Slecht nieuws voor de swipende medemens: datingapps hebben niet het beste met je voor. Of je dat echt ‘nieuws’ kunt noemen valt overigens te betwijfelen, want over het verdienmodel van apps als Tinder en Happn is al het nodige gezegd. Toch was het aangenaam dat Radar (AvroTros) er maandag een item aan besteedde, al was het maar om Antoinette Hertsenberg de woorden „Van Grindr tot Tinder, van Bumble tot Lexa” te horen zeggen. Ze legde ook de basisprincipes van datingapps uit, „voor degenen die er geen ervaring mee hebben”. Dat heb ik altijd een jaloersmakend deel van de bevolking gevonden. Mensen die nooit in de hoogtijdagen van Tinder openingszinnen als „Ik zou wel Nutella van je lichaam willen eten” op hun mobiel hebben zien verschijnen*. Prijs jezelf gelukkig.
Hoe dan ook: aan het minder gelukkige deel van de bevolking had Radar gevraagd een enquête in te vullen over hun ervaringen met datingapps. De ruim 3.600 deelnemers kozen twee gevoelens die het swipen bij ze losmaakte. 43 procent voelde zich hoopvol en 10 procent blij; daar tussenin zat vooral veel negativiteit. 30 procent voelde zich teleurgesteld, 14 onzeker en 12 gefrustreerd. Begrijpelijk: het ís ook onplezierig om een eindeloze stoet profielen aan je voorbij te zien trekken die de ijsbreker „Swipe mij naar rechts, als…” allemaal aanvullen met „jeblieft”. Dat stemt een mens somber.
Toch is het moeilijk zo’n app op te geven: het algoritme is erop gericht je aan het swipen te houden. Klinisch psycholoog Elisabeth Timmermans vergeleek het graag met een spel kaarten en gooide voor de vorm een half pakje op de grond. Eerst een deel naar rechts: „Vind ik leuk, vind ik leuk….” Toen naar links: „Vind ik niet leuk, vind ik niet leuk… Maar je krijgt natuurlijk het idee: er zijn heel veel kaarten. Dus het wekt de illusie dat we oneindig lang verder kunnen swipen.”
Probeer dat toch maar niet te doen, zei universitair hoofddocent sociale psychologie Tila Pronk. Volgens Pronk beoordelen datingappgebruikers gemiddeld 140 profielen per sessie. Een stuk of tien is beter, en die moet je dan heel rustig bekijken. En ze had nóg een tip voor mensen die toch hopen al swipend De Liefde te vinden: „We zien dat mensen heel snel op zoek gaan naar afknappers. Probeer ook eens stil te staan bij de dingen die je wél aanspreken aan een foto of profiel.”
Strijders
Nu moet ik bekennen dat ik bij het zappen (wat toch neerkomt op swipen met een afstandsbediening) niet altijd deze sympathieke methode toepas. Na twee of drie flinke aknappers in een programma is de volgende zender nooit ver weg. Maar nu besloot ik, à la Pronk, te blijven speuren naar aspecten die me wél aanspraken. Om het extra uitdagend te maken koos ik voor de eerste aflevering van Strijders (AvroTros), een spin-off van Kamp Van Koningsbrugge. Over dat laatste programma, waarin deelnemers „de loodzware Special Forces training ondergaan”, zal ik verder niks onaardigs zeggen omdat ik eerder al eens heb geschreven dat het me zo op de zenuwen werkte dat ik aardappels naar mijn tv wilde gooien.
Over Strijders, waarin de kandidaten meedoen aan „een ultiem militair kampioenschap”, zal ik ook niks onaardigs zeggen, want ik zou me niet focussen op afknappers. Ik zwijg daarom over de pompende muziek, Van Koningsbrugges onaanvaardbare metamorfose van De Lama’s-man naar machoman en de verstikkende walm van militaire propaganda. Ik had oog voor wat ik wél leuk vond: een man die op slippers kwam opdagen voor zijn militaire training. Helaas mocht hij niet mee naar de volgende ronde. Misschien zegt dat genoeg.
*Wat me hier nog het meest aan stoort: in dit scenario eet maar één iemand Nutella, en ik ben het duidelijk niet. Volstrekt egoïstisch voorstel. Do better.
