Over het afgelopen jaar boekte Booking.com meer omzet dan in 2019, het vorige recordjaar.
Foto Sem van der Wal/ANP
Hotelreserveringsplatform Booking.com veert weer op na de coronajaren. Dat blijkt uit het vrijdag gepubliceerde cijfers van het bedrijf. Booking.com registreerde afgelopen jaar 13 procent meer inkomsten dan in 2019, het jaar voor de pandemie. Het van oorsprong Nederlandse bedrijf werd tijdens de pandemie door de reisbeperkingen hard in haar verdienmodel getroffen.
Over het afgelopen jaar boekte het bedrijf meer omzet dan in 2019, het vorige recordjaar. De omzet steeg met 56 procent naar 17,1 miljard dollar (omgerekend zo’n 16,15 miljard euro). Ook de winsten namen na de coronajaren flink toe: in 2022 hield het 2,9 miljard euro aan winst over. Dat was wel nog 40 procent lager dan het jaar voor de pandemie. Het verdienmodel van Booking.com leunt voornamelijk op de commissies die hotels afdragen voor via het platform gemaakte boekingen, vergoedingen voor het verlenen van betaaldiensten en het verkopen van reisverzekeringen. Volgens de cijfers zou de hotelwebsite in januari een nieuw record hebben gevestigd voor maandelijkse kamerovernachtingen.
In crisisjaar 2020 nam Booking.com ruim 65 miljoen euro aan overheidssteun aan naar aanleiding van het uitbreken van de pandemie. Het deed daarvoor beroep op de NOW-regeling. Daar kwam kritiek op omdat het datzelfde jaar topbestuurders bonussen uitkeerde voor een bedrag van 28 miljoen euro. Booking.com wijzigde zelfs zijn eigen beloningsregels om de miljoenenbonussen van de top niet in gevaar te brengen. Tegelijk werden duizenden Nederlandse banen de afgelopen jaren geschrapt. Op wereldschaal werd een kwart van de Booking.com-werknemers ontslagen. De steun werd na de kritiek uiteindelijk terugbetaald.
Wat begon als een ruzie over koninklijke onderscheidingen, werd al snel een grote politieke affaire: over de eenheid van het kabinetsbeleid, verhoudingen in de coalitie en het gezag van premier Dick Schoof. In deze Haagse Zaken ontleden we het lintjesdebat. Wafa Al Ali en Petra de Koning vertellen over een minister die haar eigen koers vaart. Over een kabinet dat niet functioneert. En over een coalitie die onder grote druk staat.
Heeft u vragen, suggesties of ideeën over onze journalistiek? Mail dan naar onze redactie via [email protected].
De wereldeconomie is een Jenga-toren. En Donald Trump morrelt aan de onderkant. Intussen weten consumenten, bedrijven en beleggers niet meer waar ze aan toe zijn, wat er te gebeuren staat en op wie ze nog kunnen rekenen.
Maarten en Marike onderzoeken de invloed van het dalende vertrouwen op de economie. Zijn we, zonder het te beseffen, al in een crisis beland? En is Trump nu het resultaat van vertrouwensverlies, of de veroorzaker ervan?
Het was een aardig bord dat Donald Trump woensdag deze week omhooghield toen hij een drastische verhoging van Amerikaanse invoerheffingen bekend maakte. Maar de cijfers die erop stonden sloegen nergens op. Economen hoefden zich maar kort het hoofd te breken over de vraag waar de importheffingen die de Amerikaanse president bekendmaakte vandaan kwamen. Het bleek al snel een ruwe, amateuristische calculatie te zijn die, op basis van het handelsoverschot van elk land met de VS, moest aantonen welke heffingen en beperkingen er kennelijk werden losgelaten op in te voeren Amerikaanse goederen. En dáár stonden nu, op het bord, ‘wederkerige’ cijfers, door te voeren door de VS, tegenover.
Het resultaat: torenhoge heffingen voor goederen uit China van 34 procent, bovenop wat al van kracht was, Vietnam (46 procent), Thailand (36 procent), de EU (20 procent) of Japan (24 procent). Rusland werd niet genoemd. Wél een goeddeels onbewoonde eilandengroep bij Australië waar zich vooral pinguïns ophouden.
