Een kerstpakket is belangrijk, maar hoe houd je iedereen tevreden?

Dilemma

Voor veel werkenden begint deze week de kerstvakantie. Werkgevers willen hun personeel met een bedankje de feestdagen in sturen. Een uitglijder is daarbij gauw gemaakt. Een vegetariër maak je niet blij met pasteitjes, een afgekickte alcoholist niet met een bierpakket. Hoe geef je als werkgever een kerstpakket waar al je werknemers tevreden over zijn?

Alles is beter dan géén kerstpakket

Veel bedrijven kiezen nog altijd voor het traditionele kerstpakket: een kartonnen doos met versnaperingen. Julie Poierrié, mede-eigenaar van Kerstpakketten.nl, ziet hoe die pakketten de afgelopen jaren steeds duurder en luxer zijn geworden. Met haar bedrijf verzorgt ze honderdduizenden van de ruim acht miljoen kerstpakketten die deze dagen aan werknemers en vrijwilligers worden uitgedeeld.

Het duurste pakket bij het bedrijf van Poierrié kostte dit jaar 150 euro – met diverse spullen erin, van bonbons tot een frituurset – terwijl dat een paar jaar terug nog honderd euro was. „Dat is niet alleen maar door de inflatie. De pakketten worden gewoon steeds voller”, zegt Poierrié. „Mensen willen echt wat uit te pakken hebben bij de kerstboom, en niet na twee flessen wijn al klaar zijn.”

Het belang van een ritueel bedankje voor de feestdagen is niet te onderschatten, zegt Fiza Ahmed, organisatiewetenschapper aan de Vrije Universiteit. „Het is een manier waarmee een werkgever zijn waardering kan uitdrukken.” In een krappe arbeidsmarkt is dat extra belangrijk, want als werknemers zich niet gewaardeerd voelen, kunnen ze vaak makkelijk ergens anders terecht, waar ze die waardering wél voelen.

Bij een standaard kerstpakket geldt vaak one size fits no one

FizaAhmed
organisatiewetenschapper

„Natuurlijk zal een kerstpakket niet de doorslaggevende reden zijn om bij een werkgever weg te gaan, maar het is een onderdeel van veel kleine dingen die zorgen dat werknemers op hun plek zijn of niet”, zegt Ahmed. „Net als bijvoorbeeld een leidinggevende die af en toe op de werkvloer rondloopt en vraagt hoe het met je gaat.”

Het belang van een pakket blijkt vooral als het de ontvanger niet aanstaat, of nog erger: als het wordt afgeschaft. „Dat is echt een doodzonde”, zegt Poierrié. In coronatijd besloot spoorvervoerder NS bijvoorbeeld het traditionele eindejaarsgeschenk voor hun medewerkers te vervangen door een doosje Merci-chocolaatjes en twee eersteklas dagretours voor in daluren. Het kwam de directie op een flinke dosis kritiek te staan en sommige medewerkers stuurden hun kaartjes bij wijze van protest zelfs terug.

Houd rekening met de diversiteit in je organisatie

Wel een pakket dus, en bij voorkeur ook een dat recht doet aan de diversiteit van het personeelsbestand. „Bij een standaardpakket is het vaak one size fits no one”, zegt organisatiewetenschapper Ahmed. „Dan krijg je de pakketten met worstjes en pasta waarvan je de helft niet lust.” Als werkgevers laten zien dat ze over de wensen van hun personeel hebben nagedacht, hebben ze al de helft gewonnen. Steeds vaker valt daarom de keuze op een waardebon, waarbij werknemers op een ‘online kerstmarkt’ voor een X-aantal punten uit een voorgeselecteerd aanbod cadeaus kunnen uitzoeken, of de punten (het geld) aan een goed doel weggeven.

Dat deed ook de werkgever van Ahmed, die dit jaar zelf een powerbank uitzocht. „Ik vind dat een hele mooie oplossing, want je laat zien dat je oog hebt voor de diversiteit van je organisatie.” Bovendien voelt het persoonlijker dan een „onpersoonlijke” waardebon die je zelf bij een webwinkel te gelde moet maken. Ahmed: „Als je al je vrienden dezelfde cadeaubon geeft op hun verjaardag, vragen ze zich ook af hoe goed je daarover hebt nagedacht.”

Fijne bijkomstigheid: zo’n uitzoekmogelijkheid behoedt werkgevers voor de bekende uitglijders. „Als iemand die vanwege geloofsovertuigingen niet drinkt, maar wel een pakket met alcohol ontvangt, dan komt dat niet goed over”, zegt Ahmed, die ziet hoe met name jongere werkenden bedingen dat arbeidsvoorwaarden steeds meer individueel op maat gemaakt worden. „Werktevredenheid en de vraag of ze zich ergens thuis voelen is voor hen vaak veel belangrijker dan de hoogte van het salaris.”

Julie Poierrié van Kerstpakketten.nl ziet hoe werkgevers onder invloed van die steeds diversere, jonge generatie sensitiever zijn geworden. „Sommige bedrijven zeggen: we hebben een paar medewerkers die halal eten, dus willen we allemaal halal-pakketten”, aldus Poierrié. „Maar soms is het ook te lastig: als een handvol medewerkers glutenvrij eet, zeggen bedrijven meestal: daar begin ik niet aan.”

De uitzoekklus blijft voor werkgevers een „mijnenveld”. Want afnemers van kerstpakketten zijn de afgelopen jaren steeds veeleisender geworden, vertelt Poierrié. „Soms heb ik mensen aan de lijn die een kapotte mok hebben ontvangen, die zeggen dat we hun Kerst hebben verpest.” Ook is het geduld is vaak ver te zoeken. „Als iets te laat geleverd wordt, moeten we ze vertellen dat het december is en dus hartstikke druk. Bol[.com] heeft ons allemaal lui en ongeduldig gemaakt.”

Dus

Bij het uitzoeken van een kerstpakket kun je het nooit helemaal goed doen, maar als je rekening houdt met de diversiteit van je organisatie ben je al een heel eind. De online kerstmarkt, waar iedereen zijn eigen pakket kan samenstellen, is een uitkomst in deze geïndividualiseerde tijd. Er is voor elk wat wils, wat het tot een goede manier maakt om uitglijders te voorkomen.


‘In zeven jaar relatie heb ik één keer gekookt’

Johan: „Wij hebben elkaar zeven jaar geleden ontmoet in een club in Utrecht.”

Jolien: „Toen ik Johan zag was het meteen raak, van mijn kant. Hij stond in de rookruimte met een ander meisje te praten. Toen ben ik de rookruimte in gelopen, terwijl ik helemaal niet rook, en ben ik mee gaan praten. De rest van de avond hebben we samen gedanst.”

Johan: „Maar ik ben niet met haar mee naar huis gegaan. Op basis van een avond kun je nog niet weten of je iemand echt leuk vindt. Dus toen hebben we nog een keer afgesproken en toen wist ik het.”

Jolien: „Een jaar later gingen we samenwonen.”

Johan: „Hier in Woerden, vlakbij mijn ouders. Ik ben hier opgegroeid in een gezin van elf kinderen. Ik was de elfde. Ja, mijn ouders vonden kinderen nu eenmaal ontzettend leuk. Mijn moeder beviel op haar zeventiende van haar eerste kind en op haar 39ste kreeg ze mij. Het moederschap ligt haar goed. Ze is een en al liefde en zorgzaamheid. En ja, alle elf kinderen zijn kerngezond.”

Jolien: „Woerden is een stadje van vijftigduizend inwoners met stadsrechten. We wonen in een oud huisje uit 1840. Het is koud, maar wel knus. En je kunt hier in de omgeving mooi wandelen, wat we vaak doen.”