Met „verbazing” keek premier Dick Schoof vorige week naar het Signal-lek in de Verenigde Staten. Journalist Jeffrey Goldberg bleek daar per ongeluk toegevoegd aan een besloten chatgroep met onder anderen vicepresident JD Vance, minister van Defensie Pete Hegseth en de Nationaal Veiligheidsadviseur Mike Waltz. Gisteren bleek uit onderzoek van het Amerikaanse nieuwsplatform Politico dat Waltz meer dan twintig werkgerelateerde groepsgesprekken op Signal heeft opgezet.
De richtlijnen voor de digitale communicatie van het Nederlandse kabinet zijn „volstrekt helder”, volgens Schoof, oud-directeur bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Maar wat zijn die richtlijnen, en hoe goed is het onderlinge overleg van ministers en staatssecretarissen beveiligd? Vier vragen.
1. Communiceert het Nederlandse kabinet met gewone appjes?
Ja, onder meer. Het kabinet-Schoof heeft een gezamenlijke WhatsApp-groep. Maar landbouwminister Femke Wiersma (BBB) zegt dat hierin „geen diepgravende inhoudelijke dingen” worden besproken. De groepschat is voornamelijk bedoeld om elkaar „op de hoogte” te houden.
Minister van Justitie en Veiligheid, David van Weel (VVD) zit zelf in „een stuk of acht” werkgerelateerde groepschats, zegt hij. Een communicatiegroepsapp bijvoorbeeld, waarin persberichten worden doorgestuurd en ‘reactielijnen’ van de minister worden besproken. „Daar is niks geheims aan”, zegt Van Weel.
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Judith Uitermark (NSC) noemt Whatsapp „ook handig”. Uitermark zegt dat het communicatiemiddel door bewindspersonen gebruikt mag worden, maar niet voor „vertrouwelijke informatie”, noch voor „besluitvorming”.
2. Mogen kabinetsleden onderling appen volgens de richtlijnen?
Ja, onder voorwaarden. De integriteitscode voor digitale middelen (2022) uit het Handboek voor bewindspersonen schrijft voor dat bewindspersonen terughoudend moeten zijn met gebruik van hun privé-mail of commerciële berichtenapps voor werkgerelateerde doeleinden. Over het algemeen wordt het bewindspersonen „ernstig ontraden”.
Maar daarbij wordt ruimte gelaten voor praktijksituaties waarbij „afgeweken” mag worden als een bewindspersoon dit noodzakelijk acht. Landbouwminister Wiersma bijvoorbeeld noemt het gebruik van commerciële berichtenapps „onvermijdelijk in dit soort functies”– zolang er daarbij „geen ongewenste deelnemers” aan groepschats worden toegevoegd, zoals in de VS.
Begin vorig jaar nam de Tweede Kamer wel een motie van NSC-Kamerlid Sandra Palmen aan voor het gebruik van speciale, veilige chatapplicaties door bewindspersonen en ambtenaren. Die oproep was geïnspireerd op Frankrijk, waar de regering al gebruik maakt van de speciaal ontworpen chatsapps Olvid en Tchap. Met die laatste wordt momenteel geëxperimenteerd, zo blijkt uit een Kamerbrief van staatssecretaris Zsolt Szabó (PVV) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De invoering van zo’n app is een langdurig traject. Het Rijk heeft in november van 2024 de opdracht gekregen om dit nieuwe beveiligde communicatiemiddel binnen Rijksoverheid in gebruik te nemen. Met de toekomstige implementatie kan het zakelijke chatverkeer tussen bewindspersonen en geselecteerde Rijksambtenaren beter worden beveiligd en automatisch worden gearchiveerd.
3. Worden de appjes van bewindspersonen wel bewaard?
Ja, de archiefwetgeving uit 1995, aangescherpt in 2021, verplicht bewindspersonen hun werkgerelateerde berichten te bewaren – dus ook appjes, sms’jes en mailtjes.
