Riet: „Ik weet nog wanneer ik voor het eerst hoorde over het Knarrenhof. Ik was met vriendinnen op stap voor onze vaste museumdag. Op de terugweg vertelde een van die vriendinnen dat een kennis in het nieuwe Knarrenhof ging wonen, bij ons in Hardenberg. Toen ging bij mij een lichtje branden. Want ik had al eens over het concept gelezen: dat het een sociale woonvorm was waarbij je met allemaal ouderen op één erf woont en een beetje naar elkaar omkijkt. Ik dacht: dát is nou iets voor Ben en mij. Dus de volgende dag bij het ontbijt zei ik: ‘Ben, ik ga je iets vragen en je moet niet meteen nee zeggen.’ Ben houdt niet zo van verandering namelijk.”
Ben: „Maar toen zei ik doodnuchter: ‘Ja, dat gaan we doen.’”
Riet: „Dat was weer een meevaller!”
Ben: „Kijk, wij hadden een fijne woning in Hardenberg, maar we konden er ondertussen verstoppertje spelen. Ik voelde niets voor een appartement of een flat, maar zo’n ouderenhof: ja, dat past bij ons. Wij hebben altijd midden in de samenleving gestaan. Ik was scheidsrechter bij de voetbalclub, verkeersregelaar en ben 25 jaar Sinterklaas geweest op een school.”
Riet: „We waren ondertussen op een leeftijd dat we merkten dat we niet alles meer konden. Dan is het wel fijn om kleiner te wonen, met alles gemakkelijk dichtbij. We wonen hier sinds 2020 en het bevalt geweldig. Er staan niet voor niets 168 mensen op de wachtlijst.”
Ben: „We hebben twee keer in de maand een koffie-ochtend, de laatste vrijdag van de maand is het borrelmiddag. Ik zit in de tuincommissie en ik deed ook nog de activiteitencommissie, maar daar ben ik vorige maand mee gestopt.”
Riet: „Het werd een beetje te veel. Dat is wel iets waar je hier op moet letten: dat je je grenzen bewaakt. Al ligt dat ook aan jezelf natuurlijk.”
Ben: „Dat heeft Riet altijd al gehad. Altijd de helpende hand bieden.”
Riet: „Maar je krijgt er ook altijd wat voor terug. Ik heb van de week van onze buurman nog zo’n lief kaartje gekregen met een prachtig gedicht, dat ik een engel was zonder vleugels, omdat ik hem af en toe help. Nou, dan voel ik me een ontzettend rijk mens.”
Van de beddenplank af
Ben: „Mijn werkende leven ben ik begonnen met het rijden op de vrachtwagen. Toen leerde ik Riet kennen en zei haar vader: Ben, je hebt een goede babbel, waarom ga je niet werken als vertegenwoordiger in plaats van dat zware laden en lossen? Zo is het gegaan. Op het laatst werkte ik bij Sara Lee, een groot bedrijf waar ook Douwe Egberts onder viel. Ik had vijftien vertegenwoordigers onder me, door het hele land. Totdat ik een goed aanbod kreeg om met vervroegd pensioen te gaan. Toen was ik 58.”
Riet: „Ik heb ook altijd gewerkt. Niet in een vast beroep, maar wat het leven me bracht. Op mijn eenentwintigste begon ik op kantoor bij een meubelfabrikant in Almelo. Ik was net getrouwd en van de beddenplank af was ik zwanger.”
Ben: „Dat is Twents hoor: van de beddenplank af. Meteen na het huwelijk, betekent dat.”
Riet: „Mijn baas was boos; hij kon me niet missen op kantoor. Toen zei ik: ‘Nou, dan kom ik wel met de kinderwagen naar het werk.’ Zo heb ik het altijd gedaan. Niet uit feministisch oogpunt; we konden het geld gewoon goed gebruiken.”
Ben: „Later verhuisden we naar Hardenberg en was Riet even thuis met drie jonge kinderen. Maar ik zei toen al: het zal mij benieuwen wanneer jij je kooitje weer opengooit.”
Riet: „Ik kan niet stil zitten en ben gek op met mensen omgaan. Dus ik heb uiteindelijk in de bejaardenzorg gewerkt, in een kledingwinkel en ben vrijwilligster geweest bij Slachtofferhulp. Ook hebben we met veel liefde opgepast op de kleinkinderen. Op een gegeven moment hadden we ze op donderdag alle zeven tegelijk. Nu zijn ze tussen de 20 en 31, dus die hebben allemaal hun eigen leven ondertussen.”
Samen vergaderen
Riet: „Als je nu in onze agenda kijkt, is die bomvol. Wil je ’m zien? Kijk, deze week: Riet optreden met het mandoline-orkest. Riet naar de oogarts. Ben naar de tandarts. Ik ga naar de handwerkclub en de School voor filosofie. Als mijn dochter dit ziet, zegt ze: mam, je zou het toch rustiger aan doen?”
Ben: „We overleggen ’s ochtends altijd met een kop koffie hoe de dag eruit ziet. Ik word namelijk wat vergeetachtig.”
Riet: „Vergaderen noemen we dat. Als ik het per dagdeel vertel, is het voor Ben te overzien.
Ben: „Ja, die vergeetachtigheid… ik voel me lijfelijk nog niet 84, maar aan het hoofd merk je het wel.”
Riet: „Sommige dingen zitten er gewoon niet meer in. We gingen altijd veel weg, op vakantie. Voor onze zestigste huwelijksdag volgend jaar wilde ik graag op een reisje naar Griekenland, ik had het al helemaal uitgezocht. Maar Ben zei eerlijk dat hij dat niet meer zag zitten. Dat was een teleurstelling, daar moest ik even overheen. Het is niet altijd rozengeur en maneschijn, hè Ben?”
Ben: „Nee, ieder krijgt zijn beurt in het leven, dat staat vast.
Riet: „Maar ondertussen weet ik: wat Ben en mij ook overkomt, wij maken er altijd wat van. En dat al zestig jaar, dat is toch wel heel bijzonder. Dus we zijn toch weer gaan vergaderen over hoe we dat kunnen vieren.”
Ben: „Niet vertellen hoor!”
Riet: „Nee, ik verklap niks – de uitnodigingen zijn nog niet de deur uit. Maar we organiseren iets voor de mensen die ons lief zijn, dat kunnen we wel zeggen. En de week daarvoor kijk ik of we toch in een huisje kunnen zitten, dichtbij, met de fietsen mee. Dat vinden we allebei fijn.”
/s3/static.nrc.nl/images/gn4/stripped/data125932353-467f16.jpg)