Werken met dieren

Johan: „Ik heb mbo bouwkunde gestudeerd. Tijdens mijn studie en daarna heb ik jaren als dronepiloot gewerkt. Dat was tien jaar geleden, toen drones nog nieuw waren. Ik gaf dan demonstraties in winkels en op beurzen, vooral in Duitsland. Daarna heb ik nog een tijdje bij de gemeente gewerkt als toezichthouder bouw en milieu. Maar dat beviel niet zo. Ik kan er niet tegen als ik in mijn vrijheid beperkt word. Daarom ben ik ondernemer geworden. Ik zit in de e-commerce. Eerst verkocht ik babyspullen, nu heb ik het bedrijf petlux.nl dat gespecialiseerd is in luxe kattenspullen, zoals een zelfreinigende kattenbak. Het zijn vooral spullen waarmee het leven van het baasje makkelijk wordt gemaakt, zoals automatische voer- en drinkbakken. De zaken gaan goed. Ik heb sinds twee jaar ook iemand in dienst: mijn neefje Timo, de zoon van mijn zus.”

Jolien: „Ik werk soms ook mee in de zaak. Eerst deed ik dat vaker, naast mijn eigen baan, maar nu wat minder want ik wil ook mijn eigen pad bewandelen. Ik heb een mbo-studie office management gedaan en werk bij de Kamer van Koophandel in Utrecht. Ik help startende ondernemers met alle vragen die ze maar kunnen hebben. Die beantwoord ik of zelf of ik verwijs ze door naar iemand die er meer van weet. We hebben ook steeds vaker jonge ondernemers, tieners. Die mogen in Nederland ook al een bedrijf beginnen. De jongste die ik ooit heb gehad, was negen. Meestal doen ze iets met e-commerce, dropshipping, of coaching. Cryptocursussen bijvoorbeeld. Ik leid ook beginnende collega’s op, waarvoor ik regelmatig in Amsterdam en Rotterdam ben. Ik vind mijn werk heel leuk.”

Johan: „Jolien is wat socialer dan ik.”

Jolien: „Ik vind het leuk om collega’s te hebben en naar mijn werk te gaan. Johan werkt vooral thuis en op de zaak hier vlakbij. Dan zie je minder verschillende mensen.”

Johan: „Mijn enige collega is mijn neefje en hij lijkt erg op mij. Maar we hebben veel contact met klanten. We werken niet met AI-chatbots, maar doen het echt zelf. Soms is het een mevrouw die drie kwartier over haar kat vertelt en vervolgens een enthousiaste recensie achterlaat. Dat vinden wij leuk. Het meeste verkopen we niet via onze webwinkel maar via de ouderwetse, fysieke dierenwinkels. We werken met 250 winkels in heel Europa, van Malta tot Roemenië. Het is mooi werk. Mensen die werken met dieren zijn vaak warme mensen. Ze hebben hart voor dieren en hun winkel.”

Jolien: „En we zijn dol op katten. Het leuke is dat ze eigenwijs zijn, maar ook aanhankelijk. We hebben twee Bengalen, Max en Lux, ze zijn bijna twee. Soms rennen ze als gekken door het huis, soms komen ze een kopje geven.”

Lekker stofzuigen

Johan: „Jolien kookt, ik doe de rest.”

Jolien: „Ik vind koken heel erg leuk. Als ik thuiskom van mijn werk vind ik dat gewoon heerlijk om te doen.”

Johan: „Het is in zeven jaar relatie één keer voorgekomen dat ik kookte.”

Jolien: „Ik hou van Italiaans, maar ik maak van alles. Ik vind het leuk om steeds iets nieuws te maken. Ik verzin veel zelf met ingrediënten die we nog over hebben en soms haal ik een recept van Instagram.”

Johan: „En al het andere doe ik dus. Ik ben heel geordend, altijd al geweest. Ik geef Jolien niet eens de tijd om iets op te ruimen of schoon te maken. ’s Ochtends even stofzuigen is iets dat ik lekker vind om te doen. Ik word er rustig van.”

Jolien: „Soms stofzuigt hij twee keer per dag.”

Johan: „Voorlopig willen we nog geen kinderen. Ik heb het te druk met mijn bedrijf om een goede vader te kunnen zijn.”

Jolien: „Maar ik denk dat we het later wel willen.”

Johan: „’s Avonds werken we vaak nog voor de zaak. Pakketjes inpakken of containers uitladen.”

Jolien: „Jij werkt wel zestig uur per week.”

Johan: „Het voelt niet als werk, het is mijn hobby. Ik vind het leuk om te werken aan iets dat van mezelf is en om mensen blij te maken. Als mensen positief zijn over je bedrijf geeft dat een goed gevoel. Ik hoef niet per se financieel onafhankelijk te worden, want ik weet toch al dat ik niet stil kan zitten. Dus nee, ik ga niet rentenieren. Ik heb liever een mooi bedrijf dat goed loopt.”


Opinie | Pesten schaadt mensen en organisaties – kijk niet weg

Pesten is geen kinderprobleem, maar een maatschappelijk trauma dat we in stand houden door weg te kijken. Waarom blijven we doen alsof pesten stopt bij het verlaten van de schoolbanken? Waarom accepteren we structureel geweld op werkplekken, waar volwassen leiders wegkijken in plaats van verantwoordelijkheid te nemen?

Pesten beïnvloedt ons allemaal: van kinderen die worstelen op school tot volwassenen die vastlopen op de werkvloer. Dit is geen individueel probleem, maar een structureel falen van leiderschap en sociale systemen. Zolang we pesten blijven afdoen als ‘onbelangrijke incidenten’, verliezen we niet alleen levensgeluk, maar ook talent en productiviteit in organisaties.

De cijfers liegen er niet om. Een recent onderzoek van het het CNV laat zien dat 2,6 miljoen werknemers in Nederland worden gepest op het werk. Dit illustreert hoe pestgedrag systematisch wordt genegeerd, zelfs binnen omgevingen waar sociale veiligheid een basisvoorwaarde zou moeten zijn. Zelf heb ik gezien hoe destructief pesten kan zijn – niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de mensen die zwijgend toekijken. Hoeveel werkplezier en mentale gezondheid moet er nog verloren gaan voordat bedrijven pesten eindelijk serieus nemen?

Zwak

Ik weet hoe verlammend die stilte kan zijn. Uit CBS cijfers blijkt dat zo’n 30 procent van de slachtoffers van pesten nooit hun verhaal deelt. Jarenlang durfde ik niet over mijn eigen ervaringen te praten, uit angst om als zwak gezien te worden. Werk is tenslotte een plek waar je competentie en sterkte moet uitstralen. Maar de impact van pesten verdwijnt niet door het te negeren. De gevolgen neem je nog jaren lang met je mee.

Pas toen ik mijn verhaal begon te delen, ontdekte ik hoeveel mensen dezelfde pijn dragen. Pesten op het werk is geen geïsoleerd probleem. Het beïnvloedt niet alleen slachtoffers, maar ook de organisaties waarin dit gebeurt.

Dit geldt niet alleen voor pesten op het werk, maar ook voor ervaringen uit de jeugd. Een studie van de Universiteit van Warwick laat zien dat mensen die gepest zijn als kind, zelfs op hun vijftigste nog kampen met de psychische gevolgen. Pesten laat littekens achter die vaak onzichtbaar zijn, maar een leven lang voelbaar blijven. Die littekens kunnen zich manifesteren als depressie, angst, posttraumatische stress, slaapstoornissen of chronische pijn.

