
De bonus voor het topmanagement van Nederlands grootste bedrijven hangt in toenemende af van resultaten op het gebied van CO2-reductie, diversiteit en circulaire economie – naast de financiële prestaties. Dat blijkt uit onderzoek van accountant KPMG dat maandag is gepubliceerd.
Grote bedrijven hebben vooral hun duurzaamheidsambities verbreed, stelt Vera Moll vast, directeur duurzaamheidsrapportage bij KPMG. Bleven die ambities eerder beperkt tot zaken binnen de directe controle, zoals energieverbruik of diversiteit op het eigen hoofdkantoor, nu strekken ze verder. „Bijvoorbeeld verbetering van minimale arbeidsvoorwaarden bij toeleveranciers.”
De beloning van bestuurders is een belangrijk instrument bij het behalen van bedrijfsdoelen. Volgens Moll kunnen bestuurders over duurzaamheid „ambitieus” communiceren, maar zodra ze er persoonlijk bij winnen, wordt het „sneller een belangrijk onderdeel van hun werk. Uiteindelijk geldt voor de meeste mensen – en dus ook voor bestuurders – dat financiële prikkels het meest motiveren.”
Vijftien landen
KPMG baseert zijn conclusies op onderzoek naar de jaarverslagen over 2023 van grote ondernemingen in vijftien landen. In negen EU-landen, waaronder Nederland, plus de Verenigde Staten, China, Japan, Canada, Australië en het Verenigd Koninkrijk nam het steeds de 25 grootste bedrijven onder de loep. Voor Nederland deed KPMG ook al een jaar eerder dit onderzoek, wat het mogelijk maakt de vooruitgang te meten.
Uit het onderzoek in de vijftien landen blijkt dat bijna 80 procent van de bedrijven duurzaamheid laat meetellen in de beloning. Frankrijk scoort het hoogst: daar doen alle 25 onderzochte bedrijven dit. In de VS zijn dat er slechts 11.
Dat een bedrijf duurzaamheidsprestaties koppelt aan de bestuurdersbeloning, is voor KPMG niet alleen maatgevend. Ook de aard van die doelen telt bij de beoordeling, legt Moll uit. Ze noemt het voorbeeld van een bedrijf dat veel milieuschade veroorzaakt, maar managers beloont op basis van het aantal veiligheidstrainingen dat medewerkers hebben gevolgd. „Dat klinkt goed, maar is dat het onderwerp waarop je de top moet afrekenen?”
Ander voorbeeld: de hinder die mensen ondervinden van de bedrijfsvoering. Denk aan omwonenden van een fabriek die last hebben van luchtvervuiling. Moll ziet in Nederland vooruitgang: „Eerst was er geen enkel bedrijf dat dit koppelde aan bonussen; nu zijn het er vier.”
Vrouwen in management
Hoewel KPMG in zijn rapport geen bedrijven noemt, valt voor Nederlandse concerns wel enigszins te achterhalen in hoeverre duurzaamheidsdoelen meewegen in de beloning van bestuurders. De wet verplicht immers te vermelden waarop die is gebaseerd.
Zo vermeldt het jaarverslag van Philips dat duurzaamheidsdoelen in 2023 voor een kwart de bonus van bestuurders bepalen. Een jaar eerder was dat nog 10 procent. En verfmaker AkzoNobel rekent het management af op langetermijndoelen als 50 procent minder CO20-uitstoot en 100 procent circulaire bedrijfsprocessen in 2030. Wel wegen bij alle 25 onderzochte bedrijven de financiële prestaties nog zwaarder dan die op duurzaamheidsvlak.
Uit diezelfde jaarverslagen blijkt dat bedrijven concreter worden waar het gaat om duurzaamheid, sociaal beleid en goed ondernemingsbestuur. Zo splitst chipmachinemaker ASML doelen op het gebied van diversiteit nu uit naar ‘instroom van vrouwen’ en ‘vrouwen in management’.
Mogelijk houden de veranderingen verband met de nieuwe Europese richtlijn CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive). Die verplicht grote bedrijven sinds vorig jaar tot uitgebreide duurzaamheidsrapportage. Overigens is die richtlijn niet doorslaggevend; het Verenigd Koninkrijk en Australië koppelen de beloning van de top ook vaak aan duurzaamheidsmaatregelen. Na Frankrijk scoren deze niet-EU-landen het best.
Intrinsieke motivatie
Naast strengere wetgeving ziet Moll zeker ook intrinsieke motivatie. Zo kunnen oorlogen of klimaatverandering logistieke ketens of de verwerving van grondstoffen verstoren. „Als je daarop wilt sturen, moet je gegevens verzamelen. Het helpt als de bonus van de top ermee samenhangt.”
Door de nieuwe Europese richtlijn zijn duurzaamheidsprestaties beter te controleren. Bedrijven die onder de CSRD-richtlijn vallen, zijn verplicht hun data aan een beperkte externe toets te laten onderwerpen.
In zijn rapport maakt KPMG ook kritische kanttekeningen. Van de 375 onderzochte bedrijven koppelen er nog steeds 83 helemaal géén duurzaamheidsdoelen aan beloningen. In Nederland zijn dat er drie. Moll: „Dat lijkt niet veel, maar ze behoren wel tot de grootste bedrijven hier. Dan mag je verwachten dat ze vooroplopen, niet dat ze achterblijven.” Moll vindt dat een verkeerd signaal: „Je geeft als bedrijf dan toch de boodschap af dat je het onderwerp minder belangrijk vindt.”
De grote vraag is hoe het duurzaamheidsstreven zich gaat ontwikkelen nu de politieke tegenwind toeneemt. De regering-Trump liet ambassades zojuist nog brieven naar Europese bedrijven versturen met de waarschuwing dat ze hun diversiteitsbeleid moesten schrappen als ze nog zaken willen blijven doen met de Amerikaanse overheid.
De grote bedrijven waarnaar KPMG onderzoek deed, zijn nagenoeg alle mondiaal actief. Moll ziet in de jongste jaarverslagen al voorzichtiger taalgebruik, bijvoorbeeld door de expliciete vermelding dat het bedrijfsbeleid afhankelijk is van „lokale wet- en regelgeving”.
Vooralsnog gaat het alleen nog om formuleringen, en geen concrete aanpassing van beleid. „Maar”, zegt Moll, „het staat wel onder druk. Dat zien wij ook.”
Blijft staan dat duurzaamheid oprukt als onderdeel van de bedrijfsvoering. Bedrijven zien het als een manier om toekomstbestendig te worden, zegt Moll. „Een klant zei laatst: The train has left the station. En daar sluit ik me volledig bij aan.”
