Er zullen weinig mensen zijn die het vrijgeven van de markt voor online gokken, in oktober 2021, met terugwerkende kracht een groot succes zullen noemen. Oké, de gokbedrijven zelf natuurlijk wel, die alles op alles hebben gezet om zoveel mogelijk Nederlandse spelers aan zich te binden.
Maar verder? Door de massale reclames (inmiddels deels verboden) werden de gokbedrijven als nogal irritant ervaren: wie naar voetbal of schaatsen kijkt, ontkomt niet aan gokbedrijven als sponsor. Om nog maar te zwijgen over het aantal mensen dat problematische schulden heeft opgelopen of verslaafd is geraakt dankzij hun gokgedrag. Zelfs de politiek vraagt zich inmiddels af of het opengooien van de gokmarkt wel zo verstandig was.
Toch is er één partij die ontzettend blij zal zijn met de online gokmarkt. En dat is de Belastingdienst. In een paar jaar tijd is de opbrengst van de kansspelbelasting namelijk bijna verdubbeld, zo maakt het CBS deze ochtend bekend. Voor het eerst in de geschiedenis leveren kansspelen de schatkist één miljard euro op. In 2019 was dat nog 572 miljoen.
Daarna daalde de opbrengst, vooral door de coronapandemie (waardoor casino’s dicht moesten). Sinds eind 2021 de online gokmarkt openging, schoten de belastinginkomsten omhoog. Van de 1 miljard vorig jaar is volgens de fiscus een kleine 400 miljoen euro afkomstig van online gokken. Bijna de hele groei dus ten opzichte van 2019.
Dat belastinggeld wordt natuurlijk opgebracht door de gokkers. In 2024 gaven Nederlandse huishoudens 4,4 miljard uit aan gokken en kansspelen. In 2021 was dat nog 2,5 miljard.
De komende jaren, zo is de verwachting, zal de opbrengst van de kansspelbelasting verder toenemen. Niet zozeer omdat er nóg meer gokkers bij komen, maar omdat het tarief van de belasting fors wordt verhoogd. In 2024 bedroeg de kansspelbelasting nog 30,5 procent, per 1 januari 2025 is die verhoogd naar 34,2 procent, met het voornemen dit in 2026 op te voeren naar 37,8 procent.
Gokbedrijven piepen dat dit niet meer kan. Met name Holland Casino heeft het zwaar en moest al een vestiging sluiten. Maar de politiek geeft vooralsnog nauwelijks gehoor aan deze noodkreten. Het heeft er alle schijn van dat de gokmarkt een echte melkkoe aan het worden is voor de Belastingdienst. De grote vraag is: tegen welke maatschappelijke prijs?
Liveblog Economieblog
Vrijgeven online gokken leidt tot verdubbeling kansspelbelasting
In het eerste kwartaal van 2025 zijn de cao-lonen met 5,5 procent toegenomen ten opzichte van kwartaal één in 2024. Dat blijkt uit cijfers die het CBS donderdag heeft gepubliceerd. Ook de koopkracht nam, weliswaar in mindere mate, toe met 1,8 procent.
In de bedrijfstak informatie en communicatie stegen de lonen het meest met 9,6 procent. In verhuur en handel van onroerend goed, waar woningcorporaties ook onder vallen, bleven de lonen gelijk.
Bij particuliere bedrijven was de loonstijging net iets hoger dan bij gesubsidieerde instellingen, 5,7 procent tegenover 5,4 procent. Onder gesubsidieerde instellingen vallen onder andere niet-academische ziekenhuizen. De loonstijgingen liggen in die sector waarschijnlijk hoger dan je nu in de cijfers kan zien.
„Wij registreren pas als de inkt droog is”, aldus Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom bij het CBS. Het CBS neemt in de berekening dus alleen de lonen van getekende cao’s mee. Daardoor zijn een aantal voorgenomen en zeer recente loonsverhogingen niet in de cijfers van het CBS terug te zien.
Zo is er de afgelopen weken een aantal cao-overeenkomsten op hoofdlijnen gesloten. Eind maart is bijvoorbeeld afgesproken dat het loon voor apothekers van 2024 tot 2026 met 20 procent zal stijgen. Dat is het resultaat van een periode stakingen die in november 2024 begon. Voor medewerkers van ziekenhuizen is overeengekomen dat de lonen de komende twee jaar met 8 procent omhoog gaan. Deze resultaten worden binnenkort door de vakbonden aan hun leden voorgelegd. Gaan de leden akkoord, dan zullen de loonsverhogingen met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2025 ingaan.
