfafrichting om een efficiëntere roeier te worden in het galeischip van de samenleving. Voortdurende groei is het adagium, ook op het persoonlijke vlak.

Die vicieuze cirkel doorbreek je alleen door af te rekenen met het onderliggende mensbeeld. Er zijn geen verschillende ‘versies’ van zelven. Er is één zelf met meerdere kanten, waarvan het me heilzaam lijkt om ze niet tegen elkaar uit te spelen of weg te stoppen. Accepteer en verwelkom liever al je nukken, gebreken en talenten, zodat je op goede voet komt te staan met al die aspecten van jezelf.

Niettemin geloof ik in gewoontes. De afgelopen paar jaar heb ik een aantal nieuwe ontwikkeld. Wandelen, gitaarspelen, hardlopen, het bijhouden van een ‘beeldendagboek’ (waarover straks). En het valt niet te ontkennen dat daar allemaal een element van zelfverbetering in zit.

Ik merk zelfs wat allerlei wetenschappers ook al hebben aangetoond, namelijk dat het aanleren van nieuwe vaardigheden je ook beter maakt in datgene waar je al goed in was. Onderzoekers lieten professionele honkbal-pitchers trainen met de knuppel – waarmee ze juist een beduidend mindere versie van zichzelf waren – en verrassend genoeg stegen waren het juist hun pitch-prestaties die stegen.

Dit blijkt voor veel meer te gelden, schreef geluksprofessor Arthur C. Brooks onlangs in The Atlantic. Als je bij een nieuwe taak frustratie en falen overwint, maakt dat je beter en gemotiveerder in een oude. Mijn geploeter op de Spaanse gitaar heeft mij beter gemaakt op de piano, en misschien zelfs op het laptopklavier.

Hier zit een tegenstrijdigheid. Op mijn hardloopschoenen hol ik weg uit de prestatiemaatschappij, ik verwijder de dwingende app van coach Bennett, en dat doe ik om betere, diepere ervaringen te hebben, de leegte in te lopen die me uiteindelijk op andere terreinen gezonder en, tja, ‘beter’ maakt.

Misschien betreft dit een ‘beter’ van een andere orde. Ik plaatste uitroeptekens bij een passage in Haruki Murakami’s Waarover ik praat als ik over hardlopen praat (2007). Hij vergelijkt een roman schrijven met het lopen van een marathon, in de zin dat het gaat om uithoudingsvermogen en concentratie, maar ook dat het niet draait om winst of verlies. „Misschien gelden het aantal verkochte exemplaren, literaire prijzen of goede, dan wel slechte kritieken als criteria voor succes, maar essentiële kwesties kan ik het niet noemen. Het allerbelangrijkste is de vraag of wat je geschreven hebt het niveau haalt dat je je had voorgenomen.” Net als hardlopen gaat het voor de romanschrijver om het vinden van ‘een rustige stabiele motivatie in zichzelf’, in plaats van ‘externe maatstaven’.

Toen cellist Pablo Casals gevraagd werd waarom hij op zijn negentigste nog altijd doorging met oefenen, antwoordde hij: „Omdat ik geloof dat ik vooruitgang boek.” Daarmee doelde hij op een ander soort vooruitgang dan die naar ‘de beste versie van zichzelf’. Hij was er niet op uit om – nog zo’n plaag – ‘het verschil te maken’.

De ‘hack’ is etymologisch verwant aan ons ‘hakken’, en je kunt het inderdaad zien als het uithakken van een kanaal, efficiënt voor het snelle transport in vrachtschepen. Wat ik zoek is een meanderende omweg die zich uitslijt in eeuwen. Net als bij het aanleren van nieuwe vaardigheden gaat het juist om het erkennen van het obstakel, het ploeteren en de frustratie, in plaats van die uit de weg te gaan met slimme sluiproutes.

De lifehackers zien onze gebreken en schaduwzijden als mankementen. Maar wanhoop niet. Voor elke programmeerfout is er een bugfix. Wat ik zoek is juist het erkennen en toelaten van al die zwaktes.

Simpelweg lol

Een andere nieuwe gewoonte deel ik met een bevriende dichter. Wekelijks sturen we elkaar een of meerdere observaties die we noteren na wandelingen door de stadsstraten of over natuurpaden. Verbale fotografie, noem ik het voor mezelf. Met een notitieboekje op zak voel ik me als straatfotograaf Joel Meyerowitz en prevel ik zijn motto: ‘Once you have a camera in your hand, you have a license to see.’

Het werkt. Ineens zie ik stellen die elkaar begroeten bij een stiekeme afspraak, de rode daken van een rijtje huizen dommelend onder de mist, twinkelend bevroren wegdek, een doorweekte reiger onder de luifel van de viswinkel, een stralend bruidspaar dat langs fotopanelen schuift met de tekst ‘feminicide’.

Iedereen die het geluk heeft als werk iets te doen waar hij toch al plezier aan beleefde – schrijven in mijn geval – loopt het gevaar dat het een discipline wordt, een routine, een plicht. Ik geloof dat ik met deze nieuwe gewoonte contact wil maken met dat deel van mezelf dat simpelweg lol heeft in observeren en formuleren, op de manier waarop dat een kwart eeuw geleden ongeveer begonnen is.

Wat ik er eerlijkheidshalve wel bij moet zeggen, is dat ik hier wel degelijk wat ‘tiny habit’-trucs bij toepas. Vaste muziek (Pablo Casals! Gestaag vorderend in Bachs cellosuites), een warme mok koffie, vulpen en een luxe notitieboek maken er een dopamine opwekkend ritueel van. Die bevriende dichter injecteert het met een vleugje sociale uitwisseling, wat ook bewezen bijdraagt aan het succesvol inslijten van een gewoonte.

Toch is het beeldendagboek niet de zoveelste slimme lifehack. Ik durf te stellen dat het zelfs het exacte tegendeel is. Een anti-hack, noem ik het maar even, bij gebrek aan een beter woord. Het is niet gericht op een uitkomst of prestatie, maar op de activiteit in het moment zelf. De drijfveer is nieuwsgierigheid, geen optimaliseringsdrang. Het belooft geen instant resultaat, maar groeit in de tijd, onmerkbaar als druipsteen.

Een commerciëlere versie van mezelf zou blanco boeken op de markt brengen – Jouw Eigen Beelden Doe Boek – en dit verkopen met een TED Talk (‘De 7 Anti-Hacks Van Hogelijk Inefficiënte Stumperds’), maar nee. Dit is een aanpak zonder stappenplan, een beleving zonder app.

Al moet ik daar wel voor waken. Soms begint het vrijblijvende verzendmoment – het weekend, al mogen we gerust wat weken overslaan – toch te voelen als een deadline. Niet de bedoeling! En ik kan het soms niet laten om er toch weer een mooi, rond ‘stukje’ van te maken, dat niet zou misstaan in een blad.

Elke gewoonte heeft het gevaar gaandeweg te muteren in een discipline. Daarom geloof ik dat je ze van tijd tot tijd weer overboord moet kiepen.

De NRC-hardloopapp heb ik niet verwijderd. Ik heb coach Bennett alleen wat minder dwingend gemaakt. Af en toe laat ik hem nog in mijn oor tetteren, bij een intervaltraining, zodat ik niet op mijn telefoonscherm hoef te turen om die minuten op hogere snelheid af te tellen. Maar meestal loop ik zonder app.

Of ik experimenteer met muziek. Allegro’s van Vivaldi zijn mijn ‘celebration pace’. Al blijft het stoeien. Soms heb ik het even te pakken, het innerlijke ritme, het versmelten met de omgeving, leeg zijn. Het gevoel dat dan bovendrijft is niet die geforceerde ‘celebratie’, maar iets dat kalmer, stabieler en toch intenser is. Ik geloof dat je dat ‘vreugde’ kunt noemen, en het zal door die befaamde endorfine komen waarmee de hardloper zichzelf bedwelmt. Maar op het moment dat ik denk: ‘ah, dus zo moet het!’ is het weer verdampt.

Dan was ik het hardlopen toch weer gaan zien als zelfverbetering. Inmiddels moet ik toch weten dat daar twee problemen aan zitten: om te beginnen die ‘verbetering’, en daarnaast dat ‘zelf’. Het gaat niet om betere versies van dat zelf, maar om het opgaan in het lopen, ondergedompeld zijn in de ervaring die nergens wordt vastgelegd. Daarvoor moet je jezelf juist verliezen, wat me nog altijd niet goed afgaat. Toch ren ik door. Ik geloof namelijk dat ik vooruitgang boek.