Dit trauma sluimert vaak jarenlang, tot het zich in de volwassenheid openbaart. Het is daarom essentieel dat we pesten niet langer minimaliseren of zien als een fase. Alleen door het openlijk te benoemen en bespreekbaar te maken, kunnen we slachtoffers helpen genezen en voorkomen dat nieuwe slachtoffers worden gemaakt.

Lees ook

Wat kun je doen tegen pesten? Dit is wat je moet weten

Wat kun je doen tegen pesten? Dit is wat je moet weten

Pesten op de werkvloer wordt vaak afgedaan als een incident, iets tussen werknemers. Maar in werkelijkheid is het een cultuurprobleem dat ontstaat door een gebrek aan leiderschap en veilige structuren. Het resultaat? Bedrijven betalen de prijs: verloren talent, verstoorde teams en hogere kosten door uitval en personeelsverloop. Organisaties die wegkijken, zijn medeplichtig aan de schade.

Voor slachtoffers betekent pesten niet alleen angst en onzekerheid, maar ook burn-out, sociale terugtrekking en belemmerde carrièremogelijkheden. Voor bedrijven leidt dit tot een onveilige werkcultuur en verlies van samenwerking en productiviteit. De schade raakt iedereen.

Een veilige werkplek vraagt meer dan beleid op papier, het vereist lef en verantwoordelijkheid

En toch blijft het vaak bij mooie beleidsstukken over sociale veiligheid die in de praktijk weinig voorstellen. Zolang leiders blijven wegkijken en nazorg ontbreekt, blijft pesten een structureel probleem dat slachtoffers en organisaties verwoest.

Maar wat als we nu eens echt leiderschap tonen? Wat als we niet alleen pesten voorkomen, maar ook slachtoffers ondersteunen en een cultuur van respect opbouwen? Een veilige werkplek vraagt meer dan beleid op papier – het vereist lef en verantwoordelijkheid.

Herkenning en erkenning

Om pesten effectief te bestrijden, moeten we werken aan structurele oplossingen. Dit vraagt om actie op meerdere niveaus. Het gaat om herkenning en erkenning. Slachtoffers moeten weten dat hun ervaringen serieus worden genomen. Door verhalen te delen en te luisteren, maken we pesten bespreekbaar en doorbreken we het taboe.

Verder moeten we organisaties ondersteuning bieden. Toegankelijke hulpverlening is essentieel, niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen die nog steeds worstelen met de gevolgen. Coaching, therapie en trainingen kunnen slachtoffers helpen om hun zelfbeeld te herstellen, hun vertrouwen terug te winnen en veerkracht op te bouwen. Geen slachtoffer mag het gevoel hebben er alleen voor te staan.

En ten slotte zijn preventie en nazorg nodig. Op scholen moeten docenten beter worden getraind in het herkennen van pestgedrag en het ondersteunen van slachtoffers. Werkgevers moeten meer verantwoordelijkheid nemen voor sociale veiligheid, niet alleen met beleidsstukken, maar door pesten actief te monitoren en aan te pakken. Daarnaast is er dringend behoefte aan toegankelijke, laagdrempelige hulpverlening voor slachtoffers. Zonder deze structurele veranderingen blijft pesten voortbestaan als een normaal onderdeel van onze werk- en schoolcultuur.


Hoe voorkom je dat de kerstborrel totáál uit de hand loopt?

Dilemma

Het is bijna Kerst, en dus organiseren veel werkgevers een kerstborrel. Vaak is die bedoeld om medewerkers met een hapje en een drankje te bedanken voor hun harde werk. De kerstborrel draait om gezelligheid, maar kan door drankgebruik ook uit de hand lopen; van verkeersongelukken tot vechtpartijen en ongewenste handtastelijkheden.

Schenk je als werkgever alcohol op een kerstborrel omdat het gezellig is – of doe je het niet, om incidenten te voorkomen?

Voorkom ellende, doe het niet

Arbeidsrechtadvocaat Wies van Pesch van advocatenkantoor Workx advocaten krijgt ieder jaar na de Kerst telefoontjes van werkgevers. „Dan is de boel weer uit de klauwen gelopen op de kerstborrel en zitten ze met allerlei problemen”, zegt ze. Een werknemer bijvoorbeeld die een collega een klap in het gezicht heeft gegeven. Of een leidinggevende die werknemers bij hem thuis had uitgenodigd na de borrel en van drank en drugs had voorzien. De werknemers gaven hun leidinggevende later de schuld dat zij van de ‘afterparty’ flink moesten bijkomen en daardoor niet goed konden werken.

Daarnaast kent Van Pesch veel voorbeelden van ongewenste aanrakingen of avances door collega’s. „Ik hoor amper dat dit soort dingen overdag op de werkvloer voorkomt”, zegt ze – „het gebeurt nagenoeg altijd op borrels of weekendjes weg.”

Liever ziet ze dat werkgevers tevoren vragen of hun kerstplannen verstandig zijn. Van Pesch: „Dan zou ik ze allereerst adviseren een setting te creëren waarin de nadruk niet op alcohol ligt.” Ga liever naar een kerstmarkt in de middag, en eindig de activiteit rond etenstijd. Of organiseer een kookworkshop. „In ieder geval geen setting met onbeperkt drank.”

Werkgevers moeten er rekening mee houden dat zij ook aansprakelijk gesteld kunnen worden als er ná de borrel iets misgaat. Van Pesch. „Veelal vindt de rechter de werkgever verantwoordelijk, omdat die de setting heeft gecreëerd waaruit het incident is voortgekomen.”

Het Trimbosinstituut, onafhankelijk kennisinstituut voor mentale gezondheid, alcohol, tabak, drugs en gamen en gokken, krijgt geregeld vragen van werkgevers over hoe ze de kerstborrel moeten organiseren. „Inderdaad vaak nádat een incident heeft plaatsgevonden”, zegt Maddy Blokland, bij Trimbos adviseur op het gebied van alcohol en werk. „Wij adviseren alcoholvrije alternatieven aan te bieden. Tegenwoordig zijn er veel meer opties, zoals nul.nul-bier, maar ook alcoholvrije cocktails die best hip zijn. Dat zijn ook feestelijke drankjes om te maken.”

Alcohol wordt vaak gekoppeld aan gezelligheid, ziet Blokland. „Dat zit heel erg in de Nederlandse cultuur.” Bijna 80 procent van de bevolking heeft afgelopen jaar alcohol gedronken. Bijna 17 procent van de werkenden heeft ‘riskant’ drinkgedrag. Iemand en diens omgeving hebben dan last van dat gedrag, bijvoorbeeld door niet nakomen van afspraken na een avond drinken. Het zou goed zijn, denkt Blokland, als we alcohol en gezelligheid meer los van elkaar kunnen zien.

Het Trimbosinstituut ziet dat grote werkgevers vaker geen alcohol schenken in de werksetting. Blokland: „Soms ook om een meer inclusieve sfeer te creëren. Voor mensen met een islamitische of andere religieuze achtergrond kan overmatig alcoholgebruik door collega’s op een borrel een belemmering zijn om te komen.”

Jonge medewerkers vinden het vaker dan vroeger prima als er geen alcohol op een borrel is, ziet Blokland. „Jongeren zijn nu meer bezig met een gezonde leefstijl, en daar hoort alcohol niet bij.” Daarnaast vinden mensen het volgens Blokland tegenwoordig vaker prettig om de relatie met de werkplek zakelijk te houden. Het is niet meer gebruikelijk je hele leven bij dezelfde werkgever te blijven, zegt ze, dus houden mensen werk en privé liever gescheiden. „Niet drinken op een borrel helpt de relatie zakelijker te houden.”

