Bert Natters concentratiekamproman over de nadagen van de nazi’s is groots, dodelijk vermoeiend én indrukwekkend

Alles in orde in het concentratiekamp. De kampcommandant schept een luchtje op het bordes van zijn kantoor, in een barak verderop verzorgt een verpleegster een patiënt en daar buiten aan het meer sjouwt een groep gevangenen met stenen. Maar vanuit de verte klinkt gerommel, het is april 1945, ergens ten noorden van Berlijn: de Russen zijn in aantocht.

Van meet af aan is in Bert Natters zesde roman Aan het einde van de oorlog duidelijk dat we niet naar betekenisloze alledaagsheid kijken. In wat Natter toont, en dus hoe hij onze blikken richt, in de aaneengesloten scènes van een etmaal in het concentratiekamp, verraadt hij welke informatie van belang is. Want zowel een jonge schildwacht als een sjouwende gevangene als een vrouw in een passerende trein krijgt mee wat er aan de oever van het meertje gebeurt. Twee jongens gooien hun hengels uit, ziet de één, beginnen te stoeien, ziet de ander, krijgen ruzie, aldus een volgende, raken in gevecht. Het voltrekt zich steeds tegen de achtergrond van hun eigen verhaal, maar het is onmiskenbaar voor wie het overzicht heeft.

En overzicht, daar draait het om in Aan het einde van de oorlog. Ten eerste voor de leeservaring: het groots opgezette boek begint met een lijst van de personages met wie we meekijken, 31 stuks maar liefst, en een plattegrondje van het kamp. De verhalen van al die personages zijn verbrokkeld tot afwisselende minihoofdstukjes. De boodschap: houd het overzicht, houd alles in de gaten. Ten tweede zou je kunnen zeggen dat het ook overzicht en informatiedosering is waar de roman in wezen over gaat, maar daarover zo meer.

Die vissende jongens, daar is dus iets mee, of daar gáát iets mee zijn. Intussen treffen de nazi’s voorbereidingen voor een feestje (Russen of geen Russen, Hitlers verjaardag wordt groots gevierd), beweegt iedereen door rondom het kamp en krijgen wij lezers een voorgeschiedenis of gedachte te horen. Want Bert Natter (1968) duikt ook ín zijn personages, in de vrije indirecte rede laat hij weten hoe zij over de dingen denken: „Maar elk woord dat Eva’s fanatieke mond verlaat, klinkt nu eenmaal als een pistoolschot dat je fataal kan verwonden”, aldus verpleegster Johanna. Of plaatsvervangend kampcommandant Karl Zehlendorf over zichzelf: „Soms dacht Karl de afgelopen maanden als hij zijn vrouw zag: zat ik maar aan het front. En nu wordt hij op zijn wenken bediend: het front heeft hem gevonden.”

Niet erg subtiel, nee. Het lijkt erop dat dat Natters uitgangspunt was: het zijn nazi’s, SS’ers, dus onsympathiek, en dus zette hij de boel vet aan. Zo lezen we over een voorval met een valse waakhond die iemand aanvalt en subiet neergeknald wordt – een nogal overdadige manier om het karakter van de Stellvertretende Chef Oberaufseherin (functietitels geeft Natter weer in blafbaar nazi-Duits), te weten Eva (met die fanatieke mond), te tonen. Om haar hond huilt deze wrede vrouw wél.

Lummelende chauffeur

Zulke karikaturale uitgangspunten werken niet echt in het voordeel van de roman, want: zijn dit nou de types voor wie we ons moeten interesseren? Bij wie we vele volgedrukte bladzijden lang moeten verwijlen? Want er gebeurt eigenlijk weinig, afgezien van het nauwgezet weergegeven rondkeutelen en uit-het-raam-staren. Je leest het bijna in realtime en kunt dat geduld nog wel opbrengen: het lage tempo suggereert immers dreigend onheil. Die hele autorit van Christine Zehlendorf met haar lummelende chauffeur Herbert, die zal vast niet voor niets zo ellenlang duren? En dat we ook meekijken bij Mengele-achtige experimenten in de ziekenbarak, én bij de Joodse gevangene, voormalig musicus, die opgetrommeld wordt om een piano te stemmen, én bij de Sonderkommando’s die de gaskamer en het crematorium bemensen: dat zal wel opbouwen naar iets. Iets met die jongens? Toch?

Ja, deels. De eerste 150 bladzijden (van de ruim 600) blijkt Natter een strop aan te trekken: alles in stelling voor het grote drama in de roman, dat op zichzelf volkomen ongeloofwaardig klinkt, maar hier iets onvermijdelijks krijgt – alleen dat al is knap werk van Natter. Namelijk (spoiler): dat een van dat tweetal stoeiers, de elfjarige Ernst Zehlendorf, in het kamp terechtkomt en, nota bene als jongste zoon van de plaatsvervangend kampcommandant (of: Obersturmführer), per ongeluk tussen de gevangenen belandt en, net zo argeloos en hulpeloos als zij, in de gaskamer komt te staan – en, zonder dat iemand echt doorheeft wat er gebeurt, vergast wordt.