Koektrommelstatus voor het meisje van Vermeer

Hoe een kunstwerk opklimt tot de iconische koektrommelstatus, daar is geen handleiding voor. Maar als we de populariteit van het Meisje met de parel volgen komen we misschien een eind. Johannes Vermeer schilderde in 1665 een doek dat dik drie eeuwen bekend stond als ‘Meisje met tulband’. Tot de marketingafdeling van het Mauritshuis in 1995 bedacht dat de aandacht op de dikke glimmer moest komen te liggen. Het werd ‘Meisje met de parel’. Later bleek dat zo’n glanzende knoeperd helemaal geen parel kón zijn, maar de naam was al de hele wereld over gegaan. En wat maakt het uit, het meisje met de nepparel heeft ook niet echt voor Vermeer geposeerd. Het is een tronie, een portret van de fantasie. Eigenlijk hoe ChatGPT nu zou werken als je ‘fanatiek’ zou prompten met ‘verliefdmakende blik die je van alle kanten aan lijkt te kijken’ en ‘met tulband van lapis lazuli’. De ‘Mona Lisa van het Noorden’ is intussen zo gewaardeerd dat je het meisje ook in de betaalbare eregalerij van de IKEA en de Hornbach in huis kan halen. En in de openbare ruimte is het ook een begrip. Het mooiste vind ik het ‘Meisje met de parel op de parkeermeter’ in Amsterdam. De beeldrijm van parkeermeterblauw en de ultramarijnblauwe tulband van het meisje: een voortreffelijke combinatie. Vraag is alleen hoelang de parkeermeter blijft staan. Met de opmars van het app-parkeren is het een kwestie van tijd. Moeten we toch weer naar het Mauritshuis.

Foto’s Jan-Dirk van der Burg


Deze ‘eerstehulpgids voor kankerpatiënten’ geeft de lekkerste recepten voor als alles even vies smaakt

Joke Boon begint haar boek met de bekentenis dat ze dit boek liever niet geschreven zou hebben. Dat ze het toch deed, is omdat het een boek is dat ze zelf had willen lezen toen ze de diagnose kanker kreeg. Een boek als baken, met betrouwbare informatie over de ziekte, over behandeltrajecten, over omgaan met zaken als pijn, angst, vermoeidheid en verminderde eetlust, en, in het verlengde daarvan, met tips over gezonde voeding plus een stapel gevarieerde, voedzame en kleurrijke recepten. Je zou kunnen zeggen dat het vorige week verschenen Eten en leven met kanker een soort eerstehulpgids voor kankerpatiënten is. Tegelijkertijd is het een zeer persoonlijk en bij tijd en wijle ontroerend relaas over Boons eigen darmkankertraject.

Dat traject begon met een paarse envelop, ofwel het bevolkingsonderzoek darmkanker. Vijf dagen nadat ze haar poep had opgestuurd kwam de uitslag: verdacht. Een colonoscopie volgde, daarna de onheilstijding en de „wilde rit zonder stops in het karretje van een achtbaan”, zoals de auteur het beschrijft. In zeven en een halve maand tijd onderging ze chemo, bestraling en drie operaties. „Het werd de meest intense, gruwelijke, angstige, leerzame, pijnlijke, zware en tegelijk ook liefdevolle periode die ik ooit doormaakte. Gelukkig liep het goed af. Maar dat wist ik uiteraard nog niet toen ik aan de behandeling begon.”

Ik kan me zo indenken dat het veel kankerpatiënten en hun naasten tot steun en troost kan zijn

Boon zat nog niet zo heel lang in dat kankerkarretje toen de hoofdredacteur van Trouw haar vroeg of ze er misschien over durfde te schrijven in haar wekelijkse kookcolumn in die krant. Ze durfde het, en schreef onverschrokken over alles wat ze meemaakte. Over ongelofelijke jeuk in je nek terwijl je in een MRI-apparaat ligt. Over nachtelijke paniekaanvallen en dat het dan helpt om de kat te aaien. Over 47 keer per etmaal naar de wc moeten. En over de stoma die er onvermijdelijk kwam en die ze besloot Sjakie te noemen, in een poging vrienden met hem te worden. Al haar verhalen eindigden met een recept, want ja, het bleef natuurlijk een kookrubriek.

De mooiste schatten

Soms komen uit de donkerste diepten de mooiste schatten naar boven, en als u het mij vraagt is Eten en leven met kanker zo’n juweeltje. Althans, ik kan me zo indenken dat het veel kankerpatiënten en hun naasten tot steun en troost kan zijn. Dit staat dan nog even los van de eetadviezen en recepten die iets meer dan de helft van het boek uitmaken. Ze zijn bovenal ongelofelijk praktisch. Zoals deze tips voor wanneer je misselijk bent en tóch moet eten: kies voor kleur op je bord. (Kleurrijk eten nodigt uit om te eten en heeft nog een bijkomstig voordeel: door te variëren met kleur krijg je over het algemeen automatisch veel verschillende voedingsstoffen binnen.) Zorg dat je lekker zit. (Ga eventueel op een zacht kussen zitten als je veel bent afgevallen, of nestel je op de bank met een dekentje.) Gebruik een kleiner bord, dan valt je kleinere portie niet zo pijnlijk op.

En dan de recepten. Boon is veganist en dus zijn haar recepten dat ook, al geeft ze haar lezers de vrijheid te kiezen voor ‘echte’ zuivel in plaats van plantaardige. Bij elk recept staat aangegeven of het vezelrijk is, en/of eiwitrijk, licht verteerbaar, glutenvrij, enzovoort. Wat ik al schreef: heel praktisch. We gaan er vier drankjes uit maken.

Ananas-komkommerdrank met munt

Joke Boon beveelt dit drankje aan voor momenten waarop iemand bijna niks meer lust of wanneer alles vies smaakt. Het helpt volgens haar tegen misselijkheid en brandend maagzuur.

Voor 1 groot glas of 2 kleinere:

  • 60 g verse ananas
  • 85 g komkommer, in blokjes
  • 5 muntblaadjes, gescheurd
  • 3 ijsblokjes
  • 75 ml (prik-)water

Pureer alles glad in een blender. Gebruikt u prikwater? Pureer dit niet mee, maar gebruikt het om het drankje aan te lengen.

3 Homemade eiwitshakes

Boon beschrijft in Eten en leven met kanker hoe ze in de loop van haar behandeling behoorlijk begon af te vallen en zo in contact kwam met een diëtist. „Ze gaf me advies en schreef me plantaardige bijvoeding voor. Dat zijn flesjes met een drank op sojabasis in twee smaken. Ik vond ze heel zoet en vooral erg zwaar op de maag. Zó zwaar dat ik de rest van de dag niet meer kon eten. Wat bleek: zelf maken is minder zoet, smakelijker en bovendien ligt dat minder zwaar op de maag.”

Rode fruitshake

Voor 2 porties:

  • 60 g kikkererwten uit pot of blik, afgespoeld en uitgelekt
  • 175 ml (ongezoete soja-)melk; ½ el ahorn- of agavesiroop
  • 75 g bevroren of verse frambozen, blauwe bessen, aardbeien en/of bramen
  • 1 tl citroensap

Gele fruitshake

Voor 2 porties:

  • 60 g kikkererwten uit pot of blik, afgespoeld en uitgelekt
  • 175 ml (ongezoete soja-)melk
  • ½ el ahorn- of agavesiroop
  • 75 g bevroren of verse mango, ananas, banaan en/of passievrucht
  • 1 tl citroensap

Chocoladeshake

Voor 2 porties:

  • 60 g kikkererwten uit pot of blik, afgespoeld en uitgelekt
  • 150 ml (ongezoete soja-)melk
  • 1 – 1½ el ahorn- of agavesiroop
  • 1 el cacaopoeder
  • ½ el (plantaardig) eiwitpoeder (optioneel, voor nog meer eiwit)

Voor alle drie de shakes geldt dezelfde bereidingswijze: pureer alles glad in een blender en drink meteen.


De BMW M5 is een achterlijk maar grandioos gezwel

Jawel, 727 pk voor 2.500 kilo BMW, plug-inhybride. De BMW M5, voorheen mobiel toneel van alle strikt binaire jongensdromen, werd in zijn nieuwste energiebesparende gedaante een soort vrachtwagen in het verkeerde lijf. Men stelle zich voor hoe de influencende bezitter onderweg, verstrikt in selfies of zijn eerste TikTokvlog over de maidentrip, de controle over zijn turbovet verliest. Die kilo’s worden voor zijn hood wat asteroïden voor de aarde zijn, alles kapot jongûh.

