Nederlanders waren Gods eigen volk

Het Nederlandse zelfbeeld dat in Uitverkoren wordt ontleed is uitgesproken positief, maar het deugt van geen kanten. Heeft Nederland dan een zelfbeeld? Vraag het tien Nederlanders en je krijgt waarschijnlijk tien nogal meewarige antwoorden. Saskia Pieterse en Janneke Stegeman doken in het koloniale verleden, analyseerden de geschriften van politici en theologen en deden enkele verrassende ontdekkingen. Want ja, in Nederland waart een hardnekkig zelfbeeld rond.

Vrome dominees legden generatie na generatie hun volgelingen uit dat Europeanen, en meer in het bijzonder de gereformeerde Nederlanders, verregaand superieur waren boven mensen in andere werelddelen. Pieterse en Stegeman proberen aan te tonen dat dit racisme zich vanaf de zeventiende eeuw op allerlei manieren heeft vastgezet in het collectieve bewustzijn in Nederland. En met lange uitlopers, tot in de hedendaagse politiek aan toe.

Wie Uitverkoren heeft gelezen, zal voortaan op zijn qui-vive zijn wanneer een politicus begin te schermen met de in Nederland zo ‘dominante joods-christelijke traditie.’ Want dat is niet alleen bedoeld om groepen immigranten apart te zetten, maar ook om ze minderwaardig te verklaren. Racisme en religie blijken dan heel subtiel en venijnig op elkaar in te werken.

Het begint allemaal kort na 1600. De hardhandige koloniale activiteiten van de VOC in Azië werden thuis in de Republiek met een hele reeks vernuftige redeneringen van een degelijke christelijke rechtvaardiging voorzien. Dat was vooral het werk van doorgewinterde theologen. De Bijbel werd erop nageslagen, en met de grootste vanzelfsprekendheid werd daaruit het bewijs opgedolven dat christenen, als afstammelingen van Noachs zoon Jafet, tot vrijheid en welvaart voorbestemd waren, en de nazaten van diens broers Cham en Sem tot slavernij c.q. ballingschap, en die laatste waren de voorvaderen van de Afrikanen c.q de Joden en islamieten. Die redenering werd soepeltjes verder aangekleed met andere bijbelplaatsen.

De voorlieden van de VOC waren er opgetogen over: met meer geweld dan overreding werd in de eerste decennia in Azië een handelsnetwerk opgebouwd, dat alleen maar stand kon houden als de VOC erin slaagde om de lokale bevolking ondergeschikt te maken en een deel zelfs tot slavernij te brengen. Dat theologen zo overtuigd waren van de superioriteit van de christelijke Europeaan, maakte ieder gewetensonderzoek overbodig.

Stevige volksplanting

Dichter Jacob Cats zag het liefst alleen mannen daar naartoe gaan die weerstand konden bieden aan alle tropische verleidingen – een type man waarvan hij ongetwijfeld ook wel wist dat die heel zeldzaam was. Cats was, zoals veel calvinisten, tegen de vermenging van rassen. Hij kreeg het al benauwd bij het idee dat een christelijk gedoopt kind zou worden gezoogd door een niet-christelijke voedster, want het zou ertoe leiden dat het kwaad alsnog bij het kind naar binnen ‘druppelde’.

Om de Europese superioriteit definitief in de tropen te kunnen vestigen, moesten er drastische maatregelen genomen worden. Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië Jan Pieterszoon Coen zag dan ook maar één oplossing: de verscheping van duizenden Nederlandse weesmeisjes, van ca. 10 tot 12 jaar om in Indië een stevige volksplanting op te zetten. Alleen op deze manier konden de ‘vrije christenen’ zich in zuidoost Azië handhaven.

In de loop van de zeventiende eeuw botte het superieure westerse wereldbeeld gestaag verder uit. De metafoor van de gelukkige familie was in staat het allemaal bondig samen te vatten. Het gezinshoofd – man, calvinist en gegoed burger – leidde het gezin, waarin vrouw, kinderen en bedienend personeel allemaal gelukkig konden zijn met hun vaste ondergeschikte rol.

Het kwam allemaal samen in het begrip economie, of huishoudkunde, een term die niet alleen op het gezin maar ook op de samenleving als geheel kon slaan. De koloniale overheerser kon zich zien als een strenge maar rechtvaardige vader, die de wet en ook de goede zeden moest handhaven. Pieterse en Stegeman laten goed zien dat dit paternalisme voortkomt uit een nogal cynische doelredenering, waarin ook slavernij moeiteloos werd ingepast, want een gelukkige familie kon niet zonder nederig en gehoorzaam bedienend personeel.

Superioriteitsdenken

Religieuze superioriteit, racisme, paternalisme, vrouwonvriendelijkheid, sociale ongelijkheid werden steeds fijner op elkaar afgestemd. Tegen het einde van de achttiende eeuw kwam daarin onder invloed van de Verlichting maar heel beperkt verandering. Het religieuze argument verloor relevantie. Het houden van slaven kon niet meer. Toch duurde het nog heel lang voor de slavernij echt werd afgeschaft. Zelfs felle abolitionisten zagen een nieuw probleem opdoemen: hoe moesten deze voormalige slaven op een fatsoenlijk beschavingspeil worden gebracht? Slavernij werd afgeschaft, maar het superioriteitsdenken bleef. Met tegen het einde van de negentiende eeuw een hoofdrol voor de antirevolutionair Abraham Kuyper, die opnieuw het koloniale rijk van Nederland wilde bestieren als een ‘goed huishouden’, maar dan wel met steeds meer segregatie.

Het gescherm met beschaving werd de rode draad in het verkapte racisme dat tot in onze dagen door discussies over ontwikkelingshulp, migratie en integratie wordt gemengd. Pieterse en Stegeman lijken te suggereren dat calvinistische Nederlanders hierin uitzonderlijk zijn, maar ik vrees dat het in het katholiek of lutherse georiënteerde buitenland niet veel anders of beter is.

Neemt niet weg dat het zoeken naar de wortels van de onmiskenbare superioriteitsgevoelens bij witte Nederlanders nogal wat verbluffende staaltjes studeerkamerracisme oplevert. Ze leunen daarbij op het werk van onder anderen Gloria Wekker, die regelmatig heeft aangetoond dat Nederlanders er niet goed tegen kunnen met hun eigen racisme geconfronteerd te worden.

Hoe lang nog?

Uitverkoren is in de eerste plaats vooral een verkenning; een echt diepgravende studie is het niet. In een meer historische benadering zou ingegaan moeten worden op de steeds voortgaande verschuivingen in het wereldbeeld en het wetenschappelijke denken sinds 1600. Het is bij de vele aangehaalde dominees, dichters, denkers en doeners al opvallend hoeveel verscheidenheid er in hun opvattingen zit.

Er hangt wel degelijk steeds relativering en verandering in de lucht, maar de auteurs houden desondanks vast aan hun these van aanhoudende ‘racialisering’, die ze omschrijven als „het ontstaan van een diepe connectie tussen calvinisme, Nederlanderschap, lichamelijkheid en superioriteit”. De vraag is dan gaat dit over het Nederlandse zelfbeeld, of meer specifiek dat van de Nederlandse calvinisten.

Intussen wordt het boek nogal ontsierd door historische onjuistheden. Zo had Van Oldenbarnevelt het in 1617 niet aan de stok met ‘stadhouder Willem’ maar met Maurits, en zou Marnix ervan gegruwd hebben ‘remonstrant’ genoemd te worden, en was de grote pestepidemie met de daaruit volgende pogroms niet in de twaalfde, maar in de veertiende eeuw, de apostel Paulus was niet afkomstig van Sicilië, maar uit Tarsus in Cilicië (in het huidige Turkije), en Jan Pietersz. Coen was geen Zeeuw, maar een West-Fries – in Hoorn staat hij nog altijd parmantig op zijn sokkel. De vraag is na lezing van Uitverkoren eens te meer: hoe lang nog? Dit boek is niet alleen een goede aanzet tot meer onderzoek, maar ook tot meer zelfonderzoek.

Lees ook

Waarom werkte Kuyper zich telkens opnieuw een burn-out in?

Abraham Kuyper


Eerst de spreekbuis, toen de boksbal van de macht

Het was een keurige krachtmeting tussen twee heren, al gaven ze elkaar na afloop geen hand. In de Groningse Nieuwe Kerk zetten Frits Bolkestein en Noam Chomsky in mei 1989 een polemiek voort die ze in NRC Handelsblad waren begonnen. Over de kritiek van Chomsky, de kritische en toonaangevende Amerikaanse publieke intellectueel, op de westerse media en het agressieve imperialisme van de VS, en over Bolkesteins kritiek dáár weer op. Volgens een verslag in de avondkrant genoot het publiek met volle teugen van de confrontatie tussen de liberale politicus en de „politiek bevlogen taalgeleerde”.

Een duidelijke winnaar kende het duel niet, daarvoor praatten de twee teveel langs elkaar heen. Met een Chomsky die – kenmerkend – bij elke kritiek bewijsstukken bleef eisen zonder het gesprek aan te gaan, en een Bolkestein die allengs verbetener – en tevergeefs – bleef hameren op de blinde vlekken van zijn opponent. Onderhoudend was het, uitputtend ook. ‘Slechts Chomsky werd niet moe om onder de preekstoel nog uren argumenten, feiten, theorieën en samenzweringen te ontdekken voor ieder die maar horen wilde. En hij zou daar vermoedelijk nog mee bezig zijn als de koster niet het licht had uitgedraaid’, aldus de geamuseerde NRC Handelsblad-verslaggever Raymond van den Boogaard, present in de kerk.

