Bij Drop Shot zien ze hoe het Nederlandse badminton de laatste tien jaar steeds verder aftakelt

In de Nederlandse badmintonwereld is men liever niet openlijk kritisch, stelt Robert Hoogland, voorzitter van de oudste badmintonclub Drop Shot, opgericht in 1947. Zelf heeft de Hagenaar daar minder moeite mee. Hij vindt het stopzetten van de NOC-NSF-subsidie voor badminton een logisch gevolg van het „voortmodderende” beleid van de badmintonbond. „Potentiële olympische kandidaten zijn er amper, het Eredivisie-niveau daalt elk jaar. De bond ontwikkelt plannen en zet kerngroepen in, maar handelt er niet naar”, aldus Hoogland.

NOC-NSF verwacht dat Nederlandse badmintonners tijdens de komende twee Olympische Spelen in Los Angeles (2028) en Brisbane (2032) geen kans maken op een medaille. Daarbij moet de sportkoepel rekening houden met minder overheidsgeld door kabinetsbezuinigingen. Om die redenen gaf NOS-NSF afgelopen mei aan de badmintonbond het advies om maar geen begrotingsplan in te dienen voor de komende vier jaar.

Het negatief advies kwam als een „donderslag bij heldere hemel”, vertellen twee bestuurders van de badmintonbond in de podcast Badminton Inside. Ze hadden daarvoor naar eigen zeggen geen alarmerende signalen opgevangen. Ondanks het advies, besluit de bond om flink te lobbyen en wél een plan in te dienen.

Alle inspanningen ten spijt, laat NOS-NSF eind november weten dat de subsidiëring inderdaad stopt. Geen subsidie „scheelt een slok op een borrel”, stelt een bestuurder in de podcast. De begroting van de bond moet van negen naar drie ton worden teruggebracht. Daardoor dient onder meer de bondscoach door de bond zelf bekostigd te worden. Naar hulp voor individuele spelers wordt nog wel gekeken.

Boos en teleurgesteld

De badmintonbond is boos op en teleurgesteld in NOC-NSF, dat een nieuwe koers vaart. Voorheen waren resultaten uit het verleden leidend. Een aanpak die voordelig was voor de badmintonbond, volgens de bondbestuurders. Weliswaar won badmintonster Mia Audina in 2004 de enige Nederlandse medaille ooit, maar Nederlandse badmintonners waren er steevast bij op de Spelen. Tegenwoordig kijkt NOC-NSF vooruit en wordt aan de hand van data bepaald welke sport kansrijk is. De badmintonbond betwijfelt of nu al te voorspellen valt hoe spelers in 2032 gaan presteren.

Drop Shot-voorzitter Hoogland vindt dat de Nederlandse badmintonwereld sinds tien jaar financieel aftakelt. Tussen 2010 en 2022 daalde het aantal bondsleden van circa 59.000 naar 36.000. Dat ziet NOC-NSF „natuurlijk” ook, aldus Hoogland. Drop Shot kon een paar spelers „charteren” maar de meeste talenten kiezen voor het buitenland, omdat daar „nog wél” geld te verdienen is met badminton. Duitsland is populair, de Franse competitie doet het goed en wie écht kwaliteit heeft, vertrekt naar Denemarken. Daarna lonkt eventueel Azië, waar succesvolle badmintonners niet rustig over straat kunnen.

Hoogland (58) staat zaterdagmiddag aan de rand van het blauwe badmintonveld in het Haagse Sportcentrum Mariahoeve, vlakbij Paleis Huis ten Bosch. Om zijn nek hangt een rood-witte promotiesjaal uit 2019, toen de club na 25 jaar terugkeerde naar de Eredivisie. De zaal is nog leeg, maar anderhalf uur later treedt Drop Shot, dat derde (van de acht) staat op de ranglijst, aan tegen koploper Almere.

Geïmproviseerde VIP-tafel

De wedstrijdlocatie moet uitstralen dat er badminton op het hoogste nationale niveau wordt gespeeld, vindt Hoogland. Daarom proberen vrijwilligers een eredivisiewaardige ambiance te creëren in de afgehuurde sporthal. Om het speelveld staan reclameborden, er is een geïmproviseerde vip-tafel voor de hoofdsponsor en er knalt opzwepende muziek uit de geluidsinstallatie. Over het wedstrijddecor van sommige andere eredivisieclubs is hij minder te spreken. „Man, te sneu, ik zou er nooit een relatie mee naartoe nemen.”

Wie een kampioensteam wil smeden in Nederland, stelt de voorzitter, heeft aan 55.000 euro per jaar genoeg. Meer dan is begroot voor zíjn eerste team. Helaas weten zakenlui de weg naar het badmintonveld moeilijk te vinden in vergelijking met het voetbal, stelt Hoogland. Momenteel houden drie mkb’ers de boel bij Drop Shot overeind. „Onze club is vooral populair onder mensen in loondienst, die hebben geen onderneming.”

Een uur voor de wedstrijd roept hoofdtrainer Paul de Graaf (48) – zwarte trainingsbroek, blauwe trui – de spelers van Drop Shot bij elkaar. Een jongen en een meisje uit een lager team vallen in voor twee geblesseerden. Ze maken hun debuut in de Eredivisie. De jongen komt uit China, dus wisselt de trainer Engels en Nederlands af. „Almere is erg sterk, dus het wordt moeilijk om punten te scoren,” begint de trainer. „Moedig elkaar aan, geef aanwijzingen.”