Anderzijds: eindelijk een deugende M5. Hij woont in de stad en daar haalt hij in dertigkilometerzones vast het door BMW opgegeven verbruik van 1 op 62, dankzij de elektromotor die de zuipende V8 tot 68 uitstootvrije kilometers op non-actief kan zetten. Moet je je wel inhouden en dat kan buiten de stadsgrenzen natuurlijk niet met dit vermogen. De M5 stelt de testrijder voor een acuut dilemma. Of natuurwetten respecteren door zijn angst de drang te laten onderdrukken, of de goden tarten door zijn vaardigheden op de proef te stellen na een strijdvaardige selectie van de rij-instellingen.

Het keuzemenu op het infotainmentscherm is een soort schaakbord met geweldsinstructies. Onderstel in Comfort, Sport of Sport Plus? Gaan we voor twee- of vierwielaandrijving, voor veiligheid of doodsverachting met de M Sound On of Off? Gok ik boven mijn macht, dan ga ik morgen na de crash viral in een land waar leedvermaak een nationale sport is. Het gaat vaker mis met foute BMW’s. In Deventer knalde tot vreugde van 17 miljoen Verstappens een M5 tegen een boom. Daarna reed een collega een M4 CS aan gort. Ik zie de kop boven mijn Waterloo, leer mij de mensen kennen. Slijpsteen Voor De Geest Sloopt Tokkiefeest.

Afbeelding met meerdere focuspunten die samen een verhaal vormenZoom in voor alle details van de BMW M5Klik op de punten voor uitleg over de detailsFoto Merlijn Doomernik

Mijn M5 bleef heel door zelfcensuur. Niet aan de enge rode superpowerknopjes op het stuur zitten! Niet de tractiecontrole uitschakelen! Niet vol op het gas op herfstig glibberasfalt! Komisch hoe een auto die in theorie almachtig maakt een blok aan je been wordt. Het is geen zorg voor de koper. Die denkt in de roes van zijn succes; je leeft maar één keer. Daarom kan hij zijn M5 nu ook in geel bestellen. Dat is de lange middelvinger naar de arrogantie van de goede smaak. Ik zou een bumpersticker laten maken, met pseudozelfspot op de golflengte van Amsterdam-Zuid. Zo Fout Als Een Deur Maar Lekker Geen Tesla.

Komische beweeglijkheid

Dit is een achterlijk maar grandioos gezwel. In Sport legt de M5 een bijna komische beweeglijkheid aan de dag. De carrosserie lijkt zich in bochten als een slang te krommen, zo elastisch. Aan die indrukwekkende vertoning heeft de keurige bestuurder part noch deel. Die imiteert dankzij de elektronica als trekpop van de ingenieurs een vaardige coureur zoals Dolf Jansen met een beetje hulp van Pavlov cabaret.

Voor de kopers van zo’n auto zijn grote, dreigende uitlaatpijpen essentieel, hoe meer hoe beter.
De M in de transparante controller op de middentunnel staat voor Motorsport. 
De kunstige speakerroosters van de fenomenale Bowers & Wilkins-installatie kon je kennen van ‘gewone’ grote BMW’s.
Hij is intimiderend maar ook keurig. Hij groet beleefd en laadt zijn accu graag meteen 100% voor je op.

Foto’s Merlijn Doomernik

Ik wil hem best hebben. Maar ik zou uit angst voor mijn veiligheid de helft van zijn vermogen van zijn harde schijven laten wissen. Misschien kan dat over the air, want hij is superdigitaal. Wel even oefenen op de overdracht. Alleen Elon snapt de bedieningsarchitectuur van de auto, en hij zal met meer gezag dan ik vaststellen dat die ruk is. Intussen baad ik me in het comfort, met alle griezelstanden uit. Wonderbaarlijk hoe het onderstel van de M5 de massa opvangt, al voel je op slecht wegdek hoe de ingenieurs voor zijn balans hebben gevochten. Zijn boomerkwaliteiten zijn helaas ook zijn achilleshiel. Het welvaartsvet verdringt de sport in deze dikzak. Je hebt het iets te goed in de M5. Hij zuigt de vechtlust uit je met comfort, waardoor je hem gaat rijden als een zachte, ongevaarlijke chauffeurslimo. Je bent een leunstoel met een racesimulator. Anderzijds staat na 240 snelwegkilometers de brandstofmeter op driekwart door een verbruik van 1 op 14. GroenLinks kan dankbaar zijn.

Hij kost 143.000 euro, met de extra’s die toch iedere M5-klant wil 30.000 meer. Voorstel: besteed dat geld niet aan een M5 maar aan twee merkgenoten. Eén M5 van de E39-generatie, collector’s item maar nog steeds te koop voor tussen 30- en 60.000 euro. Snel, vurig, 800 kilo lichter dan de huidige. Voor woon-werk koop je een elektrische i4 M50. Heb je het beste van twee werelden. Een EV met alle eigenschappen van een echte BMW en een ongelooflijk opwindende youngtimer met een perfecte balans tussen vermogen en gewicht, V8 en handbak. Je bent nog goedkoper uit ook.


Hoe het is om vader te zijn? Wat een lastige vraag

Het is voor mij belangrijk om op feestjes goed te praten over het vaderschap. Dat komt, denk ik, doordat ik altijd een deel van mijn zelfverwezenlijking heb gevonden in het praten met anderen. Pas in gesprek met anderen kom ik erachter wie ik echt ben. Pas daar kan ik sudderende gevoelens tot volledige gedachtes en inzichten brengen.

Het heeft misschien te maken met familiebijeenkomsten van vroeger, waarbij de Zeeuwse tak netjes in een kringetje zat en nooit leek te spreken over de dingen die er echt toe deden, zoals waarom een oom en twee tantes zelfmoord pleegden binnen drie jaar tijd in de jaren tachtig. Op dat naargeestige zwijgen heb ik het nooit zo gehad, en ik denk dat ik daarom zo lustig over het leven van anderen en mezelf ben gaan praten, zonder het zware of moeilijke te verzwijgen.

Sinds ik vader ben, merk ik dat dat me niet meer zo gemakkelijk afgaat. Het procedé was altijd: veel vragen stellen aan de mensen om me heen, om er zo voor te zorgen dat zij zich gezien en gehoord voelden, om daarna met ze op niveau te kunnen spreken over de belangrijke zaken in onze levens. Op die manier kon ik mijn eigen ei ook kwijt én leerde ik iets van een ander. Bijvangst was dat de mensen mij sympathiek en vriendelijk vonden, omdat ik zo geïnteresseerd was in ze.

Maar nu ik een kind heb, stokt dat. Hoe komt dat?

Een van de antwoorden is dat het komt door het gebrek aan tijd. Feestjes bezoek ik minder en als ik ze bezoek, bezoek ik ze korter. Als je vier, vijf uur in een gezelschap bent, heb je tijd zat om te zoeken naar iemand met wie het interessant kletsen is, terwijl ik het nu moet doen met anderhalf à twee uur (het is fijn als ik op tijd weer thuis ben.)

Tegelijkertijd drukken die anderhalf à twee uur me nog eens extra met mijn neus op de feiten, en die feiten zijn dat ik niet goed weet hoe ik de vraag moet beantwoorden ‘hoe het gaat’.

Het probleem zit hem vooral in de wens waarachtig te zijn. Wat is waarachtig, in mijn situatie? Waar ik nu al een jaar lang over begin is hoe weinig we slapen en hoeveel de kleine man in eerste instantie poepte. Maar algauw merkte ik ook hoe flauw en niet toereikend dat was, en hoe onecht dat op een bepaalde manier aanvoelde.

Foto Eoin Carey

Dit soort verhalen schaar ik nu onder het kopje ‘maar je krijgt er zoveel voor terug’, wat in Nederland de ergerlijk ironische grondhouding lijkt te zijn om over kinderen te praten. Vermoeidheid, luiers, tijdgebrek, geen seksleven meer, huishouden in pure chaos: je kent die verzuchting niet alleen van anderen op feestjes, je kent ze ook van socialemedia-posts. Met name op Instagram komen mensen er al te vaak ‘eerlijk voor uit’ hoe zwaar het ouderschap is. Chef Special-zanger Joshua Nolet deed het laatst nog in een viral video waarin hij bleekjes van slaaptekort in beeld is met zijn jonge kinderen en in een voice-over vertelt hoe weinig ze slapen, dat ze „stuk” zijn, en aan het einde draait het beeld naar rechts, waar zijn partner voor de gein de trekker overhaalt van het denkbeeldige pistool dat tegen haar slaap staat. Dit klinkt misschien grimmiger dan het is; het filmpje is nog best een vriendelijk, openhartig kijkje in het leven van ouders van jonge kinderen.