Drie decennia later is de nu 96-jarige Chomsky nog steeds een veel aangehaalde criticus van Amerikaans imperialisme. Sinds een beroerte in 2023 schrijft hij niet meer, maar zijn werk resoneert bij een nieuw publiek nu de wereldorde in alle voegen kraakt. Over de Russische invasie van Oekraïne sprak hij zich nog wel uit (hij keurde die af, maar zei er meteen bij dat het Westen het ernaar had gemaakt en dat de Amerikanen in Irak erger waren geweest).

Geen wonder dat de tijd rijp werd geacht voor een Nederlandse vertaling van wat waarschijnlijk Chomsky’s bekendste werk is over de media, het kloeke Manufacturing Consent (1988), geschreven samen met de econoom Edward Herman (1925-2017). Aangevuld met een heruitgave van Het beste van Chomsky, vier artikelen – sommige in interview-vorm – over politiek, economie en media.

Voor die herwaardering lijken op het eerste gezicht goede gronden. Chomsky heeft in tientallen boeken en artikelen overtuigend laten zien dat achter het ‘idealisme’ in de Amerikaanse buitenlandse politiek al sinds de Koude Oorlog machtsdrift en economische belangen schuilgaan; de lijst door Washington gesponsorde staatsgrepen en interventies is lang en deprimerend. Zijn binaire diagnose – Amerika is agressief, de rest van de wereld hooguit defensief – heeft door de oorlog in Oekraïne nieuw leven gekregen onder links-pacifistische academici én in rechts-alternatieve kringen.

Twee: kritiek op de ‘msm’ is inmiddels ook in Nederland een huis- tuin- en keukenindustrie. Na het populaire pionierswerk van Joris Luyendijk (Het zijn net mensen, 2006) en Rob Wijnberg (De nieuwsfabriek, 2013) is die tot grote hoogten opgestuwd door anti-media-populisme, activisme van diverse snit en de corona-pandemie. Aanvankelijk academische termen als ‘framen’, ‘filteren’, ‘valse balans’, het ‘amplificatie-effect’ en ‘normaliseren’ zijn bestek geworden waar de halve familie op verjaardagen en partijen feestelijk mee kan rinkelen.

En drie: de nostalgische honger naar ‘grote’ linkse werken die een herkenbare dieptepeiling geven van ‘het ‘systeem’, neoliberaal of anderszins. Eerder zagen vertalingen het licht van Herbert Marcuse’s pop-psychologische One-Dimensional Man en het meer esoterische Dialektik der Aufklärung van de filosofen Theodor Adorno en Max Horkheimer. Ja, dan kan er ook nog wel een Chomsky bij.

Gezagsgetrouw

Toch is de uitgave van nu juist dit werk van Chomsky ook iets van een waagstuk. Want is zijn media-kritiek zo actueel als beweerd? Heerst er inmiddels niet een heel ander ‘Propaganda Model’ dan dat van grote kranten en tv dat Chomsky en zijn co-auteur fileerden?

In Manufacturing Consent (de titel is ontleend aan de politieke journalist Walter Lippmann) ontvouwen de twee dat Model om de gezagsgetrouwe berichtgeving van (Amerikaanse) media over met name de oorlog in Vietnam te analyseren. Het uitgangspunt is eenvoudig: de media dienen gevestigde belangen, die van de staat en grote bedrijven. Nieuws wordt op vier manieren ‘gefilterd’: door eigenaren (van kranten en tv-zenders), adverteerders, bronnen (officiële) en ‘handhavers’ (die op de media toezien). De filters garanderen dat media het ‘officiële verhaal’ napraten en verzet ertegen negeren of onderdrukken. Met als gevolg dat media in oorlogen, bijvoorbeeld, treuren om ‘waardige’ slachtoffers (gemaakt door de vijand) en ‘onwaardige’ (door de eigen partij) afdoen als nevenschade.

Het tweede deel van het boek bestaat uit gedetailleerde case studies van de berichtgeving over de oorlogen in Vietnam, Laos en Cambodja. Conclusie: de media waren helemaal niet zo kritisch als wel wordt beweerd, maar volgden veelal tamelijk slaafs de autoriteiten.

Die conclusie kun je nog steeds delen, al lezen deze hoofdstukken een halve eeuw later vooral als een uitputtende oefening in close reading, alsof twee monniken zich bij kaarslicht door oude papyrussen worstelen. Welke Nederlandse lezer heeft nu nog baat bij een acribische analyse van de Amerikaanse berichtgeving over het Tet-offensief in 1968?

Bij herlezing treedt bovendien de eenzijdigheid van de analyse nog wat scherper aan het licht dan toen. Bronnen die niet stroken met het betoog van de auteurs – over de communistische executies van ‘contrarevolutionairen’ in de stad Hué – worden gekleineerd of verdacht gemaakt als propaganda. Medio jaren zeventig maakte Chomsky zich al berucht door de berichten over genocide door de Rode Khmer in Cambodja af te doen als CIA-propaganda (in 1989 een van Bolkesteins verwijten aan zijn adres).

In Manufacturing Consent, geschreven toen de massamoord niet langer te ontkennen viel, kiest Chomsky een andere strategie: de wandaden van de Rode Khmer worden niet langer ontkend, maar verkleind tot ‘fase twee’ van een langere genocide die op conto komt van – uiteraard – de VS. Zo klopt alles gelukkig toch weer. Je hoeft het criminele karakter van de Amerikaanse oorlogsvoering in Zuid-Oost-Azië beslist niet te ontkennen om hier toch weer iets van ideologische bagatellisering in te proeven.

Maar nu de houdbaarheid van het Propaganda Model zelf, anno 2025. Chomsky en Herman bouwden hun model op de overzichtelijke twintigste-eeuwse wereld van analoge ‘massamedia’: broadcast televisie en dagbladen als The New York Times. Een top down journalistieke wereld, met kranten als bakens in een schaarste aan informatie en openbare bronnen.

Die wereld bestaat niet meer. De mainstream media waar Chomsky en Herman zich tegen afzetten zijn ingehaald door de digitale revolutie die onder meer TikTok, Twitter (nu X) en Facebook creëerde, de massamedia van de 21ste eeuw. Die revolutie – de grootste media-omwenteling sinds de boekdrukkunst – heeft het rijk der schaarste verbrijzeld en veranderd in een hoorn van overvloed: aan bronnen, beelden en doe-het-zelf-nieuws. Iedereen is nu zijn eigen G.B.J. Hiltermann en kan zijn eigen muckraker worden die onthult, ontmaskert en aanklaagt.

Dat betekende ook een radicale omwenteling in de verhouding tussen media, burgers, elites en de staat. Kranten drijven allang niet meer op adverteerders, maar vrijwel volledig op betalende lezers, die naast nieuws bediend worden met ook steeds meer – vaak polariserende – opinies. Adverteerders zijn uitgeweken naar sociale media. Eigenaren van ‘platforms’ zijn nu vele malen machtiger dan die van klassieke media. Tegelijk is de band tussen bureaucratische, politieke en economische elites en mainstream media vele malen losser geworden, zo niet verdwenen – weg ‘gedeelde belangen’.

Dat ondermijnt het hiërarchisch-analoge model van Chomsky en Herman. De onstuimige wereld van online media is niet middelpuntzoekend – de gefabriceerde consent in dit boek – maar middelpuntvliedend. In The Revolt of the Public (2018) beschrijft de Amerikaanse onderzoeker – en, pikant, oud-CIA-analist – Martin Gurri hoe de digitale revolutie een onophoudelijke cyclus van gezagscrises produceert. Elites staan onder voortdurende verdenking. Niet consensus is het effect, maar ongenoegen en revolte.

Radicaal en extreem-rechts heeft dat provo-potentieel van de online media-wereld de laatste decennia met voorsprong weten te omarmen. Trump, zegt Gurri, is „de Beethoven van Twitter”.

Met die rugwind is in Amerika een heel ander Propaganda Model verrezen: de rechtse media-ecologie van talkradio en Fox News en inmiddels, in zijn nieuwe ambtstermijn, de hang naar censuur en intimidatie van Trump. Dat nieuwe propaganda-model is geen verborgen structuur en je hebt geen academici nodig om het te analyseren, het is open en bloot. Trump noemt gevestigde media crimineel en schuift ze opzij ten gunste van ideologische napraters. En hij zaait angst. The Washington Post, icoon van de klassieke orde, wordt door tech-eigenaar Jeff Bezos in het gelid gezet. Elon Musk gaat als een razende tekeer door het overheidsapparaat. Hier wordt kortom op klaarlichte dag een nieuwe ‘consensus’ van bovenaf afgedwongen.

In dat model zijn de klassieke media allang geen poortwachters meer. Geen spreekbuis van de machthebbers maar hun boksbal, volksvijanden en verspreiders van fake news. De grens tussen Chomsky’s media-kritiek en die van Trump wordt zo ongemakkelijk dun.

Chomsky en Herman kunnen er niets aan doen dat de tijden zijn veranderd – maar ze geven zich er ook weinig rekenschap van. In de inleiding bij hun nieuwe editie van Manufacturing Consent (2002) stellen de auteurs tevreden vast dat nieuwe technologieën de toepasbaarheid van hun model alleen maar hebben versterkt, voordat ze doorschakelen om opnieuw hun gelijk te halen over Vietnam, Laos en Cambodja. Het laatste woord hebben in de oude wereld blijft belangrijker dan de taal van de nieuwe leren.

Ook pleitbezorgers van Chomsky zullen in de digitale omslag mogelijk nog het bewijs zien van zijn gelijk. Het oude Propaganda Model is eindelijk doorzien – we trappen er niet meer in – maar de structuur is dezelfde gebleven: we worden bedrogen door de media, nu de nieuwe. Maar dan rijst de vraag of en hoe die omslag eigenlijk mogelijk is geweest. De hegemoniale media hielden ons toch in een diepe brave-burgerslaap?