Door alcohol vervagen grenzen en worden mensen losser, zegt Van Pesch. „Soms vergeten mensen daardoor dat ze met collega’s te maken hebben en niet met vrienden. Zo verlies je hiërarchische verhoudingen sneller uit het oog, terwijl die volgens het arbeidsrecht juist belangrijk zijn.” De leidinggevende kan op de borrel daarom beter het goede voorbeeld geven door op de normale eindtijd naar huis te gaan. „Hij of zij moet absoluut niet mee naar de afterparty.”

Hou een oogje in het zeil

Mocht je toch (onbeperkt) alcohol willen schenken op de kerstborrel, zegt Van Pesch, overweeg dan iemand aan te wijzen die niet te veel drinkt en een oogje in het zeil houdt. Dat kan iemand zijn van de hr-afdeling. „Het klinkt misschien een beetje kinderachtig, maar diegene kan een werknemer die te veel gedronken heeft af en toe een glas water aanbieden om een beetje te ontnuchteren.” In het ergste geval stuurt diegene iemand naar huis.

Je kan werknemers ook een vast aantal muntjes geven om aan de bar alcohol te kunnen bestellen, zegt Blokland. „Het risico is wel dat mensen die muntjes uitwisselen om toch meer te kunnen drinken.”

En, voegt ze toe, denk er als werkgever over na hoe je werknemers na de borrel veilig thuiskomen. „Je kunt bijvoorbeeld voor een taxi of bus zorgen die werknemers veilig thuisbrengt. Je moet er hoe dan ook voor zorgen dat mensen niet in de auto stappen als ze meer dan twee drankjes hebben gedronken.”

Dus

Houd er als werkgever rekening mee dat je aansprakelijk bent als er tijdens jouw borrel iets misgaat. Dat kan een reden zijn om geen alcohol te schenken. Als je dat wel doet, zorg er dan voor dat je werknemers niet te veel drinken.

Lees ook

‘Doe jij vanavond je hakken aan?’, vroeg de leidinggevende haar

‘Doe jij vanavond je hakken aan?’, vroeg de leidinggevende haar


‘Het lijkt wel of iedereen sinds corona altijd weg wil’

‘Tot een jaar of vijf geleden liep het hoogseizoen van maart tot eind juni, maar tegenwoordig heb ik het als toeristengids tot eind november en zelfs in december nog druk. Het lijkt wel of iedereen sinds corona altijd weg wil. Dat vind ik heel fijn, want ik heb superleuk werk.

„Ik geef rondleidingen in Nederland, België en Luxemburg. En soms haal ik per touringcar met chauffeur een groep toeristen op in Duitsland en leid ik die twee weken rond in Nederland en België. Dan bezoeken we veel musea en privétuinen, bekijken we architectuur en gaan we bijvoorbeeld naar een jeneverproeverij. Fietstochten van 60 tot 70 kilometer per dag met een groep vind ik het allerleukst. Dat ben ik lekker buiten, ben ik als gids niet afhankelijk van openingstijden en van chauffeurs, en kan ik lekker mijn eigen route uitstippelen. Ik vind het heerlijk om mensen blij te maken. Dat ze na afloop zeggen: wat is Nederland mooi!

„Dit is mijn tweede bedrijf. Voorheen was ik hardlooptrainer en -coach, gaf ik yoga- en pilatesles en was ik sportdiëtist. Dat heb ik tweeëndertig jaar gedaan, toen was ik toe aan iets anders. Tijdens de hardlooptrainingen vertelde ik deelnemers altijd al over wat we onderweg zagen. In 2017 heb ik dat omgezet in mijn rondleidingenbedrijf.

„Ik ben klein begonnen, in Rotterdam en Delft, maar er kwamen steeds meer plekken bij. Ik vind het leuk om Nederland te bekijken door de ogen van buitenlanders. Dat ze gestresst worden van al die fietsen, dat ze zich verbazen dat ze overal naar binnen kunnen kijken en dat ze het hier schoon vinden. Ik leer via hen ook veel over de diversiteit van culturen, dat spreekt mij erg aan.

„De coronatijd, toen ik nergens heen kon met toeristen, heb ik gebruikt om eindeloos te studeren op steden, musea en architectuur. Ik studeerde alsof ik weer op school zat. Ik ruilde mijn appartement in Rotterdam met mensen elders, zodat ik me kon verdiepen in andere steden. Wat voor mij ontzettend bijzonder was, is dat ik tijdens het Eurovisie Songfestival in Rotterdam in 2021 diverse beroemde bands heb mogen rondleiden. Veel was toen nog gesloten wegens corona, maar speciaal voor hen is toen een aantal gebouwen opengesteld. Dat is gefilmd en in veel deelnemende landen op televisie uitgezonden.

„Januari en februari zijn voor mij de rustigste maanden, die -gebruik ik om bij te leren. Ik volg online cursussen over -bijvoorbeeld architectuur en kunstgeschiedenis van de -Lage Landen. En de pracht en praal van Parijs. Online is voor mij ideaal, dan kan ik studeren op momenten dat het mij uitkomt. Want er kan altijd een opdracht tussendoor -komen. In dit vak moet je heel flexibel zijn.

„Ik vind het heerlijk om nieuwe dingen te leren. Ik heb een weergaloos geheugen: wat ik lees, onthoud ik. Ook ben ik heel gedisciplineerd en vind ik alles interessant. Maar de rustige maanden gebruik ik ook om naar dansvoorstellingen, concerten, lezingen en theater te gaan en met vrienden af te spreken.

Woonboot

„Anderhalf jaar geleden ben ik verhuisd naar een splinternieuwe woonboot in Delft. Eindelijk heb ik een tuin! Sindsdien is tuinieren mijn grote hobby. Met wroeten in de aarde maak ik mijn hoofd leeg. Net als met zwemmen in het Rijn-Schiekanaal, waar de boot ligt. Ik ben helemaal verliefd op mijn nieuwe huis en de omgeving. Voor het eerst in mijn -leven voel ik me ergens helemaal thuis. Voorheen wilde ik altijd drie maanden per jaar op reis, nu beperk ik dat tot vier weken omdat ik de boot anders ga missen. Waarom ik hier zo graag wilde wonen? Omdat bewoners van woonboten vrijbuiters zijn, authentieke mensen. Eigenlijk heb ik nog de wens om een jaar in Parijs te werken, maar dan moet mijn boot wel mee.

„Ik denk nog niet aan mijn pensioen, ik wil blijven -werken, want dan blijf je jong en flexibel. Wel denk ik er soms over om wat minder te gaan werken – een paar dag-delen vrij bijvoorbeeld. Want ik werk vaak tien uur per dag, ook in het weekend. Maar de perfecte balans vinden is gewoon moeilijk voor ondernemers. Ik leer mezelf nu om af en toe ‘nee’ te zeggen.

„Vorige maand heb ik een week vrij genomen en ben ik naar Normandië, Versailles en Parijs geweest. Vorig jaar heb ik dat ook gedaan, toen heb ik mezelf een week lang ondergedompeld in Friesland. Ik ben nog lang niet klaar met werken, studeren en reizen. Ik zoek altijd nieuwe uitdagingen en doelen.”

Japan

„Begin dit jaar ben ik naar Japan en San Francisco geweest. Ik ben een groot fan van de architect Tadao Ando en ben zijn bouwwerken gaan bewonderen. Ik vind het heerlijk om in mijn eentje te reizen, lekker met de trein en slapen in jeugdherbergen. Dan kom je in aanraking met andere -reizigers, die je weer op nieuwe ideeën brengen.