Oud-premier Mark Rutte kwam in 2022 bijvoorbeeld in politieke problemen, toen bleek dat hij jarenlang sms’jes had verwijderd vanwege „beperkte opslagruimte” op zijn oude Nokia-telefoon. Hij overleefde een motie van wantrouwen.
Minister Uitermark omschrijft werkgerelateerde appjes als een „bron van informatie” die via een aanspraak op de Archiefwet ook kunnen worden „teruggelezen”.
Minister Van Weel gebruikt zijn privémail naar eigen zeggen overigens alleen voor „protocollaire dingen” zoals een uitnodiging voor „een kerkdienst”. Minister Wiersma zegt dat privémail „gedoe” kan opleveren en zegt het daarom niet te gebruiken.
4. Hoe kan het kabinet over gevoelige informatie communiceren?
Bewindspersonen hebben de mogelijkheid om via een beveiligde lijn te communiceren. Minister Uitermark gebruikt de beveiligde telefoon, genaamd Tiger, „elke week”, zegt ze. Van Weel legt zijn beveiligde telefoon altijd in zijn dienstauto. „De auto is vaak dichtbij” en heeft „een kluis,” verklaart van Weel.
Voor eigen telefoons van bewindspersonen gelden soms ook speciale veiligheidsmaatregelen. Zo is onder premier Schoof afgesproken dat iedereen voor de ministerraad in het Catshuis zijn of haar telefoon opbergt in een kluisje. De besluitvorming in het overleg is dan ook strikt vertrouwelijk, totdat deze schriftelijk wordt vrijgegeven aan de Eerste of Tweede Kamer. De notulen van de ministerraad worden pas na twintig jaar vrijgegeven.
Het opbergen van de telefoons heeft nog een voordeel, zegt minister Uitermark. Iedereen zit ook „meer gefocust” aan de vergadertafel.
Lees ook
Bewindspersonen nog steeds slordig met opslaan appjes en sms’jes
Europa werd donderdagochtend wakker met een verwachte maar toch fikse kater. Die werd veroorzaakt door de Amerikaanse president Donald Trump, met zijn importtarieven van 20 procent voor Europa. Volgens Commissievoorzitter Ursula von der Leyen zullen de gevolgen daarvan wereldwijd „immens” zijn – en „direct groot” voor Europese consumenten.
In Brussel blijven concrete reacties vooralsnog uit. Hoe diplomatiek gaat Europa reageren, zullen er tegenmaatregelen worden getroffen? Een oplopend handelsconflict met de Verenigde Staten komt op een ongelukkig moment voor de EU, vanwege de oorlog met Oekraïne, de hardere opstelling van de VS in de NAVO en de Russische dreiging.
De Litouwse Eurocommissaris voor defensie en ruimtevaart, Andrius Kubilius, sprak zich donderdagochtend uit voorafgaand aan een bijeenkomst over defensie in Brussel. De EU moet nog „afwachten wat de politieke gevolgen zijn” van de zogenoemde „wederkerige importheffingen”, die het handelstekort van de VS moeten oplossen. „Dit is absoluut wat de Europese Unie niét wilde dat er zou gebeuren”, aldus Kubilius.
In Straatsburg is de sfeer onder Europarlementariërs tijdens hun maandelijkse plenaire vergadering bedrukt. Aan discussies over het behoud van de Green Deal of Big Tech komen ze niet toe. Binnenskamers gaat het vrijwel uitsluitend over de tarieven. „Het ziet er slecht, slecht uit voor Europa”, aldus parlementaire bronnen.
Want praten mocht duidelijk niet baten. Dat ondervond Gerben-Jan Gerbrandy, Europarlementariër voor D66, recent aan den lijve toen hij met een delegatie van zijn liberale fractie Renew Europe aanklopte in Washington. De deur bleef dicht. „Het is daar totale chaos. Wat maandag gezegd wordt, kan vrijdag 180 graden zijn gedraaid.” Gerbrandy wilde graag in gesprek, onder meer om „de banden met de helft van Amerika die niet op Trump gestemd heeft aan te halen”. Buiten zijn kantoor in het Winston Churchill-gebouw van het Europese Parlement wapperen Europese vlaggen: de Franse, Duitse, Nederlandse, Italiaanse vlag. Gerbrandy: „Iedereen hier weet: een handelsoorlog kent geen winnaars”.