En hoewel me dit soort berichten voor een deel nog steeds een reactie lijken op de suikerzoetheid waarmee traditionelere ouderschapsmedia (en zeker ook de reclames) het doen voorkomen, is deze openhartigheid inmiddels zó gemeengoed geworden dat het clichématig aanvoelt.

Toch is de verleiding om er zelf naar te grijpen in gesprekken enorm. Je hebt namelijk niet alleen weinig tijd, ook is je publiek vaak niet bereid om helemaal mee te gaan op jouw journey, jouw truth in het bespreken van de geneugten van de liefde voor je kind, en dan is de keuze voor een geestige anekdote over hoe je kind het presteerde om zittend over zijn rug omhoog te kakken snel gemaakt.

Ik wil iets zeggen over hoe het voelt om verantwoordelijk te zijn

Maar hoe, hóé, bespreek je die geneugten dan? Hoe vang je in korte tijd, in de vorm van een anekdote of bekentenis iets van het mysterie van de diepe liefde, de diepe vreugde van het ouderschap?

Ik vertelde eens over de keer dat mijn geliefde een ‘broodpudding’ op tafel zette, wat feitelijk een belachelijk grote muffin is van de bakker om de hoek, en dat ons kind daar de slappe lach van kreeg.

Ik vertelde over de keer dat ons kind zich net leerde optrekken aan muren en stoelen, en dat ik bij het kinderdagverblijf aankwam en dat hij zich daar aan een ander jongetje had opgetrokken dat bij het speelkeukentje van IKEA stond, waardoor het leek alsof ze een liefdevol echtpaartje waren dat samen stond te koken.

Maar het blijft dan weer bij zoete of geestige beelden, en hoewel toehoorders daar absoluut vertederd om kunnen lachen, hoewel er iets van de liefde in doorsijpelt, voelt het toch nog verwijderd van de opperste waarachtigheid die ik zou willen kunnen overbrengen.

Kort nadat ik hoorde dat mijn partner in verwachting was, liep ik door de stad, een klein beetje met mijn ziel onder de arm. Ik dacht eraan een oude vriend van de middelbare school te bellen, iemand van wie ik dacht dat ik hem altijd kon bellen, omdat we altijd vrienden zouden blijven. Dat wilde ik testen – ook omdat hij een kindje van een paar jaar oud heeft. Hij nam blij op, vroeg hoe het ging, en ik zei dat ik wilde vragen of we nog vrienden waren, en dat ik wilde vertellen dat ik vader zou worden.

„Yooo, superleuk!”, zei hij, en ik vroeg hem hoe het was, het ouderschap, en hij zei dat het echt super-, súperleuk was, en dat al zijn zingevingsproblemen ook waren verdwenen, en ik voelde ondanks de bevestiging van de vriendschap een kleine steek in mijn hart: ik wil mijn kind helemaal niet opzadelen met mijn eigen zingevingsproblematiek.

Foto Eoin Carey

Ik zou het kind willen waarderen om wie hij is, maar niet om wat hij voor mij betekent. Ik weet niet hoe ik dit verder moet verklaren – daarvoor ben ik te moe – maar ik denk dat het een van de dingen is die in de weg staan als je over je eigen kinderen wil praten. Het ís zo dat een kind je leven meer zin geeft, maar dat moet je niet hardop zeggen, denk ik.

Ik wil iets zeggen over hoe het voelt om verantwoordelijk te zijn, of hoe de angst voor de dood niet weg is sinds ik vader ben, maar wel veranderd. Soms denk ik net voor het in slaap vallen na over het gegeven dat mijn doodsangst nu niet per se is verdwenen, maar rijper is geworden, volwassener – niet dat ik nu vrede heb met sterven, maar wel dat ik op een bepaalde manier meer ‘kan doen’ in het leven, omdat er meer op het spel staat. De boel doet er meer toe. Maar zulke zaken zijn moeilijker in een casual gesprek te verwoorden als je gesprekspartner het liever over politiek of het weer wil hebben.

Laatst vertelde ik, ook een beetje tot verrassing van mezelf, hoe vreemd het voelt dat ik nu iemand in huis heb die alles wat hij me hoort zeggen vergelijkt met wat ik uiteindelijk doe. Ik voelde dat mijn vermogen mijzelf ‘als nieuw’ te presenteren was afgenomen. Ik zei, kortom, dat mijn angsten over mijn eigen morele gebreken nu groter en sterker dan ooit waren, omdat die gebreken belangrijker waren dan ooit: ze dienden ter instructie van een nieuw mens.

Foto Eoin Carey

Naar mijn eigen gevoel was ik hiermee ineens op een waarheid gestuit, het soort waarheid waar ik graag naar op zoek ga in gesprek met anderen. Maar in de ogen van mijn gehoor zag ik nu eerder verbijstering en afkeer dan herkenning.

Zeker bij één andere jongen zag ik de angst in de ogen toenemen. Zijn vriendin, ook aanwezig, was zwanger van een tweeling, en ik vermoed dat hij hier nog niet over had nagedacht, wat het enigszins precair en vreemd maakte, alsof ik mijn mond voorbij had gepraat.

Rond de tijd dat ik vader werd las ik het boek Vadertaal (2024) van de Chileense schrijver Alejandro Zambra. Hij onderzoekt aan de hand van dagboekaantekeningen van toen zijn zoon geboren werd, gedichten, herinneringen aan zijn eigen vader en stukken fictie over voetballen en vaders en zoons hoe een mens moet spreken over het vaderschap, of zo lees ik dat althans. Hij spreekt afkeurend over de clichés waarin mensen vervallen (inclusief hijzelf) en schrijft over het verlangen het vaderschap met luciditeit, humor en nederigheid in te vullen.

Nederigheid, luciditeit, humor – dat lijkt me wel wat. Zambra lezende realiseer ik me: hoe je over de dingen spreekt, doet ertoe. Iemand die op zo’n manier over het vaderschap schrijft als hij kan bijna geen slechte vader zijn.

Het (beginnend) vaderschap is je zorgen maken, luiers verschonen, veel lachen, eindeloos dat kind optillen en weer neerzetten, eindeloos veel boekjes voorlezen en eindeloos veel wat zich niet laat vangen – en juist het zoeken, het heel voorzichtig tasten naar de juiste liefdevolle woorden, lijkt me een goede manier om de complexiteit van die ervaring weer te geven.

In die zin is elke poging de juiste dingen te zeggen over het vaderschap een oefening in vaderschap. Op een dag heb ik het niet meer over hem maar tegen hem, en dan moeten het de juiste woorden zijn.


Is je collega écht ziek of aan het faken? Doe de test

Afgelopen week las ik op LinkedIn over een ondernemer die zijn onderhoudsmonteurs 250 euro betaalt als ze het kwartaal daarvoor NIET ziek zijn geweest. Ook heeft hij ingevoerd dat als medewerkers zich ziek willen melden, ze hem daarover persoonlijk moeten bellen, en dus niet even ’s ochtends een appje vanuit bed mogen versturen. Hij was stomverbaasd over de resultaten.

Want wat denk je? Had hij in 2023 hij nog 500 uur ziekteverzuim met een kostenpost van 30.000 euro, sinds de introductie van het nieuwe systeem is dat teruggezakt naar…. NUL!

Mij verbaasde het niks. Hollanders doen alles voor centjes. Ik snapte de ondernemer ook meteen. Iedereen kent ze toch? Van die lapszwanzen die even geen zin hebben om te werken en zich dan ‘ziek’ melden. Dat laten ze wel uit hun hoofd als ze 250 euro krijgen, of de baas hoogstpersoonlijk moeten bellen.

Verder is het natuurlijk een volslagen belachelijke maatregel. Discriminatie voor mensen die écht ziek zijn. En hoezo mensen aanmoedigen om ziek naar werk te komen? Denk je dat de klanten van dit bedrijf erop zitten te wachten dat er een monteur rochelend van de griep en gloeiend van de koorts of mazelen bij hun op de stoep staat?

Ik heb sowieso een hekel aan al de ‘bikkels’ die niezend achter hun scherm zitten en iedereen aansteken – blijf thuis! Het lijkt mij überhaupt een goed idee dat mensen die terugkomen van vakanties met mogelijk dengue, rare wormen en open tbc even twee weken in quarantaine gaan. Dat geldt ook voor carnavalsvierders, want dat is nog gevaarlijker.

Maar goed.