„Tijdens een vakantie mag ik van mezelf alleen ’s morgens en ’s avonds even kijken of er per mail aanvragen voor rondleidingen zijn binnengekomen. Op mijn verlanglijstje staan nog Argentinië en Uruguay en een ander deel van Japan, Zuid-Korea en Taiwan. Maar sinds die week in Frankrijk, vorige maand, ben ik ook Europa gaan -herwaarderen.

„Ik fantaseer wel eens over een B&B in Frankrijk, want niks doen is geen optie. Maar voorlopig is anderen mooie dingen laten zien en blij maken mijn constante en ben ik gelukkig dat mijn nieuwe, flitsende carrière top gelukt is.”


Ondernemers in mineur over Nederlands ondernemingsklimaat. ‘Kijk nu eens over kabinetten heen’

Bedrijven zijn opnieuw negatiever over het ondernemingsklimaat in Nederland. Gaven de ondernemers het klimaat in 2022 nog een 6,7, inmiddels is dat een krappe voldoende: 6,0.

Vorig jaar was dit cijfer ook al gedaald, naar een 6,4, zo blijkt uit de Monitor Ondernemingsklimaat van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en economisch onderzoeksbureau SEO. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Voor de resultaten zijn de antwoorden van 427 bedrijven gebruikt.

Een derde van de ondervraagden gaf dit jaar een onvoldoende. Met name bedrijven die actief zijn in landbouw, industrie, energie en bouw of die internationaal georiënteerd zijn, zijn negatief over het ondernemingsklimaat in Nederland.

Het onderzoek kwam uit op de dag dat minister Dirk Beljaarts (Economische Zaken, PVV) de allereerste Ondernemers Top organiseerde in Eindhoven, waar 180 ondernemers en vertegenwoordigers van brancheverenigingen bij aanwezig waren. Beljaarts wil voor de zomer met ondernemers een pact afsluiten om het vertrouwen weer omhoog te krijgen – de top was hier een aftrap voor. „Mijn ambitie is een 8,0 aan het einde van mijn termijn”, vertelde Beljaarts na afloop.

De ondernemers mochten in kleinere groepen vertellen over wat zij vinden van onder meer de regeldruk, stimulatie van innovatie en tegengaan van netcongestie. In die sessies waren dezelfde klachten te horen als wat uit het UvA/SEO-onderzoek naar voren komt.

Zo is een van de belangrijkste redenen voor het afgenomen vertrouwen volgens het onderzoek de onvoorspelbaarheid van overheidsbeleid. Als voorbeeld werd in Eindhoven gegeven het deze maand last minute intrekken van de afspraak om natuurinclusief te bouwen (denk aan nestkasten in nieuwbouwhuizen) en het weer op losse schroeven zetten van de zero-emissiezones die op 1 januari moeten ingaan.

Tijdens de Ondernemers Top werd dan ook gepleit voor een langere horizon van overheidsbeleid. „Kijk nu eens over kabinetten heen”, zei een aanwezige. „Neem meer regie als overheid op de lange termijn”, zei een ander – uit de sessies mocht geciteerd worden maar zonder toeschrijving aan de spreker.

Die onvoorspelbaarheid geldt bijvoorbeeld voor de energie-infrastructuur in Nederland. Op veel plekken in Nederland zit het stroomnet, zeker voor grootverbruikers, vol. Het betekent dat nieuwe of uitbreidende bedrijven niet zomaar meer een aansluiting op het net kunnen krijgen.

Ook op het gebied van gunstige fiscale regelingen voor bedrijven laat Nederland steken vallen, vinden de ondernemers. De beperkte aanwezigheid van talent en het niet aanbieden van wetgeving op maat voor bedrijven dragen eveneens bij aan het gedaalde vertrouwen.

Naar het buitenland

Een vijfde van de Nederlandse bedrijven overweegt om de komende twee jaar activiteiten naar het buitenland te verplaatsen vanwege het verslechterde ondernemingsklimaat. Van bedrijven met internationale activiteiten denkt een derde na over gedeeltelijk of volledig vertrek uit Nederland. Daaraan liggen echter veelal andere redenen (efficiëntere bedrijfsvoering bijvoorbeeld) ten grondslag dan alleen het Nederlandse ondernemingsklimaat. Dit cijfer is dan ook niet significant anders dan afgelopen jaar.

De resultaten van de Monitor Ondernemingsklimaat passen binnen een trend waarbij Nederland qua concurrentiekracht internationaal terrein verliest. Op de World Competitiveness Ranking van de Zwitserse IMD Business School zakte Nederland dit jaar bijvoorbeeld van plek 5 naar 9.


Ontslag voor de werknemer die al twee jaar thuis zit met long covid?

Dilemma

Nederland telt naar schatting 450.000 longcovidpatiënten. Zeker 90.000 hebben ernstige klachten. Het merendeel van de werkenden met long covid zal op den duur arbeidsongeschikt worden verklaard, verwacht uitkeringsinstantie UWV.

Het aantal aanvragen voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering WIA neemt dan ook toe. Dat komt volgens het UWV met name door een toename van het aantal mensen met langdurige covid.

Na twee jaar ziekte mag de werkgever een zieke werknemer ontslaan. Hou je de werknemer met longcovid toch in dienst omdat die mogelijk alsnog beter wordt, of laat je diegene gaan?

Pas je aan

Terugkeren naar werk is voor werknemers met long covid totaal anders dan bij andere aandoeningen, zegt bedrijfsarts Ernst Jurgens. Namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde ontwikkelde hij samen met onder meer ergotherapeuten, nazorgadviseurs en andere bedrijfsartsen een leidraad voor de reïntegratie van werkenden met long covid. De afgelopen jaren begeleidde hij zelf zeker honderd longcovidpatiënten.

„Werkgevers en bedrijfsartsen zijn gewend aan reïntegratietrajecten waarbij de patiënt geleidelijk aan herstelt”, zegt Jurgens. Bijvoorbeeld bij rugklachten weten we dat je vaak met wat fysio, thuisoefeningen en langzaam opbouwen binnen een paar maanden weer aan de slag kunt. „Het is dan veel logischer om het aantal uren stap voor stap op te bouwen, omdat het herstelproces enigszins voorspelbaar is.”

Bij longcovid gaat het herstel op en neer, ziet Jurgens in zijn spreekkamer. Bij veel patiënten kunnen kleine inspanningen soms al tot grote vermoeidheid leiden of andere klachten. „Een longcovidpatiënt kan bijvoorbeeld na een spannend gesprek met de baas al dagen, en soms zelfs weken, moeten bijkomen. Tegen een longcovidpatiënt kun je dus niet zomaar zeggen: volgende week weer een paar uur erbij.”

Werkgevers zijn doorgaans in eerste instantie erg begripvol, zegt Jurgens. „‘Neem je tijd’, zeggen ze. ‘En laat het ons weten als we iets voor je kunnen doen.’” Maar naarmate de ziekte vordert, ziet Jurgen de aandacht van werkgevers verslappen en de steun afbrokkelen. „Ze stellen dan vragen als: ‘Jeetje joh, kan je nou nog steeds niks? Je kan het toch proberen?’”

Vooral in de zorg, waar grote tekorten zijn, hoort de bedrijfsarts dat de druk op de werknemer met longcovid toeneemt door gaten in het rooster. „‘Omdat jij nu niet komt, moet een ander harder werken.’ Dat soort taferelen.” De klachten worden dan juist erger. Het schuldgevoel neemt toe en mensen raken gespannen en worden soms zelfs depressief.