Ondertussen haalt Europa de banden aan met andere handelszones. Eind februari trok een zware delegatie van de Europese Commissie naar India. In december zette Commissievoorzitter Von der Leyen haar handtekening onder een handelsakkoord met Mercosur, het Zuid-Amerikaanse landenblok.
Pindakaas en spijkerbroeken
De EU heeft een breed arsenaal aan vergeldingsmaatregelen tot haar beschikking. Denk aan importquota, hogere heffingen op Amerikaanse import, exportrestricties of de uitsluiting van Amerikaanse bedrijven bij openbare aanbestedingen.
Dirk Gotink, Europarlementariër voor NSC, pleit voor tegenmaatregelen om „de eigen markten te beschermen”. Hij stelt: „Er is een diepe kras in het vertrouwen gezet, die niet zomaar kan worden hersteld.” Europa moet ten tijde van Trump-II volgens Gotink verder denken dan „pindakaas en spijkerbroeken”. Een proportionele reactie zou volgens hem „het aanpakken van Amerikaanse techbedrijven (X, Amazon, Apple, Meta)” zijn.
Brussel wil meegaan in de Amerikaanse handelschaos het liefst vermijden, en verkiest vooralsnog de onderhandelingstafel. Dat is mede ingegeven door de gedachte dat Europa zich niet uiteen moet laten spelen. Zeker nu een escalatiespiraal van heffingen niet kan worden uitgesloten in een wereldwijd economisch conflict.
„Wat er nu binnen Europa gebeurt, is het tegenovergestelde van wat Trump wil bereiken”, aldus D66’erGerbrandy. „Zelfs de Italiaanse premier Giorgia Meloni wordt in de armen van de rest van Europa geleid.”
Italië spreekt bij monde van Nicola Procaccini, Europarlementariër voor Fratelli d’Italia en vertrouweling van premier Meloni, nog altijd van een „militair en commercieel bondgenootschap” met de Verenigde Staten. Voor Rome is een handelsrelatie met de VS, de tweede exportmarkt van Italië, cruciaal. Van een handelsoorlog wil hij niets weten.
„Er zijn twee manieren om te reageren: de ene is met tegenmaatregelen die daadwerkelijk een handelsoorlog uitlokken, want dan komen er weer Amerikaanse tegenmaatregelen. Dat komt neer op een waarschijnlijk eindeloze en verwoestende escalatie voor de internationale handel”, aldus Procaccini, aan de telefoon. „Of er is een andere oplossing, namelijk aan tafel gaan met de regering-Trump en tot een overeenkomst komen, waarbij de vermindering van Europese heffingen die nu gelden op Amerikaanse producten wordt besproken, en we vrijhandelszones oprichten.”
Procaccini geeft aan wel „enig begrip” te hebben voor Trump. Procaccini: „Als voor auto’s die in Amerika worden geproduceerd een heffing van 10 procent geldt op de Europese markt, terwijl voor auto’s die in Europa worden geproduceerd slechts een heffing van 2,5 procent geldt in Amerika, dan zegt Trump: of je verlaagt de heffingen op Amerikaans niveau, of we verhogen ze op Europees niveau.” En die verdubbeling dan? „Een wat overdreven reactie, maar wel een die berust op een objectieve reden.”
Net als Italië dringen ook Spanje en Duitsland sterk aan op ‘krachtige onderhandelingen’. Bovenal, is het gedeelde credo, moeten de „Europese belangen worden beschermd”. Zo lijkt de eerste Europese reactie op de 20-procent-regen vooral constructief van opzet.
Commissievoorzitter Von der Leyen liet zich donderdagmorgen in een persverklaring niet uit over de inhoud van mogelijke vergeldingsmaatregelen, al verwees ze wel naar de maatregelen die de EU neemt in reactie op de eerder aangekondigde Amerikaanse staalheffingen. Achter de schermen wordt hard gewerkt aan verdere maatregelen „voor als de onderhandelingen mislukken”. Eventuele dumping op de EU-markt, door een overaanbod van producten als gevolg van de Amerikaanse heffingen, zal de EU „niet toestaan”.
