Palmkool als ingrediënt van een salade, dat kende ik wel uit een recept voor kale salad van de Amerikaanse kookwebsite Smitten Kitchen. Dus ik was benieuwd naar het recept voor deze wintersalade. De ingrediënten waren makkelijk te krijgen, alleen de radicchio verruilden we voor roodlof. En in de dressing deden we donkere in plaats van witte balsamico-azijn, want die hadden we al in huis. De bereiding was eenvoudig. Het karamelliseren van de pecannoten in ahornsiroop lukte beheerst, in een kleine koekenpan.
Om er een volwaardige zondagslunch van te maken, maakten we er geroosterde pompoenparten bij en croutons van zuurdesembrood. Mijn partner, niet de grootste salade-fan, riep al „Lekker!” na de eerste hap. Ik was het roerend met hem eens. Bitter, zoet, zuur en zout waren mooi in balans. Het glaasje witte wijn erbij maakte het bijna een restaurantervaring.
Toen Donald Trump en JD Vance op 28 februari president Volodymyr Zelensky het Witte Huis uit brulden waren zelfs de nieuwsmijders in mijn omgeving van slag. Dat er in Washington emotioneel incontinente figuren aan de knoppen zitten die er de mores van vastgoedmaffiosi op nahouden was eindelijk ook tot hen doorgedrongen. En dat daardoor de veiligheid en stabiliteit van Europa in gevaar waren werd door niemand meer betwijfeld. Mijn vrienden, kennissen en familie hingen aan de lijn, allemaal met dezelfde vraag: wat moet ik doen?
Het klinkt misschien wat vreemd dat ze naar mij uitweken. Ik ben immers geen diplomaat of topvrouw van een groot techbedrijf, en ik heb ook geen drones en kernbommen (of nou ja, als ik ze had zou ik dat niet in de krant zetten), maar ik ben wél een ervaringsdeskundige in iets waar velen opeens door zijn lamgeslagen: angst. Als kleuter stelde ik me continu voor hoe alles mis kon gaan. ’s Nachts lag ik wakker zodat, wanneer de inbrekers kwamen, ik mijn ouders meteen kon wekken.
Door al het getob was mijn hoofd tegen mijn achttiende niets meer dan een martelcontainer en zocht ik, ten einde raad, hulp. Inmiddels kan ik aardig met mijn angsten omgaan. Ik heb nog weleens een paniekaanval of een ontspoorde piekersessie, maar meestal gaat het goed en ben ik kalm.
Dat laatste kan ik helaas niet zeggen over mijn naasten, die er dankzij de recente geopolitieke ontwikkelingen behoorlijk af liggen. Ze verlangen naar een remedie, zijn op zoek naar zekerheden, garanties en geruststellingen. Tevergeefs. We bevinden ons in een tussentijd waarin veel onzeker is. In de mooie essaybundel Bedenktijd (2023) definieert schrijfster Meredith Greer deze periode als volgt: „De tussentijd is… een stemming. Het is een staat van zijn. Het is zitten in een wachtkamer… het voelt als aankomen op een plek waar net iets is gebeurd, of te gebeuren staat, zonder dat je weet wat.”
Zo’n overgangsfase is er een van machteloosheid. Je hoort op de achtergrond het kraken van grenzen, de oude regels worden doorgekrast en je weet niet wat je kaarten straks nog waard zijn. Er zijn gelukkig enkele inzichten en technieken die je kunnen helpen. Ik moet er meteen bij zeggen dat deze methodes pas echt aansloegen nadat ik mijn hoofd had uitgemest met behulp van de nodige therapie. Als je niet meer kan functioneren, raad ik je aan hulp te zoeken (en dat snel te doen, aangezien de wachtlijsten tegenwoordig langer zijn dan het Tapijt van Bayeux). Voor degenen die stabiel zijn maar op wie de onrust alsnog een aardige wissel trekt: tips om de tussentijd te doorstaan zonder meteen naar de kalmeringsmiddelen te hoeven grijpen.
1Voor wie ’s nachts wakker ligt
Zorgen zijn nachtbrakers. Ze besluipen je wanneer je te uitgeput bent om er nog enige weerstand aan te kunnen bieden. Om het nog erger te maken vormt angst ook een vergrootglas. Alles wat overdag behapbaar leek, neemt ’s nachts monsterlijke proporties aan. Daar komt bij dat gedurende de nacht het serotonineniveau keldert en de productie van cortisol toeneemt waardoor deprimerende of griezelige gedachten nog harder aankomen. Ik heb mezelf er weleens op betrapt dat ik in het donker allerlei oorzaken voor die onrust ging bedenken. Maar soms zijn bepaalde gevoelens of emoties er nou eenmaal.
Soms sta ik stil bij wat Paulien Cornelisse ooit zei over nachtelijk gepieker. Zij besloot op een gegeven moment om gedachtes die tussen tien uur ’s avonds en acht uur ’s ochtends opkomen niet meer serieus te nemen. De hersenspinsels te laten voor wat ze zijn en er geen betekenis meer aan te verbinden. Natuurlijk, bij hevige onrust is dat makkelijker gezegd dan gedaan, ook al heeft het mij af en toe enorm geholpen om tegen dat soort nachtelijke dwanggedachten „flikker op” te zeggen, of „jullie zijn niet echt”.
Als dat niet helpt is het raadzaam om gewoon uit bed te gaan en rondjes te lopen, met je lijf te schudden, een paar keer flink uit te ademen en ondertussen stevig over je bovenarmen te wrijven, zodat er wat vriendelijker stoffen als endorfines en oxytocine vrijkomen.
2Voor wie sowieso piekert
Soms blijf ik maar rampscenario’s bedenken. Een kennis die opgroeide tijdens een oorlog kwam met het advies om dan tafels op te gaan zeggen. Dat klinkt misschien getikt, maar het werkt. Bij acute angst slaat een ouder gebied van je brein aan, het gedeelte met de vecht- of vluchtreflex. Tijdens het opdreunen van tafels activeer je andere aspecten van je geest, de logische in plaats van de emotionele, en dat kalmeert.
Wat mij ook een paar keer echt uit mijn hoofd heeft gekregen is mezelf te ankeren op de plek waar ik me bevond. Dat kan bijvoorbeeld door de zogenaamde 5-4-3-2-1-oefening, waarbij je eerst vijf dingen moet opnoemen die je kan zien, dan vier zaken die je kan horen, vervolgens drie die je voelt (en dan heb ik het niet over emoties maar tastzin, zoals hoe je kleding zit, of hoe je tong in je mond tegen je tanden rust), twee die je ruikt en ten slotte eentje die je proeft.
Wanneer ik deze oefening doe moet ik altijd denken aan een anekdote van de Amerikaanse zenleraar Charlotte Joko Beck (1917-2011). Ooit liep een van haar leerlingen helemaal leeg over zijn veeleisende baas. Beck onderbrak hem en vroeg waar die baas nu, op het moment van klagen, was. De leerling antwoordde dat hij dat niet wist. „Precies”, zei Beck, „hij is er niet. Jij bent er wél.”
Veel ellende komt voort uit afwachten tot het misgaat terwijl er in werkelijkheid nog niets zeker is. Door dat afwachten giert de stress alsnog door je lijf: je schouders schieten op slot, je hart davert in je borst en je humeur wordt er al helemaal niet beter op. Mij helpt het om in de tussentijd ‘wat als’ meteen te laten volgen door ‘zelfs dan’ of ‘dat zien we dan wel weer’.
Leven in een overgangsperiode komt neer op leren verdragen, op accepteren dat niet alles te controleren valt. Piekeren heeft geen enkele zin als je nog niet weet waar je aan toe bent. Haal dat noodpakket in huis om die 72 uur zonder elektriciteit of internet door te komen, maar wissel je euro’s nog niet in voor roebels of yuan.