Hoog tijd, lijkt mij, voor een handig instrument waarmee je kan bepalen of iemand écht ziek is, of het alleen maar loopt te faken. Dus twijfel je aan wat je collega heeft? Maak dan deze 100 procent wetenschappelijk onderbouwde test (bron: mijn onderbuikgevoel) en je weet binnen 30 seconden of je een medisch wonder, of een fulltime oplichter in je team hebt zitten. Hoe meer punten, hoe meer een collega zit te faken.

1 Een collega appt vlak voor de deadline van een groot project dat hij ziek is. En zet vlak daarna foto’s van een fris gesausde muur, een zonnig strand, of live rave op Instagram. 400 punten.

2 Een collega belt dat ze ziek is, krijgt een enorme hoestbui – „moment, ik zie wat bloed in mijn zakdoek”. En moet vier keer terugbellen om coherent z’n verhaal te kunnen doen. 0 punten.

3 Je manager wil na afloop van een zoom-meeting ‘nog even bijkleppen’ en een van de collega’s zegt: „Euh. Over kleppen gesproken, ik moet me de rest van de dag ziekmelden, want ik lig op de hartbewaking, de arts belt jou zo even.” 0 punten.

4 Een collega belt dat ze „iets vaags heeft, geen idee wat”. Maar dat ze er wel „even drie daagjes ‘preventief’ uit moet om erger te voorkomen”. Maar dat ze vrijdag wel gewoon naar het concert van de Toppers kan. 400 punten.

5 Een collega appt op een vrijdag dat ze „iets verkeerds heeft gegeten”. En „meteen even de maandag, dinsdag en woensdag erbij pakt” om „echt goed uit te zieken”. 50 punten.

6 Een collega belt dat hij ziek is omdat hij het weekend naar een festival is geweest. En nu „eerst écht even moet bijkomen”. 500 punten

7 Een collega belt dat hij niet kan komen omdat hij zich slapjes voelt. En dat hij een week gaat skiën. Omdat „buitenlucht goed voor z’n herstel is”. 500 punten.

8 Een collega meldt op de groepsapp dat de kinderopvang gesloten is wegens personeelstekort. En meldt zich drie minuten later ziek. „Stom toeval”. 100 punten.

9 Een collega belt dat hij ziek is en dan gaat de bel. „O wacht, even de loodgieter binnenlaten. Was helemaal vergeten dat die kwam, mazzel dat ik nu toevallig thuis ben.’ 200 punten.

10 Een collega meldt zich ziek vanwege ‘vage duizeligheidsklachten’. En dient een paar uur later z’n achterstallige declaraties van het afgelopen half jaar in. 50 punten.

11 Een collega belt over een mail en als jij zegt: ‘Hee, moest jij niet bevallen’, is haar antwoord: „Ja, is net gebeurd! Maar ik lig toch even te wachten tot ik gehecht word!” 0 punten.

12 Iemand belt de dag voor zijn wintersport dat hij ziek is. Vervolgens is hij hyperactief op de groepsapp („drie meter sneeuw in Oostenrijk!!!”), en volgen even later de foto’s van het omleggen van de winterbanden en het monteren van de dakkoffer. 500 punten.

13 Een collega komt naar kantoor, stapt uit z’n auto, loopt met krukken. En kotst van de pijn op de parkeerplaats. (En moet vervolgens naar huis worden gebracht omdat hij echt niets meer kan). 0 punten.


‘Hoe laat ik mijn gevoelige kleuter wennen op een ouderwetse school?’

Moeder: „Ik heb een dochter van bijna vier jaar oud, een gevoelig, pienter en temperamentvol meisje. Toen ze twee was, ging ze twee ochtenden naar de peuterspeelzaal. Ze heeft daar maandenlang de hele ochtend gehuild. ’s Nachts kon ze niet slapen van de spanning. Ik heb haar er toen vanaf gehaald, en het weer opnieuw geprobeerd toen ze drie was. Dat ging beter! Binnenkort gaat zij naar de basisschool. Wij wonen in een dorp met één reguliere school, met een juf van de oude stempel: ze wil dat kinderen meteen fulltime meedraaien. Dat betekent voor mijn dochter een overgang van twee ochtenden op de speuterspeelzaal naar vijf dagen per week school. Ook mijn man is daar voorstander van. Niet te beschermend opvoeden, vindt hij. Mij lijkt het verstandig de schoolgang geleidelijk op te bouwen. Hoe breng ik dat? Ik weet dat mijn dochter het eerste jaar geen leerplicht heeft, maar ik wil ook niet meteen een ‘moeilijke moeder’ zijn die zeurt.”

Naam en woonplaats zijn bij de redactie bekend. De rubriek Opgevoed is anoniem, omdat moeilijkheden in de opvoeding gevoelig liggen. Wilt u een dilemma in de opvoeding voorleggen? Stuur uw vraag of reacties naar [email protected]

Geleidelijk wennen

Leonie Vreeke: „Overbeschermen is inderdaad niet goed. Het is niet verstandig om kinderen ervaringen te ontnemen. Maar dat doet u niet: u probeert uw verlegen dochter juist in stapjes aan nieuwe situaties te laten wennen. Dat lijkt me de juiste aanpak.

„Kinderen worden met verschillende temperamenten geboren. Zo’n 15 à 20 procent is wat angstiger, introverter en geremder dan gemiddeld. ‘Gedragsinhibitie’ heet dat in de wetenschap. Deze groep moet geleidelijk met nieuwe situaties leren omgaan. Zijn de stappen te groot, ontstaat er paniek. Gelukkig biedt ons leerstelsel daar ruimte voor, want er is inderdaad tot het vijfde jaar geen leerplicht.

„Uw dochter is al twee ochtenden op de peuterspeelzaal gewend, dus u kunt beginnen met een woensdag- en vrijdagochtend; gaat dat goed, zou u in dagen en tijden kunnen gaan variëren en na een maand evalueren hoe dat gaat. Zo’n opbouwschema is heel gebruikelijk op de meeste scholen.

„U kunt tegen de juf zeggen: ‘We willen graag een positieve overgang naar school, en onze dochter heeft wat meer tijd nodig.’ Wijs op het gezamenlijk belang: ‘We hebben toch niks aan een overstuur kindje in de klas? Of negatieve associaties met school?’ Mocht juf niet akkoord gaan, is er misschien een leidinggevende op school met wie u kunt praten?”

Kindgerichte aanpak

Liesbeth Groenhuijsen: „De vraag van een kind is: ‘Help mij iets te kunnen wat ik nog niet kan. Zonder mij te verwijten dat ik het nog niet kan.’ En wat heeft uw dochter hierin een goede moeder gevonden, die haar zo empathisch naar nieuwe ervaringen begeleidt. U heeft dat met haar op de peuterspeelzaal heel succesvol aangepakt. Dat ze op u mag vertrouwen, is de belangrijkste les die u haar kunt meegeven.

„Laten we de start van de basisschool vergelijken met zwemles. Je gooit het kind uiteraard niet meteen in het diepe, maar laat het van badje naar badje gaan. Deze juf zegt: ‘We gooien alle kinderen gewoon meteen in het diepe.’ Daarmee negeert ze niet alleen de verschillende persoonlijkheden in haar klas, maar ook de richtlijnen van ons leerstelsel.

„Als deze houding tekenend is voor de hele school, is het de vraag of dit de beste omgeving voor uw dochter zal zijn. Want er gaan nog heel veel momenten komen die voor een gevoelig kind spannend zijn: gymles, een schoolreisje. Is daar dan begrip voor? Zou het, de voor- en nadelen afwegend, een idee zijn te kiezen voor een meer kindgerichte school een dorp verderop?”

Leonie Vreeke is als universitair docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Leiden gespecialiseerd in angst bij peuters en kleuters. Liesbeth Groenhuijsen is klinisch pedagoog.

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement.
Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.


Willem Keizer, verpleegkundige in de acute psychiatrie: ‘Ik voel me op mijn gemak bij mensen die het leven niet snappen’

Willem Keizer (42) is filosoof en jurist, gespecialiseerd in internationaal recht, en hij werkt als verpleegkundige in de acute psychiatrie. „Het afvalputje van de maatschappij”, zegt hij. „En van de geneeskunde.” Maar dit is wat hij wil. Eindelijk voelt hij zich goed bij wat hij doet, ook omdat hij een boek heeft geschreven. Dat wilde hij al heel lang en nu is het gelukt. Het heet Waanzin en Sneeuw en het gaat over zijn werk. Een avond achter gesloten deuren is de ondertitel. De gesloten deuren waarachter patiënten hun wanen en psychoses uitleven en verpleegkundigen hen proberen te kalmeren, al dan niet met dwang.