‘Kom binnen, ik ben net thuis, wil je een theetje?” Het is half maart en spitsuur in het leven van buitenlandjournalist Tim de Wit (44). Vanmorgen heeft hij een aflevering opgenomen voor Europa draait door, zijn wekelijkse podcast met historicus Arend Jan Boekestijn. Vanaf 6 april presenteert hij afwisselend met journalist Sophie Derkzen Bureau Buitenland, de nieuwe tv-versie van het gelijknamige geopolitieke radioprogramma, dat hij ook minstens drie keer per week presenteert. Hij is net afgezwaaid als invalpresentator bij Bar Laat, zijn talkshowdebuut. De recent uitgezonden serie De Wit en de Brit, waarin hij ontspannen de erfenis van Brexit onderzoekt, werd goed bekeken.
Het is een opmerkelijk snelle doorbraak voor De Wit als programma-dragende presentator, nadat hij drie jaar geleden afscheid nam als de keurig gestropdaste NOS-correspondent in het Verenigd Koninkrijk. „Dat ik ineens gevraagd werd om een talkshow als Bar Laat te presenteren had ik me een paar jaar geleden niet kunnen voorstellen. Ik ben altijd meer de duider. Misschien dat ik er daarom relaxed inging. Ik dacht: het ergste dat me kan gebeuren is dat mensen me een eikel vinden of dat ik door het ijs zak. Dan ga ik gewoon weer lekker radio maken.”
Wat deed BNN-VARA om u klaar te stomen voor Bar Laat?
Opgewekt: „Eigenlijk niks. Voorafgaand aan de pilot ben ik een dag met Jeroen Pauw en Sophie Hilbrand meegelopen. Poeh, de eerste paar uitzendingen voelden als overleven. Van een gesprek over 40.000 dode kinderen in Gaza naar een gesprek over ADHD, dat vond ik in het begin heel ongemakkelijke bruggetjes.”
Als we elkaar spreken, thuis in zijn nieuwbouwappartement aan de rand van Amsterdam, moet de Wit de proefuitzending van Bureau Buitenland nog opnemen, maar dat het programma tot in 2026 zal lopen staat al vast. Live vanuit het VPRO-gebouw zal hij zich elke aflevering met twee wisselende gasten richten op „de nieuwe wereldorde die aan het ontstaan is,” vertelt hij. „Soms zullen we dicht op de actualiteit zitten, maar we willen ook kijken hoe de grote tektonische platen wereldwijd verschuiven. Onze tafel wordt een wereldkaart. Als je bijvoorbeeld weet: de grondstof waar we nu allemaal naar zoeken is lithium, want daar rijden onze elektrische auto’s op, dan kun je kijken: waar vind je grote lithiummijnen? Dan zie je: hé, Servië, Oekraïne, Congo, daar is het allemaal onrustig. De spanning die vroeger rond grote olievelden en gasvelden heerste, verschuift nu naar de mijnen voor essentiële grondstoffen waar onze toekomstige economie op gaat draaien. Dat soort patronen vind ik interessant.”
Welke onderbelichte thema’s gaat u behandelen?
„Om het geopolitieke spel te begrijpen moet je weten wat de intenties zijn van grote spelers als de VS, Rusland en China. Maar hoe zit het bijvoorbeeld met India? Daar is weinig aandacht voor, maar dat is het land met de meeste inwoners ter wereld en een gigantische economie, die nog een open relatie heeft met de VS. Want Modi, de premier van India, is een grote fan van Trump. Ondertussen hebben ze ook een open lijntje met Moskou, want India neemt gerust gas en olie af van Rusland. Dat soort verbanden willen we leggen, op een luchtige en toegankelijke manier, zodat mensen die niet The Economist lezen er ook iets mee kunnen.”
De NPO-leiding wilde Bureau Buitenland alleen uitzenden als de VPRO Tegenlicht zou laten vallen. Wordt u in de wandelgangen nijdig aangekeken?