‘Alternatieve feiten’

Hier wreekt zich het hermetische karakter van het Model. Chomsky’s fixatie op de volgzaamheid van gevestigde media houdt geen rekening met ambivalenties – dezelfde media onthulden ook de Pentagion Papers, die een heel ander licht op de oorlog wierpen – of met tegenstrijdige belangen. De opkomst van de huidige rechtse media-ecologie is er daarom niet goed mee te verklaren. Een opvolger van dit boek zou Manufacturing Dissent moeten heten – over de fabricage van ‘alternatieve feiten’ en de productie van wantrouwen en complotdenken.

Blijkt de linkse Chomsky dan een wegbereider van de huidige, radicaal-rechtse kritiek op de Lügenpresse? Dat niet, maar in grote lijnen is de analyse wel vergelijkbaar: de media liegen om de deep state te beschermen. Overigens, een orthodoxe marxist was Chomsky nooit, eerder een anarcho-syndicalist.

Chomsky is bovendien altijd wars geweest van de intellectuele ‘kritische theorie’ die zo geliefd is onder linkse academici. Over Foucault merkte hij ooit op dat „niemand me nog het belang van ’s mans werk heeft kunnen uitleggen”. Marxistische academici hebben Chomsky op hun beurt gehekeld als een man die „in de negentiende eeuw is blijven steken” (aldus Terry Eagleton) en het laat-kapitalistische ‘wereldsysteem’ niet begrijpt.

Maar het is vooral zijn geopolitieke anti-amerikanisme, uitgedragen met een zeer Amerikaanse voorkeur voor empirie boven theorie, die de blijvende aantrekkingskracht van Chomksy’s werk verklaart, ook dat over journalistiek.

„Alles wat we begrijpen over mensen, is behoorlijk eenvoudig”, zei Chomsky ooit in een interview. Een geruststellende gedachte voor wie media-kritiek zoekt in heldere kleuren of tonen. Wie de omwenteling die zich nu voltrekt wil begrijpen, heeft er weinig of niets aan.

Lees ook

De elite zit niet te wachten op democratie

Illustratie Sebe Emmelot


Het balkon van Shells galerijflat is deze zomer de ‘beachclub’

Over Derk Visser zou je kunnen zeggen dat hij steeds hetzelfde boek schrijft. Met getroebleerde tieners als personages, met de rafelrand van de maatschappij als setting, met sprekende beelden en dialogen als voortstuwende kracht, en met een verhaal dat bestaat uit kleine gebeurtenissen. Ook Vissers nieuwste en achtste jeugdboek Gran Balconia sluit hierbij aan. Verrassen doet de novelle dus niet. Toch is deze wel relevant. Alleen al omdat Visser durft te schrijven over menstruatiearmoede en dat is best taboedoorbrekend. Ja, dat klinkt als een probleemboekthema. Maar zoals altijd bij Visser dient de grauwe realiteit vooral als decor. Het geldgebrek waar Shell (14) en haar zusjes Danni (13) en Jodi (11) en hun hoogzwangere moeder (van een vierde zusje van weer een andere vader) mee moeten zien te dealen, is een vanzelfsprekend gegeven dat hij vanuit het credo ‘show don’t tell’ knap onnadrukkelijk zichtbaar maakt.

De filmische openingsscène spreekt direct al boekdelen: „Ik sta in een dode hoek bij de flessenautomaat”, zo begint Shell haar verhaal. „Gisteren zou ik het rustig hebben gevonden in de supermarkt, nu voelt het onheilspellend stil. Mitchel DE OCTOPUS Moll staat een gang verder en vult het schap conserven aan. Hij heeft me niet gezien. Het meisje van het brood wel. Ze stond me aan te gapen omdat ik zonder lege flessen bij de automaat rondhing. Maar ze werd weggeroepen door haar baas./ In mijn mandje ligt een pak maandverband.”

Little Earthquake

Bam, in een keer sta je middenin het verhaal: geen introductie, geen uitleg, alleen enkele suggestieve rechttoe-rechtaan zinnen die Shells situatie doeltreffend schetsen. En die wordt er niet beter op omdat Shell, bevreesd voor „alle ogen”, het maandverband teruglegt. Integendeel, ze voelt zich onzeker en beschaamd: wat als ze doorlekt? Daarbij heeft hun wasmachine met de even geweldige als veelzeggende naam Little Earthquake het ook nog eens begeven. Gelukkig heeft Shell via Lenny Montana een gratis strippenkaart bij de wasserij van zijn moeder weten te regelen, omdat ze hem het idee heeft gegeven dat ze verkering hebben. Al vindt ze verliefd zijn eigenlijk niks: „Als het om jongens gaat”, zegt ze tegen Danni, „moet je blijven nadenken en je niet laten meeslepen door rare gevoelens. Ik wil niet worden zoals mama.”

Krijgen ze elkaar of niet? Die vraag is feitelijk de motor van dit verhaal dat zich afspeelt tijdens een zomervakantie in en rond de galerijflat van Shell met het balkon als „beachclub”. Dat levert een dunne plot op. Maar de levensechte karakterisering van de personages maakt veel goed. Via treffende, soms geestige soms ontroerende dialogen tussen Shell en haar moeder, en Shell en Lenny krijg je goed inzicht in wat ze drijft alsook in hun onderlinge verhoudingen. Bovendien tonen ze overtuigend hoezeer je achtergrond je vormt. Als Shell haar moeder vertelt dat ze bang is Lenny haar liefde te tonen, en haar moeder haar adviseert haar hart te durven volgen, antwoordt ze gevat, „alsof dat van jou altijd de goede kant uit wees”.

Varkensrollade

Sterk is ook haar ogenschijnlijk potsierlijke vraag aan Lenny of hij kinderen wil. De jongen is veertien, natuurlijk heeft hij daar nog nooit over nagedacht. Voor Shell ligt dit echter anders. Het beeld van haar zwangere moeder als „een varkensrollade” met „grillige, donkerrode strepen als een onderhuids vuur over haar buik” doen haar inzien dat een zwangerschap geen roze wolk is. „Eerder een donderwolk, Lenny”, zegt ze. „En als de bliksem inslaat, is ze dood en blijf ik over met twee jonge zusjes. Ik hoef geen kinderen. Ik heb ze al.”

Soms klinkt in Shells woordkeus Vissers stem door. „Het strijklicht van de bedlamp” en verliefdheid als „die wereld van verlangen en vertwijfeling” zijn geen woorden van een veertienjarige. Maar die missertjes zijn Visser vergeven: Gran Balconia is een eerlijk, rauw portret van een meisje dat droomt over romantiek maar er door de omstandigheden moeilijk in kan geloven.


‘Liefdesverdriet is ook een rouwproces’

‘Het was 2012, ik was twintig en had heel erg liefdesverdriet. Ik woonde toen op de Wallen en ik weet nog dat ik mezelf naar boekhandel Athenaeum sleepte. Ik had niet veel geld, maar ik mocht van mezelf een paar boeken over liefdesverdriet kopen.

Boeken zijn altijd al leidend geweest in moeilijke periodes. Ze geven houvast, troost, herkenning, afleiding. Ik denk dat het vooral gaat over het kunnen opgaan in een andere wereld, andere perspectieven, dat je uit je eigen situatie wordt getrokken of juist herkenning voelt die minder eenzaam maakt. Maar ook gewoon de schoonheid van taal op zichzelf. Dat dubbele, dat voelde ik ook toen heel sterk.

Ik heb altijd iets gehad met de kleur blauw. Ik weet niet precies waarom, maar ik voel me er enorm toe aangetrokken. Dus toen ik die dag Bluets van Maggie Nelson zag liggen, dacht ik meteen: dit boek moet ik lezen. In het begin van het boek heeft het hoofdpersonage nog een relatie, maar langzaam gaat het over verlies, over niet los kunnen laten. En wat me zo raakt aan Bluets, is hoe Nelson speelt met die grens tussen geraakt worden door iets en erdoor geobsedeerd raken.

Wanneer is iets gewoon een fascinatie, en wanneer slaat het om in een obsessie? Die vraag zit heel erg in het boek verweven, hoe ze een verloren liefde niet los kan laten, en juist met dat vasthouden bepaalde aspecten van zichzelf verliest. En dat herken ik

Nelson schrijft erg associatief, fragmentarisch, losse flodders worden aan elkaar gekoppeld. Zo denk en schrijf ik zelf ook. Ik ben iemand die sowieso veel nadenkt, filosofeert over van alles en nog wat. En dat zit in Bluets: het is niet alleen een boek over liefdesverdriet, maar ook over depressie, over melancholie, over schoonheid, over jezelf opnieuw uitvinden na donkere periodes, maar ook over hoe bepaalde dingen je blijven achtervolgen.

Toen ik het nu herlas, had ik geen liefdesverdriet, maar zat ik in een periode van overspannenheid. Dat is natuurlijk heel anders, maar tegelijkertijd zijn er ook veel overeenkomsten. Het gevoel van controleverlies, van veel huilend alleen thuis zitten. En ook weer dat zoeken naar houvast, naar iets wat je even optilt.

Ik heb eerder depressies gehad, en die overspannenheid deed me daar vaak aan terugdenken. Dat gevoel van lusteloosheid, somberte, uitzichtloosheid was hetzelfde en herkende ik deze keer ook veel meer in het boek.

Wat ik ben gaan inzien, is dat liefdesverdriet eigenlijk een soort rouwproces is. En door dit boek opnieuw te lezen, begon ik me te realiseren hoe vaak ik in een soort mildere vorm van liefdesverdriet heb gezeten.