Zorg ook dat je geïnformeerd blijft, want op dit soort momenten lijkt angst soms een beetje een mentale auto-immuunziekte, waarbij de geest zichzelf met behulp van de verbeelding continu aanvalt. Zelden is het spreekwoord ‘men lijdt het meest door het lijden dat men vreest’ toepasselijker. Dus blijf op de hoogte via betrouwbare bronnen zoals bijvoorbeeld, hé, deze krant. Er is niet alleen maar slecht nieuws. Laat je verder niet gek maken door speculatie van nieuwskanalen of figuren die het alleen maar voor de clicks doen en zo proberen te verdienen aan jouw onrust. Blijf bij de feiten zodat je fantasie (waarvoor angst overigens een geweldige brandstof is) niet met je aan de haal gaat.
4Voor iedereen: dóé iets
Misschien brengen deze inzichten een beetje verlichting. Tegelijkertijd is het natuurlijk weinig meer dan symptoombestrijding. Afgelopen week kreeg ik een appje van een oud-studiegenoot die tegenwoordig in de crypto zit. Hij was nerveus over de mondiale spanningen en smeekte me om wat „tools”, voor het „masteren” van zijn „mind”.
Zijn woordkeuze zette me aan het denken. Hij leek te verwachten dat je mind überhaupt gemasterd, oftewel onderworpen, kan worden met behulp van het juiste gereedschap. Alsof je hoofd een apparaat is dat je kan afstellen waaronder alles weer draaglijk wordt. Maar op een zeker punt kan geen enkele tool, geen enkele affirmatie, meditatie of manifestatie je nog helpen. Met alleen maar dénken of verdragen verander je de wereld niet.
Dat sommigen daar alsnog al hun hoop op vestigen hangt samen met het gegeven dat stress, angst en onrust de afgelopen decennia sterk zijn geprivatiseerd. Mentaal ongemak is de verantwoordelijkheid van de enkeling geworden. Hij, zij of hen moet gewoon betere grenzen stellen, meer tijd besteden aan ontspanning, in therapie gaan of de juiste medicatie te slikken.
In een tussentijd komt alles op losse schroeven te staan
Ondertussen raken steeds meer mensen overwerkt en rijzen de depressiecijfers onder jongeren de pan uit. Je kan je zo langzamerhand afvragen of het dan nog aan het individu ligt, in plaats van aan het systeem. En of we dat systeem in plaats van maar te verdragen, niet eens moeten gaan veranderen.
In een tussentijd komt alles op losse schroeven te staan. Dat is eng, maar het biedt ook kansen. Om vraagtekens te plaatsen bij een wereld waar onophoudelijke groei en competitie worden voorgesteld als deugden in plaats van als gebreken. Dat we lang geloofden dat de zogenaamde vrije markt een garantie vormde voor de vrede, terwijl inmiddels is gebleken dat diezelfde vrije markt juist figuren in het zadel kan helpen die de vrede flinke schade berokkenen. En dat macht, om de bekende sciencefiction-auteur Frank Herbert te parafraseren, niet alleen corrumpeert maar, zoals ze nu is georganiseerd, sowieso de corrumpeerbaren aantrekt.
Op een zeker moment zal het stof neerdalen. De energie die je nu bespaart door jezelf niet gek te maken, kan je dan inzetten voor verandering, voor vereniging. Om op te komen voor iets groters dan de eigen gemoedsrust.
En te beseffen dat het uiteindelijk niet draait om ‘tools’ voor je ‘mind’. Dat het op een gegeven moment echt niet meer gaat om wat je denkt, maar om wat je dóét.
Door de menigte wurmt een man zich naar de bar. „Kom erbij”, zegt een kale man in een felblauw pak tegen hem. In het Amsterdams café-restaurant staan ruim honderd mensen druk met elkaar te kletsen. Ze zijn op een borrel, georganiseerd door het platform Nieuwe Mensen Leren Kennen (NMLK), waar je je kunt inschrijven voor evenementen met als doel om, inderdaad, nieuwe mensen te leren kennen. De man in het blauwe pak steekt zijn hand uit naar de nieuwkomer. „Ik ben Martin, en jij? Kijk”, lacht hij, „zo snel kan het gaan.”
Sommigen in het café staan er wat onwennig bij. Anderen herkennen elkaar van eerdere evenementen, zoals Soleil („nét 40”) die hier naar eigen zeggen „tientallen” mensen kent via de app van NMLK. Ze gebruikt die sinds ze na twee verhuizingen – naar België en weer terug – opnieuw sociale contacten moest opbouwen. Ze wijst naar een groepje mensen bij de bar: „Met haar ben ik weleens naar de film geweest, en met hen ben ik gaan apekooien.”
Zo biedt NMLK een mogelijke oplossing voor een hardnekkig probleem: eenzaamheid. Volgens de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voelt zeker een op de tien mensen zich ‘sterk’ eenzaam. Ernstige eenzaamheid kan leiden tot angsten, slapeloosheid of depressie, maar ook tot fysieke gezondheidsklachten. Nederlandse en Britse wetenschappers stelden vorig jaar vast dat eenzaamheid het risico verhoogt op hartziekten en dementie. Daarnaast zien onderzoekers al jarenlang dat door een rijk sociaal leven de kans op een vroege dood afneemt en dat vriendschappen belangrijk zijn voor een langdurige gezondheid. De Nederlandse overheid probeert het probleem op de kaart te zetten met bewustzijnscampagnes zoals de ‘Week tegen Eenzaamheid’, maar in de eenzaamheidscijfers is daar nog geen effect van te zien.
Zoek iets dat bij je past
Het CBS maakt onderscheid tussen emotionele en sociale eenzaamheid. Het eerste is het gevoel van het missen van een hechte band. Dat speelt met name bij jongeren tot 25 jaar (bijna 14 procent van die groep). Wie last heeft van sociale eenzaamheid, heeft vooral behoefte aan méér contact. Bij eerdere onderzoeken naar eenzaamheid lag de nadruk vaak op jongeren met een telefoonverslaving en alleenstaande ouderen, maar uit de laatste cijfers blijkt dat juist volwassenen tussen de 35 en 45 jaar zich het vaakst (18 procent) ‘sterk’ sociaal eenzaam voelen.
Wie sociaal eenzaam is, voelt zich niet verbonden met mensen op wie je kan terugvallen en met wie je leuke dingen kan doen – een vriendengroep dus. Dat zegt Anja Machielse, emeritus-hoogleraar sociale weerbaarheid aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, die al meer dan 25 jaar onderzoek doet naar eenzaamheid. „Je hebt aan de ene kant wel relaties die dichtbij staan, bijvoorbeeld je partner, familieleden of eventueel kinderen, maar je mist een breder netwerk, een ‘community’ met gelijkgestemden.”
Een nieuwe vriend staat niet zomaar ineens voor je neus
Volgens Machielse heb je ze allebei nodig. Nauwe relaties heb je nodig voor de diepere verbinding, gekozen relaties zijn een afspiegeling van wie bij jou passen op dat moment, zegt ze. „Die geven jou het gevoel dat je ergens bij hoort.”
In de levens van dertigers en veertigers vinden veel grote veranderingen plaats die volgens Machielse duidelijke gevolgen hebben voor hun sociale netwerk: een relatiebreuk, een verhuizing voor werk naar een andere stad, kinderen of juist de afwezigheid van kinderen. Daarnaast is het sociale leven de afgelopen decennia sterk veranderd, door digitalisering maar bijvoorbeeld ook door de ontzuiling, aldus Machielse. „Mensen gaan verder weg wonen, families zijn minder vanzelfsprekend. We leven veel individualistischer en zijn daardoor meer aangewezen op onze gekozen relaties.”
Dat zag ook Anne van der Steen. In de korte NPO-documentaire Anne (32) zoekt vrienden zoekt ze uit waarom het maar niet lukt nieuwe vrienden te maken en die te behouden. Hoewel Van der Steen haar oude vriendengroepen nog wel als ‘vrienden’ ziet, zijn ze in de „bijpraatfase” beland, zegt ze in de documentaire. „Bijpraten over levens waar je geen deel meer van uitmaakt.” Haar oude vrienden hebben kinderen of wonen in een andere stad. Nieuwe vrienden maken is op volwassen leeftijd zo makkelijk nog niet. „Een nieuwe vriend staat niet zomaar ineens voor je neus”, zegt de filmmaker, dus gaat ze op vriendendates. Want het begint bij stap één: nieuwe mensen ontmoeten.