„Helemaal niet. Bureau Buitenland was al in ontwikkeling voordat die knoop over Tegenlicht werd doorgehakt. De frustratie richtte zich meer op de directie van de VPRO en de bezuinigingen bij de NPO.” Ook De Wit verbaast zich wel eens over het NPO-beleid. „Dat je Bureau Buitenland niet meteen primetime programmeert, snap ik. Maar door programma’s als Zembla of Frontlinie weg te stoppen aan het einde van de avond op NPO2, waarop weinig mensen kijken, geef je als NPO de journalistiek niet de prioriteit die het in deze tijd verdient.”
Ervaart u een verschil in de journalistieke cultuur tussen de NOS en de VPRO?
„Zeker. De NOS heeft geen kleur, daardoor paste ik er goed. Ik heb nog steeds geen enorme behoefte om op te vallen of mijn mening op te dringen. De VPRO is een progressieve omroep. Ik voel me daar prima bij, maar ik ben geen geboren VPRO’er, die als kind Villa Achterwerk kijkend naar de vrije school ging. Mijn ouders waren conservatief, ze lazen De Telegraaf en stemden CDA. Mijn moeder werkte als psychiatrisch verpleegkundige. Mijn vader hielp in Amsterdam werklozen de arbeidsmarkt op. Ik kom niet uit een intellectueel of belezen gezin waar groots over politiek werd gefilosofeerd, al had ik dat achteraf wel fijn gevonden.”
Tim de Wit . Foto Merlijn Doomernik
Voelde u een achterstand?
„Zeker, ook in mijn studietijd. In onze familie was het niet gebruikelijk dat je naar de universiteit ging, maar mijn vader zei: je hebt een stel hersens, ga maar economie studeren. Na een half jaar dacht ik: wat doe ik hier? Ik wil niet de rest van mijn leven op de Zuidas Excel-sheets opmaken.” Na een master internationale betrekkingen solliciteerde hij bij de buitenlandredactie van de NOS. In 2010 ging hij naar Zuid-Afrika om als freelance journalist het wereldkampioneschap voetbal te verslaan :„Dat WK was historisch, Zuid-Afrikanen hadden het idee: de hele wereld kijkt eindelijk naar ons! Het was zestien jaar na de apartheid, ik zag zwarte Zuid-Afrikanen samen met witte Zuid-Afrikanen naar wedstrijden kijken. Dat ontroert me nog steeds.”
Het freelancen vanuit Zuid-Afrika komt aanvankelijk traag van de grond. „De eerste tv-reportage die ik voor de Vlaamse VRT maakte werd afgekeurd. Het ging over de taxioorlog in Johannesburg, waarbij chauffeurs elkaar doodschoten. Ik leerde meteen mijn belangrijkste journalistieke les: als je iets belooft moet je het waar kunnen maken. Ik had een verhaal gepitched over schietende taxibendes, maar dat krijg je natuurlijk niet op camera. Ik sprak alleen met mensen die erbij waren geweest, dat vonden ze saai. Ik dacht: alles stort in, ik ben blijkbaar niet goed genoeg.” Met een lach: „Dan merk je meteen dat je niet zo veel hebt meegemaakt in je leven. Eigenlijk is dat de rode draad: ik spring vaak in het diepe en ik zie wel. Daarbij kom ik mezelf vaak tegen.”
In 2011 vestigde De Wit zich als buitenlandredacteur in Berlijn, in 2015 wordt hij correspondent in Londen. Een jaar later stemmen miljoenen Britten voor Brexit. Vanaf zijn Londense balkon moet De Wit opeens dagelijks miljoenen journaalkijkers toespreken, stijf van de zenuwen. „Ze gooiden me gewoon voor de leeuwen. Ik kreeg een middagje stand-up training, thuis bij Kees van Dam. Ik weet nog dat ik zei: ‘Dit is alsof ik met jou op een veldje ergens achteraf penalty’s oefen, maar straks moet ik het live doen in een vol stadion. Ik had niet het zelfvertrouwen dat ik het kon, dat ik het überhaupt in me had. Het is zo’n overwinning op mezelf geweest, dat ik na eindeloos lang voor die camera staan, voelde: hé, ik kan dit!”
Wat voor tips gaf Van Dam u?