Ik heb een paar grote rouwprocessen meegemaakt in mijn leven, onder andere rondom de dood van mijn moeder. Maar de afgelopen jaren ook in kleinere vormen: vriendschappen die veranderen, mensen die andere paden kiezen. Dat vind ik moeilijk. Ik ben nu 33 en dit is natuurlijk zo’n fase waarin veel mensen kinderen krijgen, de stad verlaten. En ik niet, of nog niet. Dat houdt me bezig. Ik vind het lastig om dingen los te laten, en daar blijf ik soms lang in hangen. En dat is misschien waarom dit boek me al twaalf jaar zo raakt. Omdat het precies dát gevoel vangt: het willen vasthouden van iets wat niet vast te houden is.”


Schrijver Alan Hollinghurst: ‘Ik denk dat mensen van kleur niet de hele dag nadenken over racisme’

De meeste interviews met Alan Hollinghurst beginnen met een uitvoerige beschrijving van zijn Londense appartement, vol boeken en kunst en met een naar verluidt schitterend uitzicht over de Hampstead Heath. Ik moet genoegen nemen met het Amsterdamse Ambassade Hotel, waar ik de Britse schrijver spreek naar aanleiding van zijn nieuwste roman, Our Evenings (Onze avonden).

Wat zeg ik, Alan Hollinghurst? Sir Hollinghurst zul je bedoelen: afgelopen januari werd hij geridderd door koning Charles, waarmee zijn reputatie als een van Engelands grootste levende schrijvers officieel is geworden. Veel schrijvers die deze eer ten deel valt – Joseph Conrad, Evelyn Waugh – wijzen hem af. Heeft Hollinghurst overwogen de ridderode niet aan te nemen? „Ik was altijd van mening dat je zo’n onderscheiding niet aanvaardt, maar dat idee was natuurlijk nog nooit op de proefgesteld,” lacht hij. „Ik zal beleefd weigeren, dacht ik. Maar door mij de ridderorde aan te bieden wilde onze regering denk ik laten zien dat ze de lgbtq-thema’s in mijn roman hadden opgemerkt, dus op die gronden vond ik het toch goed om te accepteren. Er zijn niet zoveel gecanoniseerde schrijvers – canovelists noemt een vriend van mij ze – die zo openlijk over homoseksualiteit schrijven als ik. Maar elke keer dat ik nu een brief krijg geadresseerd aan ‘Sir Hollinghurst’ denk ik: die vent is een obvious imposter!”

Daarmee staat hij vermoedelijk alleen. De meeste critici zien Hollinghurst als een revolutionaire chroniqueur van wat het betekent om homoseksueel te zijn in het Engeland van de twintigste eeuw. Zijn debuutroman, The Swimming-Pool Library (1988), is zowel prachtig geschreven als haast explosief open over de Londense gay scene van de jaren tachtig – „Als er een roman bestaat met meer cruisscènes in sportschooldouches dan The Swimming-Pool Library, dan moet ik die nog vinden”, schreef een recensent. De romans die hij daarna schreef waren allemaal even onverschrokken in hun onbeschroomde beschrijvingen van gay seks. Maar ook al werden die boeken stuk voor stuk lovend ontvangen, pas met zijn vierde roman, The Line of Beauty, brak hij echt door – alhoewel sommigen de vele homo-erotische scènes wat ongemakkelijk bleven vinden: „Booker gewonnen door homoseks”, luidde een (tamelijk lullige) krantenkop bijvoorbeeld toen Hollinghurst deze prestigieuze Britse literaire prijs in 2004 mee naar huis nam.

Een van de interessante dingen aan Hollinghursts werk is dat het een geloof in een traditionele, haast Victoriaanse romanvorm laat zien – voor hem geen postmoderne tekstuele spelletjes, zoals in het werk van veel van zijn tijdgenoten – maar dit combineert met een onconventionele, haast ontwrichtende inhoud. Die spannende wrijving tussen vorm en inhoud is in al Hollinghursts romans aanwezig. En het is slim ook: door zijn subversieve vertellingen over seks, liefde, discriminatie en homofobie in zo’n herkenbare en geliefde vorm te gieten, heeft hij een immens lezerspubliek weten te bereiken.

In veel opzichten past Our Evenings, Hollinghursts aangrijpende zevende roman, qua vorm en thematiek naadloos in de rest van zijn oeuvre. Het verhaal bevat de memoires van David Win, een homoseksuele acteur die terug kijkt op zijn liefdesrelaties, zijn opvoeding, de relatie met zijn dappere moeder Avril – zijn leven, kortom. Maar in één belangrijk aspect wijkt Our Evenings af van Hollinghursts vorige werk: voor het eerst heeft hij gekozen voor een verteller van kleur: David Win heeft een Birmese vader.

Lees ook

Ontheemd tussen de pestkoppen van de Britse ‘upper class’

Avond in Oxford. Hollinghurst laat zien hoe uitsluiting in het dagelijks leven op zijn personages inwerkt.

Het is een gedurfde keuze, wanneer een witte schrijver kiest voor een niet-witte hoofdpersoon liggen beschuldigingen van cultural appropriation al snel op de loer. Maakte hij zich hier zorgen over? „Ik voelde me daar af en toe wel een beetje benauwd over, ja. Gedurende de vrij lange periode waarin ik aan dit boek werkte kwamen al deze kwesties in toenemende mate op de voorgrond, werden politiek beladen. En terecht. Daarom vond ik het belangrijk om er zo tactvol mogelijk mee om te gaan. Maar ik maakte me zeker zorgen. Vooral wat betreft de ontvangst in de VS, waar dit soort dingen gevoeliger liggen dan hier. Maar bij Random House maakte niemand zich zorgen, dus dat was erg geruststellend. En het boek is ontzettend warm ontvangen in Amerika.”

Wat dat betreft is een half-Birmese afkomst misschien ook relatief veilig.

„Het is heel erg een niche,” zegt Hollinghurst met zijn diepe, melodieuze stem – toen hij nog bij de Times Literary Supplement werkte, in de jaren tachtig, werd hij door zijn collega’s ‘basso profundo’ genoemd. „Ik had nooit iets kunnen schrijven over iemand uit Jamaica bijvoorbeeld. Dan maak je inbreuk op het territorium van een ander, want er is al een bloeiende Jamaicaans-Engelse literatuur, geschreven door mensen afkomstig uit die cultuur. Maar er is nauwelijks een Birmese gemeenschap in Engeland, we hebben hier geen Birmese literatuur. Daarom leek dit me een respectvolle manier van werken, en ook een interessante. Er is in Engeland zo weinig bekend over dat korte moment rondom de onafhankelijkheid van Birma, als Davids moeder daar is.”

Had u al lang het idee om over een biraciale hoofdpersoon te schrijven? Het is een opvallende breuk met uw eerdere werk.

„Ik had al wel vaker over interraciale relaties geschreven, maar altijd vanuit het perspectief van het witte personage. Ik denk dat ik allang deze kleine sprong wilde wagen. Onze maatschappij wordt nog steeds zo geplaagd door racisme dat ik het noodzakelijk vond om te doen, mits het me op een discrete manier zou lukken.”

Racisme, discriminatie, micro-agressies – voor David is het een dagelijkse werkelijkheid, iets waar hij om de haverklap tegen aan loopt. Toch krijg je als lezer het gevoel dat het hem nauwelijks raakt, hij lijkt het makkelijk af te schudden, maakt een grapje, niks aan de hand. Of is dat een overlevingsmechanisme?

„Ik vond het belangrijk dat David geen slachtoffer zou worden, ik wilde een veerkrachtig personage van hem maken. Hij is slim, hij is geestig, en als het boek één lange catalogus van micro-agressies was geworden zou het vreselijk saai zijn. David is optimistisch.” Hollinghurst strijkt peinzend over zijn witte ringbaard. „Ik denk dat mensen van kleur niet de hele dag nadenken over racisme.”

Maar het is wel ondermijnend.

„Het is ondermijnend, ja. En het ondermijnt zijn acteerambities. Het is moeilijk voor hem om in die tijd, de jaren zestig, serieuze rollen te krijgen die passen bij zijn talent. Daarom sluit hij zich ook aan bij een alternatieve theatergroep. Discriminatie heeft absoluut grote invloed op zijn leven.”

Davids moeder, een kleermaker, heeft een bescheiden inkomen maar dankzij een beurs van de rijke familie Hadlow kan Dave toch naar een chique kostschool en, vervolgens, naar Oxford. De zoon van dit vermogende, progressieve en kunstminnende gezin, Giles, is een sadistische pestkop die zich tot wanhoop van zijn ouders zal ontpoppen tot een bekende rechts-populistische politicus. De roman opent met een bezoek van David aan het buitenhuis van de Hadlows.

„De hoeve waar het verhaal begint is gebaseerd op een boerderij waar ik als kind veel tijd heb doorgebracht. Ik wist al vroeg dat de roman hier moest openen, met het idee dat er iets niet goed zit tussen de ouders bij wie Dave logeert en hun zoon en dat het te maken zou hebben met conservatieve politiek. Aanvankelijk dacht ik dat de Hadlows rechtspopulisten zouden zijn, maar toen kwam ik op het idee van een onverklaarbare breuk in het gezin, van een zoon die alles waar zijn ouders voor staan afwijst en ver naar rechts opschuift. En de reden hiervoor wordt nooit duidelijk – er is geen reden, dit zijn mysterieuze processen.”

Giles ontwikkelt zich als het brein achter het Brexit referendum. ‘Our Evenings’ voelt daardoor veel actueler dan uw eerdere romans.