Maar hoe doe je dat? Uit een online oproepje van NRC kwamen vele tips over het ontmoeten van nieuwe vrienden. Ga bij een sportvereniging of hobbyclub, of meld je aan voor die ene taalles die je wilde volgen. Ga mee op groepsvakantie. Ben je zzp’er: ga bij een netwerkclub. Ontdek wie je buren zijn: sluit je aan bij het vrijwillige afvalruimen in de buurt of word mede-organisator van het straatfeest. Zoek iets dat bij je past, dan ontmoet je gelijkgestemden.
Nynke de Jong (39) ging zes jaar geleden in Zwolle wonen en besloot iedereen uit te nodigen voor haar verjaardag, schrijft ze aan NRC. Maar dan ook echt iedereen: „Dat waren moeders van het schoolplein, maar ook mijn kapper en zangdocent en hun vrienden.” De appgroep die voor die verjaardag is aangemaakt, is nog altijd in gebruik. „Eerst voor kopjes koffie, of voor een sport- of theatermaatje. Dat is uitgegroeid tot een appgroep met dertig vrouwen die lief en leed delen.”
Er zijn allerlei websites, apps en initiatieven die je op weg kunnen helpen in de zoektocht naar vrienden. Platform NMLK bestaat al meer dan twintig jaar, een andere populaire app is Bumble BFF, de vrienden-editie van een van de grootste datingapps. De websites Vriendinnen Online en Mommy Friends zijn op vrouwen en moeders gericht. Door expats worden vooral apps gebruikt als MeetUp en Groupvibe. En ‘Durf jij met mij?’ is voor daten én vriendschappen met mensen met een psychische beperking. En er zijn nog talloze websites voor wandel-, lees- of kookclubjes.
Prikkel die vraagt om actie
Veel mensen voelen zich weleens eenzaam en dat is heus niet zo erg, zegt onderzoeker Machielse. Sterker nog: „Het is een prikkel die vraagt om actie.” Net als het gevoel van honger en dorst: het is niet fijn of leuk, maar wel essentieel. „Je lichaam laat weten dat je een nieuwe balans moet vinden.”
Als je eenzaamheid te lang laat sluimeren, wordt het wel steeds moeilijker om het te doorbreken. Het kan zelfs gevaarlijk worden. „Het werkt als een spiraal: je wordt onzeker, schaamt je en trekt je steeds meer terug. Daarna komen depressies en angsten om de hoek kijken.” Machielse heeft voor haar onderzoek naar eenzaamheid jarenlang mensen bezocht die in volledig isolement leven. „Dat is heel extreem, maar het begint altijd klein.”
„Alsof je alleen op de wereld staat”, zegt de 45-jarige Thessa Brands. Een aantal jaar geleden maakte Brands na 22 jaar een einde aan de relatie met de vader van haar kind. Ze raakte daarmee ook haar vriendengroep, zo’n vijftien mensen die ze al jaren kende, kwijt. Langzaamaan werd Brands niet meer uitgenodigd of teruggebeld. „Ik had gedacht dat mijn vrienden zouden blijven. Misschien was ik naïef, denk ik achteraf. Waren het wel echte vriendschappen?”
Na de breuk zat ze alleen thuis in haar nieuwe koophuis, haar werkgever was net failliet gegaan. „Eenzaamheid overviel mij. Ik zag naast mijn kind en mijn ouders bijna niemand.” Maar Brands raapte zichzelf weer bij elkaar. Na een tip meldde ze zich aan bij Vriendinnen Online. En na een paar ietwat ongemakkelijke ‘eerste dates’ – want „zo voelde het wel”, zegt Brands – heeft ze via die weg vrouwen leren kennen. „Een paar van die meiden spreek ik regelmatig, anderen zijn goede vriendinnen geworden”, zegt Brands. „Missie geslaagd.”
Lees ook
Hoe maak je nieuwe vrienden? En hoe behoud je ze? NRC geeft tips
Als deze doordeweekse dag in februari om 12 uur ’s middags het nieuwste restaurant van de Franse topkok Thierry Marx opent, staat er al een lange rij wachtenden voor de deur: l’heure du déjeuner! Reserveren kan hier niet, iedereen wacht geduldig tot er een tafeltje vrijkomt. Tot ongeveer 14 uur houdt de stroom mensen aan, dan is het een paar uur iets rustiger. Eind van de middag dijt de rij alweer uit voor borrel en diner.
Het vorig jaar geopende etablissement serveert maar liefst vijfhonderd couverts per dag. Dat Le Bouillon du Coq is een succes is, staat buiten kijf. Maar waarom eigenlijk? In ieder geval niet vanwege de experimentele cuisine of de pittoreske locatie.
Het nieuwe restaurant van Thierry Marx, die in het hart van Parijs de chique zaken Onor (één Michelin-ster) en Sur Mesure (twee sterren) uitbaat, ligt in Saint-Ouen, een gemeente net buiten de Parijse ringweg. Parijzenaars gaan naar Saint-Ouen voor onderhoud aan hun auto, of op koopjesjacht op de beroemde vlooienmarkt. Een paar grote bedrijven hebben hier hun glimmende hoofdkantoor. Verder is het vooral een slaapgemeente, met veel deprimerende flats.
Foto Chau-Cuong Lê
Het vrolijk terracotta-gekleurde restaurant van Marx ligt tussen deze flats, net naast een gesloten kunstschaatsbaan die vergane jarenzeventigglorie ademt. En tegenover het nieuwe metrostation Mairie de Saint-Ouen. De nieuwe, snelle metro – lijn 14: tien minuten van hier naar het centrum van Parijs – moet de kloof tussen de voorsteden en de hoofdstad verkleinen, profeteerden politici en stedenbouwkundigen jaren geleden toen in de achterstandswijken rond Parijs voor de zoveelste keer de vlam in de pan was geslagen. Dat lijkt in de rij bij het restaurant alvast gelukt: de wachtende mensen komen zowel uit de buurt als uit Parijs. Ze komen vooral voor ‘chef Marx’, zeggen ze. En voor de schappelijke prijzen: voor rond de 20 euro eet je hier drie goede gangen.
Voor rond de 20 euro eet je hier drie goede gangen
De beroemde kok en zakenman groeide als tiener zelf op in een arm milieu in de banlieue en staat zich erop voor een sociaal betrokken chef te zijn – een chef die niet alleen duurzaamheid belangrijk vindt, maar ook kwalitatief goed eten toegankelijk wil houden. „Consumenten moeten weer eters worden”, zal hij later in het gesprek zeggen. Jongeren uit de voorsteden wil hij een kans geven zich te ontworstelen aan de giftige cocktail van discriminatie, schooluitval en criminaliteit. „Bijna alles wat ik doe houdt verband met mijn eigen levensloop”, zegt hij. Behalve restaurants en een keten bakkerijen, heeft Marx tien door sponsors betaalde kookscholen: ‘Cuisine Mode d’Emploi(s)’. Die zijn vooral bedoeld om banlieuejongeren zonder opleiding de weg naar de arbeidsmarkt te laten vinden.
Het rode boekje
Als Marx (65) de zaak binnenloopt, willen veel klanten met hem op de foto. Van allerlei gasten krijgt hij complimenten en duimpjes omhoog. Sinds hij jurylid was bij de Franse versie van Top Chef is hij met zijn kenmerkende hoofd omnipresent; in tv-reclames en in allerlei campagnes voor beter eten en een eerlijkere prijs voor Franse boeren.
Handig spelend met zijn revolutionaire achternaam, publiceerde hij onlangs Le livre rouge de Thierry Marx, waarin hij oproept tot een ‘opstand’ tegen de louter op prijs concurrerende geglobaliseerde voedselindustrie. Vers eten met goede ingrediënten van dichtbij, in een restaurant of thuis, hoeft niet duur te zijn, zegt hij in zijn ‘rode boekje’. Maar het mag ook weer niet te goedkoop worden – Marx is ook ambassadeur van zevenduizend Franse boeren die samenwerken onder het label ‘Bleu Blanc Coeur’. En sinds 2022 is Marx ook nog voorzitter van de Franse horecabond UMIH.