Uiteindelijk worden de meeste longcovidpatiënten na twee jaar ziekte ontslagen, ziet Jurgens. Van de circa honderd mensen die hij begeleidde, werden er misschien twee of drie níet ontslagen. Jurgens zegt dat niet te begrijpen. Werkgevers laten volgens hem nu goede, vaak hoogopgeleide mensen gaan. „Die functioneren nu misschien minder goed op het werk, maar wie weet heeft een geniale onderzoeker binnenkort een eurekamoment en is er een uitweg voor longcovidpatiënten. De arbeidsmarkt is krap, we willen een kenniseconomie zijn, en dan laten we goede mensen gaan? De wet zegt dat je mensen na twee jaar mag ontslaan ja, maar je mág ook gewoon doorgaan met iemand.”

Nederland heeft een „mooi solidair” systeem, vindt bedrijfsarts Jurgens, waarbij de werkgever twee jaar (gedeeltelijk) loon doorbetaalt. In andere landen worden werknemers vaak al sneller ontslagen. „Het probleem is nu dat de wetgeving nadelig uitpakt voor mensen met longcovid”, zegt Jurgens. „Hun herstelproces is zo onvoorspelbaar dat je niet kunt weten of zij na twee jaar weer kunnen werken, of dat er aanpassingen nodig zijn.” Vakbond FNV ziet eveneens dat veel werknemers met longcovid na twee jaar ziekte ontslagen worden. Vice-voorzitter Kitty Jong: „Onze analyse is dat werkgevers liever geen mensen willen die iets mankeren, want daar moet je iets mee. Je hebt er al twee jaar loondoorbetaling bij ziekte opzitten, dat vinden werkgevers vaak wel genoeg.” Hetzelfde ziet de FNV bij kankerpatiënten gebeuren, ook nadat ze genezen zijn. Doordat ze nog last hebben van de chemo of bestraling, wil de werkgever niet met ze door.

De FNV dringt erop aan dat werkgevers kijken naar wat iemand nog wél kan doen. „Vaak kan een werknemer echt nog wel iets doen, maar zijn er aanpassingen of voorzieningen nodig”, zegt Jong. „Een werknemer met longcovid moet flexibel kunnen zijn in het aantal uren dat hij of zij werkt per dag of week en bijvoorbeeld ook tussen het werk door kunnen rusten. Maar wij horen dat veel werkgevers niet bereid zijn om de werktijden aan te passen of een rustruimte te creëren.”

Jong noemt het „extra wrang” dat veel mensen met longcovid de besmetting opliepen op hun werk, bijvoorbeeld in de zorg, en dan nu na twee jaar door hun werkgever worden ontslagen. „En nu zien we dat de mensen die het vaakst ontslagen worden na longcovid vaak vrouwen zijn die onder meer in de verpleeg- of thuiszorg hebben gewerkt. Ze hebben hun gezondheid voor ons opgeofferd en nu raken ze hun baan kwijt.” Jong zegt dat gezien de huidige personeelstekorten, zeker in de zorg, niet te begrijpen.

Volg de wet

Werkgeversvereniging AWVN krijgt nooit tot nauwelijks vragen van leden over deze kwestie. „De wet is kristalhelder”, zegt een woordvoerder. „Je moet twee jaar loon doorbetalen bij ziekte. Doe je dat niet, dan krijg je het UWV op je dak. Maar na die twee jaar mag je de zieke werknemer ontslaan. We krijgen weinig vragen van leden, omdat het juridisch gezien gewoon duidelijk is. Menselijk gezien is het natuurlijk buitengewoon naar om longcovid te hebben.”

Dus

Een werkgever heeft het volste recht om een zieke werknemer na twee jaar te laten vertrekken. Maar je kunt in overweging nemen om een werkgever in dienst te houden, omdat die mogelijk toch nog herstelt.


‘We wilden niets liever dan een gezinnetje stichten’

Lorenzo: „Het idee voor een rechtenstudie begon met een gastles op de middelbare school. Er kwam een topadvocaat langs die vertelde hoe hij ooit op het vmbo was begonnen en uiteindelijk via mbo en hbo zijn universitaire diploma had gehaald. Wauw! Dat maakte indruk. De advocatuur, de status, het geld – dat wilde ik ook. Dus ik besloot zo’n zelfde route af te leggen: havo, hbo, wo. Uiteindelijk haalde ik mijn bachelor rechten en belandde als jurist op een makelaarskantoor. Daar bleek ik eigenlijk een totale misfit voor het vak; ik was helemaal niet gelukkig. Ik snakte naar buitenlucht, naar vrijheid, creativiteit. In plaats daarvan zat ik hele dagen achter mijn beeldscherm dingen op te zoeken.”

Chayenne: „Wij kenden elkaar toen nog niet. Ik leerde Lorenzo kennen toen hij net was begonnen met schilderen.”

Lorenzo: „Want dat ben ik uiteindelijk gaan doen: schilderen. Via dat makelaarskantoor kwam ik op bouwprojecten waar klusjesmannen, schilders en stukadoors rondliepen. Leuke mannen die altijd prachtige verhalen hadden. De familie van mijn vaderskant werkt ook bijna allemaal met de handen en zelf schilderde ik thuis schilderijen. Dus toen ik een proefweek kon meelopen op de schildersvakschool, heb ik dat gedaan. Oh, ik voelde ik me meteen thuis. Ik zat een stuk lekkerder in mijn vel en voelde me vrij. Uiteindelijk heb ik de stap gemaakt en ben ik de schildersvakopleiding gaan doen. Best een beslissing: je gooit toch een studie weg en zekerheid. Maar ik ben nu zoveel gelukkiger; het is het echt waard geweest.”

Chayenne: „Ik studeer bouwkunde aan de Haagse Hogeschool. Ik begon eraan met het idee dat ik architect wilde worden, maar daar was ik al na één maand overheen. Veel te technisch en saai! Gelukkig kun je met bouwkunde meer dan architect worden. Ik ben nu vooral geïnteresseerd in de kant van renovatie en verbouwing. Ik ben bijna afgestudeerd én ik ben ook bijna uitgerekend, in maart. Dus ik hoop dat ik klaar ben met de studie voor de kleine er is.”

Lorenzo: „Maar er zit geen druk achter, hoor. Als het niet lukt, dan is dat maar zo.”

Chayenne: „Ik wacht nu op bericht wanneer ik kan beginnen met mijn laatste afstudeerproject. In de tussentijd oriënteer ik me op een baan, of ik doe projectjes in huis.”

Lorenzo: „Soms kom ik thuis, is opeens de keuken in een heel andere kleur! Of ze heeft het aanrecht met zo’n folie een marmer-look gegeven. Ja, ze is echt creatief hoor.”

Gezinnetje stichten

Chayenne: „We wilden allebei heel graag een kindje. Jaïro is nu bijna acht. We wilden niet dat het leeftijdsverschil te groot zou worden. Jaïro heeft een andere vader. Ik was zestien toen ik hem kreeg en zat op de middelbare school, in Suriname. Niet lang daarna zijn mijn oma, moeder, broertje, ik en Jaïro naar Nederland verhuisd. Dat was vanwege de economie; alles werd steeds duurder en moeilijker in Suriname. In Nederland leken de kansen beter. We kwamen in Rotterdam terecht, waar ik in 4 havo kon instromen. Daarna ben ik meteen begonnen met bouwkunde. Met hulp van mijn familie en opvang is het altijd gelukt school en studie met een kind te combineren.”

Lorenzo: „We hebben elkaar drie jaar geleden via Tinder ontmoet.”