„De context van de Brexit is belangrijk maar ik wilde absoluut geen boek schrijven dat alleen maar over de Brexit gaat. Het tijdsbestek van de roman is van ongeveer het moment dat het VK lid probeerde te worden van de EU tot net nadat we de EU weer verlieten. Dat was de overkoepelende vorm. Maar wat voor mijn denken over Our Evenings minstens even belangrijk was, is de dood van mijn moeder. Ze overleed op haar 97ste, net toen ik mijn vorige boek afhad. Dus de periode waarin ik me moest verhouden tot haar dood overlapte met de tijd waarin ik over dit boek nadacht. Ik voelde heel sterk dat ik een eerbetoon wilde schrijven, niet per se aan mijn eigen moeder maar aan een vrouw van die generatie. Ik wilde de hechte en vaak onuitgesproken band van een homoseksuele zoon met zijn moeder onderzoeken. Dat is een andere belangrijke leidraad in de roman geworden.”

De relatie van David en zijn moeder is warm en liefdevol, maar ook afstandelijk. Er is zoveel dat ze hem niet vertelt. Waarom zwijgt ze bijvoorbeeld zo hardnekkig over Davids vader? Dave weet niks over hem, over zijn Birmese afkomst.

„Ik denk dat het te moeilijk voor Avril was om daarover te praten. Ze vertrok naar het buitenland, had daar een affaire, we weten niet precies hoe dat ging – is ze er ingeluisd? Was de vader een spion? Wie weet? Maar als ze terugkeert naar Engeland is ze zwanger. En in dit heel conservatieve land bevalt ze van een bruine baby. In 1948! Ze bevindt zich in een onmogelijke positie. Ze is veerkrachtig, vastberaden om goed voor haar zoon te zorgen, maar ze wil het niet over de omstandigheden van haar affaire hebben, van de man van wie ze zwanger werd.

Ze noemt zichzelf wel ‘Avril Win’.

Ja, die achternaam neemt ze aan uit decorum denk ik. Ze doet alsof ze getrouwd is, ook om haar zoon te beschermen.”

Hollinghursts dikke, sociale romans, bevolkt door veel verschillende personages, worden vaak vergeleken met die van de Amerikaanse Henry James, een schrijver die net als Hollinghurst uitblinkt in het minutieus, haarscherp weergeven van de psychologische processen van zijn personages. Hollinghurst is een grote bewonderaar van James – The Line of Beauty gaat zelfs over een jonge promovendus aan Oxford die een proefschrift schrijft over James. „Ja,” zegt Hollinghurst. „The Line of Beauty schreef ik op het hoogtepunt van mijn James-obsessie. Het is een eerbetoon aan James en een manier om de lessen die ik van hem geleerd heb te verwerken. Al doen mijn personages veel dingen die hij absoluut niet goedgekeurd zou hebben. James is zo’n inspirerende schrijver.”

Is zo’n voorbeeld niet intimiderend?

„Nee, ik vind hem” – hij zoekt even naar het juiste woord – „bevrijdend. Ja. Je hebt absoluut grote schrijvers die ontmoedigend zijn. Zo iemand als Vladimir Nabokov bijvoorbeeld, bij wie alles tot zo’n hoog niveau van exquise controle wordt gebracht dat je het gevoel hebt dat er geen ruimte voor jou overblijft. Maar Henry James is dat niet. James is uitnodigend. Hij zegt, kijk, hier is het, hier is het leven. Doe er iets mee.”


Column | Phaedra Werkhoven laat in haar boek zien waarom de Oekraïners geen andere keus hebben dan door te vechten

Ook de Boekenweek staat dit jaar in de schaduw van de historische tijden die we beleven. Dat komt vooral door het thema, ‘Je moerstaal’. Hierdoor lijken we onze vijand niet meer te verstaan, zoals ook een kneuterige meerderheid in de Tweede Kamer deze week liet zien. Er hoeft dan ook nog maar iets mis te gaan of we slaapwandelen een oorlog met Rusland in.

De goede verstaander van Poetins moerstaal weet dat de vrede waar de Amerikaanse president Trump zo van droomt er nooit zal komen. Al was het maar omdat ze in het Kremlin alleen genoegen nemen met heel Oekraïne, waarvan ze ook nog eens de nationale moerstaal en cultuur willen uitroeien. Het is een ambitieus plan, maar wie de Russische geschiedenis kent, weet dat de holbewoners van het Kremlin maximalisten zijn, die met weinig middelen vaak heel veel voor elkaar krijgen. Mensenlevens doen er voor Poetin en zijn trawanten tenslotte niet toe.

Ik raakte er opnieuw van overtuigd door het lezen van Al onze helden liggen hier. Verhalen van het Marsveld van Phaedra Werkhoven. Het is het aangrijpende verslag van de vele ontmoetingen die deze journaliste had op de heldenbegraafplaats in de West-Oekraïense stad Lviv. Sinds de oorlog in Oekraïne in 2014 begon vonden honderden gesneuvelde militairen er hun laatste rustplaats. En het worden er steeds meer.

Op het Marsveld interviewt Werkhoven hun nabestaanden. Zij vertellen over het verlies van hun mannen, zoons en dochters, die door een tekort aan westerse wapens aan flarden geschoten zijn door de Russische artillerie. Die gesprekken doen me eens te meer beseffen in wat voor een permanente nachtmerrie veel gewone Oekraïners leven. Je schaamt je er bijna voor dat je naar het Boekenbal gaat, tenzij je dat als dansen op de vulkaan beschouwt.

In een ontroerende scène leest de 37-jarige Jana Halstova in tranen een brief van haar man Serhii, die eerder die dag bij Bachmoet is gesneuveld. „Kleintje,” staat daarin, „als jij deze brief leest, betekent het dat ik dood ben. Ik wil dat je een nieuwe man vindt die evenveel van je houdt als ik heb gedaan.” Op zo’n moment voel je niet alleen haar verdriet, maar ook dat van zoveel andere Oekraïners. Als even later Serhii’s pro-Russische moeder eindelijk begrip krijgt voor de idealen van haar gesneuvelde zoon en zij zelfs wat Oekraïens begint te praten, krijgt dat leed een extra dimensie.

Op haar beurt gelooft een andere moeder die Werkhoven spreekt niet dat Oekraïne de oorlog kan winnen. „We hadden Oekraïne nooit, en we zullen het ook nooit hebben”, zegt ze op verslagen toon bij het graf van haar zoon. „We zijn slaven, als het niet onder de Russen is, dan wel onder de Polen of de Amerikanen. Al die Oekraïense vlaggen hier, terwijl we niet eens als zodanig bestaan.” Het is een wanhoopskreet, die zowel door Donald Trumps gesol met Oekraïne als de naïviteit van Europa wel eens gauw werkelijkheid kan worden.

Zelf put Werkhoven vooral hoop uit de heldenmoed van de gesneuvelden, die hun leven voor hun land hebben gegeven. Ook dat is iets wat veel Nederlanders zich niet kunnen voorstellen. De patriottische –burgemeester van Lviv omschrijft de bevlogenheid van die militairen als een keuze tussen vrij zijn of als slaven verder leven. tussen het hebben van een toekomst of doodgaan. „We willen leven”, zegt hij. „Daarom vechten we.”


De beroemde psychotherapeut Irvin D. Yalom brengt een ode aan de kunst van het luisteren

Liefde, dood, zingeving. Existentiële psychotherapie gaat ervan uit dat veel van ons psychisch leed teruggaat op problemen rondom zulke fundamentele thema’s. Het is een op de filosofie geënte vorm van therapie die halverwege de twintigste eeuw ontstond in het kielzog van de psychoanalyse. Eén van de belangrijkste auteurs in het vakgebied is de Amerikaanse schrijver-psychiater Irvin D. Yalom (1931), bij het publiek beter bekend als schrijver van romans als Nietzsches tranen en De therapeut.

Naast lijvige handboeken voor behandelaars en leesbare fictie heeft Yalom ook mooi geschreven over therapie voor een breder publiek, in boeken als Scherprechter van de liefde. Naar dit genre keert hij terug in wat zeer waarschijnlijk zijn laatste werk zal zijn, Het uur van het hart. Het werd geschreven met hulp van zijn zoon Benjamin – Yalom is op leeftijd en zijn geheugen gaat achteruit. Daar merk je in dit boek overigens niets van: het is een intieme, intelligente afsluiting van een indrukwekkende carrière als therapeut en schrijver.

Een belangrijk aspect van existentiële psychotherapie is het besef dat de therapeut zich bezighoudt met de subjectieve ervaring van een ander mens. Therapie is dus een ontmoeting tussen twee mensen waarbij een therapeut met bescheidenheid probeert te begrijpen wat genezing voor de persoon tegenover hem zou kunnen betekenen. Therapie is, voor de existentiële therapeut, geen kwestie van het opleggen van een standaardmethode, geen arts die je diagnosticeert of je levensvragen beantwoordt, maar een menselijke ontmoeting tussen twee individuen. Het is deze benadering – empathisch, nederig en bewust van de risico’s van het opleggen van de eigen waarden en overtuigingen – waarmee Yalom bekendheid verwierf. En het is ook precies deze aanpak die in zijn laatste boek opnieuw naar voren komt.

Intuïtie en ervaring

De gesprekken in Het uur van het hart, die Yalom met zijn patiënten voerde, zijn eenmalig en daarmee geen therapie in strikte zin, maar zijn wel degelijk therapeutisch van aard. Yalom vaart op zijn intuïtie, gevoed door zijn decennialange ervaring, en aarzelt niet om soms pijnlijke of harde waarheden te verkondigen. Zo vertelt hij een jonge vrouw, Maya, bijna botweg dat haar relatie-idealen onrealistisch zijn – een benadering die in een langdurige therapie waarschijnlijk anders zou zijn. In een ‘echte’ therapie zou de patiënt die conclusie idealiter zelf trekken, maar Yaloms ervaring en intuïtie maken dat hij hier directer kan, of liever: moet, zijn. Over het algemeen heeft Yalom een zeer interessante stem. Hij is warm en vriendelijk, maar tegelijkertijd ook scherp en behoedzaam. Dit geeft hem een natuurlijk gezag, iets wat je hoopt te vinden bij een therapeut. Warm maar kordaat, zoiets.