De gang van zaken zou lachwekkend zijn, als er niet zulke forse consequenties waren: duurdere goederen zorgen voor hoge inflatie, met name in de VS. Als andere landen met eigen heffingen terugslaan, verhogen ze ook de invoerprijzen in eigen gebied. De economie zal onder de maatregelen leiden, de rente wordt hoger dan voorzien en een wereldwijde recessie is niet langer ondenkbaar.
Amerikaanse aandelen verloren donderdag in totaal 5,1 procent aan waarde. Dat staat gelijk aan 2.800 miljard dollar, of ruim 2.500 miljard euro – zo’n anderhalf maal het Nederlandse pensioenvermogen. Ook in de rest van de wereld waren de verliezen omvangrijk. Op vrijdag bleven de beurzen in mineur. Niet alleen techbedrijven zakken weg. Ook, en gevaarlijker, de banken en verzekeraars.
Niets blijkt daadwerkelijk te zijn onderzocht door de regering-Trump. De meest gangbare diagnose voor het Amerikaanse handelstekort – het land geeft meer uit dan het spaart – is terzijde geschoven ten faveure van een bedacht slachtofferschap van vals spel door het buitenland. Ruimte voor snelle onderhandelingen is er nauwelijks: op deze schaal hebben de Amerikaanse autoriteiten daar simpelweg de capaciteit niet voor. Tenzij de maatregelen, wederom zonder oog voor detail, weer even makkelijk worden ingetrokken als ze zijn doorgevoerd.
Wat rest is de indruk van een bijna kwaadaardige lichtzinnigheid waarmee de VS onder Trump in luttele maanden de internationale economische orde afbreken die zij zelf na de Tweede Wereldoorlog hebben geschapen. De roekeloosheid betreft ook de internationale politieke en militai+ verhoudingen. En binnenlands is de sloop van de rechtsorde in Amerika ook in volle gang.
Wat moet, en kan, het antwoord van de rest van de wereld daarop zijn? Een afweging maken tussen incasseren, terugslaan en het zoeken naar alternatieven. Negeren zou economisch gezien de verstandigste oplossing zijn. Volgens veel economen zullen landen die erin slagen hun handel buiten de VS om in stand houden, het best af zijn.
Dat alles blijkt voor veel getroffen landen te veel gevraagd. Vrijdag kondigde China aan de Amerikaanse strafheffing van 34 procent te beantwoorden met exact datzelfde tarief voor Amerikaans producten. Canada deed donderdag hetzelfde: Amerikaanse importen worden met 25 procent extra belast. Europa en veel andere landen beraden zich nog op tegenmaatregelen. Economisch misschien niet de verstandigste route, vanuit een onderhandelingsperspectief wel te begrijpen.
Helemaal negeren is daarbij ook onmogelijk: sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de VS, en dan met name hun munt, de dollar, het epicentrum van de wereld geworden. Maar het had ook risico’s: de Amerikaanse mondiale dominantie – die via de dollar ook diplomatiek en militair werd – werd te gemakzuchtig als vanzelfsprekend en zelfs gewenst beschouwd. Dat lijkt een misvatting. De wereld heeft te lang geleund op het idee dat de VS zich te allen tijde een betrouwbare partner zouden tonen. Waarschuwingen dat het mondiale betalingsverkeer te zeer afhankelijk was van de VS zijn genegeerd, zoals ook nu de mondiale afhankelijkheid van Amerikaanse tech-bedrijven (van Meta tot Microsoft) tegenacties nauwelijks mogelijk maakt.
Het is een harde les die Trump met zijn egopolitiek nu afdwingt, maar wellicht een die op langere termijn een evenwichtiger wereld oplevert. Te veel macht in handen van één partij is altijd verkeerd. De politieke situatie binnen de VS laat dat dagelijks zien, maar het geldt evengoed voor de rol die de VS in de wereld hebben gespeeld. Een vriend kan altijd een vijand worden. De prijs die nu voor deze naïviteit betaald wordt is hoog.