Foto Chau-Cuong Lê
„Frankrijk”, zegt Marx als hij aan een van de tafeltjes heeft plaatsgenomen, „heeft het imago van gastronomie, van lekker eten en het plezier van samen aan tafel zitten.” Dat imago is vooral voor de toeristische sector belangrijk: er zijn zo’n 175.000 restaurants en 18.000 hotels, waar samen zo’n 1,6 miljoen mensen werken. De kwaliteitskeuken is integraal onderdeel van de nationale identiteit. „Maar veel Fransen hebben daar zelf al lang geen toegang meer toe”, zegt Marx.
Er zijn „twee snelheden” ontstaan: de mensen met wie het goed gaat, kunnen eten wat ze willen. Een ander, groot deel van de bevolking moet op zijn geld letten. „Je hebt een elitekeuken met zo’n 1.500 chefs die hengelen naar de Michelin-sterren, maar de gewone restaurantwereld is sterk achteruitgegaan en steeds industriëler geworden.”
Dat is ook wel begrijpelijk, zegt hij. Iedere dag stoppen in Frankrijk twintig restaurants. „Loonkosten zijn in Frankrijk twee keer zo hoog als in Spanje en Italië. Vroeger had je bij goede restaurants keukenbrigades van 25 man. Als je dat nu zo zou doen, ben je snel failliet. De kosten van ingrediënten zijn ook hoger geworden. Dan vraag je je als restauranthouder af of het niet veel voordeliger is om kant-en-klare artisjokharten te gebruiken in plaats van dat je iemand inhuurt die de artisjokken met de hand schoonmaakt. En is het niet ook slimmer om voorgegaard vlees te nemen, in plaats van het in het restaurant zelf klaar te maken?”
Bij Le Bouillon du Coq wordt echt gekookt: de degelijke bistroklassiekers zijn allemaal vers gemaakt. Onderscheidend zijn vooral de prijzen. Oeuf mayo vooraf (ei met mosterdmayonaise): 2,90 euro. Een plakje terrine de campagne? 5,50 euro. De hoofdgerechten zijn al even schappelijk geprijsd. Uiensoep met emmentaler waar je de hele dag op voort kunt: 8,40 euro. Een stuk kip met huisgemaakte friet: 9,90 euro. Desserts (chocoladecrème, bijvoorbeeld, of profiteroles met ijs): rond de 5 euro.
„Ik wil het voor iedereen mogelijk maken om buiten de deur te eten. Juist ook hier in een volksbuurt buiten de ring van Parijs. Goed eten mag geen sport voor de rijken zijn.” Ter vergelijking: in Marx’ restaurant Onor, vlak achter de Champs-Élysées, kost het goedkoopste menu 180 euro per persoon.
Hoge omzet
Aan het ene tafeltje in Saint-Ouen zitten kantoormedewerkers die haast hebben omdat ze zo weer naar hun werk moeten. Aan het andere tafeltje zit een vriendinnengroep. Vlakbij de bar zeggen twee jongemannen in trainingspakken het „ervan te gaan nemen”: ze bestellen niet twee maar drie voorgerechten en ook nog een fles wijn. Met vereende krachten ontdoen de nog niet heel ervaren obers de brouilly van zijn kurk. „Die mevrouw”, fluistert Marx, knikkend naar een tafeltje waaraan een oude dame traag van haar soep eet, „zit alleen thuis en denkt: ik wil even onder de mensen zijn, ik wil iets warms eten dat kwalitatief goed is en dat ik kan betalen”. Hij wil maar zeggen: de sociale functie van een restaurant is groot, zoiets bijzonders mag niet verloren gaan.
Dat het ondanks de hoge kosten bij hem uit kan, heeft vele redenen. Volume is de belangrijkste. Daardoor kunnen Marx’ medewerkers scherp onderhandelen over inkoopprijzen, met vaste leveranciers, niet al te ver van Parijs. De marges zijn klein, de omzet moet hoog blijven. De vastgoedprijzen zijn hier in Saint-Ouen een stuk lager dan in Parijs. Wat ook hielp: de Olympische Spelen. Het atletendorp lag hier vorig jaar om de hoek. Het moment om de zaak te openen en mensen uit Parijs naar de banlieue te trekken, was dus goed gekozen.
Foto Chau-Cuong Lê
„In de jaren zeventig was het economische model van veel restaurants gebaseerd op het idee dat mensen daar moesten kunnen eten voor één uur salaris. In bistro’s kwam iedereen: rijk en arm. Daar moest het dus een uur salaris van het minimumloon zijn. Nu gaan mensen die weinig verdienen naar McDonald’s of Burger King, of ze eten staand een broodje bij de bakker.” Allemaal niet goed, vindt Marx. Het woord ‘restaurant’ zou volgens hem door de overheid beschermd moeten worden. Fastfoodtenten waar niet echt gekookt wordt, zouden het niet mogen gebruiken. „In mijn restaurant komen arm en rijk elkaar tenminste nog tegen.” Die tweedeling in de eetcultuur van de Fransen heeft Marx zelf van jongs af ervaren. Hij werd geboren in de multiculturele Parijse volksbuurt Ménilmontant, waar hij bij zijn communistische grootouders woonde omdat het appartement van zijn ouders te klein was. „We aten omdat je moet eten om in leven te blijven, om niet ziek te worden. Mijn oma kookte veel, in de betekenis van grote porties: het was praktisch om in één keer een grote hoeveelheid elleboogjesmacaroni met tomatensaus te maken.”
Een koksopleiding ‘is niet voor jouw soort mensen’, hadden zijn docenten tegen hem gezegd
De enige positieve smaakherinnering die hij aan die tijd heeft is de kwaliteitsbakker waar het gezin eens per week bijzonder brood haalde. Vele jaren later, als hij met zijn ouders in de banlieue woont en zijn schoolcarrière dreigt te ontsporen, klopt hij bij die bakker aan voor advies. Een koksopleiding „is niet voor jouw soort mensen”, hadden zijn docenten in de wijk waar het gezin woonde, tegen hem gezegd. Een arbeidersjongen als hij werd geacht een technische opleiding te volgen. De bakker helpt hem aan een plek als leerling-patissier.
In de jaren daarna bluft hij zichzelf , nauwelijks geschoold, naar binnen bij grote Franse chefs. Hij klopt eerst aan bij Bernard Loiseau, in de jaren tachtig misschien wel de beroemdste sterrenchef van Frankrijk. „Die had geen werk voor me, maar omdat ik zo’n eind gereisd had bood hij me wel een lunch aan.” Het was de eerste gastronomische maaltijd die Marx in zijn leven proefde. Daarna probeerde hij het bij Taillevent, ook een sterrentent. „Ze vroegen bij de sollicitatie: ‘Waar kom je vandaan?’ Ik zei: van Bernard Loiseau, en werd meteen aangenomen.”
Hij leert het vak uit boeken en in zo’n in die tijd nog grote keukenbrigade. Via de keukens van onder anderen Joël Robuchon en een aantal restaurants in Australië en Azië, rijst zijn ster. Als een van de Franse aanjagers van de moleculaire gastronomie wordt Marx in 2006 verkozen tot ‘chef van het jaar’ door restaurantgids Gault & Millau.
Armoede
Zijn bescheiden afkomst is hij nooit vergeten. Met zijn scholen, waar sinds de opening in 2012 inmiddels 11.000 mensen zijn opgeleid en de weg naar de arbeidsmarkt vonden („mensen krijgen daar vooral discipline bijgebracht, groente snijden is zo moeilijk niet”). Met een pleidooi voor een generaal pardon voor alle honderdduizenden keukenmedewerkers zonder geldige verblijfspapieren („pure noodzaak voor de sector”). En met zijn strijd voor beter eten en zijn suggestie kooklessen op scholen verplicht te maken om zo de sociale kloof te dichten („armoede in Frankrijk is zichtbaar omdat mensen obesitas en diabetes hebben, vaak door te veel ultrabewerkte voeding”).
Over dat laatste punt, kookles op school, denkt hij recent wat vaker na, vertelt hij in het inmiddels bijna lege restaurant. „Om een recept te kunnen laten slagen”, zegt hij, „moet je kunnen lezen en kunnen rekenen, je moet iets van topografie weten om te begrijpen waar je producten vandaan komen, en iets van scheikunde om te begrijpen wat er met die producten gebeurt.” Koken is, vindt Thierry Marx, een school voor het leven.