Die scène beneemt je de adem: het hoogtepunt van de roman.

Maar ook een keerpunt: wat een aangetrokken strop was, wordt daarna een speurtocht in een cirkeltje. Want terwijl het ergste al gebeurd is, moet de zoektocht naar de vermiste Ernst nog beginnen. Natter zette een lang broodkruimelspoor uit, dat Ernsts vader, de officieuze hoofdpersoon Karl Zehlendorf, zou kunnen volgen, maar die is daartoe niet vanzelf geneigd. Dus gebeurt er van alles, maar vooral ook heel veel niet, in de daaropvolgende uren – nota bene: nog steeds vrijwel in real time. Dat wordt een beproeving voor de lezer, want die krijgt vele non-gebeurtenissen voorgeschoteld, veel chaos, veel heen-en-weer, veel moedwil en misverstand.

Waartoe? En: waarnaartoe? Er zit een grens aan de hoeveelheid logistieke scènes die je kunt verdragen, vooral omdat de rekbaarheid van de dramatische ironie – dat de lezer meer weet dan de personages – eindig is. Ja, er zijn ook subplotjes en sterke, op zichzelf staande scènes. Maar van de grote plot weten we: uiteindelijk arriveert het verhaal toch weer waar wij al waren. Daar zit iets fnuikends spanningsloos en dodelijk vermoeiends aan, zeker in een roman die zo lang zo plotgedreven en afloopgestuurd verteld wordt.

Achilleshiel

Die alziende positie van de lezer is dus een achilleshiel in de vertelling, terwijl die ook de attractie van de roman had moeten zijn – want informatie is waar Aan het einde van de oorlog over gaat. Dat is wel het antwoord op de vraag die gaandeweg gaat knagen: waarom zou Natter dit verhaal eigenlijk vertellen? Wat wil of kan hij beter, dan het bekende The Boy with the Striped Pyjamas, dat een vrijwel identieke gaskamerplot heeft? En waarom eigenlijk aan de Holocaustgeschiedenis, waarover al zoveel non-fictie bestaat, nóg meer fictie toevoegen? De sensatie zal een reden zijn: het is echt beklemmend om tegelijk mee te leven met de (onschuldige!) nazizoon én begrip te krijgen voor de Joodse Gisele die hem kan redden maar dat om principiële redenen niet wil. Inzicht in wat de nazi’s toch bezielde, zou een reden kunnen zijn – want na de karikaturale beginschetsen geeft Natter zijn personages (of toch sommige, of vooral Karl) steeds meer trekjes die zich niet onmiddellijk laten verklaren. Hoe kan Karl, terwijl zijn zoon vermist wordt, genieten van een fietstochtje, opgaan in zijn geilheid of de muziek van Beethoven?

Het komt neer op overzicht en informatie, op dosering, op: dingen niet willen weten en je ervoor afsluiten. De roman toont de bittere noodzaak daarvan voor de SS’ers én de fatale gevolgen die dat heeft. Het is een broodnodig overlevingsmechanisme, maar ook de reden dat het zo lang duurt voor Ernsts vermissing opgehelderd wordt. De puzzelstukjes worden steeds niet gelegd, niet gevonden, informatie wordt opzettelijk verzwegen zelfs, wat allemaal symbolisch voelt voor hoe de macht van de nazi’s afkalft. Want kennis is macht, maar kennis is een lastig concept voor wie de waarheid niet wenst te kennen. En dat lezen we af aan de cognitieve dissonantie van vrijwel iedereen onder het kamppersoneel. Ondergang? Ach, doe hun maar liever een feestje voor de Führer!

Die thematiek maakt de roman in de laatste 150 bladzijden toch weer indrukwekkend: Aan het einde van de oorlog is niet geheel geslaagd, maar wel een goed boek. De investering die je deed door verder te lezen, wordt uitbetaald, misschien niet met de winstmarge waarop je hoopte, maar toch. Niet zozeer omdat Natter inzicht zou geven in de nazi’s als mensen, maar wel in de collectieve, moedwillige psychose die tot concentratiekampen, Holocaust en de grootscheepse ontkenning van menselijkheid kon leiden. Ook dat gaat, zou je kunnen zeggen, over doelbewust wegkijken van de waarheid. Richting het einde van de roman merken de personages dat wat zich in de achtergrond van hun eigen verhaal ophield, niet meer te negeren valt. Alle maskers vallen af, tot hun eigen ontluistering en de onze.

Orde was maar schijn, want orde verbloemt de chaos die het kwaad in feite teweegbrengt. Als een van de soldaten zich tot zijn schrik realiseert dat hij zelf, omdat het zijn taak was, het gifgas heeft toegediend dat Ernst Zehlendorf doodde, reageert zijn collega, pijnlijk ontnuchterend: „Maak je niet te sappel, jij hebt de laatste maanden zoveel mensen vermoord!” Het is winst dat de absurditeit daarvan nog tot de soldaat doordringt. Te laat, maar toch.