Chayenne: „Daar hoor je normaal niet zoveel succesverhalen over, maar bij ons dus wel!”

Lorenzo: „Ondertussen zijn we helemaal gesetteld hier in Delft, met z’n drietjes. Ik zie Jaïro gewoon als mijn zoon, daar is geen discussie over mogelijk.”

Chayenne: „Jij hebt zelf natuurlijk ook goede ervaringen met een stiefvader.”

Lorenzo: „Ja, ik was ongeveer zes toen mijn stiefvader in mijn leven kwam. Mijn biologische vader overleed toen ik elf was; toen hadden we al niet veel contact meer. Dus ik zie mijn stiefvader meer als mijn echte vader. Bij Jaïro is er met zijn biologische vader ook niet veel contact. Dus dat geeft mij de gelegenheid die rol op te pakken. En ik wilde al langer niets liever dan een gezinnetje stichten.”

Meer gelijkwaardig

Lorenzo: „Op een normale, doordeweekse dag ga ik rond half zes, zes uur uit bed. Ik neem de tijd om rustig te ontbijten. Dan pak ik de auto, rij naar een klus en doe wat ik het allerleukste vind, en dat is schilderen. Ik heb een vast contract bij een schildersbedrijf en sta iedere keer weer op een andere klus. Het liefst doe ik monumentale panden. Van die ramen met kleine vakjes in allemaal verschillende kleuren: dat is voor een schilder gewoon heel mooi werk.”

Chayenne: „Jaïro en ik staan rond zeven uur op, dan is Lorenzo vaak al weg. Om kwart over acht lopen we naar school. Als ik colleges heb, ga ik daarnaartoe, en anders ben ik thuis.”

Lorenzo: „Ik stop rond half vijf en rij dan naar huis. Thuis heeft Chayenne al gekookt en eten we vroeg.”

Chayenne: „Momenteel doe ik wel de meeste taken in huis en betaalt Lorenzo het grootste deel van de vaste lasten. Dat is voor nu prima, maar in de toekomst wil ik meer gelijkwaardig kunnen bijdragen aan het gezin. Dat voelt toch fijner.”

Lorenzo: „Er gaat wel wat veranderen als er straks zo’n klein hummeltje bij komt. Ik zit eraan te denken om misschien een extra dag vrij te nemen.”

Chayenne: „We staan er allebei vrij relaxed in. Het enige wat je misschien een uitdaging kunt noemen, is dat we niet veel mensen in onze omgeving hebben die kunnen oppassen. Dus als Lorenzo en ik iets met z’n tweeën willen doen, moeten we dat echt plannen.”

Lorenzo: „Al hoort dat ook gewoon bij het volwassen leven, toch? En we hebben nog iets anders leuks op de planning binnenkort…”

Chayenne: „Hij heeft me in Suriname ten huwelijk gevraagd!”


Wie betaalt voor het opladen van de elektrische auto?

Dilemma

De elektrische auto is bezig aan een opmars. Inmiddels is 14 procent van alle personenauto’s in Nederland deels of helemaal elektrisch. Onder de leaseauto’s is dat percentage nog hoger: 41 procent van de dit jaar aangekochte leaseauto’s is elektrisch. Dat is goed om duurzaamheidsdoelstellingen te halen, maar roept ook vragen op over de betaling. Iedereen heeft namelijk andere energiecontracten, en de prijzen bij publieke laadpalen liggen hoger dan thuis. Hoeveel moet de werkgever dan betalen voor het opladen van elektrische auto’s van de zaak?

Stel een uniform tarief in, maar niet te hoog of te laag

De oplaadkosten van elektrische auto’s zijn een populair onderwerp bij de koffieautomaat, zegt Joëlle Stokkel. Ze werkt bij Shuttel, dat organisaties in Nederland helpt bij de uitvoering van hun mobiliteitsbeleid en adviseert op het gebied van verduurzaming. Als manager innovatie is ze dagelijks bezig met vraagstukken rondom elektrische auto’s en de kosten van opladen. „Wij horen wel eens van klanten dat op de werkvloer gezegd wordt: ‘Jij verdient gewoon aan je elektrische auto’. Dat soort commentaar wil je natuurlijk echt niet binnen je bedrijf.”

De discussie is het gevolg van de enorme elektrificatie bij bedrijven, zegt Bart Horstman, mobiliteitsspecialist bij Shuttel. „Om duurzaamheidsdoelstellingen te behalen, stappen steeds meer bedrijven over op hybride of volledig elektrische auto’s.” Dat werkt om de uitstoot van het woon-werkverkeer terug te dringen, maar creëert volgens Horstman ook een dilemma rondom de betaling van het opladen.

Toen de elektrische auto net op de markt kwam, betaalde de werkgever alle laadkosten, zegt Stokkel. Na verloop van tijd kwamen er meer regels. Sommige werkgevers stopten bijvoorbeeld met het vergoeden van opladen in het buitenland, omdat dat in veel gevallen vakantieritten betreft. Stokkel: „Tijdens de energiecrisis wilden veel grote bedrijven de kosten voor het thuisladen van hun werknemers blijven dekken, om te voorkomen dat hun werknemers ten onder zouden gaan aan de kosten voor hun elektrische auto.”

Nu de energietarieven weer redelijk zijn gestabiliseerd, is bijna de helft van de werkgevers van plan of al bezig om een uniform tarief in te voeren voor de vergoeding van laadkosten, zegt Stokkel. Dit wordt vaak gebaseerd op de gemiddelde kosten bij enkele grote energieleveranciers. „De elektrische auto was lange tijd een vreemde eend in de bijt, maar je ziet nu dat het steeds meer als een normale auto wordt gezien, waarvoor ook normale spelregels moeten gelden.”

Een uniforme vergoeding voor thuisladen is verstandig, zegt Horstman, maar gaat wel gepaard met twee dilemma’s. „Als de vergoeding lager is dan het tarief dat medewerkers thuis voor hun laadpaal moeten betalen, dan krijg je ontevredenheid. Werknemers gaan dan mogelijk aan een publieke paal staan, of zelfs aan een duurdere snellaadpaal, waardoor de werkgever meer kosten heeft.” Werkgevers dekken namelijk alle kosten van publieke laadpalen, terwijl het energiegebruik van de laadpaal thuis maandelijks wordt afgerekend.

Een tarief boven de energieprijs, dat volgens Horstman zeker door de fluctuerende energieprijzen wel eens voorkomt, is ook geen optie. „Belastingtechnisch mag je niet meer vergoeden dan de energieprijs, dat wordt gezien als verkapt loon. En het is natuurlijk oneerlijk naar andere werknemers als hun collega’s met een elektrische auto geld overhouden.” Stokkel: „Werkgevers zitten op dit punt echt in een spagaat.”

Blijf de vergoeding aanpassen

„Wij adviseren bedrijven om hierover met hun werknemers in gesprek te gaan en om helder beleid te formuleren”, zegt Horstman. „Uiteindelijk is het de beste oplossing om de tarieven regelmatig, bijvoorbeeld elk half jaar, bij te sturen aan de hand van de actuele energieprijzen en ontwikkelingen, zodat je nooit te veel of veel te weinig betaalt.”

Stokkel: „Het is belangrijk dat de spelregels duidelijk zijn. Op het moment dat een werknemer in dienst komt, of als iemand een leaseauto krijgt, moet de werkgever heel transparant zijn over wat er mag en kan rondom het gebruik van een laadpaal op de zaak of thuis, of allebei. Dan kunnen er geen misverstanden ontstaan en voorkom je ontevreden werknemers.”