Wat dit boek verder bijzonder maakt, is Yaloms vermogen om in de korte hoofdstukken levensechte portretten te schetsen. Hier vaart hij duidelijk op zijn talent als romanschrijver. Hij schrijft met precisie en tegelijkertijd weet hij patiënten in één gesprek tot leven te wekken, zowel in werkelijkheid als op papier. Tegelijk reflecteert hij ook op zijn eigen leven, vooral op het verlies van zijn vrouw, zijn levenslange partner.

Yalom begrijpt als geen ander dat onze cultuur moeite heeft om de grote levensvragen het hoofd te bieden. Existentiële therapie, zelfs in de vorm van een enkel gesprek, heeft als doel ons terug te voeren naar de essentie. Waarom vrezen we de dood? Wat willen we met ons leven bereiken? Met wie willen we onze tijd delen? We prijzen onszelf graag omdat we openlijk over psychologische thema’s spreken, maar als het gaat om de diepste, existentiële kwesties, schieten we nog altijd tekort. Ik moest tijdens het lezen denken aan Rilke, die ooit schreef: „De dingen die het dichtst bij ons staan, zijn door de alledaagse afweer zo ver uit ons leven gedrongen dat de zintuigen waarmee we ze hadden kunnen waarnemen, zijn verschrompeld.” Yaloms boek is een krachtige opfrisser van die zintuigen – een uitnodiging om opnieuw contact te maken met wat écht telt.

Persoonlijke dimensie

En dus kleurt ook Yaloms eigen persoonlijke dimensie de gesprekken, in zijn overtuiging dat therapie altijd een intersubjectief proces is. Hij weet dat de meeste patiënten feilloos aanvoelen als een therapeut zelf door grote levensveranderingen gaat. „Margaret, ik wil je wat vragen”, zegt hij in een van de gesprekken. „Wat voelde je toen ik net vertelde dat ik mijn vrouw verloren heb? Hoe was dat voor jou?” In plaats van zich te verschuilen achter het ‘blanco scherm’ – de traditionele rol van de therapeut als een gedistantieerde arts zonder eigen gevoelens – maakt Yalom zijn eigen gevoelens dus onderdeel van deze gesprekken. Riskant, maar in Yaloms handen werkt het.

Want er schuilt wel risico in Yaloms aanpak. Zijn improviserende stijl wekt soms de indruk dat therapie niets meer zou zijn dan het voeren van een goed gesprek, dat niet veel verschilt van een boom opzetten met een oude vriend of je opa of oma. Maar de realiteit is dat therapie op cruciale manieren afwijkt van ‘helpende’ gesprekken met familie of vrienden. Natuurlijk weet Yalom dit, hij is geen beginner, verre van. Zijn aanpak is het resultaat van een leven lang oefenen, denken en voelen naast zijn patiënten. In korte theoretische passages legt hij dus mooi uit hoe essentieel bijvoorbeeld reflectie is in therapie – een stapje opzij zetten en reflecteren op het gesprek zelf – ook als zulke onderbrekingen van de natuurlijke ‘flow’ onnatuurlijk aanvoelen. „Je zegt dat je het moeilijk vindt om je open te stellen. Maar hoe is dat nu tussen ons? Vind je het bij mij ook zo moeilijk?”

Het uur van het hart is het slotakkoord van een bijzondere therapeut en schrijver, een van de meest geliefde stemmen in het vakgebied – zowel onder therapeuten als bij het brede publiek. Yalom is op zijn best én het meest uitdagend als hij zijn eigen gevoelens inzet om zijn patiënten te helpen, een risicovolle maar inspirerende keuze. Dit boek is niet alleen een ode aan de kunst van het luisteren betekenis geven, maar ook een ontroerend afscheid van een man die zijn vak beheerst.


Door goede boeken te lezen kun je het leven toch echt beter aan

Mijn leesleven begon met Babar het olifantje, met striphelden als Kuifje, Olivier B. Bommel en Kapitein Rob. Daarna volgden de boeken van Jules Verne, Tonke Dragt en Annie M.G. Schmidt, en weer een paar jaar later die van Louis Couperus en W.F. Hermans. Aangemoedigd door verfilmingen van Tsjechovs Dame met het hondje, Flauberts Madame Bovary en Philip Roths Goodbye, Columbus dook ik op middelbare school uiteindelijk de wereldliteratuur in om nooit meer op te houden met lezen.

Ik deel die leesliefde met de Spaanse classica Irene Vallejo, die in haar bestseller Papyrus de geschiedenis van het boek betoogde. In haar essay Uit liefde voor het lezen houdt ze nu een pleidooi voor die verslavende bezigheid. Je tuimelt er over de gewichtige namen, waarmee ze haar punt wil maken. De eerste is die van Marguerite Yourcenar. In het derde deel van haar memoires, Wat? De eeuwigheid heeft de Franse schrijfster het over een van de grootste wonderen van de mensheid: „De dag waarop de zesentwintig letters van het alfabet ophouden een rij ondoorgrondelijke en willekeurig achter elkaar geplaatste tekens op een witte ondergrond te zijn en veranderen in een deur die toegang verschaft tot andere eeuwen, tot andere landen, tot een grotere hoeveelheid wezens dan we in ons hele leven ooit zullen tegenkomen.”

Net als in Papyrus gaat het in Uit liefde voor het lezen om doorvertelde verhalen die op een gegeven moment op schrift zijn gesteld. Verhalen van vrouwen die hun leven of hun dorp wilden redden bijvoorbeeld. Vallejo komt die vrouwen tegen in De vertellingen van duizend-en-één nacht, in een gedicht van Manuel Machado, in Don Quichot. „Woorden zijn een tovermiddel geladen met toekomst”, schrijft ze om te benadrukken waarom de mensheid dat tovermiddel en de daaruit voortkomende fantasie nodig heeft om te overleven in de jungle van de alledaagse werkelijkheid. Ook haalt ze de filosoof Richard Rorty aan die meent dat lezen mensen in staat stelt zich te verplaatsen in anderen, ook al verschillen die hemelsbreed van hen.

Als Vallejo schrijft dat lezen in tijden van crisis een instrument voor herstel kan zijn, wordt haar betoog actueel. Lezen vergt tenslotte geduld en overgave. Het brengt haar bij de Romeinse historicus Tacitus, die schreef: „De waarheid wordt krachtiger dankzij onderzoek en reflectie; de leugen door haast en twijfel.” Kortom, lezen is een ideaal wapen om de omgekeerde werkelijkheid van Trump en Poetin mee te bestrijden.

Vladimir Nabokov

De kracht van de literatuur, die je bij herlezing telkens iets anders in een boek laat ontdekken, besef je als je Life Lessons from Literature van de Brit Joseph Piercy leest. Zijn leesleven lijkt bepaald te zijn door Vladimir Nabokov, die in zijn essay Good Readers and Good Writers beweert dat je een boek moet herlezen om het echt te kunnen begrijpen. In navolging van dat adagium herlas Piercy honderd romans uit de wereldliteratuur, van Rabelais tot Rushdie, om tot vermakelijke conclusies te komen. Zo ziet hij nu pas de subtiele ironie en stilistische brille van E.M. Forsters A Room with a View, dat hij tijdens zijn studie Engels doodsaai vond.

Piercy deelt zijn boekenlijstje op in de themablokken zoals ‘Liefde en relaties’, ‘Onderdrukking en conflict’, ‘Psychologie en identiteit’. In dat eerste blok kun je niet om Charlotte Brontës Jane Eyre en Flauberts Madame Bovary heen. In het kort vertelt Piercy de inhoud ervan om er compacte levenslessen bij te geven. Voor Jane Eyre luidt die: „Vervulling komt in het leven voort uit het vinden van liefde die geworteld is in morele en geestelijke zekerheid. Het is belangrijk om vast te houden aan je principes, wat je ook overkomt.” En bij Bovary: „Het onvermogen om geromantiseerde fantasie van de alledaagse werkelijkheid te onderscheiden kan leiden tot tragedie en ondergang.” Het klinkt naar de Lieve Lita-rubriek in de Libelle, hoewel het tegelijkertijd hout snijdt, want kort samengevat zijn de thema’s van die boeken ook banaal. Waar het om gaat is de manier waarop Brontë en Flaubert hun verhaal vertellen, om de psychologie die ze hun personages meegeven, om het fileren van de bestaande moraal.

Piercy beperkt zich niet tot de Angelsaksische en Franse literatuur, maar besteedt ook aandacht aan Russische, Tsjechische, Duitse, Chinese, Afrikaanse en Japanse klassiekers, zoals die van Thomas Mann, Rabelais, Kundera, Kafka, Chinua Achebe en Murakami. Maar zijn aanpak blijft oppervlakkig. Piercy’s boek is dan ook vooral een handleiding voor een beginnende leraar, die zelf nog niet zoveel gelezen heeft en zijn leerlingen tot het lezen van serieuze literatuur wil aanzetten. Maar met Lieve Lita’s red je het ook dan niet, vrees ik.

Liefdesleven

Een beter voorbeeld kan zo’n leraar nemen aan schrijver en poëziecriticus Koen Vergeers Heelal van papier. Een ode aan het lezen. Het is een aanstekelijk boek van een liefhebber van Formule 1-races en voetbal, die daarnaast ook Harry Mulisch, Joost Zwagerman, Lucebert, Mahler, Rilke, Tarkovski, Mallarmé, Cézanne, Hölderlin en Clare Lennart bewondert. In bevlogen brieven schrijft hij hun waarom hij zo van hun werk houdt. Elk verslag van een Formule 1-race op het circuit van de Nürburgring verdampt erbij. Wel hebben zijn brieven soms iets pathetisch, vooral als het over de muziek van Mahler gaat, die een belangrijke rol in zijn leven speelde na de vroege dood van zijn zusje. Maar dat vergeef je hem, want literatuur en muziek zijn de beste troost in tijden van verdriet en verwarring.