Zijn vader is Bert Keizer (77) en ja, dat doet er hier toe. Bert Keizer is ook filosoof en hij was verpleeghuisarts, een nederig specialisme. Hij werd beroemd door zijn boeken over zijn werk. Het refrein is Hein, uit 1994, was zijn eerste. Geen dokter die zo vrolijk over de dood doet als hij. En zo laconiek. „In de navolgende bladzijden gaan we niet in verbijsterde ontzetting boven het graf hangen”, schreef hij in Reis om de dood uit 2019. „Al is dat wel de positie waarin wij ons bevinden.” Om de lezer vervolgens te laten griezelen en grijnzen over de enige zekerheid die we hebben in het bestaan: vroeg of laat gaan we eraan. En daarna? Niets. De taalfilosoof en logicus Ludwig Wittgenstein is Bert Keizers inspirator. Je kunt structuur aanbrengen in de feiten tot je een ons weegt en hopen dat je er betekenis in vindt. Maar er ís geen betekenis.

Nu Willem Keizer weer, die zijn boek Waanzin en Sneeuw begint met Sancho Panza, de schildknaap van Don Quichot. Die ziet de windmolens in de verte aan voor reuzen en stormt ze met geheven lans tegemoet. Vechten wil hij, de held uithangen en zo het hart van zijn geliefde Dulcinea winnen. Wat zal ze onder de indruk zijn van zijn moed. En Sancho Panza? Die roept: „Don Quichot! Stop! Die kolossale reuzen” – en hier geeft Willem Keizer het verhaal een draai – „komen in werkelijkheid voort uit hyperdopaminerge stimulatie van het limbische systeem in je prefrontale cortex. Ik haal even 10 milligram olanzapine voor je en dan kunnen we naar huis.”

Knettergek

Willem Keizer denkt, nee, weet zeker dat Don Quichot na deze uitleg zijn paard de sporen zou geven en al wegstuivend zou roepen dat Sancho Panza knettergek is en een lafaard bovendien.

Foto Merlijn Doomernik

Een beetje psychiatrisch verpleegkundige, is de boodschap, doet in dit soort gevallen heel wat anders. Die zegt: „Ik begrijp dat je reuzen ziet daar aan de horizon. Zei je dertig stuks? Met armen van twee mijl?” En: „Klinkt als een ongekend avontuur.” En: „Laten we een goed plan maken voordat je de aanval inzet, anders komt de overwinning misschien wel in gevaar.”

Thuis aan tafel in de Staatsliedenbuurt, Amsterdam-West, zegt Willem Keizer dat hij in de kliniek weleens wekenlang iedere dag tafeltenniste met een man die twee verlamde benen had. „In die waan verkeerde hij. Tweezijdig verlamd. Hij kwam in zijn rolstoel naar de tafeltennistafel. Hé, man, leuk dat je er bent, laten we spelen. Hij stond op, speelde drie sets, die hij meestal won, en daarna rolde hij terug naar zijn kamer.” Willem Keizer lunchte ook maandenlang met iemand die zeker wist dat hij geen maag meer had. En dus niet kon eten. En eigenlijk al dood was. „Zinloos om te zeggen: kom óp nou, je hébt wel een maag. Je zegt: ik vind het echt heel vervelend voor je, ik snap het helemaal. Maar eet nou toch maar een beetje.”

Precies dit, zegt hij, maakt zijn werk zo fascinerend.

Spijbelen, blowen, drinken

De moeder van Willem Keizer was ook verpleeghuisarts en bij haar én bij zijn vader, zegt hij, heeft hij altijd het plezier gezien in wat ze deden. En ja, dat gaf hem het idee dat werken iets was waar je voldoening uit moest kunnen putten, iets wat het leven zin gaf. „Bij mij heeft het lang geduurd voordat ik dat gevonden had.” Hij was „een ongelukje” en zijn ouders gingen uit elkaar toen hij twee was. Daarna werd de verdeling 60/40. „Ik woonde 40 procent van de tijd bij mijn pa.” Op de middelbare school, zegt hij, was hij een ramp. Spijbelen, blowen, drinken. Hij ging wel altijd over, maar met zesjes en een „schop onder zijn reet”. Van de rector. Niet van zijn vader. „Die was relaxt. Het is jouw leven.” En zijn moeder? „Die maakte zich wel zorgen.”

Na zijn eindexamen wist hij zeker dat hij voorlopig niet ging studeren en misschien wel nooit. Hij ging werken bij The Grasshopper, een coffeeshop in de Amsterdamse binnenstad. Daarna: reizen door Midden-Amerika. Na anderhalf jaar schreef hij zich in bij filosofie. En schreef zich meteen weer uit toen hij de universiteit was binnengelopen. „De boeken, de collegezalen – o, fuck, dat kan ik niet, daar heb ik helemaal geen zin in.” En toch, na een „hele hoop baantjes” waarin hij zich niet thuis voelde, begon hij op zijn 22ste aan filosofie. Want? „Ik zocht antwoorden op de grote vragen in het leven. Waarom zijn we er? Waar gaan we naartoe? Die antwoorden krijg je niet, maar daar kom je later pas achter.”

Idealisme

Nee, met zijn vader praatte hij niet gericht over Plato of Wittgenstein of filosofie in de moderne tijd. Maar hij woonde dus wel deels bij zijn vader in huis en stond bloot aan zijn vaders manier van denken en doen en praten. „Daar droop de filosofie vanaf, als je dat zo kunt zeggen. En de humor. Mijn pa is sceptisch en dwars en goed in een bepaald soort humor. Een voor een worden we weggeplukt, wat ís dit voor onderneming? Dat heeft me wel gevormd, ja.”

Rechten kwam erbij uit idealisme. „Ik had in die tijd”, zegt hij, „nog de illusie dat mensenrechten een typisch westers exportproduct was. Als de wereld nou maar één fijne grote liberale democratie zou worden, met respect voor de mensenrechten, dan kwam het allemaal wel goed. Daar wilde ik graag aan bijdragen.” Van dat idealisme is hij teruggekomen, al ging zijn masterscriptie nog wel over het begrip vrijheid in de moderne samenleving, toegespitst op vrijheid van meningsuiting en godsdienst.

En toen begon de kredietcrisis. Daar zat Willem Keizer dan, met zijn twee masters. Hele dagen tevergeefs sollicitatiebrieven schrijven. Voor zijn geld haalde hij ’s avonds in het Westelijk Havengebied vrachtwagens leeg, samen met een afgestudeerde bioloog, een fitnessinstructeur en een filmmaker die hun weg ook nog niet gevonden hadden. Zijn eerste echte baan was bij Academische Zaken van de Universiteit van Amsterdam. „Ik moest iets doen met de nationale studentenenquête en hoe faculteiten daarmee omgingen.” Hij vond het verschrikkelijk. Volgende baan: de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. „Hoe zeg ik het netjes? Ik haalde geen voldoening uit het opzetten van evenementen voor publieksfilosofie.” Na anderhalf jaar werd zijn contract niet verlengd.

Toeval

Zo kwam het dat Willem Keizer op zijn drieëndertigste min of meer bij toeval achter de receptie van een psychiatrische kliniek in Amsterdam-Noord belandde. Hij nam de telefoon aan en zette piepers terug in het rek. Vond hij prima. Hij zag psychiaters en patiënten en verpleegkundigen langs zijn balie lopen. Vond hij interessant. Hij zette na vijf uur ’s middags een tafeltennistafel op in de hal en speelde met iedereen die er maar zin in had. Vond hij hartstikke leuk. En eindelijk, éíndelijk had hij het gevoel dat hij ergens was aangeland waar hij wilde zijn.

En ja, waarom.

Foto Merlijn Doomernik

In Waanzin en Sneeuw laat hij zijn hoofdpersoon en alter ego dit zeggen: „Ik voel me thuis onder aan de trap en ik houd van de weg naar beneden. Sterker nog, ik houd iets meer van mensen die op weg naar beneden zijn, dan van de mensen die veilig bovenaan de trap blijven staan en misprijzend naar beneden kijken.”

Zelf zegt hij: „Ik voel me op m’n gemak bij mensen die het leven niet snappen, want ik snap het zelf ook niet.” En: „Ik pas in de psychiatrie omdat het er eerlijk en rauw is. Geen façades.”

Het was de verpleegkundige Ibo – „goeie kerel” – die hem erop attendeerde dat hij iets kon wat niet iedereen gegeven is: contact maken met patiënten die het contact met de realiteit verloren hebben. „Ibo zei: zou je niet de duale opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige willen doen? En toen ben ik naar de Hogeschool van Amsterdam gegaan.”