Volgens de etiquette proef je de wijn aan tafel niet om te zien of je ’m wel lekker vindt – je hebt ’m immers zelf uitgekozen. Dat proeven is officieel alleen bedoeld om te controleren of de wijn goed is en bijvoorbeeld geen kurk heeft. Het is onderdeel van het verplichte toneelstukje dat de Britse komiek Michael McIntyre de ‘bullshit production’ noemt, omdat er altijd minimaal een iemand aan tafel net moet doen alsof hij of zij verstand heeft van wijn: een poosje aandachtig staren naar de wijnkaart (en eigenlijk alleen naar de prijzen kijken), toezien hoe de fles wordt opengemaakt. En dan dat proeven. Waarom moet ik, als leek, ten overstaan van de professional, vaststellen of de wijn bedorven is, vraagt McIntyre zich volkomen terecht af: „Ik betaal ervoor. Waarom verzeker jij je er – in je eigen tijd – niet van of de wijn off is of niet. Off? Dan schenk je ’m ook niet.” Gelukkig is dat precies zoals ze het doen bij Café Kiem in Rotterdam.
Kiem is een klein restaurant en (natuur)wijnbar, waar we via wat plichtmatige maar aangename jazzklassiekers als Love for sale in de uitvoering van Cannonball Adderley, uitkomen bij Johnny Guitar Watson. En zo is de sfeer: respectvol swingend en toch ook een beetje funky. Een restaurantje met een aantrekkelijke en omvangrijke wijnkaart én een bevlogen sommelier en maître-patron die graag tekst en uitleg geven.
Als je geïnteresseerd bent in wijn en je wil je horizon verbreden, dan moet je af en toe wat geld op tafel leggen en de sommelier carte blanche geven – hij of zij kent de kaart en de kelder het beste. Je geeft aan wat je lekker vindt en wat je uit wil geven. Bijvoorbeeld op deze manier: „Die Ganevat uit de Jura ken ik en vind ik verschrikkelijk lekker. Ik wil vanavond ook best 100 euro uitgeven aan zo’n speciale fles. Maar misschien zeg jij: Als je dat lekker vindt en je hebt dat ervoor over, dan zou ik je heel graag dit willen laten proeven…?”
De sommelier begint te stralen en komt aan met een chardonnay van Georges Comte, ook uit de Jura, tegen de Zwitserse grens. „Er staan meerdere jaargangen op de kaart, maar die uit 2019 is perfect op dronk nu”, zegt hij. Daar is geen woord aan gelogen, zal later blijken.
Als je het niet gewend bent, kan het mogelijk wat a-typisch overkomen dat de sommelier eerst een klein beetje uitschenkt voor zichzelf van de fles waar jij voor gaat betalen, maar eigenlijk is dit veel chiquer én veel prettiger, omdat het (in principe) een hoop ongemakkelijke situaties zou moeten voorkomen. Vooral bij natuurwijnen is het voor de ongeoefende neus soms moeilijk om direct na het openen van de fles te ruiken of er écht iets mis is.
Deze Champ de la Pierre komt in eerste instantie ook erg ‘gesloten’ uit de fles, niet per se muf, maar ietwat bedompt, met reductieve tonen van gehakte paddenstoelen en gepekelde eidooier. Maar hij is niet off. Er zit zuur en fruit in, con brio. Maar het heeft even tijd nodig. En lucht. Daarom schenkt de sommelier een deel van de fles uit in een decanteerkaraf – niet alles, want het moet ook niet té snel gaan of te snel opwarmen. Met de juiste zorg en aandacht ontwikkelt zo’n complexe wijn – met voldoende zuur om zich te meten met boterige sauzen, met een volle, strooiïge, bijna stroperige afdronk achter het levendige fruit – zich de hele avond door. Dat is werkelijk een waar genoegen – zeker uit de handgeblazen, vederlichte Zwitserse wijnglazen.
Gerecht met lef
Bon. U wil natuurlijk ook weten hoe het eten was. Zeer goed. Deelbare gerechtjes, schappelijk geprijsd – voor een kleine 160 euro kun je samen een rondje kaart doen. Sommige gerechten vallen wat tegen – zoals een wel erg zwaar gerookte biet met wat weinig eidooiercrème, een gebrande langoustine die overstemd wordt door het Bodyshop-badparel-parfum van de bergamotcitroen in de saus – maar eigenlijk alleen omdat ze niet zó goed zijn als de rest.
Ongelooflijk kunstig om zo veel smaak uit een stuk bloemkool te halen
Zoals een megasappig, bijna romig stukje koude bloemkool, dat in combinatie met de hazelnoot de diepgang van een boterige chardonnay krijgt, perfect in balans met het zuur van kappertjes en een frisse prikkeling van superfijn gesnipperde rauwe sjalot. Ongelooflijk kunstig om zo veel smaak uit een stuk bloemkool te halen. Zelfde geldt voor Pommes Anna: hier gaat het echt om de frisse groentesmaak van de aardappels, ook uit de laurier (in de beurre blanc) heeft de chef geraffineerd het fris-kruidige karakter weten te halen, en het droppige omzeild.
Een millefeuille van knolselderij is een gerecht met lef, met smokey aubergine en een olie van hard aangefikte bosui, drijft hoofdzakelijk op rook- en brandsmaken. De knol zelf is dan weer zo dungesneden en luchtig dat het bijna een croissantje is. De verse pappardelle met lamsschouderstoof en boerenkool gebakken met ansjovis is robuust en aantrekkelijk – geen klassieke pasta, maar geen Italiaan zal zich hieraan storen. Gewoon heel goed gedaan.
Bijna alles is zelfgemaakt, van de voortreffelijke paté van kinnebak en kippenlever tot het ziltzure gepekelde cornichonnetje erbij en de bottarga (van schol) over de vlezige zeebaars op een compote van aardpeer mét schil, die daardoor een droppige, rafelige bite krijgt. Een fijne kippenfarce met een krachtige eendenjus, met bospeen en truffelig, bijna poepig randje van gesuikerde, geoxideerde zwarte walnoot is een mooie samenvatting van de keuken: geen geweld, niets schreeuwerig of gelikt, maar zeker niet braaf, alles in balans, met een fijne touch en toch vaak een interessant randje.
Een boze brief in mijn mailbox. Nu ja, boos. Laten we de toon van de lezer teleurgesteld noemen. Da’s erger, verzuchtten mijn broer, zus en ik vroeger altijd wanneer we van onze ouders niet gewoon eventjes flink op onze donder kregen, maar een tergend eindeloze preek moesten aanhoren waarvan de strekking was dat er van ons, hun bloedjes van kinderen, verstandiger keuzes werden verwacht. Je zou kunnen stellen dat ik hierdoor een piepklein beetje allergisch ben geworden voor het fenomeen teleurstelling, vandaar dat ik de lezersmail in eerste instantie ter kennisgeving had aangenomen zonder erop te reageren.
Maar, zoals dat gaat wanneer iemand een onwelgevallig doch geldig punt maakt, bleef het verwijt toch spoken in mijn hoofd. Dat de mail creatief geschreven was en nota bene begon met een compliment, hielp ook niet bij het negeren ervan. „Er was eens een culinair schrijfster die er na een verbroken huwelijk achter kwam dat koken voor één persoon toch echt iets anders is dan koken voor een tafel vol mensen. Het resulteerde in een leuk kookboek.” Pas daarna begon de boel te kantelen. „Zij vond echter al snel een nieuwe partner en weg was haar missie om maakbare eenpersoonsrecepten te bedenken en terug waren de ellenlange ingrediëntenlijsten. Ik gun haar alle liefde maar soms baal ik als ik haar recepten omreken naar hoeveelheden voor één persoon en er dan achterkom dat ik 0,25 gram peterselie of een kwart ei nodig heb.”