Lees ook
Eindelijk krijgen apotheekmedewerkers meer loon: cao-akkoord bereikt
De vakbonden zijn tevreden over de loonstijgingen. „Over de hele linie zijn er stevige verhogingen geweest”, zegt CNV-voorzitter Piet Fortuin, „we zijn blij dat de apothekers een inhaalslag hebben kunnen maken en dat voor de meeste grote sectoren cao-overeenkomsten zijn gesloten. Ook is het goed dat de koopkracht van werknemers weer groter is geworden.”
Carolien Bijen, interim bestuurslid bij FNV, sluit zich hierbij aan: „We zien dat de boodschappen duurder worden dus vinden we het tijd voor koopkrachtverbetering. Ik denk dat het goed is dat werknemers er nu weer echt op vooruitgaan.”
De koopkracht en lonen nemen dus toe, maar wel in steeds mindere mate. Sinds het eerste kwartaal van 2024 groeit de koopkracht steeds iets minder hard ten opzichte van het jaar daarvoor. De groei van de cao-lonen is nog steeds hoger maar ook daar is sinds het derde kwartaal van 2024 een dalende trend te zien.
Een gesloten apotheek in Amsterdam. Enkele duizenden apotheken in het hele land waren dicht door een staking. Foto Ramon van Flymen
De bedrijven die kunstmatige intelligentie ontwikkelen, brengen Wikipedia in gevaar. Die noodkreet slaakte de Wikimedia Foundation, het moederbedrijf van de populaire online encyclopedie in een dinsdag gepubliceerd blog.
Het probleem komt voort uit de snelgroeiende populariteit van Wikipedia en van de zustersite Wikimedia Commons, waar beeld, geluid en video te vinden zijn. Maar het zijn niet in de eerste plaats ménselijke gebruikers die sinds afgelopen jaar massaal de websites van Wikimedia bezoeken en daarmee de infrastructuur zwaar belasten. Het zijn bots.
Deze computerprogramma’s worden door ontwikkelaars van AI ingezet om automatisch het internet af te grazen en zoveel mogelijk data te verzamelen voor het trainen van hun zogeheten grote taalmodellen (LLM’s). Die taalmodellen vormen de basis van systemen als ChatGPT van Open-AI, die in reactie op vragen tekst kunnen voortbrengen, en steeds meer ook beeld en geluid.
De reusachtige, door vrijwilligers bijeengebrachte collecties van Wikipedia en van Wikimedia Commons bevatten een schat aan betrouwbare informatie en zijn voor iedereen gratis te gebruiken. Dat maakt ze voor AI-bedrijven tot een aantrekkelijke bron voor hun systemen.
Andere dynamiek
De inhoud van Wikimedia, schrijven de drie auteurs in hun blog, was altijd een belangrijk onderdeel van de resultaten die mensen te zien kregen in zoekmachines. „Die leidden op hun beurt gebruikers weer naar onze websites. Maar met de opkomst van kunstmatige intelligentie (AI) verandert de dynamiek.”
De automatische systemen van de AI-bedrijven overspoelen de websites van Wikimedia, maar de chatbots vermelden vervolgens vaak niet waar ze hun informatie vandaan hebben – en ook als ze dat wél doen, levert het Wikimedia relatief weinig bezoekers op. Het grootschalige bezoek van de bots aan de websites vormt een zware belasting van de infrastructuur: het verkeer van de bots neemt veel ‘bandbreedte’ in beslag, waardoor vertraging optreedt voor iedereen – ook voor menselijke gebruikers.
Onze inhoud is gratis, maar onze infrastructuur niet
„Onze infrastructuur is erop gebouwd om bij bijzondere gebeurtenissen een plotselinge toename van menselijke bezoekers te kunnen opvangen”, stelt Wikimedia. „Maar de hoeveelheid verkeer die we krijgen door bots die het internet afschrapen is ongekend en brengt grote risico’s en kosten met zich mee.”
Risico’s omdat de technici van Wikimedia hun handen vol hebben aan het accommoderen van het grootschalige bezoek van bots, die hun honger naar data komen stillen. Daardoor hebben de technici minder tijd om bij onverwachte grote gebeurtenissen ook nog het extra menselijk bezoek aan de websites soepel te laten verlopen.