Vaste baan, vaste vriendin

Nu werkt hij bij de crisisdienst in Amsterdam, het „epicentrum” van de spoedeisende psychiatrie. „De politie belt. We staan hier bij mevrouw Jansen die haar bankstel naar buiten aan het gooien is. Kennen jullie haar? De huisarts belt. Tegenover me zit een Albanees die van plan is om zich vanavond op te hangen. Hebben jullie plek? Jij wordt bij ons gebracht en ik zit naast je op de bank. Je moet onmiddellijk naar het Centraal Station? De Derde Wereldoorlog is uitgebroken? De atoombom valt zo? Mijn plezier is dan dat jij je door mij gehoord voelt en ik je toch binnen weet te houden. En dat ik je zover krijg dat je medicatie neemt die jij niet wilt. En dat we daarna nog koffie kunnen drinken zonder dat jij mij wilt wurgen.

All’s well that ends well. Sinds een jaar of acht heeft hij niet alleen een vaste baan, maar ook een vaste vriendin, met wie hij samenwoont. Over twee maanden wordt hun kind geboren, hun eerste, een meisje. Ze hebben net een wat groter huis gekocht, zodat hun dochter niet op tweehoog in de Staatsliedenbuurt hoeft op te groeien. Zou hij het weer zo doen als hij opnieuw kon beginnen? Hij zegt: „Dat brengt me bij Schopenhauer. Die gaat naar de begraafplaats, klopt op alle graven en stelt alle lijken dezelfde vraag. Zou je het nog een keer willen doen, leven? Alle lijken geven hetzelfde antwoord: alleen met de kennis die ik nu heb. Anders bleven ze liever liggen.” Dat zou Willem Keizer dus ook zeggen. Moest hij het overdoen, dan graag met de kennis van nu. Maar dan is de vraag: welke kennis zou hem redden?


Een heerlijk eenvoudig gerecht

In Angola at ik regelmatig Moqueca op straat, de markt of waar dan ook. In het binnenland vaak gemaakt met zoetwatervis, cacusso, of kip met mandiok/cassava en maïspap. Misschien ligt de oorsprong van het recept in Angola dat met de slavenhandel verhuisd is naar Brazilië. Veel gerechten in het Kimbundo hebben dezelfde ingrediënten zoals muamba de galinha, kalulo, pirão om er een paar te noemen met okra als groente meegekookt. Ik heb in grote lijnen het recept gevolgd. Eerst een marinade van drie rijpe tomaten uit blik, knoflook teenjes, gehakte koriander, limoensap en zout. De ui gefrituurd in palmolie waaraan de visbouillon en verse gepureerde kokos werd toegevoegd met de helft van een groene en rode paprika, gindungo (een pittige rode peper) en stukjes bakbanaan (in Angola banana-pão, broodbanaan). Daarin de wijting in moten 20 minuten laten sudderen afgewerkt met garnalen. Tot slot nog een biertje, alhoewel palmwijn beter smaakt. Een heerlijk eenvoudig gerecht dat met dendê smaakt en ruikt naar Afrika.

Jacob van der Sluis


Rik Kuiper las 270 brieven van een SS’er aan zijn ‘vrouwke’. Kan een kampbeul ook een lieverd zijn?

Het boek Liefdesbrieven van een kampbeul van Volkskrant-journalist Rik Kuiper begon zeven jaar geleden met een terloopse vraag aan de man die bij het NIOD brieven, dagboeken en andere persoonlijke documenten uit de oorlog in ontvangst neemt van mensen die ze niet meer zelf willen bewaren. Wat was het interessantste dat de archivaris de afgelopen jaren had zien binnenkomen?

„Daar hoefde hij niet lang over na te denken”, zegt Rik Kuiper. „Dat waren de 270 brieven die kampbeul Willem van der Neut na de oorlog vanuit de gevangenis schreef aan zijn geliefde Erika Lüschen.” Het NIOD is het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.

Willem van der Neut en Erika Lüschen, een Nederlands meisje, hadden elkaar in juni 1944 in Kamp Amersfoort leren kennen en in juni 1945 werd hun zoon geboren, Fokko. Maar toen was Willem al opgepakt door de Binnenlandse Strijdkrachten en zat Erika wegens collaboratie in een interneringskamp in Winschoten. Rik Kuiper: „Ze beviel van Fokko in gevangenschap.”

Zij was secretaresse in Kamp Amersfoort.

„Haar bureau moet ongeveer daar gestaan hebben.” We zitten in de koffiecorner van Kamp Amersfoort, nu een Nationaal Monument, en hij wijst in de richting van waar vroeger het kantoor van de SS was. Eerder zijn we al langs de schietbaan gelopen, een door dwangarbeiders uitgegraven geul in het bos van 350 meter lengte waar executies werden uitgevoerd. Hier, vertelde hij, had Willem van der Neut ettelijke malen op het bevel ‘Feuer!’ de trekker van zijn karabijn overgehaald om terdoodveroordeelden te fusilleren. Voor de leden van het executiepeloton stonden na afloop altijd twee glaasjes schnaps klaar.

In Kamp Amersfoort zaten verzetsstrijders en Joden opgesloten, communisten, gijzelaars, zwarthandelaars, mannen die geprobeerd hadden om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. „Willem deed ook mee aan executies op de Leusderheide”, zegt Rik Kuiper. „Dan moesten ze eerst nog een eindje rijden in een vrachtwagen. Hij deed geen enkele poging om eronderuit te komen, wat best had gekund.”

Het Bijzonder Gerechtshof in Utrecht legde hem in april 1948 de doodstraf op.

„Vanwege die executies en omdat hij in vreemde krijgsdienst was getreden. Hij had ook toegegeven dat hij gevangenen had mishandeld. Getuigen verklaarden voor de rechtbank dat hij mannen had gemarteld door hun baard in brand te steken of sigarettenpeuken op hun lichaam uit te drukken. Hij zou ook iemand in een oog hebben geprikt met een potlood.”

In november 1949 werd de doodstraf omgezet in levenslange gevangenschap.

„Koningin Juliana schonk hem gratie, ja. De meeste oorlogsmisdadigers die na de oorlog ter dood werden veroordeeld kregen gratie. De levenslange gevangenisstraffen die ervoor in de plaats kwamen werden na verloop van tijd bijna allemaal omgezet in straffen van tien of twaalf jaar.”

Maar dat, schrijf je, heeft Willem van der Neut niet afgewacht.

„Hij is eind 1952 met zes andere oorlogsmisdadigers ontsnapt uit de koepelgevangenis in Breda en naar Duitsland gevlucht.”

En van deze man ben je dus 270 liefdesbrieven gaan zitten lezen.

„Ik was meteen gefascineerd toen de archivaris van het NIOD me erover vertelde, vooral door het contrast dat in die woorden verscholen zit: liefdesbrief en kampbeul, goed en kwaad. En hoe kun je beter in het hoofd van een oorlogsmisdadiger komen? Het NIOD bracht me in contact met Fokko, die de brieven zelf was komen brengen, en toen vond ik het nog interessanter worden. Fokko kende zijn vader alleen van de bezoekjes met zijn moeder in de gevangenis vroeger. Hij had hem niet meer gezien nadat die naar Duitsland was gevlucht en vroeg zich zijn hele leven al af waarom zijn vader nooit meer wat van zich had laten horen. Hij hield toch zo veel van hem? In de brieven was het ‘jongske’ dit en ‘jongske’ dat, en wat verlangde hij ernaar om met hem te ravotten. Maar alle pogingen van Fokko om zijn vader te vinden waren mislukt. Ik hou van het historische verhaal en ik hou er nog meer van als je dat verhaal naar het heden kunt brengen. Dus ik ben met Fokko naar Uslar gegaan, het stadje waar Willem – onder een andere naam – tot zijn dood in 1983 heeft gewoond. En daar hebben we een stiefzoon van hem gevonden. Mijn boek gaat over Willem van der Neut en Erika Lüschen, maar het is ook een Vatersuche.”

De stiefzoon is vol lof over Willem van der Neut.

„Hij had zich geen betere vader kunnen wensen. Willem had ‘alles’ voor hem gedaan. Na de oorlog kreeg Willem van iedereen dat soort recensies. De directeuren van de gevangenissen waar hij verbleef noemden hem een ‘eenvoudige, goede man’ die zijn werk in de meubelmakerij tot ‘volle tevredenheid’ van de werkmeester uitvoerde. De psychiater Pieter Baan, die hem in opdracht van Justitie onderzocht, rapporteerde dat er bij Van der Neut wel sprake was van ‘affectlabiliteit’, een sterke schommeling in de uiting van gevoelens, maar dat kon veroorzaakt zijn door de detentie. Pieter Baan” – de grondlegger van het Pieter Baan Centrum – „zag geen psychopathologische afwijkingen of ernstige karakterstoornissen.”