Ja, hoor-es. Nou, nou, nou. Hoezo? Sputterdesputter. Dat valt toch wel mee? Zo ingewikkeld zijn mijn recepten toch niet? Genadeloos, als hooikoorts op een vroege voorjaarsdag, speelde mijn teleurstellingsallergie op. Toen moest de nekslag nog komen: „Mevrouw Vreugdenhil, stap eens in de ‘er was eens’-schoenen en doe er iets aan!”
Het is een bekend fenomeen dat mensen, en zeker overgevoelige types zoals schrijvers, zich veel meer aantrekken van kritiek dan van complimenten. Zo gaat het verhaal dat Ernest Hemingway eens een recensent in het gezicht sloeg met een boek nadat deze hem had uitgedaagd zich niet langer te verschuilen achter zijn valse borsthaar – lees: zijn zorgvuldig gecultiveerde imago van supermacho. Ging ik deze lezer in het gezicht slaan met een kookboek? Zou ik haar simpelweg blijven negeren door niet te reageren op haar mail? Of kon ik in plaats daarvan toch maar beter de scherven en splinters van mijn gesneuvelde ego bij elkaar vegen en toegeven dat zij een punt had?
Feit is dat het aantal eenpersoonshuishoudens in Nederland nog nooit zo hoog geweest. Terwijl het gros van mijn recepten hier in de krant – en, overigens, van bijna alle recepten, in alle kranten, tijdschriften en kookboeken – bestemd is voor vier personen. Natuurlijk kun je zo’n recept dan vaak wel terugrekenen naar een recept voor één, maar wat doe je dan met de rest van dat ei en met die hele-bos-min-0,25-gram peterselie? Solo koken vergt eigenlijk een heel andere aanpak. Het vraagt om eenvoudigere, slimmere recepten, met minder ingrediënten, waarvoor je liefst ook minder keukengerei nodig hebt.
Lieve lezers, blijf mij vooral mailen. Of dat nu is over uw ergernissen, of met wensen of verzoekjes. Ik ben weliswaar ook maar een overgevoelig schrijvertje, maar ik beloof in elk geval te luisteren.
Gepofte zoete aardappel met feta, olijven en koriander
Gepofte aardappels vormen een goeie basis voor een eenpersoonsmaaltje. Ze zijn vullend en gezond. Wanneer je ze in de magnetron bereidt zijn ze ook nog eens heel snel gaar. En dat zonder noemenswaardige afwas. In mijn boek Solo Food heb ik een recept opgenomen voor zo’n gepofte aardappel, opengesneden en gevuld met niets meer dan feta, olijven, een chilipepertje en koriander. Het recept is zo eenvoudig en zo bevredigend – ik maak het al zeker vijftien jaar heel regelmatig voor mezelf – dat ik het hier nog eens met u wil delen. Maar gepofte aardappels kunnen met veel meer worden gevuld, en vooral ook met allerhande restjes, wat natuurlijk superhandig is voor kleine huishoudens. We doen dus één ‘echt’ recept vandaag en daarnaast een hele reeks suggesties voor toppings die van uw gepofte zoete aardappel een heerlijke sololunch of solodiner maken.
Voor 1 persoon:
1 grote zoete aardappel; 75 g feta; een handje zwarte olijven, ontpit en grof gehakt; ½ – 1 rode chilipeper, (met of zonder zaadlijsten) in ringetjes gesneden; een greepje koriander, grof gesneden’; olijfolie
Boen de zoete aardappel schoon en prik hem rondom in met een scherp mesje. Leg de ingeprikte aardappel 5 minuten in de magnetron op vol vermogen. Draai de aardappel om en geef hem nog eens 5 minuten, of tot hij gaar is.
Leg de aardappel op een bord en snijd hem in de lengte doormidden. Druk met de vingers de buitenkant wat in, zodat de fluffy binnenkant er een beetje uit begint te stulpen. Verkruimel de feta boven de aardappel(s), verdeel er de olijven, chilipeper en koriander over en besprenkel royaal met olijfolie.
Meer toppingideeën voor gepofte zoete aardappel:
Gesmolten boter met een lepeltje miso (of gochujangpasta) + ringetjes lente-ui + geroosterd sesamzaad
Zure room + sriracha + fijngesneden bieslook of ringetjes lente-ui
Griekse yoghurt losgeroerd met een beetje tahin + harissa + een pluk rucola (of koriander)
Griekse yoghurt (of zure room) + stukken gerookte makreelfilet of sardientjes uit blik + ringetjes lente-ui + fijngesneden dille + veel versgemalen peper
Er zijn van die zekerheden. Een lichaam heeft armen en benen, een gesloten auto een cabine met een voor- en achterruit. Maar de mens is hoogmoedig. Natuur en logica zitten zijn zelfbeeld en zijn fantasie maar in de weg. Hij wil graag ook een beetje God zijn. Daarom snijdt hij om religieuze of esthetische redenen sinds mensenheugenis met vrucht in lichaamsdelen – en komt Polestar, zustermerk van Volvo, met een auto zonder achterruit.
De Polestar 4, gelastte het stijlconcept, zou een coupélijn met een bijbehorend sterk aflopend dak krijgen. Tegelijkertijd moest, om de hoofdruimte achterin niet te beknotten, de daklijn langer horizontaal doorlopen. En voor de lichtinval moest er een tot ver naar achteren getrokken glazen panoramadak komen. Daardoor schoof de obligate verstevigingsdwarsbalk boven de hoofden van de achterpassagiers noodgedwongen op naar het gebied waar normaal de achterruit begint. Zo bleef voor glas zo weinig ruimte over dat Polestar het besloot te schrappen. Het stijlgevoel bedwong het verstand. En dat in nuchter Zweden, waar bij Saab en Volvo veiligheid altijd voor schoonheid ging.
De visuele repercussies vallen mee. Via een camera achter op het dak worden inkomende beelden geprojecteerd op een digitale binnenspiegel met een uitstekende beeldkwaliteit. Achteruit inparkeren is minder gecompliceerd dan ik vreesde. En je kunt de Polestar moeilijk beroerd zicht verwijten als bijna alle nieuwe auto’s dat gebrek vertonen. In veel auto’s met achterruit is het zicht schuin en recht naar achteren door de enorme dode hoeken en het door hoofdsteunen versperde uitzicht nauwelijks beter.
Toch blijft de bottomline: sorry, we hebben het geprobeerd, maar de ruit kon er gewoon niet in. Polestar is de kelner die een leeg bord serveert met het excuus dat de bestelde biefstuk niet op het designbord paste. Dit is gestileerde onmacht.
Zoom in voor alle details van de Polestar 4Klik op de punten voor uitleg over de detailsMerlijn Doomernik
Dan de veiligheidsvragen. Wat als de digitale spiegel uitvalt of de camera met sneeuw bedekt raakt? ’s Winters de achterruit afkrabben hoeft niet meer, maar het sneeuwvrij maken van de lastig bereikbare camera is een weinig aanlokkelijk alternatief. Ik nam voor na het uitgraven maar een zakdoekje mee om de lenzen schoon te deppen, wetend hoe beroerd vervuilde camera’s en sensoren ’s winters functioneren. Leuk geprobeerd, Polestar, slecht idee – hoewel de techniek me niet in de steek liet. Normale auto’s hebben een achterruit, en zo riant werd die hoofdruimte achterin nu ook weer niet. Mijn vurige wens met een besneeuwde achterkant te worden aangehouden ging helaas niet in vervulling. Hoe graag had ik gezegd: niks te krabben, oom agent, zit geen ruit in, hahahahaha. Truckers tekenden wel woest flitsend protest aan tegen de veronderstelde schoonmaakweigeraar.
Meesterlijk meubilair
Zijn visuele handicap steekt schrijnend bij zijn kwaliteiten af, zijn zitcomfort en actieradius. Het meesterlijke meubilair is van Volvo, de 100 kWh-accu een vrijwel onuitputtelijke energiebron. Na een reis van 200 kilometer arriveer ik met 396 km restbereik. 500 kilometer haal je met de Polestar 4, al is hij niet de zuinigste, ook in de winter dus altijd en dat is mega. Het veercomfort valt ondanks de te grote wielen en de lage banden mee, terwijl de bandenspanning torenhoog op 2,9 bar staat, vast ook om de met 2.300 kilo veel te zware auto nog een beetje overeind te houden. Vreemd trouwens hoe onsmakelijk benauwd de wielen door de fijnproevers van Polestar in hun krappe kasten zijn gepropt. Ze steken als appels in de bek van een speenvarken op een middeleeuws vreetgelag. Maar kleiner dan 20 inch krijg je ze bij deze auto niet.