Mulisch’ Archibald Strohalm (1952) is Vergeers bijbel. Zoals de hoofdpersoon in die debuutroman had hij ooit zelf zijn toekomst als schrijver voor ogen. Door Mulisch achterna te reizen ontdekt Vergeer overeenkomsten met zijn eigen leven. Zelfs zijn passie voor Formule 1-races blijkt dan met het universum van de grote schrijver te maken te hebben.

Vergeers goden moeten hem de betekenis van het leven verklaren. Het klinkt overdreven, maar als je het herleidt tot wat een boek, een schilderij of een muziekstuk met je kan doen, dan kom je toch bij die intentie in de buurt. Niet voor niets schemert door alles wat hij schrijft zijn eigen biografie. Zo spiegelt hij zijn liefdesleven aan dat van Friedrich Hölderlin. Het loopt er soms zelfs in over, waardoor zijn brief aan de Duitse dichter iets universeels krijgt. Je vraagt je bijna af of de toren waarin Hölderlin zich zesendertig jaar lang heeft opgesloten niet gewoon in Zeeland staat.

Als het over Luceberts oorlogsverleden gaat, komt Vergeers vader om de hoek kijken. Die had zich tijdens de Duitse bezetting bij de Nederlandse Arbeidsdienst aangesloten om aan de misère thuis te ontsnappen. En ineens is Mulisch daar weer, die zich in zijn oeuvre over vergelijkbare goed-of-foutvragen buigt.

Britse lerares

Maar als het om het lezen zelf gaat, heb je niets aan hoogdravende liefdesverklaringen. Liever heb je dan te maken met iemand die je helder kan uitleggen waarom een roman of een gedicht goed is. En dat doet de Britse lerares Carol Atherton doet in Reading Lessons. The Books We Read at School, the Conversations They Spark and Why They Matter. Het is zo’n boek waarvan je het betreurt dat er geen Nederlandse equivalent van bestaat. Want Atherton behandelt alleen Engelstalige literatuur: Robert Browning, Charlotte Brontë, Jean Rhys, J.B. Priestley, Harper Lee, Jeanette Winterson, Barry Hines, William Golding, Jamila Gavin, Maya Angelou, Arthur Miller, Alan Bennett, Malorie Blackman en natuurlijk Shakepeare en Dickens.

Net als Vergeer spiegelt ze hun boeken aan haar eigen ontwikkeling. Maar dan wel op een veel speelsere manier. Als 15-jarige scholier die opgroeide in een eenvoudig milieu in Lancashire werd ze gegrepen door de literatuur toen ze een langdurig zieke klasgenote hielp met de analyse van Robert Brownings My Last Duchess. Het nauwgezet lezen van dat gedicht over de onderdrukking van de hertogin van Ferrara door haar tien jaar oudere man openbaarde de puberende Atherton al het slechte wat een man een vrouw kan aandoen en schudde het feminisme bij haar wakker. Tot op de dag van vandaag behandelt ze My Last Duchess in haar klas en trekt ze vergelijkingen met hedendaagse vrouwenmishandeling. Zo krijgt zelfs Amerikaanse Andrew Tate, vrouwenhater en TikTok-influencer, een plaats in haar lessen. Ook verbindt ze het gedicht met Maggie O’Farrells roman The Marriage Portrait uit 2022, die over diezelfde hertog gaat. Literatuur wordt door zo’n aanpak een doorlopend verhaal, waarin het ene boek in het andere overgaat. Door dat vervolgens weer te koppelen aan haar eigen leven en dat van haar leerlingen, zorgt ze ervoor dat je niet meer wilt ophouden met lezen. Al was het maar omdat Atherton aantoont dat in literatuur alle ellende aan de orde komt die je zelf kunt meemaken.

Atherton, die met een beurs in Oxford Engels studeerde waar ze zich als Pip uit Dickens’ Great Expectations voelde, koos bewust voor een baan als lerares op een staatsschool. In Reading Lessons doet ze uitgebreid verslag van die carrière. Zo laat ze zien hoe boeken haar niet alleen als zelfstandige vrouw hebben gevormd, maar ook als adoptiemoeder en bevlogen docent, die kinderen uit arme milieus kennis wil laten maken met romans waar ze levenslessen uit kunnen putten.

Zo herkent ze zich in het jongensachtige meisje Scout uit Harper Lee’s To Kill a Mockingbird, dat onderscheid leert maken tussen goed en kwaad en daardoor ontdekt hoe complex en ambigu het leven is. En natuurlijk verslindt ze Charlotte Brontës Jane Eyre , dat haar leert een vrouw met een eigen wil te zijn. Met de romans van J.B. Priestley, die vaak de kloof tussen arm en rijk als thema hebben, steekt ze haar leerlingen een hart onder de riem en ontleedt ze de hedendaagse Britse samenleving.

Het meeste plezier beleeft Atherton aan herlezing van haar favoriete romans. Zo kijkt Atherton nu met een heel andere blik naar de nogal stereotype behandeling van de zwarte personages in To Kill a Mockingbird, dan toen ze dat boek voor het eerst las.

Op die manier behandelt ze ook Jeanette Wintersons Oranges Are Not The Only Fruit, waarin een in een provinciestadje opgroeiend lesbisch meisje, net zoals Atherton in haar jeugd, een schuilplaats vindt in haar boeken. Het laat eens te meer zien hoe troostend lezen is voor iedereen die zich een vreemde in zijn dagelijkse omgeving voelt.

Het laatste hoofdstuk van Reading Lessons gaat over Alan Bennetts toneelstuk The History Boys, dat zich afspeelt op een staatsschool waar leerlingen worden klaargestoomd voor een studie geschiedenis in Oxford of Cambridge. Een hoogtepunt wordt bereikt als de oudere, homoseksuele geschiedenisleraar Hector aan een wanhopige leerling uitlegt dat boeken je kunnen helpen om je minder eenzaam te voelen. Zo’n moment dient zich aan „wanneer je iets tegenkomt – een gedachte, een gevoel, een manier om naar de dingen te kijken – waarvan je dacht dat het speciaal en in het bijzonder voor jou was bedoeld. Nu, hier is het dan, opgeschreven door iemand anders, een persoon die je nog nooit hebt ontmoet, iemand die zelfs allang dood is. En dan is het alsof er een hand wordt uitgestoken die de jouwe vastpakt.” Beter kun je het genot van het lezen volgens Atherton niet formuleren.


Goed debuteren is all-in gaan: schrijver Martin Rombouts voert een wervelende show op

Martin Rombouts was al een bekende schrijver voordat er iets van hem was gepubliceerd. Dankzij de tv: hij deed mee aan De slimste mens, werd daar „dichter” genoemd, dus ja, oké, dat was hij dan – en hij won aflevering na aflevering, ook de finale, en toen floepten er „e-mails van wel negen uitgeverijen in mijn inbox”, en hoewel hij dichter was, de cashcow van de kunsten maar niet heus, kreeg hij hoge voorschotten aangeboden en moest hij dat ineens gaan waarmaken, want „nu is er in mij geïnvesteerd” – dus was hij het de lezer „verschuldigd” om „alles te geven”, zoals dat heet. Oké, dat doet hij, all-in, hij zal alles geven. „Alles als ik dit boek maar niet over mijn vader hoef te laten gaan.”

Want: cheap. Goedkoop, cliché, afgezaagd. Hij wilde, alsjeblieft, álsjeblíéft, „niet de duizendmiljoenste schrijver of dichter” worden „wiens kutroman gaat over papa, omdat hij zich in zijn kutleven nooit in iets anders heeft kunnen verdiepen dan in zichzelf”. Fuck hen, die krabbelaars die dat wel doen. „Fuck hoe hun fictie werkt. Fuck de verwijzingen naar de popliedjes uit hun jeugd. […] Fuck hun oneven-aantal-akten-structuurtjes”, enzovoorts, want wat een inwisselbare shit levert dat op. „Fuck al die vaderboeken van die moederskindjes, ja”, fulmineert hij, en dat doet hij op de lekkere beat van 2Pac’s ‘Hit ‘Em Up’, want ze wérken wel, die verwijzingen en structuurtjes, hij is daar ook niet immuun voor („ja, fuck ook mezelf, ja”) – en niet gek. Hij weet ook wel wat een schrijver anno 2025 te doen staat als het showtime is.

Badadabing badaboem

Een show geven! Jezelf verkopen! En zie: zijn naam neemt meer dan de helft van de boekcover in beslag. „Eindelijk is het er dan”, ronkt de achterflap: „Mijn hemelbestormende debuutroman.” Boek 1 luidt de titel – want het suggereert bescheidenheid, de totale uitgekleedheid waarnaar hij op zoek is, oprechtheid, maar het is zogenáámde pretentieloosheid, vol branie, want we weten ook wel dat het gespeeld is. En vanwege de ironische lading van die aanstellerij is dat misschien juist superpretentieus. Wat óók weer werkt.

Het is een dubbelzinnige aangelegenheid, Boek 1, de show die Martin Rombouts (1992) opvoert. Aan de ene kant trekt hij alles uit de kast, hij spuwt zijn verhaal vol vuur de pagina’s op, met de jazzy swag van spoken word – op de pagina’s zien de woorden er dan ook uit als dichtregels: veel wit, regelafbrekingen die het ritme aangeven, een vorm waar je meteen in meegaat, want het is goed gedaan, Rombouts vangt je, het wérkt; trefzeker maakt hij zich de woorden eigen, zoals hij een Wikipedia-lemma over zijn moeder schrijft en dan eindigt door zijn eigen verwekking, door een getrouwde man, zo te laten klinken: „Hij zei dat hij gescheiden was. Zij vroeg niet door tot het te laat was, badadabing badaboem baby”.