Drop Shot-voorzitter Robert Hoogland: „De bond ontwikkelt plannen en zet kerngroepen in, maar handelt er niet naar.”

Foto Simon Lenskens

Het is lastiger geworden om spelers te motiveren, legt De Graaf uit als de bespreking is afgelopen en de spelers opwarmen. De badmintonbond bepaalde voorafgaand aan het huidige seizoen dat alleen de nummer één en twee uit de Eredivisie voortaan een finale spelen aan het eind van het seizoen. De play-offs kwamen te vervallen. Een geldkwestie, stelt de trainer, waardoor alleen nog Almere en het Haarlemse Duinwijck om de titel spelen.

Drop Shot gaf elk seizoen alles om de play-offs te bereiken, zodat er eventueel gestunt kon worden tijdens de drukbezochte finale. Maar toen plek twee halverwege het seizoen uit zicht raakte, besloot het clubbestuur om minder geld te steken in goede spelers. „Normaal speelden we keihard door met alles wat we hadden, maar nu maken we keuzes op basis van geld in plaats van teamgeest, prestaties en mooi badminton”, zegt de trainer.

De beslissingen van de badmintonbond en NOC-NSF zijn mentaal lastig te verkroppen voor zijn spelers, merkt hij. Maar ook thuis speelt de kwestie. De Graafs dertienjarige zoon zit in de nationale selectie onder vijftien en had een carrièrepad naar topsporttrainingscentrum Papendal uitgestippeld. „Die krijgt nu te horen: er is géén Papendal meer voor badmintonners”, vertelt De Graaf terwijl een powerballade door de zaal schalt.

Campingsport

Ondertussen worden grote trommels binnengebracht door beide ploegen, waar hard op geslagen wordt na elk behaald punt. „Veel mensen zien badminton als iets voor op de camping”, vertelt Drop Shot-badmintonster Kelly van Buiten (22). Maar in werkelijkheid is het een „hele snelle, explosieve sport voor slimme mensen.” Het draait om tactisch vermogen, techniek, het constant afwisselen van intensieve en lichtere inspanning, stelt ze. „Bij andere sporten is het belangrijk om helemaal kapot te gaan, maar bij badminton draait het ook om een slag naar de goede hoek, met de juiste snelheid. Dat maakt badmintonnen zo mooi.”

Voor Van Buiten ging badminton „écht boven alles”, maar afgelopen zomer stapte ze toch uit de Nederlandse selectie. De student Biotechnologie wilde een tweede bachelor, Gezondheid & Maatschappij, volgen. Nu traint ze ‘s ochtends en ‘s avonds en studeert ze tussendoor. „Ik ga liever helemaal dood op de baan, dan naar de kroeg.”

Tussen 2010 en 2022 daalde het aantal leden van de badmintonbond circa 59.000 naar 36.000.

Foto Simon Lenskens

Door het besluit van NOC-NSF heeft ze het gevoel dat de sportkoepel de badmintonsport „doodtrapt”, omdat het zonder subsidie heel moeilijk is om op topniveau te trainen. Nieuw talent moet zich nu zorgen maken om het regelen van een woonplek, trainingslocaties, toernooien, krachttrainingen.

Van Buiten regelt de financiële kant van haar sport zelf, omdat ze uit een gezin van drie komt en haar vader is overleden. Na een maand met Europese toernooien valt een rekening van drieduizend euro op de mat. Dat geeft stress, zegt ze. Het helpt dat ze bijklust als trainer, sponsors heeft en het krachthonk van de Wageningse universiteit mag gebruiken. „Sommige badmintonners krijgen ouders gelukkig zo gek om van hot naar her te rijden en alle rekeningen te betalen.”

Op de houten tribune kijken twee vrouwen toe hoe Van Buitens teamgenoot Iris van Leijsen zich opwarmt. Nicole van Leijsen uit Brabant is „altijd” aanwezig bij de eredivisiewedstrijden van haar dochter. In Den Haag of bij uitwedstrijden. Het besluit van NOC-NSF komt op het bord van ouders terecht, stelt ze. „Wij betalen alles. Vliegtickets, verblijf, toernooigeld.”

Hop hop hop

Iets na zessen komen de spelers het veld op. De voorzitter stelt spelers, trainers en scheidsrechters voor aan het publiek. Op en rondom de tribune klappen zo’n zestig toeschouwers hun handen stuk. Er is een aparte baan voor de acht heren en acht vrouwen van Drop Shot en Almere. Ze komen individueel of als tweetal achter elkaar in actie.

Maar niet voordat beide teams de koppen bij elkaar hebben gestoken voor een yell. „Hop hop hop, gooooo Drop Schot”, schreeuwt de Haagse thuisploeg. De tegenstander brengt daar „Wie zijn wij? Almere! Zwart en geel Almere! Een voor allen, allen voor Almere” tegenin. Naarmate de wedstrijden vordert wordt er steeds minder op de trommel van Drop Shot geslagen. De Haagse club verliest uiteindelijk kansloos met 0-8 van Almere en zakt naar de vierde plek.