Dit zijn ze dus, de camera-ogen die het zicht naar achteren garanderen. Wel eerst even opgraven na een sneeuwbui.Het enige voordeel van geen achterruit is dat je de bagageruimte tot de nok kunt volstouwen zonder nadelige gevolgen voor het uitzicht.Typisch Scandinavische luxe: stoelverwarming achterin, te bedienen via een apart display tussen de voorstoelen.Hier had dus de achterruit moeten zitten, en zo te zien had Polestar er in eerste instantie wel een gat voor vrijgemaakt.
Foto’s Merlijn Doomernik
Het vermogen is met 272 pk ruim voldoende, het interieurdesign mooi clean, het leer echt, de afwerking voortreffelijk, de kofferbak ruim met voor de laadkabel een mooi diep vak onder de laadvloer. De ontwaseming kan beter. Voor- en zijruiten blijven bij kou te lang beslagen, en de online update voor het voorverwarmen van de accu kwam te laat. Maar het touchscreen is prettig overzichtelijk met snelkoppelingen voor het uitschakelen van waarschuwingspiepjes en het inschakelen van de stuur- en spiegelbediening – die à la Tesla irritant omslachtig plaatsvinden via onprettig aanvoelende scrollers op het stuur. Scheelt weer twee palletjes en Polestar heeft tegen de natuur in de fysieke knoppen uitgebannen. Alleen een gecombineerde volume- annex pauzeknop ontkwam aan die beeldenstorm. Gaan ze op terugkomen, en die achterruit zie ik ook nog wel ontsneuvelen. Niet alle innovatie is vooruitgang, Polestar.
‘Mijn ouders zijn gehuwd in 1956. Mijn moeder was de jongste van vier kinderen. Haar vader had een boerderij in de Betuwe met een grote pruimenboomgaard, wat koeien en varkens. Mijn oma had een slechte gezondheid en mijn moeder verzorgde haar. Na hun huwelijk gingen mijn ouders bij oma en opa inwonen. Mijn vader werkte in Vianen; doordeweeks had hij daar een kosthuis, in de weekenden kwam hij naar de boerderij.
Mijn ouders kregen drie kinderen, een zoon in 1957, een dochter in 1959, en in 1962 ben ik geboren, nog op de boerderij. Later dat jaar verhuisden we naar Vianen. Opa bleef op de boerderij, oma verhuisde mee en is dat jaar bij ons thuis overleden.
Mijn ouders zien er zo gelukkig uit op hun trouwfoto. Zij wisten toen nog niet hoe relatief kort hun leven zou zijn. Mijn vader werd ziek in het voorjaar van 1978. Hij had uitgezaaide longkanker en een hersentumor, en is in december thuis gestorven. Net zoals ze dat bij mijn oma deed, heeft mijn moeder hem tot het laatste moment verzorgd.
Mijn moeder was de liefste vrouw van de wereld. Na het overlijden van mijn vader viel het leven haar zwaar. Zij werd depressief. In november 1979 kwam ik op een dag laat in de middag uit school – 6-vwo, ik moest dat schooljaar eindexamen doen. Er stond een politieauto voor de deur. Toen wist ik het al: mijn moeder is er niet meer. Ze was 44 jaar en had ervoor gekozen om een einde aan haar leven te maken. Er was in die tijd niet veel professionele hulp bij depressie. Althans, mijn moeder heeft die hulp niet gekregen.
Wij, de kinderen, zijn ondanks alles goed terechtgekomen. Het eindexamen in 1980 heb ik gehaald, zelfs met goede cijfers. Onze opvoeding tot aan hun overlijden is kennelijk goed genoeg geweest om ons een stevige basis te geven om verder te gaan. Daar zal ik hen altijd dankbaar voor zijn.”
Vroeger, vertelt Anne-Laura van Harmelen over de telefoon, zette je gewoon de televisie uit of legde je de krant weg als je even klaar was met het nieuws. Ze is hoogleraar Brein, Veiligheid en Veerkracht aan de Universiteit Leiden. “Toen had je een keuze. Maar door sociale media zien we alles. We komen vaker met nieuws in aanraking en het is vaker negatiever.”
Hoe meer je aan negatieve dingen denkt, hoe groter de kans dat je depressief wordt of andere mentale klachten krijgt. Steeds meer mensen mijden het nieuws, om te voorkomen dat ze er somber van worden. Anderen blijven lezen, maar worden er flink door getroffen.
“Mensen voelen zich nu overladen door het nieuws. Die ‘overload’ heeft een effect”, zegt Kiki de Bruin, die onderzoek doet naar nieuwsmijding voor het Journalismlab van de Hogeschool Utrecht. Mensen gaan zich dan machteloos voelen, zegt De Bruin. “Ze voelen dat ze weinig aan het nieuws kunnen veranderen.”
Het klinkt misschien logisch om die gevoelens te onderdrukken, maar dat werkt juist niet. Je gaat er dan vaak alleen maar meer over nadenken. Maar hoe moet je er dan wél mee omgaan?
“Wat we weten van onderzoek naar veerkracht is dat cognitieve controle over je emoties, en de manier waarop je op heftige emoties reageert, van groot belang is”, zegt Van Harmelen. We zetten zes tips op een rij over hoe je dat het beste kan doen.
1Doseer je inname van informatie en zoek ontsnapping
Iedereen die moeite heeft met het nieuws, gaat er op een andere manier mee om en heeft bij andere dingen baat, benadrukt Kiki de Bruin. Eén ding dat in ieder geval niet vaak gebeurt en niet per se helpt: helemaal stoppen. Controle uitoefenen over het nieuws dat je binnenkrijgt, dat lijkt nieuwsmijders vaak wél te helpen.
“Je moet controle krijgen over die stortvloed aan nieuws. Zet bijvoorbeeld pushberichten uit en kijk niet meer naar nieuws op sociale media”, zegt De Bruin. “Kies bewust je bronnen én de tijden dat je er naar kijkt.Sommige mensen bewaren bijvoorbeeld lange artikelen voor het weekend, of vragen aan een geliefde om ze up-to-date te houden over het nieuws.” Uiteindelijk komt het neer op een simpele vraag die je jezelf moet stellen, zegt De Bruin: “Hoeveel informatie moet ik tot me nemen om geïnformeerd te zijn?”
En kies ookleuke dingen om te doen, waar je volledige aandacht voor nodig is. Ga bijvoorbeeld op gezette tijden een fijne film kijken, of besteed een paar uur aan je hobby. Dan heb je een moment op de dag waarop je helemaal niet met het nieuws bezig bent. Je kan er bijvoorbeeld ook voor kiezen om leuke dingen te gaan verzamelen – briefjes, cadeautjes en andere dingen. Als je er maar een glimlach van krijgt.
Lees ook
The White Lotus, Severance en meer – dit zijn de beste series van het moment
2Herwaardeer hoe je naar het nieuws kijkt
“Wat we weten van onderzoek naar veerkracht is dat cognitieve controle over je emoties, en de manier waarop je op heftige emoties reageert, van groot belang is”, zegt Van Harmelen. Het klinkt misschien cliché, maar het heeft zin om naar de positieve kanten van negatief nieuws te kijken.
“Je kan zeggen: ik vind dit heel vervelend, maar hierdoor komen ook nieuwe initiatieven op.” Blijf niet in de somberheid zitten, zoek naar de nuances. Wat gaan of zijn mensen aan het doen om de benoemde problemen op te lossen?
Het kan ook helpen om daarnaast actief op zoek te gaan naar positief nieuws. Zo herinner je jezelf eraan dat er ook goede dingen in de wereld gebeuren.