Aan de andere kant is dat ook het probleem, dat het zo lékker werkt, en zich dus conformeert aan de onvermijdelijke wetten van de markt. Problematisch, want hij wil zichzelf ook niet in de uitverkoop zetten en waardeloos worden. Hij wil geen model worden („Er zal een fotograaf tegen me zeggen dat ik leger uit mijn ogen moet kijken omdat ik een kleerhanger ben”).

Hij wil iets maken wat waarde heeft, dus maakt hij dáár een boek over, over die worsteling en zoektocht, „over het bepalen van waarde”. Zo klinkt het ontzettend meta, bedacht, als de al te zeer overdachte uitwerking van een concept, door iemand die is afgestudeerd aan een kunstopleiding. En zo iemand ís Martin Rombouts ook en zo’n project ís Boek 1 in zekere zin wel – maar de doortastendheid, slimheid en grote greep waarmee Rombouts zijn concept heeft uitgewerkt, maken het tot een opwindend, vernieuwend werk, zoals dat er nog niet was. Zijn wervelende show biedt een ontluisterend kijkje onder de motorkap van het beginnend schrijverschap anno nu, van het literair ondernemerschap waaraan hij niet ontkomt als hij wil leven van de pen.

De obsessie met geld was hem (dichtertje op een kamertje van dertien vierkante meter) al met de paplepel ingegoten, door zijn moeder. Maar een zielig verhaal over armoede en een intergenerationeel geldtrauma wil hij er ook niet van maken – gááp, en het zou vals zijn, onwaar (hij ging als kind op vakantie naar Zwitserland!). Rombouts streeft de standaard-autofictie voorbij door verder dan zijn eigen sores te kijken. Door het onpersoonlijker te maken in feite, en zijn blik te richten op de greep van het geld.

Exclusieve seksclub

Daartoe neemt hij verrassende omwegen, in hoofdstukken over AI-gegenereerde teksten en plaatjes van eendjes, over avonturen in een exclusieve seksclub in Lissabon, over ‘mogelijkheidsvoorwaarden’. Het zwiert alle kanten op, heel conceptueel – en heel leerzaam ook, over economische wetmatigheden; Rombouts verdiepte zich écht niet alleen in zichzelf. Ondertussen tekenen de terugkerende motieven zich af: telkens gaat het over waarde, transacties, exclusiviteit, ongelijkheid. En hoe je daar dan maar in meebeweegt, „pleasen, pleasen, pleasen, alsof je een taalmodel bent”, zoals hij als slimste mens het leven doorworstelt, óf hoe je ertegen in opstand komt.

Want het draait om geld, maar vooral om macht en onmacht. Ook in het persoonlijke domein: uiteindelijk voert Rombouts zijn vader even ten tonele, ja, toch nog, in een herinnering waarin hij zich door zijn vader verraden voelde, als labiel probleemgeval weggezet, geminacht. De betekenis daarvan krijg je (gelukkig) niet uitgespeld, maar je mag er als lezer zelf waarde aan toekennen, door het bijvoorbeeld te lezen als een voorbeeld van zijn machteloosheid ten opzichte van de wereld. En de enige manier om die onmacht te overwinnen is: zelf die macht te verwerven.

En hoe doe je dat? Door jezelf dat verleidelijke lachje van je vader aan te leren. Speel het spel mee, maar op je eigen manier. Door je eigen waarde te bewijzen, en dát doe je door moeite te doen, door iets op het spel te zetten, nee, niet iets, álles. En zo is de cirkel van Boek 1 rond en de riskante branie waarmee Rombouts de literatuur bestormt, blijkt helemaal gerechtvaardigd. Hij heeft alles gegeven.


De moerstaal van de Tweede Kamer en een boekenweekessay voor op het cabaretpodium

Pauline Cornelisse Foto

Twee jaar lang zat Aaf Brandt Corstius op de publiekstribune bij het wekelijkse vragenuur van de Tweede Kamer. Ze observeerde hoe daar, tijdens het stellen en beantwoorden van vragen, voortdurend gejongleerd werd met taal en schreef er een serie onderhoudende columns over in de Volkskrant. De publicatie daarvan in boekvorm valt nu mooi samen met de Boekenweek, die in het teken staat van ‘Je moerstaal’.

De vragen van het vragenuur gaan vaak over belangrijke dingen, maar tegelijkertijd staat er maar weinig op het spel. Het is alleen vraag en antwoord. Het heeft daardoor iets vrijblijvends. De vragensteller is ergens bezorgd of verontwaardigd over, en de minister of staatssecretaris die erover gaat, geeft de vragensteller gelijk, of juist niet, of zegt dat het moeilijk is om het betreffende probleem aan te pakken, of zegt dat hij of zij er eigenlijk niet over gaat.

De ‘bevragers’ en ‘bevraagden’ willen het allemaal zo stijlvol mogelijk formuleren. Sommigen hebben daar een behoorlijk talent voor, anderen helemaal niet. Naast veel gelukte stijlfiguren noteerde Brandt Corstius ook de nodige missers, uitglijders en losse flodders.

Expres onbegrijpelijk

Haar boek biedt een soort staalkaart van de stijlfiguren en stijlregisters die je in de Tweede Kamer voorbij hoort komen. Metaforen, neologismen, retorische vragen, eufemismen. Letterlijk herhalen wat de ander gezegd heeft, maar aan die woorden een andere betekenis geven. Een ordinair woord overdreven netjes uitspreken (wat Baudet graag doet). Iets gemeens zeggen met een vriendelijke glimlach (veel gedaan door Yesilgöz). Expres iets onbegrijpelijks zeggen. Het hoogtepunt: een metafoor die in het vraag-antwoord-spel door beide partijen enthousiast wordt aangehouden en uitgewerkt, maar die daardoor, gaandeweg, ook steeds verder verwijderd raakt van het eigenlijke onderwerp, totdat het niet meer te volgen is.

Brandt Corstius is een geamuseerde toeschouwer van dit alles. Ze is altijd op zoek naar onbedoelde humor, ze geniet van oubolligheid en besteedt af en toe, als tegenwicht op alles, ook wel eens aandacht aan een „ontroerend” moment. Ze zegt vertederd te zijn als iemand een ouderwets woord gebruikt (‘raddraaiers’, ‘trammelant’) of een vergelijking maakt met een tv-serie uit de jaren tachtig. Maar omdat de columniste vaak ironisch is, weet je niet in hoeverre ze dan echt vertederd is.

Behalve over stijl gaat het, af en toe, ook over de manier van argumenteren, en daarmee wordt dan even een wat diepere laag aangeboord. Maar de nóg diepere laag, die van verschillende belangen die met elkaar geconfronteerd worden, datgene waar de parlementaire democratie voor is uitgevonden, die boort ze nauwelijks aan.

Als je de columns achter elkaar leest, vormen ze ook een soort kroniek van de alledaagse gang van zaken in het parlement. De Tweede Kamer en het kabinet vormen een gemeenschap van mensen die tijdelijk tot elkaar veroordeeld zijn, die er soms het beste van proberen te maken, en die zich soms aan elkaar irriteren. In het boek wordt wel een keer of zes de vergelijking gemaakt met een middelbare school.

Een van de betere columns is een stukje waarin Brandt Corstius, bij wijze van uitzondering, inzoomt het taalgebruik van één politicus: een mooie, compacte analyse van de verschillende stijlregisters waar Yesilgöz uit put. Zoiets had Brandt Corstius misschien vaker moeten doen.

Sfeermakers

Paulien Cornelisse, cabaretier en schrijfster, schreef dit jaar het Boekenweekessay, Hèhè, een luchtig boekje over woordjes als ‘hè’, ‘nou’ en ‘even’, die in het Nederlands veel en schijnbaar achteloos gebruikt worden. Maar als je een willekeurige Nederlander zou vragen wat ze betekenen en wanneer je ze wel en niet kunt gebruiken, dan komt daar niet zomaar meteen een antwoord op. Het is nog behoorlijk moeilijk om dat precies in kaart te brengen. Cornelisse noemt ze ‘sfeermakers’ en ‘gezelligmakers’ en vindt ze „typisch Nederlands”. Ze schrijft dat ze geen „‘echte’ taalkundige” is, en inderdaad, haar betoog mist af en toe taalkundige scherpte. Ze gooit bijvoorbeeld tussenwerpsels en bijwoorden op één hoop. Terwijl ‘nou’ als tussenwerpsel (zoals in: „Nou, dat klinkt als een geweldige vakantie”) maar weinig te maken heeft met ‘nou’ als bijwoord (zoals in „Wie studeert er nou Nederlands?”). Ook merkt ze niet op dat ‘hè’ vóór iets wat anders betekent dan ‘hè’ na iets. „Hè, wat lekker” heeft een heel andere betekenis dan „Wat lekker hè.” En dat ze ‘hèhè’ ook „typisch Nederlands” noemt lijkt mij overdreven, want in de talen om ons heen zijn er ook altijd wel manieren om zo’n verzuchting te maken (por fin, zucht een Spanjaard).

Hoewel het boekje ook wel een aantal rake observaties bevat, klopt de grote gedachte erachter niet echt. Cornelisse wil laten zien dat de Nederlander van kleine, gezellige woordjes houdt. Terwijl onze taal evenveel óngezellige kleine woordjes kent (het hatelijke ‘lekker’, in: „Doe het lekker zelf”). Maar die laat ze onbesproken. Ze probeert het allemaal met humor op te schrijven. Sommige van haar grappen vol hilarische overdrijving zouden het waarschijnlijk goed doen op een cabaretpodium, maar werken minder goed in een essay over taal.