Wat jou in je boek doet nadenken over de vraag of er in iedere kampbeul een lieverd schuilt.

„Het omgekeerde – in iedere lieverd huist een kampbeul – is in elk geval niet waar. Die theorieën zijn er wel: dat iedereen zich in bepaalde omstandigheden tot een kampbeul kan ontpoppen. Maar dan ontken je iedere eigen verantwoordelijkheid voor de keuzes die mensen maken.”

Foto Lars van den Brink

In de familie van Willems moeder zat nogal wat psychiatrie.

„Pieter Baan rapporteert over twee zussen die in een inrichting hebben gezeten en haar jongste zus pleegde zelfmoord door zich na een bevalling met petroleum in de brand te steken. Een broer leed aan epilepsie. Maar daaruit concludeert hij niet dat er met Willem ook iets aan de hand was.”

Al had Willem weinig mee bij zijn geboorte.

„Groot gezin, armoede, nauwelijks opleiding en een dominante moeder die in de jaren dertig een fanatieke aanhanger van de NSB werd. Het heeft hem zeker gevormd, maar verklaart het zijn daden? Dat oordeel laat ik aan de lezer over. Willem trouwde in 1939, op zijn twintigste, met een meisje van wie hij niet hield, maar ze was zwanger, en meteen na de capitulatie in mei 1940 koos hij ervoor om als timmerman te gaan werken voor de Wehrmacht, want hij moest geld verdienen voor zijn gezin. Dat had niet gehoeven, hè. Hij had ook ergens anders kunnen gaan werken.”

Het is afschrikwekkend proza, verschrikkelijk. En eindeloos klagen dat hij zo weinig post van haar krijgt

In februari 1941 meldde hij zich bij de Waffen-SS.

„Vanwege zijn slechte huwelijk, schreef hij later aan Erika. Dan kon hij weg bij zijn vrouw en zij kreeg een toelage van de SS. In juni 1941 werd zijn compagnie naar Oekraïne gestuurd. Ik heb geprobeerd uit te zoeken wat hij daar heeft meegemaakt, maar dat was lastig. In zijn brieven aan Erika had hij het er nooit over. Deels bewust, denk ik, want de censuur las mee. En misschien wilde hij haar er niet mee lastigvallen. Iedereen weet dat het gruwelijk was aan het oostfront. Hij moet daar gruwelijke dingen hebben gezien.”

En gedaan.

„De Waffen-SS was betrokken bij de genocide in Oekraïne, maar wat Willem gedaan heeft weet ik niet. En ik wil hem niets in de schoenen schuiven. Misschien koos hij er wel voor om kapotte auto’s te repareren als zijn compagnie Joden ging ophalen. Misschien was hij op de dagen dat er Joden werden doodgeschoten wel verkouden. Je was als Waffen-SS’er niet verplicht om aan de massa-executies mee te doen. Je mocht weigeren. Al vonden je kameraden daar dan wel wat van. Ik sluit niet uit dat Willem in Oekraïne zijn eerste moorden heeft gepleegd en ik sluit ook niet uit dat hij in 1943 volledig afgestompt in Nederland is teruggekeerd. Dan is het vast niet zo moeilijk meer om gevangenen te martelen en te fusilleren.”

Maar wat hij daarbij voelde…

„… en óf hij er wat bij voelde kom je uit zijn brieven niet te weten. Hij is vooral heel erg met zichzelf bezig. Heel veel zelfmedelijden, maar berouw of zelfreflectie – nee.”

Je ergerde je soms kapot aan hem, schrijf je.

„Het is afschrikwekkend proza. Dat hij Fokko ‘jongske’ noemt en haar ‘vrouwke’, de hele tijd, verschrikkelijk. Eindeloos klagen dat hij zo weinig post van haar krijgt of dat ze niet op bezoek is gekomen. Fantaseren over hun leven samen als hij ooit vrij komt. Lekker bij de kachel zitten terwijl zij in de keuken in de pan staat te roeren en dat hij dan een lekker gehakballetje bij haar komt pikken. Dat is dan nog het meest creatieve dat hij kan verzinnen.”

Na zijn vlucht naar Duitsland ziet hij haar ook nooit meer.

„Zijn masterplan was denk ik wel dat Erika met Fokko naar hem toe zou komen en dat ze dan zouden trouwen. Alleen had hij niet goed doordacht wat dat voor haar zou betekenen. Trouwen met een stateloze man, een veroordeelde oorlogsmisdadiger die misschien zou worden uitgeleverd? Ze kwam niet en misschien was ze hem ook wel een beetje zat. Later op haar sterfbed heeft ze gezegd dat hij haar enige grote liefde was geweest, maar hoe moet je dat interpreteren? Ze had hem leren kennen in een prikkeldraadlandschap waar helemaal niets mooi was, behalve hun liefde. Haar vorige liefde was gesneuveld en drie broers van Willem waren ook gesneuveld, twee aan het oostfront. Ze moeten zich aan elkaar hebben vastgeklampt. Na Dolle Dinsdag verhuisde Erika met de administratie van Kamp Amersfoort naar Oldenzaal en daarna hebben ze elkaar nog maar een paar keer gezien. En bij een van die keren is Fokko dus verwekt. Erika kreeg een kind van een man die nog getrouwd was en intussen al drie kinderen had – hoe slecht zijn huwelijk met zijn eerste vrouw ook was. Ik weet niet zeker of een huwelijk tussen Willem en Erika veel toekomst had gehad.”

In het voorjaar van 2021 publiceerde Rik Kuiper een serie verhalen over de liefdesbrieven van Willem van der Neut in de Volkskrant, maar toen had hij nog lang niet zoveel uitgezocht als nu. In zijn boek vertelt hij gedetailleerd hoe Willem van der Neut op Tweede Kerstdag 1952 tijdens een filmvoorstelling voor de gevangenen met zes andere oorlogsmisdadigers – de meesten hadden een verleden bij de Waffen-SS – uit de koepelgevangenis in Breda kon ontsnappen. „In het politiedossier”, zegt hij, „bleek van minuut tot minuut beschreven te staan hoe het gegaan was, met alle foto’s van de ontsnappingsroute erbij, alle processen-verbaal van de getuigen en betrokkenen, een heerlijke vondst. Bij mijn onderzoek naar het leven van Willem van der Neut heb ik vaak zitten vloeken van frustratie omdat het allemaal zo lang geleden is en er zoveel dingen zijn waar je niet achter komt. Maar dit was geweldig. Je zíét het gewoon voor je. Wat ook weer lastig was, want je leeft met hen mee en dan hóóp je bijna dat het ze gaat lukken.”

Het idee was vrij simpel.

„Achterlijk simpel. Ze zijn naar buiten gegaan via het stortgat voor de kolen dat in open verbinding stond met het binnenterrein van de gevangenis. Voor de muur waar ze overheen moesten hadden ze ladders meegenomen.”

Binnen een paar uur zijn ze bij de grens met Duitsland.

„Waar ze op twee Duitse grenswachters stuiten. Ze zeggen dat ze politieke vluchtelingen zijn en dan worden ze meegenomen naar het grenskantoor, waar ze koffie en kerststol krijgen aangeboden. De Zollgrenzkommissar waar ze zich de volgende dag moeten melden is een gewezen SS’er en die vindt dat het ‘ongevaarlijke mensen’ betreft. De snelrechter die zich ermee bemoeit ziet ook geen enkel probleem. Dat verraste me eerst wel even, maar natuurlijk, dat hele nazi-apparaat, al die mensen die erin gewerkt hadden, de meesten waren kleine radertjes geweest en liepen allang weer vrij rond. Ze beschouwden een man als Willem van der Neut als een van hen. Ze hadden zelf ook aan het oostfront gevochten, en anders wel hun vaders of hun broers of de buren.”

De Nederlandse Justitie gaat wel achter Willem van der Neut aan.

„Na een halfjaar wordt hij opgepakt, ja. Maar hij wordt niet uitgeleverd, want Duitsland levert geen staatsburgers uit. En Willem beweert dat hij aan het oostfront al een formulier had ingevuld om het Duitse staatsburgerschap aan te vragen. De rechter in Duitsland gelooft hem en laat hem weer vrij. Maar ook al had de rechter hem niet geloofd, dan nog zou hij Willem hebben vrijgelaten. In 1943 had Hitler een decreet uitgevaardigd waarin stond dat iedere buitenlander die voor het Duitse leger had gevochten automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.”