3Richt je op dingen waar je wel invloed op hebt
Veel van de somberheid die ontstaat door slecht nieuws komt voort uit een gevoel dat je geen controle hebt over de narigheid in de wereld, zeggen de experts. Er wordt wel gesproken over de ‘cirkel van invloed’, ooit bedacht door Stephen Covey – je hebt een cirkel van zaken waar je je betrokken bij voelt, en daarin een kleinere cirkel van dingen waar je daadwerkelijk zelf iets kan doen. Tussen die twee zit een spanningsveld, waar we vaak lastig mee om kunnen gaan.
De gemiddelde Nederlander kan weinig doen om een natuurramp of een politieke ruzie op hoog niveau te verhelpen. Maar kleinere problemen in de omgeving zijn er vaak genoeg.
Door je te heroriënteren op de impact die je wél kunt hebben, kun je je gedachten wegleiden bij iets negatiefs. Je herpakt zo een zekere mate van controle. En positieve gedachten versterken elkaar vaak. Je kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk gaan doen, of je mengen in lokale politiek. Maar ook de problemen van vrienden en familie kunnen een aanknopingspunt zijn om een positieve impact te maken.
4Zoek ondersteuning in je omgeving
Vriendschappen zijn een goed middel tegen stress. “Het gevoel dat je ondersteund wordt, zorgt ervoor dat je minder heftig reageert”, vertelt Anne-Laura van Harmelen. “Sociale steun is erg belangrijk.”
Vrienden en familie kunnen een klankbord zijn. Ze kunnen ook helpen om je emoties te reguleren, bijvoorbeeld door je af te leiden of je te helpen om een nieuwsverhaal in een ander perspectief te zetten.
Maar ook gewoon het samenzijn an sich kan helpen. “Als je terugkijkt op tijd die je met vrienden doorbrengt, dan is dat vaak positief. We weten dat positieve gedachten een impact hebben op depressieklachten.”
Lees ook
Mama, komt er nu een Derde Wereldoorlog?
5… maar laat je niet meeslepen door negativiteit
Toch kunnen sociale contacten de gevoelens van machteloosheid en stress bij het nieuws ook juist verergeren, op het moment dat je allebei dezelfde sombere gevoelens ervaart. “Het is belangrijk dat je elkaars negatieve gedachten niet gaat aanwakkeren”, zegt Van Harmelen. Als je elkaars negativiteit versterkt, dan kan dat je juist nog somberder maken.
Illustratie Noor Bronstring
Dat betekent niet dat je het niet moet hebben over het nieuws waar je mee worstelt. “Het is ook belangrijk om te normaliseren dat nare dingen gewoon vervelend zijn”, vervolgt Van Harmelen. Het kan geen kwaad om even stil te staan bij wat iets met je doet, om even je gevoelens te mogen voelen. Je moet daarna alleen ook verder kunnen gaan, aldus de hoogleraar.
6Weet dat iedereen iets anders nodig heeft
Bij haar onderzoek naar nieuwsmijders hoort Kiki de Bruin veel verschillende verhalen, vertelt ze. “Het hangt bijvoorbeeld af van de impact die slecht nieuws op je heeft.” Een oplossing die voor iedereen werkt bestaat niet.
“Uiteindelijk zijn er allerlei factoren die bepalen waarom je stress krijgt bij bijvoorbeeld negatief nieuws”, zegt Van Harmelen. “Je persoonlijkheid en je omgeving spelen een grote rol, maar ook je directe omgeving, nationale wetgeving, et cetera. Elke factor heeft een kleine input, maar ze zijn allemaal onlosmakelijk verbonden.”
Lukt het jou bijvoorbeeld niet om jezelf af te leiden, en de mensen om je heen wel, dan is er dus niet iets mis met je. Ga bij jezelf te rade over wat je nodig hebt, of zoek in je omgeving naar iets pro-actiefs om te doen. En: als het echt niet lukt, zoek dan contact met een psycholoog of therapeut. Want je hoeft het niet alleen te doen.
Vanwege morele principes heb ik altijd een zwak gehad voor Meghan Markle. Dat klinkt tegenstrijdig en dat is het ook. Noem het een knarsetandende sympathie, of een gearrangeerde liefde. Wat ik van Meghan kan begrijpen: haar niet aflatende vechtlust, voortvloeiend uit de eenzaamheid die een gemengde afkomst met zich meebrengt. Herkenbaar is het brandende verlangen om ergens echt bij te horen, om vervolgens – in het geval van Meghan – voor het oog van de wereld tot destructieve chaos over te gaan wanneer de poging mislukt blijkt.
Zo shapeshift ze zich door het leven. Haar bruiloft vol eerbewijzen aan haar Afro-Amerikaanse wortels, haar recente imago als super mommy. Opeens is ze zo conservatief (en wit) als de tijdgeest. Van de vrouw van wie alles – zelfs haar naam – door rijke racisten afgenomen is, tot duchess tradwife: ze ploetert door, gadegeslagen door een steeds smalender publiek, met haar tot op de grond afgebrande- Netflix-kookshow With Love, Meghan, als de bloody limit. En inderdaad: die show, inmiddels uitgebreid besproken, is onvoorstelbaar tenenkrommend. Voor de breed gedragen woede worden in de Europese pers allerlei verklaringen aangedragen. Meghan zou saai zijn, een matige domestic goddess, onverdiend pretentieus en een stiekeme narcist.
In feite komen al die dingen op hetzelfde neer. We kunnen, sinds de tweede termijn van Trump, die het oude continent wegzet als een achterlijke provincie, niet meer tegen Amerikanen die Europaatje spelen.
Want laten we wel wezen: de ‘Californische lifestyle’ waar Meghan zich op beroept, is niets anders dan een anti-intellectuele paskwil van Europa’s rijke leef- en eetcultuur.
Meghans afgehuurde ‘landelijke boerenkeuken à la Sophia Loren’ komt eerder overeen met een steriele dodencel. Haar pastagerechten zijn kinderlijk, bereid volgens Yankee-smaak. Haar overdadige brunches in de achtertuin moeten ons herinneren aan Le hameau de la Reine, maar haar koekjes zien er suffig uit, en niemand friemelt lekker aan z’n buurman onder tafel. Als Meghan frambozen plukt, met een rieten mand aan haar arm, is het alsof we naar een AI-interpretatie kijken van een Franse boerenvrouw: een transcendent beeld, opgebouwd uit voor de hand liggende elementen. Geen rozerode sapvingers die aan een trui worden afgeveegd, geen modderige hond aan haar voeten, geen ironie.
Op Instagram zag ik een commercial van de Britse actrice Olivia Coleman voor Burberry. Ze draagt een donkergroene herfstjas en achter haar glooit een Brits, lommerrijk landgoed. Ze schenkt thee voor zichzelf in. Ze kiest een goedkope mok uit een ratjetoe van kopjes en schotels. Ze houdt erg van English Breakfastthee, zegt ze, en doet een zakje in de mok. Ze schenkt water uit een lelijke waterkoker in. „And then milk second„, zegt ze en monstert de uitgestalde collectie melksoorten. „I’ve seen oat, almond, coconut, cashew.” Ze zwijgt even. „Well done, all very admirable”, besluit ze en schenkt dan resoluut magere melk voor zichzelf in. Ze lacht wat naar de camera. „There’s nothing better than tea”, sluit ze af. Dit, in alle werkelijke nonchalance en rommeligheid, is Europa.
Nee, dan de scène waarin Meghan haar trouwe vriendin Mindy Kaling toeblaft dat ze de verkeerde achternaam gebruikt: „You know, I’m Sussex now.” Een naam die ze niet wilde hebben (en verkeerd gebruikt), maar nu opeist uit ijdele en economische motieven. Want duchess Meghan wil meer dan alleen televisie maken: ze wil een merk opzetten waarin de producten uit haar show verkocht worden.
In The Guardian schreef Marina Hyde over Meghans lifestylemerk: ‘I’m trying to picture Oscar Wilde being told Netflix is going to sell limited edition artisan Oscar Wilde buttonholes in it’s shop, and him just fainting at the obvious horror of it all.’
Zo wordt de Europese cultuur door Meghan misbruikt als franje voor cynisch Amerikaans gewin. Dat is geen shapeshifting meer, dat is trumpiaans. En daarom zo woestmakend in deze tijd.
Wat mij betreft geeft ze haar titel ook maar terug.