De extra kosten komen door de noodzaak meer technisch personeel in te zetten en bovendien meer bandbreedte beschikbaar te maken. „We erkennen dat het hele internet gebruikmaakt van onze inhoud, maar het moet wel gebeuren op een manier die voor ons vol te houden is”, aldus Wikimedia. „Onze inhoud is gratis, maar onze infrastructuur niet.” De Wikimedia Foundation wordt bijna volledig gefinancierd door donaties.
Server dichtbij
Wikimedia maakt gebruik van datacenters verspreid over de wereld, om zijn gebruikers snel te kunnen bedienen. Als bijvoorbeeld een artikel op Wikipedia vaak door een gebruiker of groep van gebruikers wordt opgevraagd, wordt de inhoud opgeslagen op een server dicht bij die gebruikers, zodat het snel geleverd kan worden. Artikelen die zelden opgevraagd worden, blijven op een centrale server staan. Worden ze toch een keer opgevraagd, dan moet het verzoek eerst helemaal naar dat datacenter ‘reizen’, en het artikel vervolgens weer terug naar de gebruiker, wat meer tijd en geld kost.
Menselijke gebruikers vragen vaak dezelfde artikelen op, bijvoorbeeld omdat de onderwerpen in het nieuws zijn. Maar de bots van de AI-bedrijven zijn geïnteresseerd in álle content, dus ook de minder populaire pagina’s, waarvoor ze vaak naar de centrale servers geleid moeten worden, „wat het voor ons duurder maakt”, aldus Wikimedia. Zo „verstikken de AI-bots Wikipedia”, schrijft technologie-columnist Casey Newton in zijn nieuwsbrief Platformer.
Lees ook
De stichting achter het idealistische Wikipedia nam een commerciële afslag
Net als voor nieuwsbedrijven speelt ook voor Wikipedia het probleem dat de AI-bedrijven zich snel ontwikkelen tot concurrerende bronnen van informatie. Naarmate het gebruik van chatbots voor het verzamelen van informatie verder ingeburgerd raakt, dreigt de gewoonte om te rade te gaan bij nieuwswebsites en Wikipedia allengs in onbruik te raken. „Op den duur ontstaat het risico dat de AI-bots ervoor zorgen dat een bezoek aan websites als Wikipedia niet meer nodig is”, schrijft Newton, „en dat Wikipedia zelf niet meer voortgezet kan worden.” Waarmee de bots dan de bron hebben opgedroogd waar ook zij zelf uit drinken.
De bonus voor het topmanagement van Nederlands grootste bedrijven hangt in toenemende af van resultaten op het gebied van CO2-reductie, diversiteit en circulaire economie – naast de financiële prestaties. Dat blijkt uit onderzoek van accountant KPMG dat maandag is gepubliceerd.
Grote bedrijven hebben vooral hun duurzaamheidsambities verbreed, stelt Vera Moll vast, directeur duurzaamheidsrapportage bij KPMG. Bleven die ambities eerder beperkt tot zaken binnen de directe controle, zoals energieverbruik of diversiteit op het eigen hoofdkantoor, nu strekken ze verder. „Bijvoorbeeld verbetering van minimale arbeidsvoorwaarden bij toeleveranciers.”
De beloning van bestuurders is een belangrijk instrument bij het behalen van bedrijfsdoelen. Volgens Moll kunnen bestuurders over duurzaamheid „ambitieus” communiceren, maar zodra ze er persoonlijk bij winnen, wordt het „sneller een belangrijk onderdeel van hun werk. Uiteindelijk geldt voor de meeste mensen – en dus ook voor bestuurders – dat financiële prikkels het meest motiveren.”
Vijftien landen
KPMG baseert zijn conclusies op onderzoek naar de jaarverslagen over 2023 van grote ondernemingen in vijftien landen. In negen EU-landen, waaronder Nederland, plus de Verenigde Staten, China, Japan, Canada, Australië en het Verenigd Koninkrijk nam het steeds de 25 grootste bedrijven onder de loep. Voor Nederland deed KPMG ook al een jaar eerder dit onderzoek, wat het mogelijk maakt de vooruitgang te meten.
Uit het onderzoek in de vijftien landen blijkt dat bijna 80 procent van de bedrijven duurzaamheid laat meetellen in de beloning. Frankrijk scoort het hoogst: daar doen alle 25 onderzochte bedrijven dit. In de VS zijn dat er slechts 11.
Dat een bedrijf duurzaamheidsprestaties koppelt aan de bestuurdersbeloning, is voor KPMG niet alleen maatgevend. Ook de aard van die doelen telt bij de beoordeling, legt Moll uit. Ze noemt het voorbeeld van een bedrijf dat veel milieuschade veroorzaakt, maar managers beloont op basis van het aantal veiligheidstrainingen dat medewerkers hebben gevolgd. „Dat klinkt goed, maar is dat het onderwerp waarop je de top moet afrekenen?”