„Hij zei iets wat heel simpel lijkt: als Rob Trip in het Achtuurjournaal een vraag stelt, geef je in de eerste zin meteen antwoord op de vraag, dat helpt een kijker. Daarna leg je uit waarom je dat antwoord geeft, in maximaal twee alinea’s. Je sluit af met een scherpe, heldere conclusie, want de laatste zin is wat de kijker onthoudt.”
Als je dat tien keer hebt gedaan verveel je je toch kapot?
„Integendeel, ik vond het heerlijk om daarop te kauwen: hoe maak ik van deze niet uit te leggen Brexit-wet een brokje dat mijn oma van negentig ook snapt? Maar ik denk nog steeds: waarom zat dit elke avond in het journaal? Brexit was een soap met 600 afleveringen. We smulden ervan.”
Die niet-aflatende nieuwshonger tekent vijf jaar lang het leven van De Wit. Zo ook op 22 maart 2017, als een man op Westminster Bridge met een busje inrijdt op wandelaars. „Vlak voor die aanslag was ik zelf die brug overgestoken. Ik werd gebeld: waar ben je? Ik liep snel terug en wandelde de hel in. Mensen lagen dood te gaan. Twaalf minuten later ging ik per telefoon live het journaal in. Ik vond het freaky om mezelf later terug te horen. Waar was mijn emotie? In de dagen daarna kwam alles terug in nachtmerries. Dat heeft mijn gesterkt in de gedachte dat ik nooit oorlogscorrespondent moet worden. Ik kan moeilijk omgaan met zwaar menselijk leed.”
De Wit staat op, zet verse thee. In de huiskamer hangt een tekening van een gevulde glazen voorraadpot met de tekst: ‘Brexit Tears.’ In zijn Londense jaren had hij zelden tijd om te onderzoeken hoe Brexit on the ground voor Britten uitpakte. Dat maakte hij in 2022 goed in zijn boek Wankel koninkrijk, dat hij recent bewerkte tot de VPRO-serie De Wit en de Brit. In het kielzog van zijn Londense vrienden, die zowel de Britse politiek als De Wit zelf droog op de korrel nemen, trekt hij door het VK, waar goede zorg en voldoende eten voor sommige Britten een privilege zijn geworden. In de slotaflevering ontmoet hij politicus Boris Johnson. „Ik wilde hem confronteren met keiharde feiten, want Brexit is niet gegaan zoals hij arme Britten potverdorie beloofd heeft. Ik dacht: hoe lult hij zich hieruit? Maar hij ging weer wauwelen dat het allemaal fantastisch gaat.”
Dit soort kritische journalistiek staat onder druk. heeft dat invloed op u?
„Je voelt dat het wantrouwen jegens de publieke omroep en kwaliteitskranten groter wordt. Mensen stemmen op partijen die hardop zeggen dat de publieke omroep moet worden afgeschaft. Maar ik ben geen activist, daar moet echt meer voor gebeuren. Ik heb niet het idee dat de persvrijheid in Nederland nu onder grote druk staat. Ik vind het belangrijk dat mensen aan mij niet voelen wat ik stem en wat ik denk over bepaalde onderwerpen. Als je mijn boek leest snap je wel hoe ik over Brexit denk, maar ik heb, hoop ik, goed onderbouwd hoe ik tot mijn conclusies kom. Activistische journalistiek vind ik geen goede journalistiek. Zodra je vooringenomen een verhaal ingaat, ben je niet meer nieuwsgierig naar de andere kant. Zonder nieuwsgierigheid is journalistiek ten dode opgeschreven.”
Heeft u als opkomende BN’er al gênante verzoeken ontvangen?
De Wit schiet in de lach. „Een bedrijf voor thuisalarmen stuurde een bericht, of ik hun ambassadeur wilde worden. Ik doe daar natuurlijk niks mee, als journalist is het belangrijk dat je onafhankelijk blijft. Maar BN’er? Nee, ik ben gewoon een schakel in het geheel. Voor veel mensen heb ik natuurlijk het imago van een serieuze journalist. Plak je die nou per se als posterboy in een bushokje om iets te verkopen? Ik denk het niet.”
Bureau Buitenland, vanaf zondag 6 april, NPO2, 22.45 uur. En NPO Start.