En dat is belangrijk, zegt Stokkel, want het vraagstuk rondom de kosten van elektriciteit zal de komende jaren actueel blijven. „Nu steeds meer mensen zonnepanelen hebben, ontstaat een nieuwe discussie. Als het energietarief op 40 cent per kilowattuur ligt, kunnen de daadwerkelijke kosten voor iemand met zonnepanelen veel lager liggen, omdat er ook energie opgewekt wordt. Hoe moet een werkgever daarmee omgaan als hij een tarief voor elektrisch laden bepaalt?”

Dus

De komst van de elektrische auto is belangrijk om de uitstoot van het woon-werk- en zakelijk verkeer terug te dringen, maar brengt ook vragen rondom de betaling van de laadkosten met zich mee. In geval van benzine of diesel vergoedt de werkgever gewoon de kosten aan de pomp, maar bij elektriciteit thuis verschillen en fluctueren de kosten. Bovendien kosten publieke laadpalen op straat meer geld.

Om de kosten enigszins in de hand te houden, is het goed om een uniform tarief in te stellen. Werkgevers moeten dit tarief regelmatig herzien aan de hand van de actuele energieprijzen, om te voorkomen dat de vergoeding te hoog of te laag is. Alleen op die manier kun je voorkomen dat werknemers moeten bijbetalen, of dat ze geld overhouden aan hun elektrische auto.


‘Hoe het huishouden bij ons verdeeld is? Níét!’

Michiel: „We hebben elkaar ontmoet op een datingapp.”

Karolayne: „Toen hebben we meteen dezelfde dag afgesproken. Dat was op 22 december 2018. Die datum hebben we nu allebei op onze arm getatoeëerd.”

Michiel: „In die tijd ging ik elke vrijdagavond zwaar op stap. Het hele weekend was ik er nog brak van en zelfs maandag en dinsdag was ik nog niet echt fit. Daar ben ik mee gestopt toen ik Karolayne leerde kennen. En twee jaar later ben ik helemaal gestopt met alcohol drinken. Dat bevalt ontzettend goed. Ik denk niet dat ik anders mijn bedrijf zo had kunnen opbouwen. Ik heb nooit meer ergens spijt van omdat ik elke beslissing met een heldere geest neem. Vroeger zat ik misschien op 70 procent van mijn potentie, nu op 120 procent. En vind je mij saai geworden?”

Karolayne: „Helemaal niet. Je hebt meer energie. Vroeger lagen we het hele weekend op de bank. Nu gaan we vaker wandelen of een weekendje weg.”

Michiel: „We wonen in Almere. Dat bevalt ons heel goed.”

Karolayne: „Het is hier net een dorpje. We hebben heel goed contact met de buren. Er wonen hier heel verschillende soorten mensen.”

Michiel: „Amsterdammers. Mensen uit het Gooi. Expats.”

Karolayne: „Indiërs. Surinaamse mensen.”

Michiel: „Het zijn natuurlijk allemaal Vinex-wijken. Maar het centrum is best leuk. En je hebt hier strandtenten aan het water. We gaan vaak naar HarborHouse in Almere Duin. Of gewoon naar Amsterdam.”

Karolayne: „Ik ben geboren in een dorpje midden in Brazilië. Woon nu ruim zes jaar in Nederland. Het leven is hier beter. In februari is mijn moeder ook overgekomen. Ze woont nu bij ons in de buurt. Ze is blij en helpt ons overal mee.”

Michiel: „Zodra ze binnen is begint ze al de vaatwasser in te ruimen.”

Karolayne: „Ze kookt vaak voor ons en helpt ons met onze zoon Thor (3) en dochter Ayla (1).”

Kunst en muziek

Michiel: „Ik had lange tijd een kunstgalerie in Antwerpen en was zanger in een rockband. Via kunst en muziek raakte ik vertrouwd met social media als promotiemiddel. Sinds 2019 heb ik het marketingbedrijf YouLynq.me, samen met mijn broer. We zijn gespecialiseerd in het inzetten van LinkedIn voor bedrijven, meestal via personal branding van founders en directeuren. Ideaal is als iemand een reputatie kan opbouwen als specialist op een bepaald onderwerp. Wat ik echt leuk vind is bedenken hoe je een post viral kunt laten gaan voor een klant. We zijn begonnen aan de keukentafel en hebben nu 25 werknemers. Mijn moeder werkt ook in ons bedrijf, zij doet de financiën.”

Karolayne: „Ik heb ook vier jaar marketing gedaan voor YouLynq.me, maar nu even niet, sinds onze tweede er is.”

Michiel: „Hoe het huishouden bij ons verdeeld is? Níét! Ik werk 14 uur per dag en Karo doet bijna alles in huis. Mijn papadag is dinsdagmiddag, maar dat is de afgelopen anderhalf jaar niet gelukt.”

Karolayne: „Als er ’s nachts een kind wakker wordt ben ik degene die eruit gaat. En soms doet hij wel wat voor de kinderen, maar dan doet hij het niet hoe ik het wil. Dus dan doe ik het liever zelf.”

Michiel: „Maar ik doe wel de tuin.”

Karolayne: „Vroeger werkte ik in een winkel. Dan spreek je de hele dag veel mensen. Nu ben ik de hele dag thuis en zie ik alleen de kinderen. Maar misschien als Ayla vijf is kan ik weer wat meer de deur uit.”

Michiel: „Ik ben bijna altijd met mijn werk bezig. Soms krijg ik halverwege een film een idee en klap ik de laptop weer open.”

Karolayne: „Soms denk ik wel: het is nu weekend, dus nu moet je echt even die telefoon en die laptop wegdoen. En gewoon even chillen, kletsen, leuke dingen doen. Maar ik begrijp ook dat Michiel dat niet altijd kan. Ik vind het wel fijn als hij thuis werkt. Vorige week was hij drie dagen thuis. Dan kan je toch even tussendoor knuffelen of kletsen.”

Michiel: „Ik doe weleens twee dagen tranquilo. Dan werk ik evengoed door, maar dan thuis en met minder afspraken. Maar dat komt niet vaak voor. Want ik vind het beter op het werk te zijn, om collega’s positief te kunnen beïnvloeden.”

Karolayne: „In Brazilië werken mensen ook heel hard, maar ze kunnen ook heel goed feesten.”

Michiel: „Soms in de zomer zet ik de barbecue aan. Als Karolayne dan twee, drie telefoontjes pleegt staat hier binnen no time vijftien man in de tuin. Zo gaat het ook in Brazilië. Ze lopen daar de hele dag de deur plat bij elkaar.”

Voedselpakketten

Karolayne: „We zijn al vijf of zes keer op bezoek geweest in mijn oude dorp. En we hebben vier jaar lang projecten gedaan met de lokale supermarkt voor voedselpakketten. We hebben veel gezinnen geholpen. Het is heel emotioneel. Je kunt kinderen heel blij maken met een drankje of een snoepje.”

Michiel: „Het is heel dankbaar. Misschien gaan we over tien jaar wel daar wonen. Als we financieel onafhankelijk zijn. Dan verbranden we onze schepen, laten we de hectiek achter ons en gaan we daar kokosnoten plukken.”

Karolayne: „Voor mij is het belangrijkste dat Thor, die autistisch is, goede zorg krijgt. Verder maakt het me niet uit waar we wonen.”

Michiel: „Wie weet is het daar beter voor hem. Relaxter. En iedereen zorgt daar voor elkaar.”

Karolayne: „Als ik in Brazilië ben mis ik Nederland. Misschien zouden we in de winter in Brazilië moeten wonen en in de zomer in Nederland.”