Ander voorbeeld: de hinder die mensen ondervinden van de bedrijfsvoering. Denk aan omwonenden van een fabriek die last hebben van luchtvervuiling. Moll ziet in Nederland vooruitgang: „Eerst was er geen enkel bedrijf dat dit koppelde aan bonussen; nu zijn het er vier.”
Vrouwen in management
Hoewel KPMG in zijn rapport geen bedrijven noemt, valt voor Nederlandse concerns wel enigszins te achterhalen in hoeverre duurzaamheidsdoelen meewegen in de beloning van bestuurders. De wet verplicht immers te vermelden waarop die is gebaseerd.
Zo vermeldt het jaarverslag van Philips dat duurzaamheidsdoelen in 2023 voor een kwart de bonus van bestuurders bepalen. Een jaar eerder was dat nog 10 procent. En verfmaker AkzoNobel rekent het management af op langetermijndoelen als 50 procent minder CO20-uitstoot en 100 procent circulaire bedrijfsprocessen in 2030. Wel wegen bij alle 25 onderzochte bedrijven de financiële prestaties nog zwaarder dan die op duurzaamheidsvlak.
Uit diezelfde jaarverslagen blijkt dat bedrijven concreter worden waar het gaat om duurzaamheid, sociaal beleid en goed ondernemingsbestuur. Zo splitst chipmachinemaker ASML doelen op het gebied van diversiteit nu uit naar ‘instroom van vrouwen’ en ‘vrouwen in management’.
Mogelijk houden de veranderingen verband met de nieuwe Europese richtlijn CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive). Die verplicht grote bedrijven sinds vorig jaar tot uitgebreide duurzaamheidsrapportage. Overigens is die richtlijn niet doorslaggevend; het Verenigd Koninkrijk en Australië koppelen de beloning van de top ook vaak aan duurzaamheidsmaatregelen. Na Frankrijk scoren deze niet-EU-landen het best.
Intrinsieke motivatie
Naast strengere wetgeving ziet Moll zeker ook intrinsieke motivatie. Zo kunnen oorlogen of klimaatverandering logistieke ketens of de verwerving van grondstoffen verstoren. „Als je daarop wilt sturen, moet je gegevens verzamelen. Het helpt als de bonus van de top ermee samenhangt.”
Door de nieuwe Europese richtlijn zijn duurzaamheidsprestaties beter te controleren. Bedrijven die onder de CSRD-richtlijn vallen, zijn verplicht hun data aan een beperkte externe toets te laten onderwerpen.
In zijn rapport maakt KPMG ook kritische kanttekeningen. Van de 375 onderzochte bedrijven koppelen er nog steeds 83 helemaal géén duurzaamheidsdoelen aan beloningen. In Nederland zijn dat er drie. Moll: „Dat lijkt niet veel, maar ze behoren wel tot de grootste bedrijven hier. Dan mag je verwachten dat ze vooroplopen, niet dat ze achterblijven.” Moll vindt dat een verkeerd signaal: „Je geeft als bedrijf dan toch de boodschap af dat je het onderwerp minder belangrijk vindt.”
De grote vraag is hoe het duurzaamheidsstreven zich gaat ontwikkelen nu de politieke tegenwind toeneemt. De regering-Trump liet ambassades zojuist nog brieven naar Europese bedrijven versturen met de waarschuwing dat ze hun diversiteitsbeleid moesten schrappen als ze nog zaken willen blijven doen met de Amerikaanse overheid.
De grote bedrijven waarnaar KPMG onderzoek deed, zijn nagenoeg alle mondiaal actief. Moll ziet in de jongste jaarverslagen al voorzichtiger taalgebruik, bijvoorbeeld door de expliciete vermelding dat het bedrijfsbeleid afhankelijk is van „lokale wet- en regelgeving”.
Vooralsnog gaat het alleen nog om formuleringen, en geen concrete aanpassing van beleid. „Maar”, zegt Moll, „het staat wel onder druk. Dat zien wij ook.”
Blijft staan dat duurzaamheid oprukt als onderdeel van de bedrijfsvoering. Bedrijven zien het als een manier om toekomstbestendig te worden, zegt Moll. „Een klant zei laatst: The train has left the station. En daar sluit ik me volledig bij aan.”